← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.4 Rolnummer: F.08.0020.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2010-01-11 Raadplegingen: 749 - laatst gezien 2026-07-03 01:12 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091210.4 Fiches 1 - 5 Een belastingreglement dat bepaalt dat de belasting berekend wordt in de mate waarin een bepaalde variabele voorhanden is, zonder dat de verschuldigde belasting minder mag bedragen dan een bepaald minimumbedrag, schendt op zichzelf het gelijkheidsbeginsel niet; wanneer de belastingschuldigen die de minimumbelasting verschuldigd zijn, voldoende vergelijkbaar zijn in het licht van de aard en het doel van het belastingreglement, is er geen sprake van ongelijke behandeling; indien de toepassing van de minimumbelasting leidt tot de gelijke behandeling van belastingschuldigen die zich niet in een vergelijkbare toestand bevinden, is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden indien de gelijke behandeling berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is

(1).
(1)Zie de verwijzingen in de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Gelijkheid van de Belgen voor de wet Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Niet-discriminatie in het genot van de aan de Belgen toegekende rechten en vrijheden Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Gelijkheid inzake belastingen Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Gelijkheid inzake belastingen - Onderscheid volgens verschillende categorieën van belastingplichtigen - Belastingreglement dat voorziet in een minimumbelasting - Vereiste verantwoording Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - PROVINCIEBELASTINGEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Reglement dat voorziet in een minimumbelasting - Verenigbaarheid met de gelijkheid inzake belastingen - Vereisten Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 Fiches 6 - 10 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Gelijkheid van de Belgen voor de wet Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Niet-discriminatie in het genot van de aan de Belgen toegekende rechten en vrijheden Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Gelijkheid inzake belastingen Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Gelijkheid inzake belastingen - Onderscheid volgens verschillende categorieën van belastingplichtigen - Belastingreglement dat voorziet in een minimumbelasting - Vereiste verantwoording Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - PROVINCIEBELASTINGEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Reglement dat voorziet in een minimumbelasting - Verenigbaarheid met de gelijkheid inzake belastingen - Vereisten Tekst van de beslissing Nr. F.08.0020.N DOKTER L. THIENPONT, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 9000 Gent, Onderbergen 63, eiseres, met als raadsman mr. Michel Maus, advocaat bij de balie te Brugge, met kan¬toor te 8310 Brugge, Blekerijstraat 103/0302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen PROVINCIE OOST-VLAANDEREN, vertegenwoordigd door de Bestendige Deputatie, met kantoor te 9000 Gent, Gouvernementstraat 1, verweerster, met als raadsman mr. Antoine Doolaege en mr. Luc De Meyere, advocaten bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Koning Albertlaan 165, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 juni 2007 gewezen door het hof van beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Aangevochten beslissingen a.
  1. (De eiseres) in cassatie is de mening toegedaan dat het belastingreglement het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt. a.
  2. In het bestreden arrest stelt het hof van beroep dat het hoger beroep van (de eiseres) in cassatie ongegrond is op grond van volgende overweging: "De appellante voert aan dat het belastingreglement op grond waarvan de bestreden aanslagen werden gevestigd strijdig is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. De grondwettelijk regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie op het stuk van de belastingen staan er niet aan in de weg dat een verschillende behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De al of niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel (vergelijk o. m. met Cass. 17 november 2006, rolnr. F.04.0015.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061117.3, en Cass. 8 juni 2006, rolnr. F.04.0050.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060608.8, www. cass.be). Er moet aangenomen worden dat de betwiste belasting tot doel heeft de uitgaven van de provisie in het algemeen te dekken, zowel de verplichte als facultatieve uitgaven (zie stuk 1 van geïntimeerde, nl. de overwegingen voorafgaand aan de besluiten van 23 oktober 1996, eerste overweging, en artikel 1 van het belastingreglement; de overwegingen voorafgaand aan de besluiten van 22 oktober 1997 en 21 oktober 1998, laatste overweging). Van de belastingplichtigen wordt aldus gevraagd bij te dragen in de financiering van de beleidsmaatregelen die de Provincie neemt en die in beginsel in het voordeel van die belastingplichtigen getroffen worden, hetzij omdat zij hun hoofdverblijfplaats dan wel een woning of woongelegenheid/niet¬hoofdverblijfplaats op het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen hebben (gezinnen: zie artikel 2,1° a en b, en artikel 6, §1, van het belastingreglement), hetzij omdat zij op het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen een nijverheids-, landbouw-, veeteelt-, tuinbouw- of handelsbedrijf exploiteren dan wel een vestiging hebben op dit grondgebied (bedrijven: artikel 2, 2° en 11 van het belastingreglement). a. De appellante ziet een ongeoorloofde discriminatie in de behandeling van de gezinnen en van de bedrijven omdat de bedrijven veel zwaarder worden belast dan de gezinnen. De financiële draagkracht van de bedrijven is doorgaans groter dan die van de gezinnen. Dit verschil in financiële draagkracht rechtvaardigt het aangeklaagde verschil in tarifering van de belasting onder de belastingplichtigen die moeten bijdragen tot de hoger aangehaalde uitgaven van de provincie. De grotere financiële draagkracht van de ene belastingplichtige (bedrijven) tegenover de andere (gezinnen) is een redelijk verantwoord differentiatiecriterium. Door van de bedrijven een hogere belasting te eisen dan van de gezinnen schendt het belastingreglement het gelijkheidsbeginsel niet. b. De appellante voert aan dat de personen die in het kader van de algemene provinciebelasting bedrijven aan het minimumtarief worden onderworpen op een ongeoorloofde wijze gediscrimineerd worden. Meer bepaald rekent zij uit dat, doordat zij het minimumtarief van 3.550 frank (88,00 euro) moet betalen terwijl haar vestiging slechts 27,36 m² bebouwd omvat, zij evenveel belasting betaalt als een belastingplichtige met een belastbare bebouwde oppervlakte van 4.437,5 m². De totale gebruikte oppervlakte van haar vestiging bedraagt 162 keer minder en toch dient zij evenveel belasting te betalen, aldus de appellante. Het toepassen van een minimumtarief zoals te dezen heeft hoe dan ook tot gevolg dat tal van belastingplichtigen een belasting zullen betalen die niet in verhouding staat tot de oppervlakte van hun vestiging, nl. die belastingplichtige voor wier vestiging bij toepassing van het gewoon tarief per m² de belasting minder zou bedragen dan het minimumbedrag. Zulks schendt echter niet het gelijkheidsbeginsel maar is gerechtvaardigd door aan de ene kant de noodzaak de administratieve kost van de belastingheffing te dekken en aan de andere kant doordat moet aangenomen worden dat het minimumbedrag (te dezen 3.550 frank (88,00 euro)) gezien zijn beperkte omvang binnen de draagkracht ligt van elke gebruiker (of degene die zich het gebruik voorbehoudt) van een vestiging, welke ook de omvang ervan weze, en van hen deze minimale bijdrage in de uitgaven van de provincie, wier beleid hun via hun vestiging in beginsel tot hun voordeel strekt, mag verwacht worden. Het door appellante aangevoerde verschil in belasting, gevolg van de toepassing van het minimumtarief per vestiging, is niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Dit verschil is gesteund op een aanvaardbaar criterium, objectief en redelijk verantwoord, en dat verschillend is van het door de appellante aangevoerde loutere oppervlaktecriterium. Dit laatste criterium is maar bepalend voor de omvang van de belasting in de mate waarin de minimumbelasting overschreden wordt. c. De appellante voert aan dat het belastingreglement een ongeoorloofde discriminatoire behandeling tot stand brengt tussen de personen die hun vrij beroep uitoefenen door op huisbezoek te gaan en de personen die hun vrij beroep uitoefenen middels een vestiging. De appellante stelt dat zij ingevolge haar specialisatie geen huisbezoeken kan verrichten daar zij gebruik moet maken van een vaste apparatuur in het ziekenhuis. Ten onrechte vertrekt de appellante van de stelling dat een beroepsuitoefenaar die huisbezoeken aflegt geen vaste inrichting heeft. Zo hebben bvb. huisartsen of kinesitherapeuten meestal een vaste inrichting waar zij hun patiënten voor consult/behandeling ontvangen. Het volstaat bovendien voor de belastbaarheid dat de vestiging in kwestie op het grondgebied van de provincie ligt en gebruikt wordt of voor het gebruik wordt voorbehouden, zodat normalerwijze de plaats waar de huisbezoekende beroepsbeoefenaar zijn beroepsactiviteit organiseert als vestiging zal kunnen worden beschouwd. Er moet bovendien opgemerkt worden dat niet de beroepsuitoefening door het belastingreglement aan belasting wordt onderworpen, maar het hebben van een vestiging, wat een zekere vastheid impliceert en een daarmee gepaard gaande vastheid in de dienstverlening door de provincie en waarvoor de uitgaven gemaakt worden waarvan hoger sprake. Door de vergelijking te maken tussen beroepsuitoefenaars die huisbezoeken afleggen en andere die hun beroep uitoefenen in een vestiging vergelijkt de appellante twee niet vergelijkbare categorieën. De door de appellante aangevoerde discriminatie is niet voorhanden". a.
  3. (De eiseres) in cassatie meent dat het hof van beroep met deze overweging heeft gehandeld in strijd met de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B. De grieven van (de eiseres) in cassatie (De eiseres) in cassatie is de mening toegedaan dat het bestreden arrest in strijd is met de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. b.
  4. De fiscale draagwijdte van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. b.1.1.(De eiseres) in cassatie is de mening toegedaan dat het bestreden arrest niet in overeenstemming is te brengen met de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (...). b.1.
  5. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. De toepassing van het gelijkheidsbeginsel in fiscale zaken impliceert dat de belastingplichtigen die zich in een zelfde toestand bevinden op een zelfde wijze moeten worden belast. Een onderscheid in de belastingheffing is weliswaar toegelaten voor zover het onderscheidend criterium kennelijk en redelijkerwijs te verantwoorden is rekening houdend met de aard en het doel van de belasting. ( zie onder de vele rechtspraak van het Arbitragehof onder meer Arbitragehof, 15 oktober 2002, arrest 146/2002, BS, 10 februari 2003; Arbitragehof, 15 oktober 2002, arrest 146/2002, BS, 10 februari 2003; Arbitragehof, 12 juni 2002, arrest 97/2002, BS, 17 augustus 2002; Arbitragehof, 20 februari 2002, arrest 39/2002, BS, 20 februari 2003; Arbitragehof, 4 december 2001, arrest 155/2001, BS, 1 maart 2002; Arbitragehof, 6 november 2001, arrest 146/2001, BS, 22 december 2001). Een en ander heeft tot gevolg dat een modulering van de belasting niet alleen objectief moet zijn maar daarenboven ook in feite en logisch verantwoord moet zijn ten aanzien van de aard en het doel van de belastingheffing. (DE JONCKHEERE M., De gemeentelijke belastingsbevoegdheid. Fiscaaljuridische aspecten, Brugge, Die Keure, 1996, 120). In de regel moeten de aard en het doel van de belasting blijken uit de motivering van het belastingreglement zelf, dan wel uit de inhoud ervan. (DE JONCKHEERE M., De algemene belasting: opportuniteit of risico?, in Jaarboek Lokale en Regionale Belastingen 2001-2003, Brugge, Die Keure, 2003, 5). b.
  6. De aard en het doel van de algemene provinciebelasting van de Provincie Oost-Vlaanderen b.2.
  7. In casu moet worden vastgesteld (dat) het kwestieuze belastingreglement enkel stereotiep (vermeldt) dat ‘het budgettair noodzakelijk is een belasting te heffen teneinde te voorzien in de verplichte en facultatieve uitgaven van de provincie'. Het belastingreglement wordt dan ook gekenmerkt door een totaal gebrek aan toelichting omtrent de aard en het doel van de belasting. b.2.
  8. In de gerechtelijke procedure ten gronde stelde de Provincie evenwel: ‘De Algemene Provinciebelasting dient om de uitgaven van de Provincie Oost-Vlaanderen in het algemeen te dekken, als blijkt uit de overwegingen van het belastingreglement: "(...) Overwegende dat het budgettair noodzakelijk is een belasting te heffen teneinde te voorzien in de verplichte en facultatieve uitgaven van de provincie". Het algemeen opzet achter het invoeren van de Algemene Provinciebelasting was een vereenvoudiging door te voeren (o.m. door afschaffing van tal van provinciebelastingen) en de inningskosten te beperken'. (...) De provincie voegde hier nog aan toe: ‘Dit streven naar vereenvoudiging komt tot uitdrukking: - en door de afschaffing van alle overige provinciebelastingen; - en door het oppervlaktecriterium als criterium te nemen voor het bepalen van de belastbare grondslag. Dit criterium laat een eenvoudige en doeltreffende controle toe, overigens één van de grondvoorwaarden om de gelijkbehandeling van alle belastingplichtigen te verzekeren'. Dit betekent dan ook dat de kwestieuze belasting in casu moet worden aanzien als een algemene belasting naar zijn aard wiens enige doel erin bestaat de provinciale fiscaliteit te vereenvoudigen en inningskosten te beperken. b.
  9. Het discriminatoir karakter van het belastingreglement In casu moet worden vastgesteld dat het belastingreglement in de tariefstructuur voor de belastingheffing een onderscheid maakt tussen gezinnen en bedrijven, tussen personen die meer of minder oppervlakte gebruiken of voor hun gebruik voorbehouden en tussen bedrijven die zich bezig houden met landbouw, veeteelt en tuinbouw en andere bedrijven. Opgemerkt moet worden dat het belastingreglement geen enkele duidelijkheid verschaft nopens de ratio legis die achter deze differentiëring van de belastingheffing steekt. Ook de provincie bleef daaromtrent in de discussie voor de bodemrechter in het ongewisse en gaf op geen enkel ogenblik duidelijkheid bij het waarom van de onderscheiden behandeling van de belastingplichtigen. Enkel heeft de eerste rechter gesteld dat de onderscheiden belastingheffing tussen gezinnen en bedrijven is te verantwoorden vanuit de overweging dat oppervlakte voor bedrijven economisch rendabel is en voor gezinnen niet. Hiermee liet de eerste rechter uitschijnen dat volgens hem de onderscheiden belastingheffing is gebaseerd op de economische rendabiliteit van oppervlakte. Dit zou dan impliceren dat wie meer oppervlakte gebruikt, meer economisch profijt heeft gehaald en dienvolgens meer belasting moet betalen. b.
  10. De discriminatoire behandeling van personen die in het kader van de algemene provinciebelasting bedrijven aan het minimumtarief worden onderworpen. b.4.
  11. In de procedure voor de bodemrechter heeft (de eiseres) in cassatie opgeworpen dat er ongerechtvaardigde discriminatie bestaat tussen bedrijven die tengevolge van het belastingreglement aan het minimumtarief worden onderworpen. In casu moet worden vastgesteld dat artikel 14 van het belastingreglement bepaalt dat de belasting wordt berekend aan de hand van een getrapt uniform stelsel. In de laagste schijf bedraagt het tarief 0,028 euro per m² voor gebouwde oppervlakte en 0,014 euro per m² voor ongebouwde oppervlakte. Steeds is evenwel een minimum tarief voorzien van 104,12 euro. (De eiseres) in cassatie werd door de Provincie Oost-Vlaanderen tegen het minimumtarief aangeslagen. (De eiseres) in cassatie meent dat (zij) hierdoor wordt gediscrimineerd. In casu moet worden vastgesteld dat de vestiging van (de eiseres) in cassatie 14 m² bebouwde oppervlakte omvat. Daar na toepassing van de aanslagvoet van 0,028 euro/m² op de vestiging van (de eiseres) in cassatie het belastingbedrag slechts 0,392 euro bedroeg werd de aanslag op grond van de bepalingen artikel 14, §1, A, a van het kwestieuze reglement op het minimumtarief van 104,14 euro gebracht. Dit betekent dat (de eiseres) in cassatie thans evenveel belasting betaalt als een belastingplichtige met een vestiging met een belastbare bebouwde oppervlakte van 3719,29 m². De totale gebruikte oppervlakte van de vestiging van (de eiseres) in cassatie bedraagt maar liefst 265 keer minder, en niettemin dient zij toch evenveel belasting te betalen. (De eiseres) in cassatie is de mening toegedaan dat dit niet opgaat en dat deze tariefregeling strijdig is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Er bestaat immers geen enkel objectief criterium om de ongelijke fiscale behandeling waarvan de eiseres in cassatie het voorwerp is te verantwoorden. b.4.
  12. In het bestreden arrest stelde het hof van beroep met betrekking tot deze grief van de eiseres in cassatie het volgende: "De appellante voert aan dat de personen die in het kader van de algemene provinciebelasting bedrijven aan het minimumtarief worden onderworpen op een ongeoorloofde wijze gediscrimineerd worden. Meer bepaald rekent zij uit dat, doordat zij het minimumtarief van 3.550 frank (88,00 euro) moet betalen terwijl haar vestiging slechts 27,36 m² bebouwd omvat, zij evenveel belasting betaalt als een belastingplichtige met een belastbare bebouwde oppervlakte van 4.437,5 m². De totale gebruikte oppervlakte van haar vestiging bedraagt 162 keer minder en toch dient zij evenveel belasting te betalen, aldus de appellante. Het toepassen van een minimumtarief zoals te dezen heeft hoe dan ook tot gevolg dat tal van belastingplichtigen een belasting zullen betalen die niet in verhouding staat tot de oppervlakte van hun vestiging, nl. die belastingplichtige voor wier vestiging bij toepassing van het gewoon tarief per m² de belasting minder zou bedragen dan het minimumbedrag. Zulks schendt echter niet het gelijkheidsbeginsel maar is gerechtvaardigd door aan de ene kant de noodzaak de administratieve kost van de belastingheffing te dekken en aan de andere kant doordat moet aangenomen worden dat het minimumbedrag (te dezen 3.550 frank (88,00 euro)) gezien zijn beperkte omvang binnen de draagkracht ligt van elke gebruiker (of degene die zich het gebruik voorbehoudt) van een vestiging, welke ook de omvang ervan weze, en van hen deze minimale bijdrage in de uitgaven van de provincie, wier beleid hun via hun vestiging in beginsel tot hun voordeel strekt, mag verwacht worden. Het door appellante aangevoerde verschil in belasting, gevolg van de toepassing van het minimumtarief per vestiging, is niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Dit verschil is gesteund op een aanvaardbaar criterium, objectief en redelijk verantwoord, en dat verschillend is van het door de appellante aangevoerde loutere oppervlaktecriterium. Dit laatste criterium is maar bepalend voor de omvang van de belasting in de mate waarin de minimumbelasting overschreden wordt". b.4.
  13. (De eiseres) in cassatie meent dat deze uitspraak ingaat tegen de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het moet nogmaals worden herhaald dat het belastingreglement op zich geen enkele verantwoording weergeeft voor de onderscheiden belastingheffing van de belastingplichtigen, zodat men louter op grond van deze vaststelling alleen reeds de nodige vraagtekens kan stellen bij de tariefstructuur van het kwestieuze belastingreglement. Doch ook indien men, zoals de eerste rechter en zoals verweerster in cassatie, zou aanvaarden dat de differentiëring van de belastingheffing is te verantwoorden rekeninghoudend met de economische rendabiliteit van oppervlakte, moet men vaststellen dat de tariefstructuur strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Het zou dan de doelstelling van de algemene Provinciebelasting ‘bedrijven' van de Provincie Oost-Vlaanderen moeten zijn om bedrijven met een grotere gebruikte oppervlakte meer te laten bijdragen in de provinciale financiën. Het weerhouden van het criterium van de economische rendabiliteit van oppervlakte bij de differentiëring van de belastingheffing, zou tot gevolg moeten hebben dat wie meer oppervlakte gebruikt meer economisch rendabel is en aldus meer belasting moet betalen. De tariefstructuur van het belastingreglement beantwoordt evenwel niet aan deze doelstelling. Rekening houdende met de door de provincie weerhouden doelstelling van de belasting is het niet te verantwoorden dat een bedrijf met een gebouwde oppervlakte van 14 m² evenveel belasting moet betalen als een bedrijf met een gebouwde oppervlakte van 3719,29 m². Uit dit gegeven blijkt dat voor bedrijven met een oppervlakte van minder dan 3719,29 m² de economische rendabiliteit van de oppervlakte niet in aanmerking wordt genomen bij de belastingheffing aangezien beneden deze oppervlakte een minimumtarief geldt. (De eiseres) in cassatie meent dat dit niet opgaat, rekening houdend met de aard en het doel van de belasting. Hoewel kan worden aanvaard dat de verweerster in cassatie kan voorzien in een minimumbelasting om de administratieve kost van de belastingheffing te dekken, dan nog moet verweerster in cassatie consequent zijn met zichzelf. In de procedure voor de bodemrechter heeft verweerster in cassatie duidelijk het criterium van de economische rendabiliteit van oppervlakte naar voor geschoven als criterium voor de differentiatie van de belastingheffing zodat zij dit criterium ook daadwerkelijk moet toepassen. In casu blijkt echter dat de provincie dit voor de overgrote meerderheid van de belastingplichtigen - de meeste belastingplichtigen gebruiken immers minder dan 3719,29 m²- niet doet. Dit is uiteraard niet aanvaardbaar. Het gelijkheidsbeginsel zou niet zijn geschonden indien het belastingreglement had bepaald dat de bedrijven met een oppervlakte van minder dan 0,5 ha zouden worden onderworpen aan een minimumtarief van 104,12 euro meer 0,028 euro per m² bebouwde oppervlakte en 0,014 euro per m² onbebouwde oppervlakte. Zodoende zou de provincie een minimumbelasting kunnen heffen en zou er ook binnen de categorie van bedrijven met een oppervlakte van minder dan 0,5 ha sprake zijn van een zekere verantwoorde differentiatie tussen de verschillende belastingplichtigen in functie van de door hen gebruikte oppervlakte, rekening houdend met de doelstelling van de belasting. Het kwestieuze belastingreglement voorziet dit echter niet en scheert alle belastingplichtigen met een vestiging tot 3719,29 m² bebouwde oppervlakte over dezelfde kam. Pas vanaf een bebouwde oppervlakte van meer dan 3719,29 m² wordt aldus reëel rekening gehouden met de oppervlakte van de vestiging van de belastingplichtige. Onder een bebouwde oppervlakte van 3719,29 m² doet het belastingreglement dit niet. Hiervoor bestaat geen enkele verantwoording hetgeen in het bestreden arrest over het hoofd werd gezien. (De eiseres) in cassatie meent dan ook dat het bestreden arrest ingaat tegen de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  14. De in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet vastgelegde regels inzake gelijkheid en niet-discriminatie verbieden dat categorieën van personen die in situaties verkeren welke, vanuit het oogpunt van de bedoelde maatregel, wezenlijk van elkaar verschillen, op dezelfde wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke grond voorhanden is.
  15. Een belastingreglement dat bepaalt dat de belasting berekend wordt in de mate waarin een bepaalde variabele voorhanden is, zonder dat de ver¬schuldigde belasting minder mag bedragen dan een bepaald minimumbedrag, schendt op zichzelf het gelijkheidsbeginsel niet.
  16. Wanneer de belastingschuldigen die de minimumbelasting verschuldigd zijn, voldoende vergelijkbaar zijn in het licht van de aard en het doel van het belastingreglement, is er geen sprake van ongelijke behandeling.
  17. Indien de toepassing van de minimumbelasting leidt tot de gelijke behandeling van belastingschuldigen die zich niet in een vergelijkbare toestand bevinden, is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden indien de gelijke behandeling berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is.
  18. De appelrechters oordelen dat het toepassen van een minimumtarief tot gevolg heeft dat al de belastingplichtigen voor wier vestiging de toepassing van het gewone belastingtarief per vierkante meter leidt tot een lager bedrag dan het mi¬nimumbedrag, een belasting betalen die niet in verhouding staat tot de oppervlakte van hun vestiging. Dit is volgens de appelrechters niet in strijd met het gelijk¬heidsbeginsel en gerechtvaardigd door aan de ene kant de noodzaak om de admi¬nistratieve kost van de belastingheffing te dekken en aan de andere kant door het feit dat moet aangenomen worden dat het minimumbedrag gezien zijn beperkte omvang binnen de draagkracht ligt van elke gebruiker van een vestiging, en van hen deze minimale bijdrage in de uitgaven van de provincie, wier beleid hun via hun vesti¬ging in beginsel tot voordeel strekt, mag verwacht worden. Aldus geven de appelrechters te kennen dat, in zoverre de toepassing van de minimumbelasting leidt tot de gelijke behandeling van personen die zich in een verschillende toestand bevinden, deze gelijke behandeling gesteund is op een objec¬tief criterium en redelijk verantwoord is gelet op het doel en de gevolgen van de belasting.
  19. Op die gronden beslissen de appelrechters naar recht dat de door de eiseres aangevoerde discriminatie niet voorhanden is. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 82,22 euro jegens de eisende partij en op de som van 177,78 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 10 december 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091210.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060608.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061117.3 geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2014:ARR.20140625.6 ECLI:BE:CALIE:2015:ARR.20150225.13 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130215.4 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150903.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180420.6 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241104.3F.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241114.1F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.