← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091224.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091224.4 Rolnummer: C.09.0055.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-01-21 Raadplegingen: 599 - laatst gezien 2026-07-02 21:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels; hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent; het enkele feit dat de partijen de toepassing van een bepaalde wetsbepaling niet hebben opgeworpen, betekent niet dat zij die mogelijkheid bij conclusie hebben uitgesloten

(1).
(1)Cass., 6 dec. 2007, AR C.06.0092.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071206.2, A.C., 2007, nr
  1. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Belang GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Recht van verdediging Vrije woorden: Bevoegdheid van de rechter - Beschikkingsbeginsel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Belang GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Recht van verdediging Vrije woorden: Bevoegdheid van de rechter - Ambtshalve aanvullen der redenen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° Tekst van de beslissing Nr. C.09.0055.N PHOENIX PRINT, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1400 Nijvel, Place Emile de Lalieux 40, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  2. MERCATOR VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Desguinlei 100, eerste verweerster,
  3. J. HAENECOUR J. & Co, naamloze vennootschap, met zetel te 1200 Brussel, Woluwedal 64, tweede verweerster,
  4. GERLING KONZERN ALLGEMEINE VERSICHERUNG AG, naamloze vennootschap naar Duits recht, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 270, derde verweerster,
  5. ALLIANZ MARINE & AVIATION (France), naamloze vennootschap naar Frans recht, met zetel te 2600 Antwerpen (Berchem), Uitbreidingstraat 180, vierde verweerster,
  6. BRACHT DECKERS & MACKELBERT, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Entrepotkaai 5, vijfde verweerster,
  7. AIM BELGIE, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Meir 12 bus 3, zesde verweerster,
  8. AVERO SCHADEVERZEKERING BENELUX, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 1200 Brussel, Woluwelaan 64, zevende verweerster,
  9. VANBREDA RISK & BENEFITS, naamloze vennootschap, met zetel te 2140 Antwerpen (Borgerhout), Plantin en Moretuslei 297, achtste verweerster, minstens in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partij, allen vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, gewezen op 15 september 2008 door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  10. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.
  11. Het enkele feit dat de partijen de toepassing van een bepaalde wetsbepaling niet hebben opgeworpen, betekent niet dat zij die mogelijkheid bij conclusie hebben uitgesloten. Het onderdeel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt in zoverre naar recht.
  12. De appelrechter overweegt dat "het de intentie van de partijen is in (maritieme) verzekering (van goederen afgesloten voor rekening van wie het aanbelangt) dat het strekt tot voordeel van degene die ter bestemming recht heeft op de afgifte van de goederen voor wat betreft schadegevallen die ontstaan tijdens het zeevervoer" en oordeelt dat de eiseres, die geen recht op afgifte van de goederen ter bestemming kon laten gelden, geen belang heeft ten aanzien van de eerste tot en met de zevende verweersters.
  13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de stelling, die door de appelrechters wordt onderschreven, door de verweersters werd aangevoerd, zodat zij aan de tegenspraak van de eiseres werd onderworpen en het recht van verdediging van de eiseres niet werd geschonden. Het onderdeel mist voor het overige feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  14. De appelrechter oordelen dat: - "de verzekering voor wie het aanbelangt ... erop (wijst) dat het voor de verzekeraar onverschillig is wie het voordeel van de verzekering opeist, voor zover hij aan de voorwaarden van het contract voldoet, meer bepaald, dat hij aantoont dat hij de schade heeft geleden op het ogenblik dat hij de verzekeringsvergoeding vordert"; - "het derhalve ... niet (volstaat) louter de hoedanigheid van verzekeringsnemer te bewijzen"; - "de beneficiaris ... zijn belang bij het behoud van het verzekerd voorwerp (moet) aantonen"; - "(de verzekeringsnemer) zal moeten aantonen dat hij een belang heeft bij het verzekeringscontract, of met andere woorden, dat het sinister hem schade heeft toegebracht"; - "de aflevering van de goederen (...) plaats(vindt) op het ogenblik dat de goederen ter beschikking van de cognossementhouder worden gesteld; (...) bijgevolg moet (...) worden aangenomen dat het eigendom en het risico van de goederen zijn overgegaan op (de cognossementhouder)"; - "bij het beding ‘voor rekening van wie het aanbelangt' (...) de polis een accessorium uit(maakt) van de goederen, die met deze overgedragen wordt, en (...) de overdracht van de titel de overdracht van het verzekerbaar belang op het ogenblik van de schade (bewerkstelligt)". De appelrechters stellen vast dat: - "(de eiseres) in haar beroepsconclusies enkel stelt dat het volstaat dat zij verzekeringsnemer is (quod non)"; - "(de eiseres) niet (stelt), laat staan bewijst, dat het sinister haar schade heeft toegebracht". De appelrechters beslissen dat de eiseres "in de gegeven omstandigheden niet aantoont welk belang zij nog ten aanzien van (de verzekeraars) kan laten gelden" en wijzen de vordering af als ongegrond. Het arrest bevat de in het onderdeel bedoelde dubbelzinnigheid in de motivering niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 1045,59 euro jegens de eisende partij en op de som van 314,74 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 24 december 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091224.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071206.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.