id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 1
, derde en vierde lid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Benelux - Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Aanvang - Duur - Macht van de rechter - Grenzen - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Aanvang - Duur - Macht van de rechter - Grenzen - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Fiches 6 - 8 Wanneer voor het Hof de vraag rijst of, indien de rechter vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan dan die welke bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling, uit het stilzwijgen van de rechter omtrent de termijn voor het verbeuren van de dwangsom moet worden afgeleid dat de termijn die bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof
(1).
(1)Zie de grotendeels andersluidende concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Dwangsomtermijn - Stilzwijgen van de rechter - Gevolg - Prejudicieel geschil - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Benelux - Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Dwangsomtermijn - Stilzwijgen van de rechter - Gevolg - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Dwangsomtermijn - Stilzwijgen van de rechter - Gevolg - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Fiches 9 - 11 Wanneer voor het Hof de vraag rijst of artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de rechter een termijn bepaalt om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit artikel verhindert dat de rechter een langere termijn voor het verbeuren van de dwangsom toestaat berekend vanaf de betekening van de beslissing dan de termijn toegestaan voor de uitvoering, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof
(1).
(1)Zie de grotendeels andersluidende concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Langer dan de uitvoeringstermijn - Mogelijkheid - Prejudicieel geschil - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, vierde lid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Benelux - Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Langer dan de uitvoeringstermijn - Mogelijkheid - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, vierde lid Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Langer dan de uitvoeringstermijn - Mogelijkheid - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1, vierde lid Fiches 12 - 13 Conclusie van advocaat-generaal VANDEWAL.
Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Stedenbouw - Herstelmaatregelen - Uitvoeringstermijn - Respijttermijn - Onderscheid - Beslissing die enkel een uitvoeringstermijn oplegt - Gevolg - Verbeurte van de dwangsom - Aanvang Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Dwangsom - Uitvoeringstermijn - Respijttermijn - Onderscheid - Beslissing die enkel een uitvoeringstermijn oplegt - Gevolg - Verbeurte van de dwangsom - Aanvang Tekst van de beslissing Nr. C.06.0639.N V. R. eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor de Provincie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50, bus 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 juli 2006 gewe¬zen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit het bestreden arrest en de voorziening blijken de volgende feiten en procedurevoorgaanden:
- Het vonnis van 22 juni 1999 van de correctionele rechtbank te Hasselt veroordeelt de eiseres samen met haar inmiddels overleden echtgenoot tot herstel van de plaats in de vorige staat hetgeen de afbraak van de heropgerichte woning, de ondergrondse kelder en de betonnen duiker impliceert, dit binnen zes maanden vanaf het in kracht van gewijsde treden van het vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 123,95 euro per dag vertraging bij niet uitvoering van dit vonnis binnen de gestelde termijn.
- Bij arrest van 19 april 2002 van het hof van beroep te Antwerpen wordt dit vonnis bevestigd met die precisering dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van het arrest.
- Het cassatieberoep tegen dit arrest wordt verworpen bij arrest van 25 februari
- De verweerder verzendt op 22 april 2003 een aangetekende ingebrekestelling waarin hij de tijd geeft tot 25 augustus 2003 om het herstel door te voeren.
- Op 14 oktober 2003 worden zowel het vonnis van 22 juni 1999 als de arresten van 19 april 2002 en 25 februari 2003 betekend, met aanmaning om het herstel uit te voeren uiterlijk op 25 augustus 2003 waarna een dagelijkse dwangsom van 123,95 euro zou worden verbeurd.
- De verweerder laat bevel tot betalen betekenen op 9 februari 2004 voor een dwangsom van 20.125 euro in hoofdsom, hetzij een dwangsom van 125 euro over 161 dagen meer de kosten, of in totaal 20.536,04 euro.
- Hierop volgt verzet door de eiseres voor de beslagrechter. Deze oordeelde het verzet tegen het betalingsbevel gegrond.
- Het bestreden arrest van 28 juli 2006 hervormt deze beslissing. III. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - artikel 1385bis, derde en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing De derde kamer van het hof van beroep te Antwerpen hervormde in het arrest van 28 juli 2006 het beroepen vonnis op grond van de volgende overwegingen: "Voor het doen ingaan van de uitvoeringstermijn is geen enkele betekening vereist, maar begint het tijdvak waarbinnen de veroordeelde dient over te gaan tot uitvoering te lopen vanaf het in kracht van gewijsde gaan ervan ... . Voor het doen verbeuren van de dwangsom daarentegen is wel een betekening vereist, en indien de rechter een termijn toestaat in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Ger. W. kan dezen eerst ingaan vanaf de betekening, vermits die respijttermijn gekoppeld is aan de accessoire (en niet verplichte) veroordeling tot verbeurte van een dwangsom. Ter beantwoording van de verwijzing door (de eisere) naar het cassatiearrest van 28 maart 2003 (eindarrest), moet nog worden vermeld dat de casus die daar besproken werd blijkens de uiteenzetting in het arrest van het Benelux Gerechtshof van 25 juni 2002 verschilt van de situatie die zich hier aanmeldt: Het Benelux Gerechtshof verwees immers naar de overwegingen van het verwijzingsarrest van het Hof van Cassatie van 16 juni 2000, waarin (dit) laatste zijn twee vragen formuleerde nadat het overwogen had dat "het bestreden arrest (nl. dit van het hof van beroep te Antwerpen van 1 april 1993) aanneemt dat de dwangsomrechter gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en beslist dat de aan de veroordeelde verleende termijn eerst ingaat vanaf de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is vastgesteld". Daaruit blijkt dat de appelrechter in feite had vastgesteld dat in die casus een respijttermijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Ger. W. was verleend. In het hier voorliggend geval heeft de dwangsomrechter wel een termijn verleend voor het vrijwillig herstel, wat het weze herhaald - niet valt onder de bepaling van artikel 1385bis, vierde lid, Ger. W, maar heeft hij geen respijttermijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Ger. W. verleend. Volledigheidshalve, ook in een tweede arrest van 25 juni 2003 sprak het Benelux Gerechtshof uit in dezelfde zin (zaak Vlaams Gewest t/ J. N. V.). Besluit: Door de verwerping van het cassatieberoep op 25 februari 2003 werd het arrest van het hof van beroep van 19 april 2002 definitief en diende vanaf dan het herstel in de oorspronkelijke staat uitgevoerd te zijn. De termijn van vrijwillig herstel verstreken zijnde op 25 augustus 2003 werd de dwangsom onmiddellijk verbeurd na de betekening van het veroordelend vonnis, het appelarrest en van het cassatiearrest, op 14 oktober 2003". Grieven Artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, derde lid, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, bepaalt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld. Artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, vierde lid, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, bepaalt dat de rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren. De termijn die de rechter toekent voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, en de termijn gedurende dewelke volgens de beslissing van de rechter de dwangsom niet is verbeurd, zijn van verschillende juridische aard en strekking. De eerstvermelde termijn is bedoeld om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen. De termijn als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Eenvormige Wet, strekt ertoe de schuldenaar nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft. Zoals blijkt uit het arrest in de zaak A 2000/3 van 25 juni 2002 van het Benelux Gerechtshof, heeft de betekening tot doel ter kennis van de schuldenaar te brengen dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt en dat de schuldenaar op de hoogte gesteld wordt van de omstandigheid dat de dwangsomrechter hem nog een bepaalde termijn heeft gegund om aan de veroordeling te voldoen voordat een dwangsom wordt verbeurd. Daaruit volgt dat de termijn als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet pas ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald. Wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn, heeft deze termijn, wat de dwangsom betreft, de strekking aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de dwangsom verbeurd wordt. Deze termijn dient, wat de dwangsom betreft, beschouwd te worden als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en gaat derhalve pas in op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald. De appelrechters stelden in het bestreden arrest vast: - dat de eiseres op 22 juni 1999 werd veroordeeld door de 13e kamer van de correctionele rechtbank te Hasselt tot herstel van de plaats in de vorige staat binnen de zes maanden vanaf het in kracht van gewijsde treden van het vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 frank (lees: 123,95 euro) per dag vertraging bij niet uitvoering van dit vonnis binnen de gestelde termijn; - dat dit vonnis in hoger beroep werd bevestigd door het arrest van 19 april 2002 van het hof van beroep, zevende kamer, te Antwerpen; - dat het cassatieberoep dat tegen alle beschikkingen van voormeld arrest ingesteld op 30 april 2002, werd verworpen bij arrest van 25 februari 2003; - dat de verweerder op 14 oktober 2003 is overgegaan tot betekening van het vonnis van 22 juni 1999 en van het arrest van 19 april 2002, alsook het cassatiearrest van 25 februari
- Uit de hierboven aangehaalde vaststellingen van de appelrechters in het bestreden arrest blijkt dat de dwangsomrechter een termijn van zes maanden bepaalde voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en besliste dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn. Deze termijn geeft aan de veroordeelde nog enige tijd om de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft en dient derhalve beschouwd te worden als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Deze termijn begint dan ook pas te lopen vanaf de betekening van de beslissing van de dwangsomrechter, met name vanaf 14 oktober 2003, zodat de dwangsommen pas konden verbeurd worden vanaf 15 april
- Hieruit volgt dat de appelrechters in het bestreden arrest niet op wettige wijze hebben kunnen beslissen dat de dwangsommen reeds verbeurd konden worden vanaf de datum van de betekening van de beslissing van de dwangsomrechter, met name vanaf 14 oktober 2003 (schending van artikel 1385bis, derde en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Luidens artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, derde lid, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan de dwangsom niet worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld. Luidens het vierde lid van dit artikel, dat overeenstemt met artikel 1, vierde lid, van de Eenvormige Wet, kan de rechter bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren.
- Zoals blijkt uit de arresten in de zaken A 2000/3 en 2000/4 van het Benelux Gerechtshof van 25 juni 2002 zijn de termijn die de rechter toekent voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en de termijn gedurende dewelke volgens de beslissing van de rechter de dwangsom niet is verbeurd, van verschillende juridische aard en strekking. De eerste termijn is bedoeld om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen, zodat de schuldenaar binnen deze termijn geen dwangsom kan verbeuren daar de dwangsom slechts kan worden opgelegd voor het geval de hoofdveroordeling niet of niet tijdig wordt nagekomen, terwijl de tweede termijn ertoe strekt de schuldenaar nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft.
- Zoals uit voormelde arresten van 25 juni 2002 van het Benelux Gerechtshof nog blijkt, heeft de betekening tot doel ter kennis van de schuldenaar te brengen dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt en dat de schuldenaar mitsdien ook ervan op de hoogte gesteld moet worden dat de dwangsomrechter hem nog een bepaalde termijn heeft vergund om aan de veroordeling te voldoen voordat een dwangsom wordt verbeurd en volgt daaruit dat de termijn als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Eenvormige Wet pas ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald.
- Uit het arrest in de zaak A 2004/1 van het Beneluxgerechtshof van 16 december 2004 blijkt dat : - behoudens de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld, de schuldeiser van de dwangsom niets behoeft te ondernemen om de dwangsom te laten verbeuren. Zodra de termijn waarbinnen de dwangsom niet kan worden verbeurd, voorbij is, gaat het enkel nog om de niet-naleving van de hoofdveroordeling door de schuldenaar van de dwangsom, dit wil zeggen om de inbreuk op de rechterlijke uitspraak die de dwangsom oplegt; - de rechter die een dwangsom oplegt, de vrijheid heeft aan de dwangsomveroordeling al dan niet een respijttermijn als bedoeld in artikel 1, lid 4 van de Eenvormige Wet te verbinden.
- Krachtens artikel 65, §1, eerste lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw en artikel 68, §1, eerste lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, beveelt de rechtbank benevens de straf, op vordering van de gemachtigde ambtenaar of van het college van burgemeester en schepenen, maar met hun gezamenlijk akkoord in de sub b en c bedoelde gevallen : a. Ofwel de plaats in de vorige staat te herstellen; b. Ofwel bouwwerken of aanpassingswerken uit te voeren; c. Ofwel een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Krachtens het tweede lid van die wetsbepalingen bepaalt de rechtbank een termijn die in de sub a en b bedoelde gevallen een jaar niet mag overschrijden. Krachtens artikel 149, §1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening in zijn opeenvolgende versies wordt eenzelfde herstelmaatregel naast de straf bevolen op vordering van de stedenbouwkundige inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Krachtens het laatste lid van §1 van voormeld artikel bepaalt de rechtbank een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen en kan deze, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, eveneens een dwangsom bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen.
- Die wettelijke bepalingen wijken niet af van de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de dwangsom.
- De vraag rijst of, in het geval bedoeld in r.o. 5 wanneer de rechter een hoofdveroordeling uitspreekt om de plaats in de vorige staat te herstellen of om bouwwerken of aanpassingswerken uit te voeren en hiervoor aan de veroordeelde een termijn toekent vanaf het in kracht van gewijsde treden van deze veroordeling en daarbij een dwangsom oplegt per dag vertraging in de uitvoering van de hoofdveroordeling, artikel 1, lid 3 en 4, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom aldus moet worden uitgelegd dat de termijn die voor de uitvoering van de hoofdveroordeling is toegestaan vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling, ook geldt als termijn die door de rechter wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening, zodat de rechter niet vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan, dan die welke voorzien is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening. De vraag rijst tevens of, indien de rechter vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan dan die welke voorzien is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling, uit het stilzwijgen van de rechter omtrent de termijn voor het verbeuren van de dwangsom moet worden afgeleid dat de termijn die voorzien is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening. Ook rijst nog de vraag of artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de rechter een termijn toestaat voor het verbeuren van de dwangsom om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit artikel verhindert dat de rechter een langere termijn toestaat voor het verbeuren van de dwangsom berekend vanaf de betekening van de beslissing dan de termijn toegestaan voor de uitvoering.
- De vragen verplichten tot uitlegging van artikel 1, lid 3 en lid 4, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Beneluxgerechtshof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vragen:
- Moet artikel 1, lid 3 en lid 4, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom aldus worden uitgelegd dat wanneer de rechter een hoofdveroordeling uitspreekt en hiervoor een uitvoeringstermijn bepaalt vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling en daarbij een dwangsom oplegt per dag vertraging in de uitvoering, de termijn die voor de uitvoering is toegestaan, ook geldt als termijn die door de rechter wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening, zodat de rechter niet vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan, dan die welke bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening?
- Indien de rechter vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan dan die welke bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling, moet uit het stilzwijgen van de rechter omtrent de termijn voor het verbeuren van de dwangsom worden afgeleid dat de termijn die bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening?
- Moet artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet aldus worden uitgelegd dat wanneer de rechter een termijn bepaald om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit artikel verhindert dat de rechter een langere termijn voor het verbeuren van de dwangsom toestaat berekend vanaf de betekening van de beslissing dan de termijn toegestaan voor de uitvoering? Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 24 december 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091224.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091224.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110617.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div