← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.2 Rolnummer: P.09.0941.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-12 Raadplegingen: 448 - laatst gezien 2026-07-03 00:51 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091222.2 Fiche 1 Artikel 96, §4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 stelt de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal tot weerlegging van het vermoeden van vergunning niet afhankelijk van zijn ontstaan binnen een bepaalde termijn vanaf het oprichten van de constructie; de omstandigheid dat dit bewijsmateriaal wordt toegelaten ofschoon het dateert van na de verjaring van het bouwmisdrijf of geruime tijd na de verwerving van het onroerend goed, houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Vergunning Vrije woorden: Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Toelaatbaarheid Fiche 2 Het weerlegbare vermoeden van artikel 96, §4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 berust op de afwezigheid van enig daarmee strijdig bewijsmateriaal, getuigen uitgezonderd, waaruit het ontbreken van de vereiste vergunning kan worden afgeleid; een exploot van dagvaarding wegens een stedenbouwmisdrijf kan dit vermoeden weerleggen, ook al levert het als daad van vervolging op zich nog niet het materiële bewijs van het stedenbouwmisdrijf; dit geldt evenzeer wanneer de dagvaarding dagtekent van na de inwerkingtreding van voormeld artikel 96, §4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Vergunning Vrije woorden: Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Exploot van dagvaarding wegens stedenbouwmisdrijf - Toelaatbaarheid Fiches 3 - 4 Conclusie van eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Vergunning Vrije woorden: Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Toelaatbaarheid Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Exploot van dagvaarding wegens stedenbouwmisdrijf - Toelaatbaarheid Tekst van de beslissing Nr. P.09.0941.N
  1. J V S, beklaagde,
  2. H M E D, beklaagde, eisers, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, met kantoor te 3000 Leuven, Blijde Inkomststraat 103-105, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 5 mei
  3. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest beantwoordt niet het verweer dat uit de ratio legis en het rechtszekerheidsbeginsel volgt dat als tegenbewijs tot weerlegging van het vermoeden van artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999, enkel de processen-verbaal die werden opgemaakt binnen de verjaringstermijn van het eigenlijke bouwmisdrijf, zijn toegelaten.
  5. De appelrechters oordelen dat de eisers niet in concreto vermelden in welke zin hun recht van verdediging zou zijn geschonden door het late karakter van het proces-verbaal. Ze beantwoorden zodoende het in abstracto aangevoerde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999, alsook miskenning van het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld: het bestreden arrest aanvaardt ten onrechte als tegenbewijs van het vermoeden van vergunning, bewijsmateriaal daterend van lang na de verjaring van het bouwmisdrijf en, wat het proces-verbaal van vaststelling betreft, zelfs daterend van ongeveer twintig jaar na de aankoop van de kwestieuze chalet.
  7. Artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 stelt de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal tot weerlegging van het vermoeden van vergunning niet afhankelijk van zijn ontstaan binnen een bepaalde termijn vanaf het oprichten van de constructie. De omstandigheid dat dit bewijsmateriaal wordt toegelaten ofschoon het dateert van na de verjaring van het bouwmisdrijf of geruime tijd na de verwerving van het onroerend goed, houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld. Het onderdeel faalt naar recht. Derde onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.2 EVRM: de appelrechters achten ten onrechte het vermoeden van vergunning weerlegd op basis van het dagvaardingsexploot van 23 december 2003; de dagvaarding heeft enkel tot doel de beklaagde te vervolgen, maar niet de in de telastlegging omschreven feiten te bewijzen; er anders over oordelen, zou elke mogelijkheid voor de beklaagde ontnemen om zich te beroepen op het vermoeden van vergunning van voormelde wetsbepaling; dit geldt des te meer wanneer het exploot van dagvaarding dateert van na de inwerkingtreding van het decreet van 4 juni 2003, dat artikel 84, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 heeft ingevoegd.
  9. Het weerlegbare vermoeden van artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 berust op de afwezigheid van enig daarmee strijdig bewijsmateriaal, getuigen uitgezonderd, waaruit het ontbreken van de vereiste vergunning kan worden afgeleid. Een exploot van dagvaarding wegens een stedenbouwmisdrijf kan dit vermoeden weerleggen, ook al levert het als daad van vervolging op zich nog niet het materiële bewijs van het stedenbouwmisdrijf. Dit geldt evenzeer wanneer de dagvaarding dagtekent van na de inwerkingtreding van voormeld artikel 96 § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet
  10. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden niet eisers verweer dat de door hen vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn eveneens de wettigheid van de gevorderde herstelmaatregel aantast.
  12. Met betrekking tot de herstelvordering verwijzen de appelrechters naar de noodzaak van een goede ruimtelijke ordening, de bijzondere bestemming van het betrokken gebied, de daaruit volgende beperkte herstelmogelijkheden, alsook naar de hieraan ondergeschikte belangen van de eisers. Zij beantwoorden aldus hun verweer met betrekking tot het onwettige karakter van de herstelvordering, zonder dat zij daarbij de overschrijding van de redelijke termijn, die enkel als argument voor dit verweer werd aangevoerd zonder een afzonderlijk middel te vormen, in het bijzonder moeten beantwoorden. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest antwoordt niet op het verweer van de eisers waarin het tijdsverloop tussen de oprichting van de chalet en het eerste proces-verbaal van overtreding in verband werd gebracht met de vereisten van de goede ruimtelijke ordening, als wettigheidsvoorwaarde voor de gevorderde herstelmaatregel.
  14. Het onderdeel is geheel afgeleid uit het vergeefs aangevoerde eerste onderdeel. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 159 Grondwet, artikel 149, in het bijzonder § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, alsook miskenning van het evenredigheidsbeginsel: de appelrechters weigeren het gevorderde herstel in de oorspronkelijke staat te vervangen door een meerwaarde op grond van een onwettige ontkenning van elk strafrechtelijk karakter van het herstel in de oorspronkelijke staat, van een onwettige beperking van de keuze van de op te leggen herstelmaatregel tot een loutere beleids- of opportuniteitsbeoordeling van de overheid, en op grond van een onwettige beperking van de evenredigheidstoets aan motieven van ruimtelijke ordening alleen, zonder na te gaan of de last die voor de eisers voortvloeit uit het door de overheid gekozen herstel, evenredig is met de concrete aard van de inbreuk, met de concrete omvang van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en met de impact van het herstel op de ruimtelijke ordening.
  16. De omstandigheid dat het herstel in de oorspronkelijke staat een "straf" is in de zin van artikel 6 EVRM heeft tot gevolg dat de waarborgen van deze verdragsbepaling moeten worden in acht genomen. Wanneer de betrokkene de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf voor zijn eigendom betwist, inzonderheid wat de "evenredigheid" van de daaraan te verbinden "herstelmaatregel" betreft, moet deze in ieder geval worden beoordeeld in het licht van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM.
  17. De vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening maakt deel uit van het algemeen belang, tot verwezenlijking waarvan de Staat overeenkomstig voormeld artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, het recht op eigendom mag beperken en daarbij onder meer met betrekking tot de te vorderen herstelmaatregel een beleids- en appreciatiebevoegdheid vermag toe te vertrouwen aan het bestuur. Daarbij moet evenwel krachtens voormeld artikel 1 tussen de betrokken algemene en particuliere belangen een rechtmatig evenwicht worden geëerbiedigd.
  18. Krachtens artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999 beschikt het bevoegde bestuur aldus over een beleids- en appreciatiebevoegdheid die de rechter moet eerbiedigen. De rechter die overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat besloten is in artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 159 Grondwet, vaststelt dat het gevorderde herstel beantwoordt aan de vereiste van een rechtmatig evenwicht tussen de goede ruimtelijke ordening en de eigendom van de betrokkene, vermag niet op grond van artikel 6 EVRM zich te mengen in het beleid van het bestuur door diens redelijk verantwoorde herstelvordering te verwerpen, alleen omdat een andere maatregel hem meer aangepast lijkt.
  19. De appelrechters oordelen: "Naast het herstel in de oorspronkelijke toestand, zoals gevorderd door het bestuur, is er inzake enkel de maatregel van de meerwaarde als alternatief. Door deze zal echter de goede ruimtelijke ordening niet worden hersteld zoals beoogd door de huidige gevorderde herstelmaatregel (...). De feitelijke en juridische grondslag van de herstelvordering is niet betwistbaar.[Het betreft immers] niet regulariseerbare inbreuken in een natuurgebied. Het belang dat de gevolgen van het herstel voor de [eisers] kan hebben, doet geen afbreuk aan de interne wettigheid van de herstelvordering (...).Ten onrechte minimaliseren de [eisers] de effecten van het hierna te geven bevel tot herstel van het betrokken natuurgebied." Met die redenen toetsen de appelrechters de gevorderde maatregel niet alleen aan de vereisten van de goede ruimtelijke ordening, maar stellen zij ook vast dat de last die voor de eisers uit het herstel voortvloeit, evenredig is met de concrete aard van de inbreuk, met de concrete omvang van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en met de impact van het herstel op de ruimtelijke ordening. Zodoende verrichten zij een volledige evenredigheidstoets conform artikel 159 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en verantwoorden zij hun beslissing dat het gevorderde herstel wettig is, naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten op 49,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 22 december 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091222.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.