← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.3 Rolnummer: F.08.0007.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2010-01-05 Raadplegingen: 669 - laatst gezien 2026-07-02 20:47 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091210.3 Fiche 1 Als een aanslag is vernietigd wegens schending van een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, kan een nieuwe aanslag worden gevestigd op grond van dezelfde belastingelementen of een gedeelte ervan; dit impliceert dat de administratie slechts tot hertaxatie kan overgaan wanneer de aanslag vernietigd of ontheven wordt wegens de schending van een wettelijke regel, maar dat de administratie zulks niet kan indien de aanslag is vernietigd of ontheven omdat de directeur of de fiscale rechter oordeelt dat de door de fiscus belaste inkomsten niet belastbaar zijn of dat de door de belastingschuldige aangegeven bedrijfslasten, die door de belastingadministratie werden verworpen, wel degelijk fiscaal aftrekbaar zijn

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Ontheffing UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslagprocedure FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Rechten - voorrechten Schatkist - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Verjaring (fiscaal recht) - Algemeen Vrije woorden: Nietig verklaarde aanslag - Nieuwe aanslag Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 355 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Ontheffing UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslagprocedure FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Rechten - voorrechten Schatkist - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Verjaring (fiscaal recht) - Algemeen Vrije woorden: Nietig verklaarde aanslag - Nieuwe aanslag Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Fiscaal Recht [T.F.R] - SYMOENS, Hans; Noot "Vernietiging versus ontheffing (bis)" - 2017, nr. 523, p. 490-
  1. Tijdschrift voor Fiscaal Recht [T.F.R.] - SYMOENS, Hans; Noot "Vernietiging versus ontheffing (bis)" - 2017, nr. 523, p. 490-
  2. Tekst van de beslissing Nr. F.08.0007.N
  3. R. D., en
  4. C. L., eisers, vertegenwoordigd door mr. Frank Vanbiervliet, advocaat bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 8A/01, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der directe belastingen, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 oktober 2007 gewezen door het hof van beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van rechterlijk gewijsde (in directe belastingen), te dezen van het vonnis van 17 december 2001; - de artikelen 23 tot 27 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 355 WIB92, zoals ingevoerd door het koninklijk besluit van 10 april 1992, bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992 en zoals van toepassing op de aanslagjaren 1995, 1996 en 1997, d.w.z. vóór de wijziging door artikel 20 van de wet van 15 maart 1999; - artikel 49 WIB92, zoals ingevoerd door het koninklijk besluit van 10 april 1992, bekrachtigd bij wet van 12 juni
  5. Aangevochten beslissingen In een eerste middel voor het hof van beroep hebben de eisers de schending ingeroepen van artikel 355 WIB
  6. Zij zijn de mening toegedaan dat de administratie, gelet op het vonnis van 17 december 2001 dat de litigieuze aanslagen vernietigde wegens willekeur omdat de aangegeven beroepskosten zonder enige opmerking dienaangaande werden verminderd, geen nieuwe aanslagen kon vestigen. Dienaangaande beslist het arrest a quo, dat (zulke nietigheid) tot het besluit leidt dat, wanneer de administratie in toepassing van artikel 355 WIB92 overgaat tot hertaxatie, zij de nieuwe aanslagen kan vestigen op grond van dezelfde belastingelementen of een gedeelte ervan, mits zij zich ditmaal niet schuldig maakt aan "het ongemotiveerd en arbitrair verminderen van de beroepskosten zonder hiervoor enige opmerking te maken". Dat hierbij dan het gewijsde van het vonnis van 17 december 2001 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge wordt geëerbiedigd. Dat ongenuanceerd stellen, zoals de eisers het doen, dat niet tot hertaxatie kan worden overgegaan nadat de eerste aanslagen werden vernietigd wegens willekeur, onjuist is. Dat dit ook niet is wat werd beslist bij arrest van het Hof van Cassatie van 12 maart 2004 (Pas., 2004, nr. 80, p. 61). Volgens de appelrechters is, zo de berichten van wijziging voorafgaand aan de eerste, vernietigde aanslagen, een quasi identieke inhoud hebben als de berichten van wijziging ter voorbereiding van de thans bestreden aanslagen met kohierartikelen 200.261, 200.271 en 200.291, de omstandigheid niet meer voorhanden die in het vonnis van 17 december 2001 als willekeurig werd beschouwd, namelijk het ongemotiveerd en arbitrair verminderen van de beroepskosten tot een bedrag gelijk aan de brutowinsten zonder hierover enige opmerking te maken. De hertaxaties (aanslagen met kohierartikelen 200.261, 200.271 en 200.291) zijn niet meer behept met hetzelfde als willekeurig beschouwd euvel, en bij deze hertaxatie wordt het gewijsde van het vonnis van 17 december 2001 dan ook niet geschonden, en kon de administratie tot hertaxatie overgaan in toepassing van artikel 355 WIB
  7. Deze hertaxaties gebeurden niet op basis van een als willekeurig beschouwd element in de vorige aanslagjaren, namelijk de in deze vorige aanslagen door de administratie begrote beroepskosten. Om tot dit besluit te komen overwegen de appelrechters "dat het opvalt dat in de thans bestreden aanslagen 200.261, 200.271 en 200.291, waarbij de administratie overging tot hertaxatie na vernietiging van de vorige aanslagen bij het vermelde vonnis van 17 december 2001, anders dan in deze vorige aanslagen, niet langer de beroepskosten bepaalt op een bedrag gelijk aan de brutowinst van de appellante (de eiseres) L.C., om door aftrek van deze beroepskosten van de brutowinsten tot een belastbaar inkomen van nul te komen. Er wordt in deze nieuwe aanslagen geen melding gemaakt noch van brutowinst, noch van beroepskosten in hoofde van appellante. In de berichten van wijziging van aangifte die de aanslagen met kohierartikelen 200.261, 200.271 en 200.291 voorbereiden, wordt telkens gesteld dat het nettoverlies gebracht wordt op nul en wordt aangehaald dat de belastingplichtige die een beroepsverlies van zijn in andere werkzaamheden behaalde beroepsinkomsten wil aftrekken, het bestaan en het beroepskarakter van het aangevoerde verlies moet bewijzen. Er wordt aan toegevoegd dat het bewijs van de werkelijkheid en het bedrag van het aftrekbaar beroepsverlies met alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed, mag worden geleverd. Vervolgens wordt gesteld dat het verlies niet wordt bewezen nu de boekhouding niet bewijskrachtig is (om de in het bericht aangehaalde redenen) en met het aangegeven verlies geen rekening zal worden gehouden. Uit dit alles moet worden afgeleid dat de administratie in de aanslagen met kohierartikelen 200.261, 200.271 en 200.291 niet langer (zoals in de vernietigde aanslagen) het verlies op nul bepaalt door de beroepskosten te begroten op een bedrag gelijk aan dat van de brutowinsten, maar het verlies verwerpt omdat dit verlies niet wordt bewezen. Het verwerpen van de boekhouding, het herleiden van het resultaat van de operatie brutowinst min beroepskosten tot nul, het niet weerhouden van enige nettowinst, en het niet vermelden van enige berekening die er op zou kunnen wijzen dat de administratie van een brutowinst een aan die brutowinst gelijk bedrag aan beroepskosten in mindering brengt, leidt noodzakelijkerwijze tot het besluit dat de administratie te dezen uit het verwerpen van de boekhouding afleidt dat noch winst noch verlies vaststaat. Dit houdt in die omstandigheden in dat de administratie geen winst bewijst en dat de appellanten (de eisers) geen beroepskosten bewijzen. Het is de administratie toegelaten om de beroepskosten te verwerpen op grond van het feit dat de boekhouding niet bewijskrachtig is. Verder heeft de administratie ook geen winst weerhouden in hoofde van de appellante. Nergens wordt door de administratie gesteld dat enige winst wordt weerhouden. Niet alleen wordt de door de appellanten aangegeven brutowinsten door de administratie niet weerhouden, wat kan toegeschreven worden aan de logica van de verwerping van de boekhouding, maar bovendien heeft de administratie ook geen bewijsmiddelen aangewend om aan te tonen of er dan wel een brutowinst was, en in welke mate. Doordat aldus geen winst wordt weerhouden en ook geen verlies wordt weerhouden is het resultaat van de bewerking brutowinst min beroepskosten noodzakelijkerwijze nul, hetgeen aldus door de administratie kon worden aangenomen zonder de wet of enig algemeen rechtsbeginsel te schenden. Hierbij wordt aan de appellanten (de eisers) niet opgelegd te bewijzen welk zijn brutowinst is, en evenmin dat zijn beroepskosten hoger zijn dan zijn brutowinst. Noch brutowinst noch beroepskosten staan vast, gegevens waarvoor elke partij zijn wettelijke bewijslast blijft dragen (de administratie wat de brutowinst betreft en de appellanten wat de beroepskosten betreft)". Grieven
  8. De voorliggende rechtsvraag is of de administratie gerechtigd is zonder schending van het gezag van gewijsde van het vonnis van 17 december 2001 en van artikel 355 WIB92 nieuwe aanslagen te vestigen, wanneer het daaraan voorafgaand vonnis de aanslagen heeft vernietigd wegens willekeur omdat beroepskosten zonder enige opmerking werden verworpen, en of de fiscus aan deze kritiek van willekeur kan ontsnappen door in zijn nieuwe aanslagen enerzijds geen bruto-inkomsten te weerhouden en anderzijds evenmin beroepskosten te weerhouden.
  9. Volgens de aangiften bedragen de beroepskosten van de eiseres voor de litigieuze aanslagjaren : aj. 1995 : 4.179.672 frank; aj. 1996 : 4.341.245 frank; aj. 1997 : 3.316.689 frank (in het bericht van wijziging van 9 maart 19988 verminderd met 26.716 frank + 36.000 frank). De daaruit voortvloeiende beroepsverliezen die de eisers telkens onder code 632 van hun aangiften hebben opgenomen worden als volgt verworpen in de berichten van wijziging voorafgaand aan de vernietigde aanslagen: aj. 1995 : code 632 (winst) wordt 0 frank ipv. code 633 (verlies) - 931.178 frank; aj. 1996 : code 632 (winst) wordt 0 frank ipv. code 633 (verlies) - 1.602.061 frank; aj. 1997 : code 633 (verlies) wordt 0 frank, telkens onder de motivering dat het bewijs van de werkelijkheid van het aangehaalde verlies niet werd bewezen, immers de enkelvoudige boekhouding is niet bewijskrachtig, om de verder in de berichten aangehaalde redenen. Uit de daaropvolgende berekeningsnota's blijkt dat de aangegeven winsten worden weerhouden maar dat de kosten even groot zijn, de nettowinsten derhalve nul zijn. Het vonnis van 17 december 2001 heeft geoordeeld dat door aldus te handelen, de administratie de beroepskosten beperkt tot een bedrag gelijk aan de aangegeven brutowinsten (hetgeen trouwens blijkt uit de berekeningsnota's van de betwiste aanslagen), zodat de winst (of verlies) nul is. Deze beperking van de aangegeven kosten is ongemotiveerd, derhalve op niets gesteund, dus willekeurig. De daarop gesteunde aanslagen zijn derhalve nietig. De berichten van wijziging na het vonnis van 17 december 2001 en voorafgaand aan de hertaxaties zijn identiek aan deze daaraan voorafgaand: dezelfde codes 632 en 633 worden opgegeven en gewijzigd, om precies dezelfde redenen als aangehaald in de eerdere berichten van wijziging. Uit de daaropvolgende berekeningsnota's is evenwel elke verwijzing naar (inkomsten en kosten van) de eiseres verdwenen, alsof zij nooit heeft gewerkt. Artikel 355 WIB92, zoals van toepassing tijdens de betwiste aanslagjaren, bepaalt dat ‘wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, de administratie kan, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds verlopen is, ten name van dezelfde belastingschuldigde, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen (...)'. ‘Dezelfde belastingelementen' zijn alle positieve en negatieve materiële elementen die de belastbare grondslag vormen. Wanneer een meerwinst willekeurig werd vastgesteld omdat de fiscus steunde op onjuiste gegevens en de taxatie op deze meerwinst om deze reden werd tenietgedaan, dan belet het feit dat dezelfde belastingelementen alle positieve en negatieve materiële elementen zijn die de belastbare grondslag vormen, dat een nieuwe aanslag zou worden gevestigd. Volgens de appelrechters maakt de fiscus zich door de hertaxaties echter niet opnieuw schuldig aan een arbitraire vermindering van de beroepskosten omdat de nieuwe aanslagen geen melding maken van brutowinsten noch van beroepskosten, en de fiscus enerzijds gerechtigd is de beroepskosten te verwerpen op grond van het feit dat de boekhouding niet bewijskrachtig is, en hij anderzijds geen brutowinst weerhoudt. Dit neemt echter niet weg dat de fiscus, door aldus te handelen, in strijd met het gezag van gewijsde, met de artikelen 23 tot 27, van het Gerechtelijk Wetboek en met artikel 355 WIB92 niet alle negatieve materiële elementen van de willekeurig belastbare grondslag heeft overgenomen. Het feit dat de positieve materiële elementen niet worden overgenomen kan daaraan niets veranderen. Het feit dat de boekhouding onbewijskrachtig is kan daaraan evenmin afbreuk dien aangezien dit de administratie niet toelaat de wettelijke bepalingen van artikel 355 WIB92 te schenden. M.a.w., de fiscus, en na hem het hof van beroep, kan de kritiek dat de beroepskosten op willekeurige wijze werden herleid tot een bedrag gelijk aan de beroepsinkomsten, niet ontlopen door ze nu tot nul te herleiden, onder voorwendsel dat ook de inkomsten tot nul werden herleid. Het gezag van gewijsde verzet er zich immers tegen dat de beroepskosten ongemotiveerd en arbitrair worden herleid tot een bedrag gelijk aan de inkomsten, a fortiori tot nul. De kritiek is dan ook dat de appelrechters het gezag van gewijsde van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 17 december 2001, de artikelen 23 tot 27, van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 355 WIB92, zoals van toepassing tijdens de aanslagjaren 1995, 1996 en 1997, en artikel 49 WIB92, schenden doordat zij oordelen dat de hertaxaties niet meer behept zijn met hetzelfde als willekeurig beschouwd euvel, namelijk de verwerping van de beroepskosten zonder onderzoek noch reden, omdat de nieuwe aanslagen geen melding maken van brutowinsten noch beroepskosten en de kosten mogen worden verworpen op grond van een onbewijskrachtige boekhouding, terwijl artikel 355 WIB92 integendeel vereist dat de nieuwe aanslag o.a. op dezelfde negatieve materiële elementen wordt gevestigd, hetgeen de opname van dezelfde reeds willekeurig beperkte beroepskosten impliceert (schending van de in het middel aangeduide bepalingen), en het gezag van gewijsde vereist dat een afgewezen partij niet nogmaals haar gelijk kan bewijzen d.m.v. een nieuwe procedure. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 340 WIB92, zoals ingevoerd door het koninklijk besluit van 10 april 1992, bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992; - artikel 1349 van het Burgerlijk Wetboek; - de algemene regels inzake bewijslast inzake fiscale zaken; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 49 WIB92, zoals ingevoerd door het koninklijk besluit van 10 april 1992, bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992; - artikel 23, §2, 2°, WIB92, zoals ingevoerd door het koninklijk besluit van 10 april 1992, bekrachtigd bij wet van 12 juni
  10. Aangevochten beslissingen Het arrest a quo beslist dat appellanten (de eisers) tevergeefs voorhouden dat de bestreden aanslagen willekeurig en nietig zouden zin omdat de administratie het bedrijfsverlies heeft verhoogd tot een noch winst/noch verliessituatie, en dit niet op een gemotiveerde en voor de belastingplichtige controleerbare wijze heeft gedaan. Zoals hoger aangehaald heeft de administratie, die de bewijslast draagt wat de brutowinst betreft, geen brutowinst weerhouden, terwijl de appellanten (de eisers) ook niet het bewijs leveren van de beroepskosten. De administratie heeft in de berichten van wijziging de motieven opgegeven waarom zij deze beroepskosten niet heeft aanvaard, namelijk de verwerping van de boekhouding om de in de berichten van wijziging aangegeven redenen, met het gevolg dat het bedrijfsverlies niet was bewezen. Grieven
  11. De rechtsvraag die voorligt is te weten of de fiscale administratie louter op grond van het feit dat de boekhouding niet bewijskrachtig is en zonder dat beroep werd gedaan op een systeem dat een gebrek aan bewijskrachtige gegevens veronderstelt, het aangegeven (overdraagbaar) beroepsverlies tot nul kan herleiden.
  12. Een belastbare basis is per definitie de resultante van de bruto-inkomsten minus de aftrekbare kosten. Daaruit volgt dat dergelijke basis slechts kan worden gewijzigd door hetzij de bruto-inkomsten te verhogen, hetzij de aftrekbare kosten te verminderen. Dit principe is niet anders in geval van een aangegeven verlies, aangezien dit eveneens de resultante is van een bruto-inkomen minus aftrekbare kosten. Dergelijk verlies kan derhalve slechts worden herleid (tot nul) door ofwel de brutowinst te verhogen, ofwel de beroepskosten te verwerpen. Dit niet aanvaarden zou elke betekenis ontnemen aan het wettelijk voorziene (overdraagbaar en aftrekbaar) bedrijfsverlies. Het loutere feit dat de voorgelegde boekhouding als niet bewijskrachtig van de hand wordt gedaan, laat de administratie niet toe te besluiten dat zowel de belastbare basis als het overdraagbaar verlies nihil zijn, d.w.z. dat, ofwel de kosten slechts gelijk zijn aan de brutowinsten (verminderd moeten worden tot een bedrag gelijk aan de brutowinsten), ofwel de brutowinst moet verhoogd worden tot een bedrag gelijk aan de aangegeven of weerhouden beroepskosten. Daaraan doet geen afbreuk, het feit dat de administratie de bewijslast draagt van de brutowinst omdat zij ten deze de brutowinst niet zou hebben verhoogd, maar integendeel tot nul heeft herleid. Dit impliceert immers dat ook de beroepskosten werden verminderd (tot een bedrag gelijk aan de brutowinst). Alhoewel de eisers de bewijslast hebben van deze beroepskosten, vermag de fiscus deze laatste niet te wijzigen op grond van het loutere feit dat de boekhouding onbewijskrachtig is, noch op grond van het feit dat de brutowinsten nihil zouden zijn. De kosten moeten immers op hun eigen merites, d.w.z. hun echtheid en hun beroepsmatig karakter overeenkomstig artikel 49 WIB92, worden beoordeeld. De kritiek op het vonnis a quo komt er dan ook op neer dat dergelijk besluit, dat de belastbare basis en het verlies nihil zijn en er derhalve geen verlies kan aangerekend worden op de beroepsinkomsten van de eisers, niet op wettige wijze kan worden afgeleid uit het loutere feit dat de boekhouding niet bewijskrachtig is, aangezien zulks een uit dit laatste gegeven niet te rechtvaardigen gevolgtrekking is (schending van de artikelen 340 WIB92 en 1349 e.v., van het Burgerlijk Wetboek, artikel 49 WIB92, van de regels inzake de verdeling van de bewijslast, artikel 870 van het Gerechtelijk wetboek en van artikel 23, §2, 2°, WIB92). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  13. Krachtens artikel 355 WIB92, zoals van toepassing vóór de wijziging bij de wet van 15 maart 1999, kan de administratie wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds is verlopen, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen.
  14. Hieruit volgt dat als een aanslag is vernietigd wegens schending van een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, een nieuwe aanslag kan worden gevestigd op grond van dezelfde belastingelementen of een gedeelte ervan. Dit impliceert dat de administratie slechts tot hertaxatie kan overgaan wanneer de aanslag vernietigd of ontheven wordt wegens de schending van een wettelijke regel, maar dat de administratie zulks niet kan indien de aanslag is vernietigd of ontheven omdat de directeur of de fiscale rechter oordeelt dat de door de fiscus belaste inkomsten niet belastbaar zijn of dat de door de belastingschuldige aangegeven bedrijfslasten, die door de belastingadministratie werden verworpen, wel degelijk fiscaal aftrekbaar zijn.
  15. Uit het bestreden arrest blijkt dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 17 december 2001 de aanslagen in de personenbelasting met kohierartikelen 779324604, 781169608 en 783795555 voor de aanslagjaren 1995, 1996 en 1997, heeft vernietigd omdat uit de aanslagbiljetten betreffende de betwiste aanslagen blijkt dat de administratie het bedrag van de aangegeven beroepskosten heeft verminderd, niettegenstaande zij hierover nooit opmerkingen heeft gemaakt en omdat het ongemotiveerd en arbitrair verminderen van de beroepskosten zonder dat hierover enige opmerking is gemaakt, de betwiste aanslagen willekeurig en bijgevolg nietig maakt. Deze beslissing impliceert niet dat de rechtbank de voormelde aanslagen vernietigt omdat ze de verworpen beroepskosten bewezen acht, maar houdt enkel in dat de rechtbank de betwiste aanslagen vernietigt omdat de administratie bij de verwerping van de beroepskosten de procedureregels niet heeft nageleefd.
  16. De appelrechters stellen vast dat: - in de berichten van wijziging van aangifte die de aanslagen met kohierartikelen 200.261, 200.271 en 200.291 voorbereiden, wordt gesteld dat het aangegeven verlies niet wordt bewezen nu de boekhouding niet bewijskrachtig is en met het aangegeven verlies geen rekening zal worden gehouden; - de omstandigheid niet meer voorhanden is die in het vonnis van 17 december 2001 als willekeurig werd beschouwd, namelijk het ongemotiveerd en arbitrair verminderen van de beroepskosten tot een bedrag gelijk aan de brutowinsten zonder hierover enige opmerking te maken; - de administratie bij de vestiging van de nieuwe aanslagen, net als bij de vestiging van de vernietigde aanslagen, geen nettowinst heeft weerhouden in hoofde van de tweede eiseres.
  17. Op grond van die vaststellingen hebben de appelrechters, zonder het gezag van het gewijsde van het vonnis van 17 december 2001 te miskennen en zonder de in het middel aangewezen wetsbepalingen te schenden, kunnen beslissen dat de eerste rechter terecht de vordering gericht tegen de aanslagen met kohierartikelen 200.261, 200.271 en 200.291 ongegrond heeft verklaard. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  18. Het middel dat geen grief formuleert ten aanzien van het bestreden arrest maar wel ten aanzien van het vonnis a quo, is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 174,86 euro jegens de eisende partijen en op de som van 119,33 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 10 december 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091210.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120419.10 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130919.5 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150522.6 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160526.1 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170505.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.