← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Artikel 221

.1 - Douaneschuld - Mededeling - Rechtsgeldigheid Fiche 2 Artikel 221, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten na het verstrijken van de termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan, rechtsgeldig tot mededeling van het bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten aan de schuldenaar kunnen overgaan wanneer zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van die rechten vast te stellen, ook wanneer die schuldenaar de betrokken handeling niet heeft gepleegd

(1).
(1)H.v.J., 16 juli 2009, C-124/08 en C-125/08, Jur. H.V.J. 2009, I, ...; Cass., 26 feb. 2008, AR P.06.1518.N, A.C., 2008, nr. 129. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden:

Artikel 221

.3 - Douaneschuld - Boeking - Mededeling - Termijn - Mededeling na het verstrijken van de termijn - Voorwaarde Fiche 3 Artikel 217 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten kunnen bepalen dat het uit een douaneschuld voortvloeiende bedrag aan rechten wordt geboekt door de opneming van dit bedrag in het door de bevoegde douaneautoriteiten opgemaakte proces-verbaal van bevinding van een inbreuk op de toepasselijke douanewetgeving

(1).
(1)H.v.J., 16 juli 2009, C-126/08, Jur. H.V.J. 2009, I, ...; Zie: Cass., 5 juni 2007, AR P.06.1404.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.9, A.C., 2007, nr. 304; Cass., 26 feb. 2008, AR P.07.1543.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15, A.C., 2008, nr. 130; Cass., 8 dec. 2009, AR P.07.0747.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.3, A.C., 2009, nr. ... Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden:

Artikel 217- Douaneschuld - Boeking Tekst van de beslissing Nr.

P.06.1518.N I.

  1. G. A. L. M. S. beklaagde,
  2. ALGEMEEN EXPEDITIEBEDRIJF ZEEBRUGGE bvba (A.E.Z.), met zetel te 8380 Zeebrugge, Doverlaan 7, civielrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met zetel te 2030 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. II. COLDSTAR nv, met zetel te 1840 Londerzeel, Weverstraat 29, civielrechtelijk aansprakelijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, vervolgende partij, verweerder. III. D. P. W. V. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Thierry Goegebeur, advocaat bij de balie te Brugge, tegen BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. IV. J. P. D. H. beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. V. A. E. M. D. W. beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, vervolgende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 oktober
  3. De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert in een memorie twee middelen aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiseres V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan, door haar genummerd als eerste, vierde en vijfde middel. Het Hof heeft bij tussenarrest van 26 februari 2008 het cassatieberoep van de eiser III verworpen, de overige cassatieberoepen reeds voor een deel verworpen en alvorens verder uitspraak te doen over de beslissingen betreffende de vorderingen van de verweerder tegen de eisers I.1 , IV en V tot betaling van ontdoken invoerrechten, invoerheffingen en nalatigheidinterest en tegen de eiseres I.2 als burgerlijk aansprakelijke voor de eiser I.1 en tegen de eiseres II als burgerlijke aansprakelijk voor de eiser IV, iedere nadere uitspraak aangehouden totdat het Hof van Justitie bij prejudiciële beslissing over bepaalde vragen uitspraak heeft gedaan, en de kosten aangehouden. De tweede kamer van het Hof van Justitie heeft daarop geantwoord bij arrest van 16 juli 2009 in de gevoegde zaken C-124/08 en C-125/
  4. Afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel van de eisers I.1 en I.2 Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 221.1, 221.3 CDW, zoals van kracht vóór de wijziging door artikel 1 van de verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, en 221.4 CDW en 149 Grondwet: de appelrechters oordelen dat het niet of laattijdig inboeken van de douaneschuld geen invloed heeft op het recht van de douaneautoriteiten om tot navordering over te gaan zonder na te gaan of door de autoriteiten een mededeling is gedaan in overeenstemming met artikel 221.1 CDW.
  6. Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 16 juli 2009 in de gevoegde zaken nr. C-124/08 en nr. C-125/08 (Snauwaert e.a.) onder meer in antwoord op de door dit Hof in deze zaak gestelde prejudiciële vragen voor recht verklaard: "1) Artikel 221, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten het te betalen bedrag aan in- of uitvoerrechten enkel rechtsgeldig op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar kunnen meedelen, wanneer zij het bedrag van die rechten tevoren hebben geboekt." 2) Artikel 221, lid 3, van verordening nr. 2913/92 moet aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten na het verstrijken van de termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan, rechtsgeldig tot mededeling van het bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten aan de schuldenaar kunnen overgaan wanneer zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van die rechten vast te stellen, ook wanneer die schuldenaar de betrokken handeling niet heeft gepleegd." Anderzijds heeft het Hof van Justitie bij arrest van 16 juli 2009 in de zaak nr. C-126/08 (Distillerie Smeets Hasselt e.a.) in antwoord op een door dit Hof in een andere zaak gestelde prejudiciële vraag voor recht verklaard: "Artikel 217 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten kunnen bepalen dat het uit een douaneschuld voortvloeiende bedrag aan rechten wordt geboekt door de opneming van dit bedrag in het door de bevoegde douaneautoriteiten opgemaakte proces-verbaal van bevinding van een inbreuk op de toepasselijke douanewetgeving."
  7. Het bestreden arrest overweegt (p. 132 en 133): "Het [hof van beroep] is van oordeel dat de door de communautaire regelgever voorgeschreven verplichtingen met betrekking tot de (in)boeking, technische voorschriften zijn die in het raam van de hiermee beoogde begrotingsdiscipline worden opgelegd aan de lidstaten en hun douaneautoriteiten en die zich situeren op het vlak van de verhouding tussen de Europese Unie en haar lidstaten en niet van invloed zijn op de relaties tussen de lidstaten en hun rechtsonderhorigen/belastingplichtigen (...) nu ze in wezen beogen te verzekeren dat de technische voorschriften voor de boeking van in en uitvoerrechten door de bevoegde autoriteiten snel en op eenvormige wijze zullen toegepast worden. De desbetreffende voorschriften kaderen aldus in het raam van de financiële verhoudingen tussen de Europese Unie en haar lidstaten en kunnen, bij miskenning ervan, enkel leiden tot de verschuldigdheid in het kader van de ter beschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschappen." Hiermede schendt het de artikelen 217.1 en 221.1 CDW.
  8. Het Hof vermag niet zelf in feite te beoordelen of de in deze zaken opgestelde processen-verbaal een boeking van de douaneschuld inhielden. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, behoeft geen antwoord. Middel van de overige eisers
  10. De middelen hebben dezelfde strekking als hiervoor. Het Hof verwijst naar zijn voormeld antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de door de verweerder tegen de eisers I.1 , IV en V ingestelde burgerlijke rechtsvordering tot betaling van ontdoken invoerrechten, invoerheffingen en nalatigheidinterest en tegen de eiseres I.2 als civielrechtelijk aansprakelijke voor de eiseres I.1 en tegen de eiseres II als civielrechtelijk aansprakelijke voor de eiser IV, ingestelde burgerlijke rechtsvordering tot betaling van ontdoken invoerrechten, invoerheffingen en nalatigheidsinterest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Laat de kosten van de cassatieberoepen van de eisers I, II, IV en V ten laste van de Staat, hierin begrepen de kosten van de prejudiciële rechtspleging voor het Hof van Justitie Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Begroot de kosten in het geheel op 1182,81 euro waarvan op de cassatieberoepen II, IV en V telkens 260,54 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep I 227,54 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 15 december 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.5 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081217.5 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090109.4 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110114.7 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111215.10 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120425.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130410.3 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141031.1 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180221.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.24 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231011.2F.15 ECLI:BE:HBGNT:2016:ARR.20160531.27 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111108.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120515.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130417.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180110.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.