← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091217.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091217.11 Rolnummer: C.08.0514.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-01-13 Raadplegingen: 518 - laatst gezien 2026-07-02 20:49 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het beginsel van de gelijke behandeling van de inschrijvers, dat mede gegrond is op het gelijkheidsbeginsel zoals dit voortvloeit uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is inherent aan de reglementering betreffende de gunning van overheidsopdrachten en staat in het kader van een gunning ingevolge openbare aanbesteding een vrije invulling van de opdracht door de inschrijvers in de weg

(1).
(1)Zie Cass., 19 nov. 1970, A.C., 1970,
  1. Thesaurus CAS: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken - Gunningswijze - Aanbesteding- offertevraag Vrije woorden: Gunning van overheidsopdrachten - Beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Wet - 24-12-1993 - Art. 1, § 1, eerste lid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken - Gunningswijze - Aanbesteding- offertevraag Vrije woorden: Artikel 11 - Gunning van overheidsopdrachten - Beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Wet - 24-12-1993 - Art. 1, § 1, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. C.08.0514.N ALGEMENE ONDERNEMINGEN HIMPE, naamloze vennootschap, met zetel te 8210 Zedelgem, Autobaan 16, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen NMBS HOLDING, naamloze vennootschap, met zetel te 1060 Brussel, Frankrijkstraat 85, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 april 2008 gewezen door het hof van beroep te Gent. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Het tweede middel is gesteld als volgt: Tweede middel Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met artikel 1, paragraaf 1, eerste lid, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten Aangevochten beslissing De appelrechter oordeelt dat de verplichting in het bestek voor de inschrijvers om bij hun offerte een document te voegen, waarin zij omschrijven welke veiligheidsmaatregelen zij hebben voorzien en welke kostprijs zij daaraan hebben verbonden, kan worden losgekoppeld van het voorhanden zijn van een veiligheids- en gezondheidsplan. De appelrechter vervolgt: "Dit was voor alle inschrijvers mogelijk, nu de plaats van uitvoering en de beschrijving van de werken aan ieder van hen bekend was. Dergelijke eigen invulling van de veiligheidsmaatregelen leidt geenszins tot de onmogelijkheid van een objectieve vergelijking van de inschrijvingen: een welbepaald werk op een welbepaalde plaats vereist een aantal veiligheidsmaatregelen die elke aannemer moet voorzien en het niet opgeven van de in dergelijk geval normaal te verwachten veiligheidsmaatregelen kan zekerlijk wijzen op een gebrek aan inschatting van onveilige situaties, zodat het opdrachtgevend bestuur daaruit vermag te concluderen dat de veiligheid minder gewaarborgd is door de ene dan door de andere aannemer en zelfs onvoldoende gewaarborgd is." Grieven Essentieel bij de beoordeling van de offertes is dat de voor de effectieve mededinging vereiste gelijke behandeling van de verschillende inschrijvers wordt gerespecteerd. De gelijke behandeling van de inschrijvers is de basis van de reglementering betreffende de overheidsopdrachten en raakt de openbare orde. Zij vloeit voort uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en ligt vervat in artikel 1, §1, eerste lid, van de wet van 24 december
  2. De verplichting om inschrijvers gelijk te behandelen en bijgevolg de opdracht te gunnen na een effectieve mededinging, vereist dat de offertes van de inschrijvers getoetst en vergeleken kunnen worden op basis van een door de overheid duidelijk opgesteld lastenboek met een gedetailleerde beschrijving van alle verplichtingen van de aannemer die de werken zal uitvoeren. Dit lastenboek is aldus de objectieve norm waaraan de offertes van de verschillende inschrijvers moeten worden getoetst en in het licht waarvan ze worden vergeleken. Zonder duidelijk lastenboek kunnen de offertes van de inschrijvers niet hetzelfde project beogen en kunnen zij niet ernstig met elkaar worden vergeleken (D. D'Hooghe, De gunning van overheidscontracten en overheidsopdrachten, Administratieve Rechtsbibliotheek, Die Keure, 1997, 454). Artikel 30 van het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende tijdelijke of mobiele bouwplaatsen legt aan de overheid de specifieke verplichting op om een veiligheids- en gezondheidsplan te voegen bij het lastenboek. Op basis van dat plan dienen de inschrijvers een document op te stellen met concrete maatregelen ter uitvoering van dat plan. Om de offertes van de inschrijvers, met inbegrip van het document, te kunnen vergelijken, dient de aanbestedende overheid een veiligheids- en gezondheidsplan op te stellen en te voegen bij het bestek. Dat veiligheidsplan is de objectieve norm waaraan de documenten van de inschrijvers dienen te worden getoetst en in het licht waarvan ze dienen te worden vergeleken. Bij ontstentenis van een dergelijk plan gevoegd bij het bestek, is er geen objectieve norm waaraan de documenten van de inschrijvers kunnen worden getoetst en is er geen vergelijking mogelijk op basis van objectieve criteria. Als gevolg is het niet mogelijk na te gaan of de inschrijvers gelijk worden behandeld en of de opdracht wordt gegund na een eerlijk beroep op de mededinging. De appelrechter oordeelt dat "de verplichting voor de inschrijvers om bij hun offerte een document toe te voegen waarin zij omschrijven welke veilgheidsmaatregelen zij hebben voorzien en welke kostprijs zij daaraan hebben verbonden, wel degelijk losgekoppeld kan worden van het voorhanden zijn van een veilgheids- en gezondheidsplan" en dat "Dergelijke eigen invulling van de veiligheidsmaatregelen (...) geenszins leidt tot de onmogelijkheid van een objectieve vergelijking van de inschrijvingen", terwijl het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende tijdelijke of mobiele bouwplaatsen de aanbestedende overheid verplicht een veiligheidsplan te voegen bij het bestek. Zodoende schendt het hof van beroep het gelijkheidsbeginsel voorzien in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de regel vervat in artikel 1, paragraaf 1, eerste lid van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten volgens dewelke overheidsopdrachten voor de aanneming van werken slechts gegund worden na een beroep op de mededinging, en waaraan het gelijkheidsbeginsel ten grondslag ligt. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Niet-ontvankelijkheid van het middel
  3. De verweerder voert aan dat het onderdeel niet ontvankelijk is doordat de grief geen verband houdt met het gelijkheidsbeginsel, dat neergelegd is in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met artikel 1, §1, eerste lid, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.
  4. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid van het middel is niet te onderscheiden van het onderzoek van het middel zelf. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Middel zelf
  5. Krachtens artikel 1, §1, eerste lid, van de voormelde wet van 24 december 1993, worden de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in naam van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4 gegund na mededinging en op een forfaitaire grondslag, volgens de wijzen bepaald in titel III van dit boek, doch onder voorbehoud van wat in §2 van dit artikel en in artikel 2 voorzien is.
  6. Het beginsel van de gelijke behandeling van de inschrijvers, dat mede gegrond is op het gelijkheidsbeginsel zoals dit voortvloeit uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is inherent aan de reglementering betreffende de gunning van overheidsopdrachten en staat in het kader van een gunning ingevolge openbare aanbesteding een vrije invulling van de opdracht door de inschrijvers in de weg.
  7. De appelrechters stellen vast dat krachtens de bepalingen van het op de openbare aanbesteding toepasselijk bestek, de inschrijvers gehouden waren bij hun offerte een document toe te voegen waarin zijn omschreven welke veiligheidsmaatregelen zij hadden voorzien en welke kostprijs zij hieraan hadden verbonden. De inschrijvers werden er hierbij ook op gewezen dat deze prijsopgave geen extra kostenpost mocht vormen en dat de prijs verbonden aan de veiligheidsmaatregelen reeds begrepen diende te zijn in de prijzen van de verschillende posten.
  8. De appelrechters oordelen dat deze aan de inschrijvers opgelegde verplichting kon worden losgekoppeld van het voorhanden zijn van een veiligheids- en gezondheidsplan en dat de eigen invulling van de veiligheidsmaatregelen door de inschrijvers geenszins leidde tot de onmogelijkheid van een objectieve vergelijking van de inschrijvingen.
  9. Door aldus te oordelen in het kader van een aanbestedingsprocedure, schenden de appelrechters de in het middel aangevoerde bepalingen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 17 december 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091217.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.221.862 ECLI:BE:RVSCE:2014:ARR.226.464 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160121.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.