id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 37
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1962032904 Fiche 2 Een perceel grond heeft de normale bestemming van respectievelijk bouwgrond of verkavelingsgrond indien het ligt aan een, gelet op de plaatselijke toestand, voldoende uitgeruste weg, gelegen is in de nabijheid van andere woningen en technisch geschikt is om bebouwd of verkaveld te worden
(1).
(1)Zie Cass., 19 sept. 2002, AR C.01.0302.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020919.7, A.C., 2002, nr 462. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Plan van aanleg - Bouw- of verkavelingsverbod - Planschadevergoeding - Normale bestemming als bouw- of verkavelingsgrond Wettelijke bepalingen:
Art. 37
, eerste lid en tiende lid, 5° - 30 ELI link Pub nr 1962032904 Fiche 3 Het criterium van de ligging langs een voldoende uitgeruste weg houdt niet in dat het perceel als dusdanig over zijn volledige breedte rechtstreeks moet palen aan deze weg; de ligging langs een voldoende uitgeruste weg wijst op de noodzaak van een goede toegankelijkheid van het perceel vanaf die weg, zodat het daartoe volstaat dat het perceel voldoende en ontsloten toegankelijk is via een voldoende verbinding met die weg. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Plan van aanleg - Bouw- of verkavelingsverbod - Planschadevergoeding - Normale bestemming als bouw- of verkavelingsgrond - Ligging langs een voldoende uitgeruste weg Wettelijke bepalingen:
Art. 37
, eerste lid en tiende lid, 5° - 30 ELI link Pub nr 1962032904 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0551.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, voor wie optreedt de viceminister-president en de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kantoor te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 19, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen F. A., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 januari 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - artikel 37, eerste lid en tiende lid, 5°, van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962; - artikel 35, eerste lid en tiende lid, 5°, van het op 22 oktober 1996 gecoördi¬neerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gehandhaafd bij artikel 171 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser onge¬grond, wijst hemt ervan af en veroordeelt hem tot de gerechtskosten van het hoger beroep. Het bevestigt aldus de beslissing a quo van 15 maart 2005 van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, waarbij de eiser werd veroordeeld tot betaling aan verweerster van een bedrag van 2.526.822 frank of 62.638,28 euro, meer gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding aan de wettelijke in¬trestvoet, meer de gerechtskosten, op volgende gronden: "III. Relevante feitelijke gegevens
- Wijlen de heer Willemaers was eigenaar van vier percelen waarvoor (de verweerster) thans een planschadevergoeding vordert: - een perceel te Linter-Wommersom, aan de Melkwezerstraat (...); - een perceel te Tienen-Hakendover, aan de Eliksemstraat (,..); - een perceel te Tienen-Hakendover, aan de Van Audenhovestraat (...); - een perceel te Tienen-Oorbeek, aan de Oorbeeksesteenweg (...).
- Bij het ontwerp gewestplan Tienen-Landen (MB van 14 november 1974) en het definitief gewestplan Tienen-Landen, goedgekeurd bij KB van 24 maart 1978, werden deze percelen gerangschikt in agrarisch gebied (de twee percelen te Tienen-Hakendover), respectievelijk in landschappelijk waardevol agrarisch gebied (de andere twee percelen).
- De aangestelde gerechtsdeskundige onderzocht de vier percelen aan de hand van de drie criteria om als bouwgrond in aanmerking genomen te kunnen worden, met name: - het perceel moet bouwfysisch in orde zijn. Niveau van het terrein, vochtig¬heidsgraad, bodemgeschiktheid, enz. laten het bebouwen van de eigendom toe; - het perceel moet liggen aan een volledige uitgeruste weg. Als volledige uitrusting wordt aangenomen: degelijke wegverharding, riolering met mogelijk¬heid van aansluiting van de betrokken percelen, elektriciteit en, zo mogelijk, waterleiding; - het perceel moet liggen nabij een bebouwde kom en er deel van uitmaken (verslag p. 15).
- Volgens de deskundige voldoen de percelen aan deze criteria. Hij schatte dan ook het verschil tussen de restwaarde van de percelen in 1988 en de geactualiseerde verwervingswaarde op 3.158.528 frank, bedrag waarvan al dan niet een percentage van 20 pct. dient afgetrokken te worden (aandeel van de waardevermindering dat door de eigenaar wettelijk gedoogd dient te worden). IV. Bespreking
- Beide partijen erkennen dat de normale bestemming van een bouwgrond dient bepaald te worden aan de hand van de drie cumulatieve criteria die de gerechtsdeskundige in aanmerking heeft genomen (randnummer 10) en die de rechtspraak (Cass. 24 februari 1995, Arr. Cass. 1995, 213, R.W. 1995-96, 269) aanvaardt.
- (De eiser) betwist echter: - dat het perceel gelegen te Linter-Wommersom aan de Melkwezerstraat gelegen is aan een voldoende uitgeruste weg; - dat de drie andere percelen gelegen zijn in de nabijheid van andere wonin¬gen.
- Het perceel gelegen te Linter-Wommersom aan de Melkwezerstraat, ge¬kadastreerd sectie C, nr. 493/D, thans gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, heeft een oppervlakte (na verkaveling en gedeeltelijke verkoop) van 34 aren, 9 centiaren. De deskundige beschreef het perceel als volgt: ‘Het te schatten eigendom is gelegen aan de Melkwezerstraat op 140 meter van de hoek met de Broekstraat. Het te schatten perceel is achtergelegen aan bebouwde percelen waarvan het vroeger deel mee uitmaakte. De voorliggende percelen werden van het oorspronkelijke perceel afgesplitst na verkaveling. Het perceel wordt ontsloten via een toegangsweg van 3m
- Het te schatten eigendom is een perceel met rechthoekige configuratie met smalle toegangsweg rechts van de woningen. Het perceel is gelegen op hetzelfde niveau als de voorliggende straat. Algemene afmetingen: Gevelbreedte aan de straat: 3m50 Diepte toegangsweg. 65m. Perceelsoppervlakte: 34a09ca. Breedte perceel: 42m. Perceelsdiepte: 80m. De voorliggende straat is ter hoogte van het te schatten perceel een twee¬vaksbetonbaan. Links en rechts van deze baan ligt een verhard voetpad. Besluit: Het te schatten perceel is gelegen aan een tweevaksbetonbaan met een breedte van 3m
- De straat is voorzien van alle nutsleidingen. Het perceel is gelegen tussen en tegenoverliggende woningen. Het perceel is tech¬nisch bebouwbaar'. ‘Het te schatten perceel is een achtergelegen perceel, deel uitmakend van de woonkern en het centrum van Wommersom (kerk op 150m). De deskundige ontkent niet dat het perceel een achtergelegen perceel is, be¬reikbaar via een toegangsweg van 3m
- Het achtergelegen zijn van een perceel verhindert de bebouwbaarheid niet. Recent worden nog steeds vergunningen afgeleverd door de diensten stedenbouw voor bebouwing op een achtergelegen lot. Verkavelingsvergunningen worden nog afgeleverd wanneer de stedenbouwkundige toestand dit toelaat en er een voldoende toegangsweg is. De bestaande 3m50 is voldoende vermits vaak slechts verkavelingen goedgekeurd worden waarbij een toegangsweg van 3m ingericht wordt. Er wordt vastgesteld dat deze percelen vaak het meest gegeerd zijn op de vastgoedmarkt (gezien) hun rustig karakter en rustige ligging ver van de straat verwijderd. Daarenboven bevestigt de inbreiding van de percelen de geest van het struc¬tuurplan Vlaanderen waarin getracht wordt om zo rationeel mogelijk in te gaan met gronden gelegen in woonkernen. Er wordt getracht om de perceelsopper¬vlakten zo te verkleinen dat 15 woningen per hectare kunnen weerhouden worden'(...).
- Het kan bijgevolg aanvaard worden dat het litigieuze perceel verbonden is met de openbare weg, en zulks op een breedte van 3,50 meter. De openbare weg (betonbaan bestaande uit twee rijvakken + een verhard voetpad aan weerszijden) zelf is zonder twijfel voldoende uitgerust. Ten onrechte laat (de eiser) gelden dat het strookje van 3,50 meter van het perceel op zich geen voldoende uitgeruste weg is: wat immers van belang is, is of het perceel zelf verbonden is met een voldoende uitgeruste weg, wat hier gelet op de beschrijving van het perceel door de deskundige het geval is. Ten andere oordeelt het (hof van beroep) dat een verbinding met de openbare weg op een breedte van 3,50 meter te dezen rekening houdend met de concrete situatie van het perceel voldoende is. De deskundige heeft bijgevolg uit zijn vaststellingen kunnen besluiten dat het goed de normale bestemming van bouwgrond had. De percelen vervullen dan ook de cumulatieve voorwaarden opdat hun normale bestemming als bouwgrond wordt erkend de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het gewestplan wordt erkend' (arrest pp. 3-7). Grieven
- Naar luid van artikel 37, eerste lid, van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962, en het gelijkluidend voorschrift van artikel 35, eerste lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke or¬dening, is schadevergoeding al naar het geval verschuldigd door het Rijk, de vereniging van gemeenten of de gemeente, "wanneer het bouw- of verkave¬lingsverbod volgend uit een plan dat bindende kracht heeft verkregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat plan". Artikel 37, tiende lid, 5°, van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962, en het gelijkluidend voorschrift van artikel 35, tiende lid, 5°, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, bepaalt dat geen vergoeding verschuldigd is in het geval van "(een) verbod om een stuk grond gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, te verkavelen of te bebouwen". Het begrip "normale bestemming" van het perceel in de zin van artikel 37, eerste lid, van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962 en van artikel 35, eerste lid, van het op 22 oktober 1966 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, sluit in zich het begrip "bouwgrond", zodat planscha¬devergoeding slechts verschuldigd is in zoverre het stuk grond getroffen door het bouw- of verkavelingsverbod de normale bestemming bouwgrond heeft, wat moet worden beoordeeld aan de hand van drie criteria, namelijk
(1)de geschiktheid van de grond voor bebouwing,
(2)de ligging langs een bestaande voldoende uitgeruste weg en
(3)het feit dat hij paalt aan andere bouwgronden of gebouwen. Achterliggende gronden, gelegen voorbij de gebruikelijke bouwdiepte (doorgaans 50 meter vanaf de rooilijn), in "tweede linie" na de reeds bebouwde en wel over de volledige breedte aan de openbare weg gren¬zende gronden, komen niet voor planschadevergoeding in aanmerking, zodat enkel planschadevergoeding kan worden toegekend voor de "voorgrond" tot aan de gebruikelijke bouwdiepte (50 meter van de rooilijn), en niet voor de "achtergrond". De omstandigheid dat de "achtergrond" werd afgesplitst van de (bebouwde) "voorgrond" door verkaveling, en via een private toegangsweg lopende langs de "voorgrond" ontsloten wordt naar de openbare weg, brengt niet met zich dat deze achtergrond voortaan wel gelegen is "langs een bestaande voldoende uitgeruste weg" en wel een grond met "normale bestemming bouwgrond" wordt. Het feit van verbonden te zijn met de openbare weg door een par¬ticuliere weg behorend tot hetzelfde stuk grond, is niet wezenlijk verschillend van de toestand van elke achtergrond die via de voorgrond met de openbare weg verbonden is. Of de grond nu in zijn volle breedte aan de openbare weg grenst, of slechts met een beperkte breedte die volledig als toegangsweg wordt ingenomen, verantwoordt geen onderscheid, en wijzigt niets aan het ka¬rakter van achterliggende grond gelegen voorbij de gebruikelijke bouwdiepte. Indien de planschaderegeling zou worden toegepast op alle gron¬den waarvan het "te bebouwen deel" niet langs de openbare weg gelegen is ("achtergronden"), maar die niettemin door een particuliere weg met de openbare weg verbonden zijn of kunnen verbonden worden, zou de planschadere¬geling veel ruimer zijn dan door de wetgever beoogd. Zoals blijkt uit de voorbereidende werken van de planschaderegeling beoogde de wetgever precies te vermijden dat de "normale bestemming" van de grond "in ruime zin" zou worden uitgelegd, reden waarom het begrip "bouwgrond" zoals dit reeds gekend was in rechtspraak en rechtsleer in het kader van de onteigeningsver¬goeding, werd overgenomen.
- Te dezen blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest dat de eigendom van verweerster aan de Melkwezerstraat te Linter-Wommer¬som - een aan bebouwde percelen "achtergelegen perceel" is, - vroeger deel uitmaakte van de voorliggende bebouwde percelen, doch hiervan werd afgesplitst na verkaveling, - een smalle toegangsweg heeft, "rechts van de woningen" naar de openbare weg (de Melkwezerstraat, een voldoende uitgeruste weg), met een diepte van 65m en een breedte van 3,5 meter; - een rechthoekige configuratie heeft met een breedte van 42 meter, een per¬ceeldiepte van 80 meter, en een oppervlakte van 34a, 9ca. Het bestreden arrest oordeelt dat het perceel te Linter-Wommer¬som gelegen is aan "een volledig uitgeruste weg", om reden dat het via de toegangsweg verbonden is met de Melkwezerstraat, en besluit op grond hiervan dat het de "normale bestemming bouwgrond" heeft in de zin van artikel 37, eerste lid, van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962 en van artikel 35, eerste lid, van het op 22 oktober 1966 gecoördineerd decreet betreffende de ruimte¬lijke ordening. Nu de aan bebouwde percelen achtergelegen gronden in de regel niet voor planschadevergoeding in aanmerking komen nu zij voorbij de ge¬bruikelijke bouwdiepte gelegen zijn, en alleszins niet als gronden waarvan het te bebouwen deel gelegen is "langs" een voldoende uitgeruste weg kunnen worden beschouwd, kon het bestreden arrest, op grond van de vaststellingen die het bevat, en waaruit niet blijkt dat de appelrechters met een ter plaatse gebruikelijke bouwdiepte rekening hebben gehouden, niet wettig besluiten dat het litigieuze perceel te Linter-Wommersom, "de normale bestemming bouwgrond had" (schending van artikel 37, eerste lid en tiende lid, 5°, van de Ste¬denbouwwet van 29 maart 1962, en, voor zoveel als nodig, artikel 35, eerste lid en tiende lid, 5°, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening), en kon het dienvolgens eiser niet wettig veroordelen tot betaling van planschadevergoeding voor dit perceel (schending van dezelfde bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 37, eerste lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: Stedenbouwwet) is schadevergoeding al naar het geval door het Rijk, de vereniging van gemeenten of de gemeente verschuldigd, wanneer het bouw- of verkavelingsverbod volgend uit een plan dat bindende kracht heeft verkregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding. Krachtens artikel 37, tiende lid, sub 5 van voornoemde wet is geen vergoeding verschuldigd in geval van verbod om een stuk grond gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, te verkavelen of te bebouwen.
- Uit de samenhang van die bepalingen volgt dat een bouw- of verkavelingsverbod voortvloeiend uit een definitief vastgesteld plan recht kan geven op planschadevergoeding indien het goed dat erdoor wordt getroffen op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan kan worden beschouwd als een te bebouwen of te verkavelen grond, ofwel op grond van de bestaande bestemming, ofwel op grond van de normale bestemming van het terrein. Een perceel grond heeft de normale bestemming van respectievelijk bouwgrond of verkavelingsgrond indien het ligt aan een, gelet op de plaatselijke toestand, voldoende uitgeruste weg, gelegen is in de nabijheid van andere woningen en technisch geschikt is om bebouwd of verkaveld te worden.
- Anders dan het middel aanvoert, beperkt artikel 37 van de Stedenbouwwet het recht op planschadevergoeding niet tot het deel van het perceel grond dat zich situeert binnen de gebruikelijke bouwdiepte. In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.
- Het criterium van de ligging langs een voldoende uitgeruste weg houdt niet in dat het perceel als dusdanig over zijn volledige breedte rechtstreeks moet palen aan deze weg. De ligging langs een voldoende uitgeruste weg wijst op de noodzaak van een goede toegankelijkheid van het perceel vanaf die weg, zodat het daartoe volstaat dat het perceel voldoende ontsloten en toegankelijk is via een voldoende verbinding met die weg.
- Uit de beschrijving van de deskundige, die door de appelrechters wordt overgenomen, blijkt dat: - het perceel met een oppervlakte van 34 are en 9 centiare de volgende afmetingen heeft: een breedte van 3,50 meter aan de straat, een toegangsweg met een diepte van 65 meter, een breedte van 42 meter en een perceelsdiepte van 80 meter; - het perceel een rechthoekige configuratie heeft met een toegangsweg, die deel uitmaakt van hetzelfde perceel.
- De appelrechters stellen vast dat het litigieuze perceel verbonden is met de openbare weg, en zulks over een breedte van 3,50 meter, en dat de openbare weg, een betonbaan bestaande uit twee rijstroken en een verhard voetpad aan weerszijden, zonder twijfel voldoende is uitgerust. Zij oordelen dat van belang is of het perceel zelf verbonden is met een voldoende uitgeruste weg, "wat hier, gelet op de beschrijving van het perceel door de deskundige, het geval is" en dat een verbinding met de openbare weg op een breedte van 3,50 meter te dezen, rekening houdend met de concrete situatie van het perceel, voldoende is. De appelrechters die op grond van deze vaststellingen oordelen dat het goed de normale bestemming van bouwgrond had, verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 650,53 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 17 december 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091217.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020919.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div