id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091224.5 Rolnummer: C.06.0279.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2010-01-21 Raadplegingen: 587 - laatst gezien 2026-07-03 00:13 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091224.5 Fiches 1 - 3 De stedenbouwkundig inspecteur treedt op in naam van het Vlaamse Gewest zowel bij het vorderen van een herstelmaatregel als bij het ten uitvoer leggen van de bevolen herstelmaatregel en van de verschuldigde dwangsommen, zodat het cassatieberoep dat gericht wordt tegen hem als handelend of optredend in naam van het Vlaamse Gewest, ontvankelijk is
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Vlaams Gewest - Stedenbouw - Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelvordering - Tenuitvoerlegging - Dwangsom - Stedenbouwkundig inspecteur - Hoedanigheid - Cassatieberoep - Verweerder - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 149, §§ 1 en 2, en 153 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelvordering - Tenuitvoerlegging - Dwangsom - Vlaams Gewest - Stedenbouwkundig inspecteur - Hoedanigheid - Cassatieberoep - Verweerder - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 149, §§ 1 en 2, en 153 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Verweerders - Stedenbouw - Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelvordering - Tenuitvoerlegging - Dwangsom - Stedenbouwkundig inspecteur - Handelend of optredend in naam van het Vlaams Gewest - Tegen hem gericht cassatieberoep - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 149, §§ 1 en 2, en 153 Fiche 4 Indien in strafzaken een cassatieberoep is ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep dat een dwangsom oplegt, kan de dwangsom slechts worden verbeurd vanaf de betekening aan de schuldenaar van het arrest dat het cassatieberoep verwerpt
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Strafzaken - Uitspraak die de dwangsom oplegt - Verbeurte - Aanvang Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 373 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385bis, derde lid Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal VANDEWAL. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Vlaams Gewest - Stedenbouw - Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelvordering - Tenuitvoerlegging - Dwangsom - Stedenbouwkundig inspecteur - Hoedanigheid - Cassatieberoep - Verweerder - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelvordering - Tenuitvoerlegging - Dwangsom - Vlaams Gewest - Stedenbouwkundig inspecteur - Hoedanigheid - Cassatieberoep - Verweerder - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Verweerders - Stedenbouw - Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelvordering - Tenuitvoerlegging - Dwangsom - Stedenbouwkundig inspecteur - Handelend of optredend in naam van het Vlaams Gewest - Tegen hem gericht cassatieberoep - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Strafzaken - Uitspraak die de dwangsom oplegt - Verbeurte - Aanvang Tekst van de beslissing Nr. C.06.0279.N C. P. eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen voor de Provincie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Copernicuslaan 1, bus 9,
- VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de minister-president, met kantoor te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre-Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 januari 2006 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering; - de artikelen 32, 1° en 1385bis, derde en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek (de artikelen 1.3 en 1.4 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, goedgekeurd en in het Gerechtelijk Wetboek ingevoegd door de wet van 31 januari 1980 houdende goedkeuring van de Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom); - artikel 68, §1, van het Decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, thans artikel 149 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Bestreden beslissingen Het hof van beroep willigt het incidenteel beroep van de verweerder in, hervormt de beslissing van de eerste rechter en verklaart de vordering van de eiser volledig ongegrond, op grond van de volgende overwegingen: "Het wordt niet betwist dat de vijf houten constructies, de betonverhardingen en de brandstoftank op een metalen draagconstructie, waarvan de afbraak werd bevolen, nog steeds niet zijn verwijderd. De door de rechter toegestane termijn voor vrijwillig herstel vangt aan nadat de rechterlijke beslissing waarbij het herstel werd opgelegd in kracht van gewijsde is getreden, dit wil zeggen wanneer zij niet meer vatbaar is voor een gewoon rechtsmiddel (...). De veroordeling tot het betalen van een dwangsom wanneer aan de veroordeling tot herstel van de plaats in de vorige staat geen gevolg wordt gegeven binnen de gestelde termijn, houdt in dat het tijdstip waarop de hoofdveroordeling moet voldaan zijn samenvalt met het tijdstip de veroordeling tot het betalen van een dwangsom ingaat, met dien verstande dat de dwangsom slechts kan verbeuren na de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is vastgesteld. Dit impliceert dat het tijdstip waarom de dwangsom verbeurd wordt, samenvalt met het tijdstip waarop de hoofdveroordeling moet voldaan zijn, voor zover de uitspraak waarbij de dwangsom is vastgesteld betekend wordt voor het tijdstip waarop de hoofdveroordeling moet voldaan worden. Het activeren van de termijn voor vrijwillig herstel vereist aldus geen actieve daad vanwege de gemachtigde overheden en/of burgerlijke partij, maar is in strafzaken een automatisch gevolg van het verstrijken van de termijnen voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel dan wel het uitputten van dergelijk rechtsmiddel. De gewone rechtsmiddelen in strafzaken zijn het hoger beroep, gewoon verzet en cassatieberoep. De termijn bepaald in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek is niet gelijk te stellen met de termijn die de dwangsomrechter aan de veroordeelde heeft verleend om de hoofdveroordeling uit te voeren: de door de rechter toegekende termijn voor de uitvoering van de hoofdveroordeling is bedoeld om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen, terwijl de termijn zoals bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek ertoe strekt om aan de schuldenaar nog enige tijd te geven om de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft (...). Beide termijnen zijn van verschillende juridische aard en strekking. De dwangsomtermijn gaat bovendien slechts in op het ogenblik van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald. De termijn voor het uitvoeren van de hoofdveroordeling is geen dwangsomtermijn, zodat de rechter die wenst te voorkomen dat de dwangsom na afloop van de hersteltermijn (ingeval van betekening tijdens de termijn) of onmiddellijk na de betekening (ingeval van betekening na de termijn) zal verbeurd worden, uitdrukkelijk een bijkomende termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek dient uit te spreken. Te dezen heeft de dwangsomrechter geen bijkomende termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek uitgesproken. De herstelmaatregelen in de zin van artikel 149 e.v. DRO, gevorderd door de handhavende overheid, hebben tot doel een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het openbaar belang wordt geschaad (...). Van zodra het rechterlijk bevel tot herstel definitief is, vereist het algemeen belang, onafhankelijk van de houding van de burgerlijke partij of van de overheid, dat de veroordeelde binnen de door de rechter bepaalde termijn, tot uitvoering overgaat. De betekening van de titel door één van de gemachtigde ambtenaren is dus op geen enkele wijze relevant voor de aanvang van de termijn van vrijwillig herstel, die - zoals hiervoor reeds gesteld - te onderscheiden is van de termijn bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek. Het opleggen van een dwangsomtermijn, die slechts begint te lopen na te betekening van de beslissing van de dwangsomrechter, is noch een verplichting noch een vanzelfsprekendheid. De dwangsomrechter beschikt over een onaantastbare beoordelingsbevoegdheid bij het opleggen ervan. Werd er geen uitdrukkelijk dwangsomtermijn bepaald dan wordt de dwangsom verbeurd ofwel vanaf de eerste dag na het verstrijken van de hersteltermijn (voor zover de betekening gebeurde tijdens de hersteltermen), ofwel na de betekening (wanneer deze gebeurt na het verstrijken van de hersteltermijn). Te dezen werd de voorziening in cassatie verworpen bij arrest van 11 december
- Appellant diende tot herstel over te gaan binnen een termijn van één jaar van het in kracht van gewijsde treden van het arrest, dit is dus vanaf 11 december 2001 tot 11 december
- Het arrest van het hof van beroep werd betekend op 25 november 2002, hetzij binnen de hersteltermijn. De dwangsommen zijn te dezen dan ook verschuldigd vanaf 12 december 2002, zijn de eerste dag na het verstrijken van de termijn om tot herstel over te gaan. Appellant is van oordeel dat de dwangsommen niet verbeurd zijn omdat er geen gelijktijdige betekening is gebeurd van het arrest van het Hof van Cassatie en van het arrest van het hof van beroep of omdat na de betekening van het arrest van het Hof van Cassatie het arrest van het hof van beroep niet opnieuw betekend werd. Zoals reeds gesteld werd het arrest van het hof van beroep van 16 maart 2000 waarbij de dwangsom werd opgelegd, betekend op 25 november
- Het arrest van het Hof van Cassatie werd nadien, namelijk op 26 juni 2003, betekend. Op het bij het exploot van 25 november 2002 betekende arrest van 16 maart 2000 stond bovenaan een vermelding dat het ingestelde beroep in cassatie op 11 december 2001 was verworpen. Het doel van de betekening, namelijk dat de veroordeelde dient te weten in hoeverre op de veroordeling wordt aangedrongen en wat ze juist inhoudt en wat het resultaat is van het door hem ingestelde rechtsmiddel, werd dan ook bereikt. Het feit dat het Hof van Cassatie de voorziening van appellant had verworpen op 11 december 2001 was niet alleen vermeld op de uitgifte van het arrest van 16 maart 2000, doch is ook nog uitdrukkelijk vermeld in het exploot van betekening zelf. Bovendien dient vastgesteld te worden dat appellant aanvankelijk vrijwillig tot betaling is overgegaan en ook het recht van 16 maart 2000 gedeeltelijk heeft uitgevoerd (met name wat de opgelegde aanpassingswerken aan de paardenstallen betreft). Appellant wist dus zeer goed dat het arrest van 16 maart 2000 zijn uitvoerbare kracht had hernomen. De vordering van appellant is dan ook volledig ongegrond". Grieven Eerste onderdeel Schending van de artikelen 32, 1°, en 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering.
- Artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, derde lid, van de Eenvormige Beneluxwet, bepaalt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld. Deze betekening heeft niet enkel tot doel de beslissing ter kennis te brengen van de veroordeelde, maar strekt er tevens toe de veroordeelde mee te delen dat de partij die de veroordeling verkregen heeft, de uitvoering ervan nastreeft. Uit de rechtspraak van het Benelux Gerechtshof volgt ook dat de dwangsom niet kan worden verbeurd zolang de uitvoerbaarheid van de rechterlijke beslissing geschorst is (cf. Benelux Gerechtshof nr. A 96/1 van 12 mei 1997, R.W. 1997-98, 71, met conclusie T.B. TEN KATE, err. R.W. 1997-98, 416 en Benelux Gerechtshof 5 juli 1985, R.W. 1985-86, 929, met concl. E. KRINGS). Overeenkomstig artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering geldt in strafzaken dat de tenuitvoerlegging van een arrest van het hof van beroep geschorst is indien er een cassatieberoep is ingesteld.
- Het Hof van Cassatie besliste in meerdere arresten dat uit de samenlezing van het betekeningsvereiste in artikel 1385bis van Gerechtelijk Wetboek en de schorsende werking van het cassatieberoep in strafzaken volgt dat, indien in strafzaken een cassatieberoep is ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep dat een dwangsom oplegt, de dwangsom slechts kan worden verbeurd vanaf de betekening aan de schuldenaar van het arrest dat het cassatieberoep verwerpt (cf. Cass. 28 maart 2003, nr. C.O2.0248.N, met concl. D. THIJS en Cass. 6 mei 2005, nr. C.03.0402.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050506.6).
- Het hof van beroep stelt in voorliggend geval vast dat het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2000 waarbij de dwangsom werd opgelegd op 25 november 2002 betekend werd en dat het arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2001 waarbij het cassatieberoep van de eiser verworpen werd, slechts nadien, namelijk op 26 juni 2003, betekend werd. Volgens het hof van beroep volstond de betekening van het arrest waartegen de eiser vruchteloos cassatieberoep instelde, vermits op het arrest van het hof van beroep dat bij het betekeningsexploot van 25 november 2002 gevoegd werd vermeld stond dat het cassatieberoep op 11 december 2001 verworpen was en dit ook in het betekeningsexploot zelf vermeld werd. Deze vaststellingen, evenmin als de in het arrest vermelde vrijwillige betaling die de eiser aanvankelijk verrichtte of zijn gedeeltelijke uitvoering van de veroordeling, konden evenwel geen afbreuk doen aan de vereiste betekening van het arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2001 waarbij het schorsend cassatieberoep van de eiser verworpen werd, opdat de dwangsom kon worden verbeurd.
- Dat op het betekeningsexploot of in de eraan gehechte rechterlijke beslissing melding werd gemaakt van het arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2001 waarbij het schorsend cassatieberoep van de eiser verworpen werd, kon de vereiste betekening van dit arrest van het Hof van Cassatie niet vervangen. Onder het begrip ‘betekening' verstaat men immers ‘de afgifte van een afschrift van de akte bij gerechtsdeurwaardersexploot' (cf. artikel 32, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek). De volledige titel dient daarbij betekend te worden, zodat een betekening die enkel een verwijzing naar een rechterlijke beslissing bevat niet volstaat. De dwangsom kon in voorliggend geval dan ook niet vóór de betekening van het verwerpingsarrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2001 verbeurd zijn, mede gelet op het belang dat beide partijen er in geval van een dwangsomveroordeling bij hebben dat ter zake zo min mogelijk onzekerheden bestaan en de betekening ertoe strekt de veroordeelde te doen blijken dat naar het oordeel van de schuldeiser aan de eisen voor de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling voldaan is.
- In zoverre het hof van beroep beslist dat de betekening die op 25 november 2002 plaatsvond volstond om de dwangsom te doen verbeuren, hoewel op die datum het arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2001 niet mee betekend werd, verantwoordt het dan ook zijn beslissing niet naar recht en schendt het de artikelen 32, 1°, en 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering. Tweede onderdeel Schending van artikel 1385bis, derde en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van artikel 68, §1, van het Decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, thans artikel 149, §1, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.
- Luidens artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de dwangsom niet worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Deze betekening heeft tot doel de veroordeling ter kennis te brengen van de schuldenaar en de schuldenaar te verwittigen dat de schuldeiser nakoming verlangt van de rechterlijke uitspraak. Krachtens het vierde lid van artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter bepalen dat de veroordeelde de dwangsom pas na verloop van een zekere termijn zal kunnen verbeuren. Deze termijn begint pas te lopen vanaf het ogenblik van de betekening van de beslissing die de dwangsom oplegt, zelfs indien die beslissing bepaalt dat deze termijn begint te lopen vanaf het in kracht van gewijsde gaan van de beslissing. Het arrest dat, inzake stedenbouw, met toepassing van artikel 68, §1, van het Decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, thans artikel 149, §1, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, het herstel van de plaats in de vorige staat beveelt binnen een termijn van één jaar vanaf het in kracht van gewijsde gaan van het arrest en beslist dat een dwangsom verschuldigd is bij gebrek aan uitvoering van het arrest binnen een termijn van één jaar vanaf het in kracht van gewijsde gaan van dit arrest, maakt gebruik van de mogelijkheid van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De aldus bepaalde dwangsom kan derhalve pas verbeuren vanaf het ogenblik van het verstrijken van de termijn van één jaar vanaf de betekening van de beslissing waarbij de dwangsom werd opgelegd.
- Het hof van beroep stelt in voorliggend geval vast dat het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2000 eiser veroordeelde tot het herstel van de plaats in de vorige staat binnen een termijn van één jaar vanaf het in kracht van gewijsde gaan van het arrest en dat in het arrest 16 maart 2000 een dwangsom werd opgelegd van 5.000 respectievelijk 1.000 frank per dag bij niet uitvoering van het arrest binnen één jaar na het in kracht van gewijsde gaan van het arrest. Uit het bestreden arrest blijkt bovendien dat het arrest van 16 maart 2000 in kracht van gewijsde ging op 11 december 2001, ingevolge de verwerping van de cassatievoorziening bij arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2001, en dat het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2000 pas op 25 november 2002 aan eiser betekend werd (cf. p. 9, laatste alinea van het arrest). Aangezien op het ogenblik van het in kracht van gewijsde gaan van het arrest van 16 maart 2000 dit arrest nog niet aan de eiser werd betekend en de eiser derhalve nog niet in kennis werd gesteld van het feit dat de verweerder nakoming verlangde van dit arrest, begon de termijn van één jaar voor het herstel van de plaats in de vorige staat, waarna een dwangsom zou verschuldigd zijn, nog niet te lopen op het ogenblik van het in kracht van gewijsde gaan van dit arrest. Wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn, heeft deze termijn, wat de dwangsom betreft, inderdaad de strekking aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming tot het verbeuren van de dwangsom leidt. Deze termijn dient - wat de dwangsom betreft - beschouwd te worden als een termijn zoals bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
- Het bestreden arrest stelt vast dat het hof van beroep te Antwerpen op 16 maart 2000 het herstel in de vorige staat beval binnen één jaar vanaf het in kracht van gewijsde treden van het arrest, onder verbeurte van een dwangsom bij niet uitvoering van het arrest binnen de gestelde termijn en oordeelt desondanks dat de dwangsomrechter te dezen geen bijkomende termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek heeft uitgesproken. Het bestreden arrest miskent aldus de aard van de in het arrest van 16 maart 2000 opgenomen termijn, vermits deze termijn - wat de dwangsom betreft - wel degelijk diende te worden beschouwd als een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zodat deze termijn niet voor de betekening van het arrest van de dwangsomrechter een aanvang kon nemen. De beslissing dat "(de eiser) tot herstel (diende) over te gaan binnen een termijn van één jaar van het in kracht van gewijsde treden van het arrest, dit is dus vanaf 11 december 2001 tot 11 december 2002", dat "het arrest van het hof van beroep werd betekend op 25 november 2002, hetzij binnen de hersteltermijn" en dat "de dwangsommen (...) te dezen dan ook verschuldigd (zijn) vanaf 12 december 2002, zijnde de eerste dag na het verstrijken van de termijn om tot herstel over te gaan", schendt dan ook artikel 1385bis, derde en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en tevens, voor zoveel als nodig, artikel 68, §1, van het Decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, thans artikel 149, §1, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De verweerder voert aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is nu het gericht is tegen de stedenbouwkundige inspecteur, handelend of optredend in naam van het Vlaamse Gewest.
- Krachtens artikel 149, §1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, kan de rechtbank, naast de straf, bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen; dit gebeurt op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen bedoeld in artikel 146 van dit decreet, werden uitgevoerd. Krachtens het vijfde lid van die bepaling, zoals vervangen bij decreet van 21 november 2003, bepaalt de rechtbank een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen en kan ze op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, een dwangsom bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen. Krachtens artikel 149, §2, van hetzelfde decreet wordt de herstelvordering bij het parket ingeleid bij gewone brief, in naam van het Vlaamse Gewest of van het college van burgemeester of schepenen, door de stedenbouwkundige inspecteurs en de aangestelden van het college van burgemeester en schepenen.
- Krachtens artikel 153 van het decreet van 18 mei 1999 beveelt het vonnis van de rechter, bedoeld in de artikelen 149 en 151, dat de stedenbouwkundig inspecteur, het college van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij, ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien voor het geval dat de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, dat het strijdige gebruik niet binnen die termijn wordt gestaakt of dat de bouw- of aanpassingswerken niet binnen deze termijn worden uitgevoerd.
- Uit de samenhang van die wetsbepalingen volgt dat de stedenbouwkundig inspecteur optreedt in naam van het Vlaamse Gewest zowel bij het vorderen van een herstelmaatregel als bij het ten uitvoer leggen van de bevolen herstelmaatregel en van de verschuldigde dwangsommen.
- Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep kan niet worden aangenomen. Middel zelf Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 32, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek wordt onder betekening verstaan de afgifte van een afschrift van een akte bij deurwaardersexploot.
- Luidens artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, derde lid, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, kan de dwangsom niet worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld.
- Zoals blijkt uit de arresten van het Benelux Gerechtshof in de zaken A 84/3 van 5 juli 1985 en A 96/1 van 12 mei 1997 wordt de dwangsom niet verbeurd gedurende de tijd dat wegens het instellen van een rechtsmiddel de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling is geschorst.
- Een dwangsom is slechts verschuldigd indien de hoofdveroordeling waaraan zij is verbonden, niet wordt nagekomen, waarvan eerst sprake kan zijn wanneer de hoofdveroordeling uitvoerbaar is geworden, met andere woorden wanneer het vonnis of arrest waarin deze is vervat uitvoerbaar is geworden.
- Het vermelde betekeningsvereiste strekt ertoe aan de schuldenaar ter kennis te brengen dat de schuldeiser nakoming van de in de rechterlijke uitspraak vervatte hoofdveroordeling verlangt, hetgeen onderstelt dat voldaan is aan alle voorwaarden die zijn gesteld aan de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling. Hieruit volgt dat, mede gelet op het belang van beide partijen dat terzake zo min mogelijk onzekerheden bestaan en geschillen zoveel mogelijk worden voorkomen, de betekening mede ertoe strekt aan de veroordeelde te doen blijken dat naar het oordeel van de schuldeiser aan de eisen van de gedwongen tenuitvoerlegging is voldaan.
- Overeenkomstig artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering is de tenuitvoerlegging van een arrest van het hof van beroep geschorst indien er een cassatieberoep is ingesteld. Hieruit volgt, dat in strafzaken, indien een cassatieberoep is ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep dat een dwangsom oplegt, de dwangsom slechts kan worden verbeurd vanaf de betekening aan de schuldenaar van het arrest dat het cassatieberoep verwerpt.
- Zulks blijkt voldoende uit de vermelde arresten van het Benelux Gerechtshof zodat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent deze oplossing en dienaangaande geen vraag van uitleg in de zin van artikel 6 van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux Gerechtshof moet worden gesteld.
- De appelrechters stellen vast dat: - het arrest van het hof van beroep van 16 maart 2000 waarbij de dwangsom werd opgelegd, werd betekend op 25 november 2002; - het arrest van het Hof van Cassatie, waarbij het cassatieberoep tegen het voornoemde arrest van het hof van beroep werd verworpen, werd betekend op 26 juni 2003; - op het bij het exploot van 25 november 2002 betekende arrest van 16 maart 2000 bovenaan een vermelding stond geschreven dat het ingestelde cassatieberoep op 11 december 2001 was verworpen; - het feit dat het Hof van Cassatie het cassatieberoep had verworpen op 11 december 2001 niet alleen vermeld was op de uitgifte van het arrest van 16 maart 2000, doch ook nog uitdrukkelijk is vermeld in het exploot van betekening zelf; - de eiser aanvankelijk vrijwillig tot betaling is overgegaan en ook het arrest van 16 maart 2000 gedeeltelijk heeft uitgevoerd.
- Zij oordelen dat: - het doel van de betekening, namelijk dat de veroordeelde dient te weten in hoeverre op de veroordeling wordt aangedrongen en wat ze juist inhoudt en wat het resultaat is van het door hem ingestelde rechtsmiddel dan ook werd bereikt; - de eiser zeer goed wist dat het arrest van 16 maart 2000 zijn uitvoerbare kracht had hernomen.
- De appelrechters die beslissen dat de betekening op 25 november 2002 van het arrest van het hof van beroep van 16 maart 2000 waarbij de dwangsom werd opgelegd, volstond om de dwangsom te doen verbeuren, hoewel op die datum het arrest van het Hof van het Cassatie van 11 december 2001, waarbij het cassatieberoep tegen het arrest van 16 maart 2000 werd verworpen, niet bijkomend werd betekend, schenden de artikelen 32, 1°, en 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven De overige grieven kunnen tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre de appelrechters het hoger beroep ontvankelijk verklaren. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de verweerders in de kosten van de memorie van wederantwoord. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 24 december 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091224.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091224.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.5 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050506.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150403.4 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170331.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div