id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15 Rolnummer: P.07.1543.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2009-12-22 Raadplegingen: 748 - laatst gezien 2026-07-02 23:14 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 257, § 1, AWDA legt de titularis of de cessionaris van een douane- of accijnsdocument, waarvan de aanzuivering of de wederoverlegging ten kantore van uitreiking is voorgeschreven, de wettelijke verplichting op erop toe te zien en ervoor in te staan dat de aanzuivering of de wederoverlegging daarvan regelmatig wordt verricht; de wijze van naleving van deze wettelijke verplichting is mede afhankelijk van de verplichtingen voortvloeiende uit het concrete douane- of accijnsdocument. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Algemene wet op de douane en accijnzen - Artikel 257, § 1 - Draagwijdte - Wijze van naleving Fiche 2 Een onthouding kan strafbare deelneming zoals bepaald bij artikel 66 Strafwetboek uitmaken onder meer wanneer op de betrokkene een positieve rechtsplicht rust om een bepaalde handeling te doen verrichten of te voorkomen en diens onthouding opzettelijk is en hierdoor het plegen van het strafbare feit bevorderd wordt
(1).
(1)Zie: Cass., 17 dec. 2008, AR P.08.1é.F, A.C., 2008, nr. 737. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Strafbare deelneming - Onthouding - Toepassing Fiche 3 Artikel 217 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten kunnen bepalen dat het uit een douaneschuld voortvloeiende bedrag aan rechten wordt geboekt door de opneming van dit bedrag in het door de bevoegde douaneautoriteiten opgemaakte proces-verbaal van bevinding van een inbreuk op de toepasselijke douanewetgeving
(1).
(1)H.v.J., 16 juli 2009, C-126/08, Jur. H.V.J. 2009, I, ...; Zie: Cass., 5 juni 2007, AR P.06.1404.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.9, A.C., 2007, nr. 304; Cass., 26 feb. 2008, AR P.07.1543.N, A.C., 2008, nr. 130; Cass., 8 dec. 2009, AR P.07.0747.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.3, A.C., 2009, nr. ... Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Communautair Douanewetboek - Artikel 217 - Douaneschuld - Boeking Fiche 4 De artikelen 267 en 268 A.W.D.A. houden in dat wanneer de misdrijven, fraudes of overtredingen van de wet worden geconstateerd bij processen-verbaal van daartoe bevoegde personen, deze processen-verbaal onder meer ook het bedrag van de ontdoken rechten vaststellen
(1).
(1)H.v.J., 16 juli 2009, C-126/08, Jur. H.V.J. 2009, I, ...; Zie: Cass., 5 juni 2007, AR P.06.1404.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.9, A.C., 2007, nr. 304; Cass., 26 feb. 2008, AR P.07.1543.N, A.C., 2008, nr. 130; Cass., 8 dec. 2009, AR P.07.0747.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.3, A.C., 2009, nr. ... Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Algemene wet op de douane en accijnzen - Misdrijven - Fraudes - Overtredingen - Vaststelling - Boeking van de douaneschuld Tekst van de beslissing Nr. P.07.1543.N I. DISTILLERIE SMEETS HASSELT nv, met zetel te 3500 Hasselt, Sasstraat 3, beklaagde en burgerlijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van Hasselt, met zetel te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-43-45, vervolgende partij, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,
- L. S. C. D. V. beklaagde,
- BOLLEN, MATHAY & C° bvba, met zetel te 1030 Brussel (Schaarbeek), Lambermontlaan 430/3, vereffenaar van TRANSTERMINAL LOGISTICS nv, met zetel te 1030 Brussel (Schaarbeek), Lambermontlaan 430, civielrechtelijk aansprakelijke partij,
- D. V. D. L. beklaagde,
- FIRMA DE VOS nv, met zetel te 2620 Hemiksem, Lindelei 29, civielrechtelijk aansprakelijke partij, verweerders. II. BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen BOLLEN, MATHAY & C° bvba, vereffenaar van TRANSTERMINAL LOGISTICS nv, reeds vermeld, civielrechtelijk aansprakelijke partij, verweerster. III. L. D. V., reeds vermeld, beklaagde, eiser, tegen BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, vervolgende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 26 september
- De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert geen middel aan. Het Hof heeft bij tussenarrest van 26 februari 2008, enerzijds, het tweede en derde onderdeel van het tweede middel van de eiseres I verworpen, anderzijds, iedere nadere uitspraak aangehouden totdat het Hof van Justitie bij prejudiciële beslissing over bepaalde vragen uitspraak heeft gedaan en eveneens de kosten aangehouden. De tweede kamer van het Hof van Justitie heeft daarop geantwoord bij arrest van 16 juli 2009 in de zaak C-126/
- Afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiseres I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 257, § 1, AWDA en de artikelen 66 en 67 Strafwetboek: het bestreden arrest stelt geenszins vast dat de eiseres wetens en willens heeft meegewerkt aan de haar ten laste gelegde feiten; het bestreden arrest verantwoordt derhalve zijn beslissing dat de eiseres schuldig is aan mededaderschap van de overtreding van artikel 257, § 1, AWDA, niet naar recht.
- Artikel 257, § 1, AWDA legt de titularis of de cessionaris van een douane- of accijnsdocument waarvan de aanzuivering of de wederoverlegging ten kantore van uitreiking is voorgeschreven, de wettelijke verplichting op erop toe te zien en ervoor in te staan dat de aanzuivering of de wederoverlegging daarvan regelmatig wordt verricht. De wijze van naleving van deze wettelijke verplichting is mede afhankelijk van de verplichtingen voortvloeiende uit het concrete douane- of accijnsdocument.
- Een onthouding kan strafbare deelneming, zoals bepaald bij artikel 66 Strafwetboek, uitmaken onder meer wanneer op de betrokkene een positieve rechtsplicht rust om een bepaalde handeling te doen verrichten of te voorkomen en diens onthouding opzettelijk is en hierdoor het plegen van het strafbare feit bevorderd wordt.
- Uit de overwegingen van het bestreden arrest blijkt - in het kort - dat de appelrechters van oordeel zijn dat: - de eiseres als aangever erop diende toe te zien en erover te waken dat de veredelingsproducten effectief uit het douanegebied van de Europese Unie werden uitgevoerd; - dat zij als professioneel moest weten dat de desbetreffende goederen fraudegevoelig zijn; - dat zij, terwijl ze mede-verantwoordelijk bleef voor de aanzuivering, niet een degelijk en afdoend toezicht heeft uitgeoefend of laten uitoefenen, zodat zij door de goederen in die omstandigheden aan een derde toe te vertrouwen misdrijfbevorderend heeft gehandeld tot de onttrekking van de goederen aan de douaneregeling. Met deze overwegingen verantwoordt het bestreden arrest zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de overwegingen van het bestreden arrest kunnen zowel worden uitgelegd als een vaststelling van een onzorgvuldigheid of nalatigheid die op één of andere manier in oorzakelijk verband zou staan met het misdrijf, als de vaststelling van het algemeen opzet waarmee de eiseres het misdrijf zou hebben gepleegd of eraan meegewerkt.
- De bedoelde overwegingen kunnen alleen uitgelegd worden als de vaststelling van het algemeen opzet waarmee de eiseres aan het misdrijf heeft meegewerkt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het vermoeden van onschuld gewaarborgd bij artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging: het bestreden arrest oordeelt dat de eiseres in tegenstelling tot de andere beklaagden niet vervolgd werd wegens de onderschuiving van goederen maar enkel wegens niet-aanzuivering; het, in de terminologie van het bestreden arrest, "bewust misdrijfbevorderend handelen" van de eiseres met betrekking tot de onttrekking van de goederen aan de douaneregeling, voorwerp van het feit I, impliceert dat de appelrechters de mening zijn toegedaan dat de eiseres door haar handelen bewust heeft nagestreefd om een onttrekking van de goederen, feit I, mogelijk te maken; het bestreden arrest blijkt de eiseres aldus een bepaalde vorm van mededaderschap of medeplichtigheid van onttrekking door onderschuiving ten laste te leggen, waarvoor de eiseres niet werd vervolgd.
- Uit de bedoelde overwegingen van het bestreden arrest blijkt enkel dat het de eiseres een opzettelijke onthouding ten laste legt waardoor ze de onttrekking van de goederen mogelijk heeft gemaakt, niet dat ze daarmede onderschuiving van de goederen heeft nagestreefd. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiseres I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 217.1, 221.1, 221.3, zoals van kracht voor de wijziging door artikel 1 van de verordening nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, en 221.4 CDW en artikel 4.1 en 4.2 van de verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide: de artikelen 217.1 en 221.1 CDW vereisen een boeking van de douaneschuld, die noodzakelijk moet zijn voorafgegaan aan de mededeling aan de schuldenaar van het bedrag van de rechten bij invoer of de rechten bij uitvoer, zodat de appelrechters niet vermochten het overeenkomstig de AWDA door de douaneambtenaren opgestelde proces-verbaal van vaststelling als boekhouding en evenmin als een drager die als zodanig dienst doet, in de zin van artikel 217.1 CDW, te beschouwen.
- In verband met dit onderdeel heeft het Hof van Justitie bij arrest van 16 juli 2009, nr. C-126/08, in antwoord op de door dit Hof in deze zaak gestelde prejudiciële vraag voor recht verklaard: "Artikel 217 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten kunnen bepalen dat het uit een douaneschuld voortvloeiende bedrag aan rechten wordt geboekt door de opneming van dit bedrag in het door de bevoegde douaneautoriteiten opgemaakte proces-verbaal van bevinding van een inbreuk op de toepasselijke douanewetgeving."
- Artikel 267 AWDA bepaalt: "Wanneer de misdrijven, fraudes of overtredingen van de wet worden geconstateerd bij processen-verbaal, zullen deze akten dadelijk, of zo spoedig mogelijk worden opgemaakt, door ten minste twee daartoe bevoegde personen, waarvan de ene moet zijn aangesteld of van commissie voorzien vanwege de administratie der douane en accijnzen." Artikel 268 AWDA bepaalt: "Het proces-verbaal zal moeten behelzen een beknopt en nauwkeurig verhaal der bevinding en van de oorzaak der bekeuring, met aanduiding van personen, beroep, dag en plaats, en met inachtneming van het voorgeschrevene bij artikel 176, in de bijzondere gevallen aldaar vermeld." Deze wetsbepalingen houden in dat wanneer de misdrijven, fraudes of overtredingen van de wet worden geconstateerd bij processen-verbaal van daartoe bevoegde personen, deze processen-verbaal onder meer ook het bedrag van de ontdoken rechten vaststellen. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede en derde onderdeel
- De onderdelen werden reeds verworpen bij het tussenarrest van 26 februari
- Middel van de eiser II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest motiveert niet waarom het van oordeel is dat de beklaagde L.D. (eiser III) niet in zijn hoedanigheid van gemachtigde van de verweerster, of als orgaan ervan, heeft gehandeld toen hij de hem ten laste gelegde feiten pleegde, noch geeft het aan op welke elementen het deze beslissing laat steunen; aldus verkeert het Hof in de onmogelijkheid om zijn wettigheidscontrole uit te oefenen op de beslissing dat de verweerster niet op grond van artikel 265, § 3, AWDA civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de geldboeten en kosten waartoe L.D. veroordeeld werd.
- Het bestreden arrest overweegt: "De vordering van de [eiser], ertoe strekkende de [verweerster] burgerlijk aansprakelijk te horen verklaren voor beklaagde [L.D.] is ongegrond, nu niet vaststaat dat de ten laste van beklaagde [L.D.] bewezen verklaarde feiten sub I door deze beklaagde werden begaan in de hoedanigheid van gemachtigde van de [verweerster], handelend binnen het raam van zijn bediening, of als orgaan, hetzij rechtstreeks dan wel als orgaan van de C.V. Inducare, zijnde orgaan van [de verweerster]." Aldus geeft het bestreden arrest wel de redenen aan waarom het de verweerster niet veroordeelt als civielrechtelijk aansprakelijke voor de beklaagde L.D. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382, 1383, 1384, derde lid, Burgerlijk Wetboek en artikel 265, § 3, AWDA: uit bepaalde overwegingen van het bestreden arrest blijkt dat het aanneemt, minstens impliciet, dat er een objectief verband bestond, weze het onrechtstreeks of zelfs occasioneel, tussen, het vervoer van de "gefraudeerde" vaten alcohol, en de uitoefening door de beklaagde L.D. van zijn bediening of van zijn functie binnen het transportbedrijf van de verweerster; hieruit volgt dat het bestreden arrest op grond van de overwegingen die het bevat, niet wettig heeft kunnen oordelen dat niet vaststaat dat de ten laste van de beklaagde L.D. bewezen verklaarde feiten sub I door hem werden begaan in de hoedanigheid van gemachtigde van de verweerster, handelend binnen het raam van zijn bediening of als orgaan ervan.
- Anders dan het onderdeel aanvoert, stelt het arrest nergens vast dat de verweerster, als transportbedrijf, via de beklaagde L.D., mee instond voor de afwikkeling van de transporten. Het onderdeel dat op een onjuiste lezing van het bestreden arrest berust, mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382, 1383, 1384, derde lid, Burgerlijk Wetboek en artikel 265, § 3, AWDA: in zoverre het bestreden arrest in die zin moet worden gelezen dat het van oordeel is dat de verweerster niet civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de veroordelingen van L.D. op grond dat deze laatste een strafbare handeling heeft gesteld en dus niet binnen het kader van zijn bediening of functie kan hebben gehandeld, is het niet naar recht verantwoord.
- Om de redenen vermeld in antwoord op het tweede onderdeel, mist ook dit onderdeel feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382, 1383, 1384, derde lid, Burgerlijk Wetboek en artikel 265, § 3, AWDA: de enkele omstandigheid dat de aangestelde een misdrijf heeft gepleegd, weze het een opzettelijk misdrijf, zonder de toestemming van de rechtspersoon, volstaat niet om te besluiten dat de dader ervan niet gehandeld heeft binnen de bediening waartoe hij werd gebezigd; de rechter kan de rechtspersoon slechts wettig van zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid uit de artikelen 1384, derde lid, Burgerlijk Wetboek en 265, § 3, AWDA vrijstellen indien hij vaststelt dat de voorwaarden voor misbruik van de functie zijn verwezenlijkt, inzonderheid dat de betrokkene heeft gehandeld buiten de bediening of functie waartoe hij was gebezigd.
- Om de redenen vermeld in antwoord op het tweede onderdeel, mist ook dit onderdeel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseres I in de kosten van haar cassatieberoep, hierin begrepen de kosten van de prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie. Veroordeelt de eisers II en III in de kosten van hun respectieve cassatieberoepen. Begroot de kosten in het geheel op 460,53 euro, waarvan de eiseres I 95,38 euro verschuldigd is, de eiser II 272,90 euro en de eiser III 92,25 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 15 december 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.7 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090109.4 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110114.7 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120419.6 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141031.1 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150213.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.14 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100928.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120515.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150929.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div