← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.6 Rolnummer: P.09.1549.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-01-12 Raadplegingen: 575 - laatst gezien 2026-07-02 20:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer de strafrechter oordeelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, en hij bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek een bijkomende straf uitspreekt, kan hij de veroordeelde niet opnieuw veroordelen tot betaling van de bij artikel 29, Wet 1 augustus 1985 bepaalde bijdrage tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders

(1).
(1)Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verscheidene feiten door éénzelfde persoon, zelfs op verschillende tijdstippen werden gepleegd en die feiten de opeenvolgende en voortdurende uitvoering zijn van éénzelfde misdadig opzet, de feiten dan als een geheel worden beschouwd en slechts één enkele straf wordt toegepast, de zwaarste. Het gaat om de zogenaamde voortgezette of collectieve misdrijven. Het Hof oordeelde dat de strafrechter slechts eenmaal de bijdrage tot de financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden (artikel 29, tweede lid, Wet van 1 augustus 1985) kan opleggen wanneer hij met toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek de zwaarste straf oplegt (Cass., 17 sept. 2002, AR P.01.0820.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020917.8, A.C., 2002, nr 452). De straftoemetingsregel van de zwaarste straf (zie C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht, strafprocesrecht en internationaal strafrecht in hoofdlijnen, Maklu, Kluwer, 2003, 413) werd ook ingeschreven in artikel 65, tweede lid, Strafwetboek voor wat betreft de "laattijdig" vastgestelde voortgezette of collectieve misdrijven (A. DE NAUW, Inleiding tot het algemeen strafrecht, 2006, die Keure, 180). Wanneer de rechter vaststelt dat het feit dat bij hem aanhangig is, de voortzetting is van een misdrijf waarvoor in het verleden reeds een vonnis is uitgesproken, zal hij bij de straftoemeting rekening houden met de straffen die in het verleden werden uitgesproken voor dit misdrijf. Indien deze hem voldoende lijkt voor een juiste bestraffing van het geheel, zal hij enkel beslissen over de schuldvraag en verder verwijzen naar de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag in ieder geval het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan. Aldus wordt voorkomen dat feiten gepleegd met een zelfde opzet, maar die om een of andere reden niet bekend waren voor de rechter op het ogenblik van de uitspraak, achteraf niet meer strafbaar zijn zodat een mogelijk slachtoffer zonder verhaal blijft (Ch. HENAU, J. VERHAEGEN, Droit pénal général, Bruylant, 2003, 439-
  1. Zie ook J. de CODT, "Le nouvel article 65 du Code pénal ou la législation du délit collectif", J.T., 1995, 289; M.-A. BEERNAERT, "Le nouvel article 65 du Code pénal, R.D.P.C., 1995, 681; O. KLEES, "La loi du 11 juillet 1994 relative aux tribunaux de police et portant certaines dispositions relatives à l'accélération et la modernisation de la justice pénale, J.T., 1994, 787; Parl. St. Senaat, Verslag namens de commissie voor de Justitie, Stuk nr 209/2 (1991-1992), 150) of dat voor deze feiten een gevoel van straffeloosheid ontstaat (J. de CODT, l.c.,
  2. Zie ook Parl. St. Kamer, Verslag namens de commissie voor de Justitie, Stuk nr 1480/3-93/94, p. 5-6). Gelet op het feit dat artikel 65, tweede lid, Strafwetboek dezelfde straftoemetingsregel toepast als artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, maar dan voor het "laattijdig" vastgesteld voortgezet of collectief misdrijf (A. DE NAUW, o.c., 180) lijkt het er op dat de straffen als één geheel moeten worden beschouwd. Niettemin verwijst de rechtsleer naar deze bijkomende straf als naar de "nieuwe straf" (zie bv. A. DE NAUW, o.c., 180; zie C. VAN DEN WYNGAERT, o.c., 413: "Indien deze hem voldoende lijkt voor een juiste bestraffing van het geheel, dan zal hij geen nieuwe straf meer uitspreken.", J. de CODT, l.c., 1995, 292), waarbij dan het geheel van de straffen (meervoud) het maximum van de zwaarste straf niet te boven mag gaan. In de voorbereidende werken gebruikte men eveneens de aanduiding "nieuwe straf" (Parl. St. Senaat, Verslag namens de commissie voor de Justitie, Stuk nr 209/2 (1991-1992), 151) maar ook het begrip "afzonderlijke straf" (Parl. St. Kamer, Verslag namens de commissie voor de Justitie, Stuk nr 148/3-93/94, p. 6). Anders dan in het eerste lid worden dus in zekere zin wel twee straffen opgelegd (zie hierover J. de CODT, l.c., 1995, 292). Niettemin wordt deze nieuwe straf opgelegd in functie van de reeds uitgesproken straf aangezien de rechter bij de straftoemeting de zwaarste straf niet te boven mag gaan (zie Parl. St. Kamer, Verslag namens de commissie voor de Justitie, Stuk nr 1480/3-93/94, p. 5-6). In die zin gaat het niet echt om een straf die geheel autonoom op zichzelf staat of als een nieuwe hoofdstraf moet worden beschouwd, maar veeleer om een aanvullende straf (M.-A. BEERNAERT, l.c., 684). Het is inderdaad zo dat de rechter zich moet afvragen hoe de "eerste" rechter zou hebben geoordeeld indien hij op de hoogte zou zijn geweest van de bijkomende feiten (J. de CODT, l.c., J.T., 1995, 292; S. VANDROMME, "Kan bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Sw. nog een werkstraf als bijkomende veroordeling worden uitgesproken?", T. Strafr., 2004, 301, nr 3). Als ratio legis van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek wordt aangemerkt het gelijkstellen van de beklaagde die door een rechter wordt veroordeeld wegens misdrijven, verbonden door eenheid van misdadig opzet enerzijds met de beklaagde die voor een gelijkaardig misdrijvencomplex het voorwerp uitmaakt van opeenvolgende vervolgingen anderzijds (Cass., 31 mei 2006, AR P.06.0403.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060531.1, A.C., 2006, nr 300 met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH). Indien men er van uitgaat dat de straf die de rechter oplegt in toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek deel uitmaakt van één bestraffing, dan kan de rechter slechts éénmaal de bijdrage op grond van artikel 29 van de Wet Vergoeding Slachtoffers Gewelddaden van 1 augustus 1985 opleggen. Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Gescheiden berechting UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Algemeen Vrije woorden: Bijkomende straf bij toepassing artikel 65, tweede lid, Strafwetboek - Bijdrage tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders - Veroordeling - Wettigheid Tekst van de beslissing Nr. P.09.1549.N S B, beklaagde, gedetineerd, eiser, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Anthony Mallego, advocaat bij de balie te Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 23 september
  3. De eiser voert geen middel aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 65, tweede lid, Strafwetboek; - artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen.
  4. Artikel 65, tweede lid, Strafwetboek bepaalt: "Wanneer de feitenrechter vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan."
  5. Op grond van artikel 29 van de voornoemde wet van 1 augustus 1985 moet de rechter, telkens hij een veroordeling tot een correctionele of een criminele straf uitspreekt, de betrokkene veroordelen tot het betalen van een bijdrage tot het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna: het Fonds).
  6. Wanneer de strafrechter oordeelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, en hij bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek een bijkomende straf uitspreekt, kan hij de veroordeelde niet opnieuw veroordelen tot betaling van de bij voornoemd artikel 29 bepaalde bijdrage.
  7. De eiser wordt vervolgd wegens diefstal met geweld en werd door de rechter in het beroepen vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden. Uit hoofde van artikel 29, tweede lid, wet van 1 augustus 1985 werd hij tevens veroordeeld tot betaling van de bijdrage van 25 euro aan het Fonds. Op het hoger beroep van de eiser en van het openbaar ministerie oordelen de appelrechters dat de thans bewezen verklaarde feiten en de misdrijven waarvoor de eiser reeds veroordeeld werd bij in kracht van gewijsde gegane vonnis van 4 juli 2007, de opeenvolgende uitvoering zijn geweest van een zelfde misdadig opzet. Bij dit in kracht van gewijsde gegane vonnis werd de eiser veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden en tot betaling van een bijdrage aan het Fonds uit hoofde van artikel 29, tweede lid, van de wet van 1 augustus
  8. Na de eiser te veroordelen tot de in het beroepen vonnis uitgesproken straf als bijkomende straf met toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, bevestigen zij verder het beroepen vonnis in de mate de eiser veroordeeld wordt tot betaling van een bijdrage uit hoofde van artikel 29, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1985, aan het Fonds. Aldus schenden de appelrechters de aangewezen wetsbepalingen. Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen op de strafvordering
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn voor het overige in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Beslissing over de onmiddellijke aanhouding
  10. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep tegen de beslissing over de schuldigverklaring en de uitgesproken straf, heeft deze beslissing kracht van gewijsde. Het cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing waarbij eisers onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, heeft derhalve geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot betaling van een bijdrage aan het bijzonder fonds voor de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser in negen tienden van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Begroot de kosten op 57,12 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 22 december 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020917.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060531.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160426.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.