id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.10 Rolnummer: P.09.1253.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-12-22 Raadplegingen: 201 - laatst gezien 2026-07-02 20:48 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 221.1 C.D.W., dat bepaalt dat het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar dient te worden medegedeeld, is een procedureregel die van toepassing is op de na 1 januari 1994 aangevatte invordering van een douaneschuld die vóór deze datum is ontstaan
(1).
(1)H.V.J., 23 feb. 2006, Belgische Staat t/Molenbergnatie, nr. C-201/04, P.B. 3 juni 2006, C 131/11; H.V.J., Beschikking van 9 juli 2008, Gerlach & Co, nr. C-477/07, P.B. 6 dec. 2008, C 313/
- Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Communautair Douanewetboek - Artikel 221, eerste lid - Douaneschuld ontstaan vóór de inwerkingtreding van het communautair douanewetboek - Invordering aangevat na de inwerkingtreding van het communautair douanewetboek - Aard van deze bepaling - Gevolg - Toepassing in de tijd Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Werking in de tijd - Communautair Douanewetboek - Artikel 221, eerste lid - Douaneschuld ontstaan vóór de inwerkingtreding van het communautair douanewetboek - Invordering aangevat na de inwerkingtreding van het communautair douanewetboek - Aard van deze bepaling Tekst van de beslissing Nr. P.09.1253.N Johan DE LEENHEER, met kantoor te 8800 Roeselaere, Kaasterstraat 23, in hoedanigheid van vereffenaar van Compagnie Dens Ocean nv, met zetel te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 1, oorspronkelijk civielrechtelijk aansprakelijke partij eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum "Ter Plaeten", Sint-Lievenslaan 27, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 juni 2009, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 26 februari 2008, P.07.1021.N-P.07.1303.N De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN VOORGAANDE RECHTSPLEGING De Compagnie Dens Ocean nv (verder CDO), waarvan de eiser de vereffenaar is, werd aanvankelijk als civielrechtelijk aansprakelijke partij gedagvaard op verzoek van de Belgische Staat, douane en accijnzen in twee zaken, zaak I met notitienummer BG 79.99.394-98 en zaak II met notitienummer BG 79.99.396-
- Het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brugge van 7 november 2005 verklaart de vordering van de Belgische Staat in de beide zaken ongegrond en veroordeelt hem in de kosten. Van dit vonnis zijn de Belgische Staat en het openbaar ministerie op 15 november 2005 in hoger beroep gekomen. Het tussenarrest van het hof van beroep te Gent van 18 mei 2006 vernietigt het bestreden vonnis van de correctionele rechtbank te Brugge en evoceert trekt de zaak. Het stelt vast dat de strafvordering vervallen is door verjaring en heropent het debat alvorens recht te doen over de burgerlijke rechtsvorderingen. Het eindarrest van het hof van beroep te Gent van 24 mei 2007 bevestigt het bestreden vonnis in alle beslissingen op burgerrechtelijk gebied. Het stelt vast dat de burgerlijke rechtsvorderingen tot betaling van de verschuldigde rechten in de beide zaken niet toelaatbaar zijn. De Belgische Staat stelt cassatieberoep in tegen de arresten van het hof van beroep te Gent van 18 mei 2006 en 24 mei
- Het arrest van het Hof van 26 februari 2008 verwerpt het cassatieberoep tegen het tussenarrest van 18 mei 2006 en vernietigt het eindarrest van 24 mei
- Het verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Het thans bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 25 juni 2009: - verklaart in zaak I de vordering van de vervolgende partij tot betaling van de rechten ongegrond; - verklaart in zaak II de vordering van de Belgische Staat gegrond; - veroordeelt W. O. en R. T. solidair tot betaling aan de Belgische Staat van 5.100,68 euro, zijnde de ontdoken invoerrechten, vermeerderd met de nalatig¬heid¬intrest vanaf 18 oktober 1995 en van 646,51euro, zijnde de ontdoken variabele rechten vermeer¬derd met de nalatigheidintrest vanaf dezelfde datum; - verklaart CDO civielrechtelijk aansprakelijk voor de invoerrechten, variabele rechten en nalatigheidintresten en kosten ten laste van W. O.. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 2, 3 en 5 van de verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of uitvoer, en de artikelen 2, 3 en 5 van de verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 14 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingplichtige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide: artikel 221.1 van de verordening nr. 2913/92 van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: CDW) houdt in dat de douaneschuld dient te worden geboekt alvorens zij kan worden ingevorderd; vermeld artikel 221.1 CDW is een regel van procedure; hieruit volgt dat zelfs onder de toepassing van de vóór het CDW geldende bepalingen, dient te worden nagegaan of de navordering overeenkomstig artikel 3 van de verordening nr. 1697/79, is voorafgegaan door een boeking van de douaneschuld overeenkomstig de toen geldende regelen; de appelrechters oordelen aldus onterecht dat zij onder het op het geding toepasselijk artikel 3 van de verordening nr. 1697/79 niet gehouden zijn om na te gaan of navordering van de verschuldigde rechten al dan niet werd voorafgegaan door een rechtsgeldige boeking van dit bedrag aan rechten; de omstandigheid dat, zoals de appelrechters oordelen, de niet-naleving van de boekingstermijn niet leidt tot het verval van het recht op navordering verhindert niet, ook niet onder de oude wetgeving, dat een boeking wel degelijk dient te gebeuren alvorens tot navordering kan worden overgegaan.
- Artikel 2 van verordening nr. 1697/79 bepaalt: "
- Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, niet van de belastingschuldige is opgeëist, leiden zij een procedure in tot navordering van de niet-geheven rechten. Deze procedure kan echter niet meer worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan." Krachtens artikel 3 van die verordening, is de in artikel 2 vastgestelde termijn niet van toepassing wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer ter zake van het betrokken goed vast te stellen. In dat geval geschiedt de navordering door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de op dit gebied in de lidstaten geldende bepalingen. Artikel 221.1 CDW bepaalt dat het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar dient te worden medegedeeld.
- Volgens het arrest van het Hof van Justitie van 23 februari 2006, C 201/04, (Molenbergnatie), bevat artikel 221.1 CDW een loutere procedureregel. Het Hof van Justitie oordeelt dat alleen de procedureregels van de artikelen 217 tot en met 232 CDW van toepassing zijn op de na 1 januari 1994 aangevatte invordering van een douaneschuld die vóór deze datum is ontstaan. Volgens de beschikking van het Hof van Justitie van 9 juli 2008, C 477/07 (Gerlach) dient artikel 221.1 CDW aldus te worden uitgelegd dat de mededeling van het bedrag aan in te vorderen rechten dient te worden voorafgegaan door de boeking van dit bedrag door de douaneautoriteiten van de lidstaat, en dat dit bedrag, wanneer het niet rechtmatig werd meegedeeld conform genoemde bepaling, door deze autoriteiten niet kan worden ingevorderd. De douaneautoriteiten van de lidstaat kunnen dit bedrag evenwel opnieuw meedelen met inachtneming van de in genoemde bepaling gestelde voorwaarden, alsook van de verjaringsregels die golden op het tijdstip waarop de douaneschuld is ontstaan.
- De appelrechters stellen vast betreffende zaak II dat de douaneschulden zijn ontstaan in 1992 en dat de vordering tot het betalen van deze schulden werd ingesteld na 1 januari
- Artikel 221.1 CDW is, gelet op de aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie, derhalve te dezen van toepassing.
- De appelrechters passen de verjaringsregel toe van artikel 3 van verordening nr. 1697/
- Zij konden daarbij niet naar rechte oordelen dat het irrelevant is of de mededeling van het bedrag aan rechten aan de schuldenaar al dan niet rechtsgeldig is geschied met een rechtsgeldige boeking van het bedrag aan rechten vóór de mededeling. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven De overige grieven leiden niet tot een ruimere cassatie. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat Compagnie Dens Ocean nv civielrechtelijk aansprakelijk is voor de invoerrechten, variabele rechten, nalatigheidintrest en kosten waartoe W. O. is veroordeeld. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Laat de kosten ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Begroot de kosten op 262,75 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 15 december 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140116.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div