id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.13 Rolnummer: P.09.1569.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-12-22 Raadplegingen: 183 - laatst gezien 2026-07-02 20:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit artikel 47sexies, § 3, 5°, Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat de machtiging tot observatie schriftelijk is en dat zij de periode vermeldt tijdens dewelke de observatie kan worden uitgevoerd en die niet langer mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de datum van de machtiging, en artikel 47sexies, § 5 van hetzelfde wetboek, dat bepaalt dat in spoedeisende gevallen de machtiging tot observatie mondeling kan worden verstrekt en deze machtiging daarna zo spoedig mogelijk moet worden bevestigd in de vorm bepaald in het eerste lid, volgt dat het ogenblik van het opstellen van de schriftelijke machtiging enerzijds en de aanvang van de periode van de machtiging anderzijds niet noodzakelijk dezelfde moeten zijn; de onderzoeksrechter of, in voorkomend geval, de procureur des Konings kan de periode tijdens dewelke de observatie mag worden uitgevoerd ook laten ingaan op een andere datum zonder dat de duur van de periode evenwel één maand kan overschrijden. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Machtiging tot observatie - Verschil tussen datum van opstellen van schriftelijke machtiging en aanvangsdatum van periode van uitvoering van observatie - Wettigheid Tekst van de beslissing Nr. P.09.1569.N I. B. inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Pol Vandemeulebroucke, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. RECHSTPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 1 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 47sexies, § 3, 5°, en 56bis Wetboek van Strafvordering: een machtiging tot observatie dient de periode van toegelaten uitvoering te bepalen; deze periode mag niet langer zijn dan één maand, te rekenen van de datum van de machtiging; degene die een machtiging uitschrijft, kan niet verder dan één maand vooruit kijken om de subsidiariteit en de proportionaliteit af te wegen.
- In zoverre het middel artikel 56bis Wetboek van Strafvordering als geschonden aanwijst zonder nauwkeurig aan te geven hoe en waardoor de bestreden beslissing die bepaling schendt, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 47sexies, § 3, 5°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de machtiging tot observatie schriftelijk is en dat zij de periode vermeldt tijdens welke de observatie kan worden uitgevoerd. Deze periode mag niet langer zijn dan één maand te rekenen van de datum van de machtiging. Artikel 47sexies, § 5, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in spoedeisende gevallen de machtiging tot observatie mondeling kan worden verstrekt. De machtiging moet daarna zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in het eerste lid.
- Uit deze bepalingen volgt dat het ogenblik van het opstellen van de schriftelijke machtiging enerzijds en de aanvang van de periode van de machtiging anderzijds niet noodzakelijk dezelfde moeten zijn. De onderzoeksrechter of in voorkomend geval de procureur des Konings kan de periode tijdens dewelke de observatie mag worden uitgevoerd, ook laten ingaan op een andere datum zonder dat de duur van de periode evenwel één maand kan overschrijden. In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat faalt het naar recht.
- De appelrechters stellen vast dat: - de onderzoeksrechter op 16 juli 2003 een schriftelijke machtiging tot observatie heeft verleend; - deze machtiging uitdrukkelijk bepaalt dat de observatie wordt bevolen voor de periode van één maand vanaf 15 augustus 2003; - de observatie een aanvang heeft genomen op 15 augustus 2003 en binnen de wettelijke periode van één maand werd uitgevoerd; - de onderzoeksrechter "op datum van de inhoudelijke machtiging, namelijk de aanvangsdatum van de observatie", van oordeel was dat de voorwaarden van subsidiariteit en proportionaliteit nog aanwezig waren. Zij oordelen verder dat uit de elementen van het strafdossier niet kan worden vastgesteld dat tussen de datum van de beschikking tot machtiging en de datum van de aanvang van de observatie er zich gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan.
- Op grond van deze vaststellingen en redenen hebben de appelrechters wettig kunnen oordelen dat de observatie regelmatig is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 75,93 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 15 december 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div