← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.1 Rolnummer: F.08.0041.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2010-01-05 Raadplegingen: 734 - laatst gezien 2026-07-02 20:46 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091210.1 Fiche 1 Een lokale belasting die is gestoeld op één van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen, is een verboden "gelijkaardige belasting" in de zin van artikel 464, 1°, van het W.I.B.

(1992)
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Algemeen (lokale belastingen) Vrije woorden: Lokale overheden - Recht tot belastingheffing - Inkomstenbelastingen - Verboden gelijkaardige belasting Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 464, 1° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Een gemeentebelasting op vertoningen en vermakelijkheden die wordt berekend op de verwezenlijkte omzet, verminderd met de daarop toegepaste belasting op de toegevoegde waarde, is een verboden gelijkaardige belasting in zoverre de omzet een essentieel element uitmaakt dat in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van de grondslag van de inkomstenbelasting die wordt geheven ten laste van de schuldenaar van die Belasting
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Algemeen (lokale belastingen) Vrije woorden: Lokale overheden - Recht tot belastingheffing - Inkomstenbelastingen - Verboden gelijkaardige belasting - Gemeentebelasting op vertoningen en vermakelijkheden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 464, 1° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Algemeen (lokale belastingen) Vrije woorden: Lokale overheden - Recht tot belastingheffing - Inkomstenbelastingen - Verboden gelijkaardige belasting Lokale overheden - Recht tot belastingheffing - Inkomstenbelastingen - Verboden gelijkaardige belasting - Gemeentebelasting op vertoningen en vermakelijkheden Tekst van de beslissing Nr. F.08.0041.N STAD LEUVEN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoren in het stadhuis te 3000 Leuven, Grote markt 9, eiseres, met als raadsman mr. Bert Beelen, advocaat bij de balie te Leuven, met kantoor te 3000 Leuven, Justus Lipsiusstraat 24, tegen STUDIO FILMTHEATERS, naamloze vennootschap, met zetel te 3000 Leuven, Brabançonnestraat 25, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 januari 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 464 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB92). Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren de door de eiseres op de verweerster gevestigde belastingaanslagen niet rechtsgeldig en verklaren op die grondslag het hoger beroep van de eiseres tegen het vonnis gewezen in eerste aanleg ongegrond in essentie op de gronden dat de belasting op filmvoorstellingen gevestigd wordt op de door de verweerster verwezenlijkte omzet en dat de belastbare winst, die de grondslag vormt voor de vestiging van de personenbelasting of vennootschapsbelasting, uit die omzet bestaat, omzet waarop de kosten in mindering worden gebracht. Die omzet vormt volgens de appelrechters dan ook één van de essentiële bestanddelen die rechtstreeks de grondslag van de personenbelasting of vennootschapsbelasting bepalen. Deze belasting op filmvoorstellingen is volgens de appelrechters dus een belasting die gelijkaardig is aan de personenbelasting of vennootschapsbelasting, nu zij wordt gevestigd op één van de essentiële bestanddelen die rechtstreeks de grondslag van de personenbelasting of vennootschapsbelasting bepaalt. Uit dien hoofde is deze belasting op filmvoorstellingen strijdig met artikel 464, 1°, WIB92. De appelrechters steunen hun beslissing op de volgende overwegingen: "
  1. b)Wat de grondwettelijke fiscale autonomie van de gemeente en de beweerde schending van artikel 464, 1°, WIB92 met betrekking tot de dienstjaren 2001 en 2002 betreft. Appellante wijst erop dat de gemeentelijke fiscale autonomie erg ruim is. Behoudens hetgeen de wetgever expliciet, impliciet of onrechtstreeks aan de belastingbevoegdheid heeft onttrokken, zal de gemeente in beginsel gelijk welke belasting kunnen instellen. De belangrijkste specifieke verbodsbepaling is artikel 464, 1°, WIB92, waarin aan de gemeenten het verbod wordt opgelegd om opcentiemen te heffen op de personenbelasting (P.B.), de vennootschapsbelasting (Venn. B.), de rechtspersonenbelasting en de belasting der niet-inwoners of om gelijkaardige belastingen te heffen op de grondslag of het bedrag van deze belastingen, met uitzondering evenwel voor wat de onroerende voorheffing betreft. Deze verbodsbepaling werd ingesteld door artikel 34 van de wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën. Appellante pleit ervoor een teleologische interpretatie van artikel 464, 1°, WIB92 toe te passen zodat de bedoeling van de wetgever, in casu uit 1948, wordt nagegaan. Appellante meent dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 1948 duidelijk blijkt dat de wetgever de belasting op vertoningen en vermakelijkheden, zoals de belasting op de filmvoorstellingen er één is, buiten de toepassing van de verbodsbepaling van artikel 464, 1°, WIB92 heeft willen laten. Nu het bestreden vonnis de ratio legis van het huidige artikel 464, 1°, WIB92 volledig miskent en er een draagwijdte aan geeft die volstrekt in strijd is met degene die de wetgever van 1948 eraan heeft willen toekennen, meent appellante dat deze beslissing moet worden hervormd. Artikel 464, 1°, WIB92 houdt het verbod in voor de gemeenten om belastingen te heffen die gelijkaardig zijn aan de personenbelasting of vennootschapsbelasting en op dezelfde grondslag worden gevestigd. In deze wordt de door appellante geheven belasting op filmvoorstellingen gevestigd op de door geïntimeerde verwezenlijkte omzet, verminderd met de btw. Volkomen terecht merkte de eerste rechter op dat de belastbare winst, die de grondslag vormt voor de vestiging van de personenbelasting of vennootschapsbelasting, uit die omzet bestaat, omzet waarop de kosten in mindering worden gebracht. Onbetwistbaar vormt die omzet één van de essentiële bestanddelen die rechtstreeks de grondslag van de personenbelasting of vennootschapsbelasting bepalen. Derhalve maakt de door appellante geheven belasting op filmvoorstellingen een belasting uit die gelijkaardig is aan de personenbelasting of vennootschapsbelasting, nu zij wordt gevestigd op één van de essentiële bestanddelen die rechtstreeks de grondslag van de personenbelasting of vennootschapsbelasting bepaalt. Uit dien hoofde is deze belasting op filmvoorstellingen strijdig met artikel 464, 1°, WIB92. Voor het overige verwijst het hof naar de oordeelkundige overwegingen van de eerste rechter die het tot de zijne maakt. Met reden kwam de eerste rechter tot het besluit dat hij het belastingreglement van appellante op de filmvoorstellingen van 26 november 2001, dat in strijd is met de wet, op grond van artikel 159 van de Grondwet niet kon toepassen en dat de op basis van dit belastingreglement van appellante voor de dienstjaren 2001 en 2002 geheven belastingen op filmvoorstellingen ten onrechte werd geheven". Grieven In zoverre de appelrechters oordelen dat de belasting op filmvoorstellingen gevestigd wordt op de door verweerster verwezenlijkte omzet en dat de belastbare winst, die de grondslag vormt voor de vestiging van de personenbelasting of vennootschapsbelasting, uit die omzet bestaat, omzet die volgens de appelrechters dan ook één van de essentiële bestanddelen vormt die rechtstreeks de grondslag van de personenbelasting of vennootschapsbelasting bepalen en deze belasting op filmvoorstellingen, gevestigd op één van de essentiële bestanddelen die rechtstreeks de grondslag van de personenbelasting of vennootschapsbelasting bepalen, bijgevolg een belasting is die gelijkaardig is aan de personenbelasting of vennootschapsbelasting en aldus strijdig is met artikel 464, 1°, WIB92, schenden de appelrechters artikel 464 van het WIB92 in die zin dat een belasting die gevestigd is op bruto-inkomsten, waarbij geen aftrek van (beroeps)kosten mogelijk is, zoals dit het geval is bij de door de eiseres gevestigde belasting op filmvoorstellingen, niet in strijd is met artikel 464, 1°, WIB92. Op basis van de ratio legis van artikel 464, 1°, WIB92, namelijk de fiscale vereenvoudiging, dient de grondslag van de inkomstenbelastingen in enge zin geïnterpreteerd te worden, d.w.z. als het cijferkundig resultaat zoals het op basis van het WIB92 wordt berekend. Deze grondslag, zijnde het cijferkundig resultaat zoals het op basis van het WIB92 wordt berekend, is steeds een netto-inkomen, bestaande uit alle belastbare inkomsten verminderd met de aftrekbare kosten. Gemeente- en provinciebelastingen geheven op forfaitaire basis, op bruto-inkomsten (zoals de door eiseres gevestigde belasting op filmvoorstellingen) of op een andere grondslag dan inkomen (b.v. oppervlakte) zijn bijgevolg niet in strijd met artikel 464, 1°, WIB 1992. Aangezien de appelrechters artikel 464, 1°, WIB92 niet op de juiste manier hebben geïnterpreteerd, d.w.z. de grondslag van de inkomstenbelastingen niet in enge zin hebben geïnterpreteerd, hebben zij ten onrechte de door de eiseres gevestigde belasting op filmvoorstellingen, die gevestigd werd op bruto-inkomsten (zonder de mogelijkheid tot aftrek van kosten), in strijd met artikel 464, 1°, WIB92 bevonden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 464, 1°, van het WIB92 zijn de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van de niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft. 2. Een lokale belasting die is gestoeld op een van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen, is een verboden gelijkaardige belasting. 3. Een gemeentebelasting op vertoningen en vermakelijkheden die wordt berekend op de verwezenlijkte omzet, verminderd met de daarop toegepaste belasting op de toegevoegde waarde, is een verboden gelijkaardige belasting in zoverre de omzet een essentieel element uitmaakt dat in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van de grondslag van de inkomstenbelasting die wordt geheven ten laste van de schuldenaar van die belasting. 4. De appelrechters stellen vast dat de door de eiseres geheven belasting op filmvoorstellingen gevestigd wordt op de door de verweerster verwezenlijkte omzet, verminderd met de belasting op de toegevoegde waarde en dat die omzet een van de essentiële bestanddelen vormt die rechtstreeks de grondslag van de perso¬nenbelasting of vennootschapsbelasting bepalen. 5. Op grond van die vaststellingen hebben de appelrechters naar recht kunnen beslissen dat de door de eiseres geheven belasting strijdig is met voormeld artikel 464, 1°. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 148,39 euro jegens de eisende partij en op de som van 83,23 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 10 december 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091210.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110505.15 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120524.5 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120524.6 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120524.7 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120524.9 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130919.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140314.1 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140213.7 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150903.5 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160616.7 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180420.6 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210517.3F.6 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.