id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 1
, derde en vierde lid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Benelux - Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Aanvang - Duur - Macht van de rechter - Grenzen - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Aanvang - Duur - Macht van de rechter - Grenzen - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Fiches 6 - 8 Wanneer voor het Hof de vraag rijst of, indien de rechter vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan dan die welke bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling, uit het stilzwijgen van de rechter omtrent de termijn voor het verbeuren van de dwangsom moet worden afgeleid dat de termijn die bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof
(1).
(1)Zie de grotendeels andersluidende concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Dwangsomtermijn - Stilzwijgen van de rechter - Gevolg - Prejudicieel geschil - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Benelux - Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Dwangsomtermijn - Stilzwijgen van de rechter - Gevolg - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Dwangsomtermijn - Stilzwijgen van de rechter - Gevolg - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Fiches 9 - 11 Wanneer voor het Hof de vraag rijst of artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de rechter een termijn bepaalt om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit artikel verhindert dat de rechter een langere termijn voor het verbeuren van de dwangsom toestaat berekend vanaf de betekening van de beslissing dan de termijn toegestaan voor de uitvoering, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof
(1).
(1)Zie de grotendeels andersluidende concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Langer dan de uitvoeringstermijn - Mogelijkheid - Prejudicieel geschil - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, vierde lid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Benelux - Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Langer dan de uitvoeringstermijn - Mogelijkheid - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, vierde lid Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Langer dan de uitvoeringstermijn - Mogelijkheid - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1, vierde lid Fiches 12 - 13 Conclusie van advocaat-generaal VANDEWAL.
Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Stedenbouw - Herstelmaatregelen - Uitvoeringstermijn - Respijttermijn - Onderscheid - Beslissing die enkel een uitvoeringstermijn oplegt - Gevolg - Verbeurte van de dwangsom - Aanvang Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Dwangsom - Uitvoeringstermijn - Respijttermijn - Onderscheid - Beslissing die enkel een uitvoeringstermijn oplegt - Gevolg - Verbeurte van de dwangsom - Aanvang Tekst van de beslissing Nr. C.08.0073.N GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor de Provincie Vlaams-Brabant, met kantoor te 3000 Leuven, Blijde Inkomststraat 103-105, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- V. A.
- J. M. verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 oktober 2005 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit het bestreden arrest en de voorziening blijken de volgende feiten en procedurevoorgaanden:
- Het vonnis van 17 april 2000 van de correctionele rechtbank te Leuven veroordeelt de verweerders wegens een bouwmisdrijf tot het herstel in de vorige staat door afbraak van de wederrechtelijk opgerichte constructie, namelijk van een weekendhuisje met bergplaatsen en veranda "binnen de twaalf maanden nadat dit vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen".
- Bij arrest van 28 oktober 2002 van het hof van beroep te Brussel wordt dit vonnis bevestigd, behalve dat geoordeeld wordt dat de herstelmaatregel tevens de vijvers omvat, dat de voor het herstel bepaalde termijn ingaat de dag dat het arrest kracht van gewijsde verkrijgt en dat aan de verweerders een dwangsom wordt opgelegd van 15 euro per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de opgelegde herstelmaatregel.
- Het arrest van 28 oktober 2002 verkrijgt kracht van gewijsde op 8 april 2003, datum van het verwerpingsarrest van het Hof van Cassatie.
- De uitspraken van de correctionele rechtbank en van het hof van beroep worden, samen met het verwerpingsarrest van het Hof van Cassatie, betekend op 8 maart
- De akte van betekening vermeldt dat het bevolen herstel uiterlijk op 8 april 2004 moet uitgevoerd zijn en dat bij gebreke aan uitvoering voor deze datum de verweerders solidair een dwangsom verschuldigd zijn van 15 euro per dag vertraging.
- De verweerders, gezien zij zich niet akkoord konden verklaren met de datum van 8 april 2004, tekenen verzet aan voor de beslagrechter te Leuven, die hun verzet gegrond bevindt.
- Het bestreden arrest bevestigt deze beslissing met een aantal preciseringen. III. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden bepalingen en algemeen rechtsbeginsel - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 6, 23, 24, 25, 26, 1138, 4° en 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 65, §1, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw; - artikel 68, §1, tweede lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde de¬creet op de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing voor diens opheffing bij het decreet van 18 mei 1999; - artikel 149, §1, laatste alinea, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van het decreet van 4 juni 2003; - algemeen rechtsbeginsel van het strafrechtelijk gezag van gewijsde. Aangevochten beslissing Bij het bestreden arrest van 18 oktober 2005 verklaart het hof van beroep te Brussel eisers hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigt het vonnis, dat het bevel van 8 maart 2004 nietig verklaarde, zegde voor recht dat de termijn om tot uitvoering over te gaan, zoals in het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 17 april 2000 werd bepaald op twaalf maanden en bevestigd in het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2002, slechts inging bij de betekening van het arrest, te weten op 8 maart 2004, zegde voor recht dat de dwangsom die aan de uitvoering werd verbonden bij voormeld vonnis en bevestigd bij voormeld arrest slechts zou verbeuren na verloop van de voorziene termijn van twaalf maanden die ingaat vanaf de betekening van het arrest op 8 maart 2004, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur veroordeelde om binnen 24 uren na uitspraak van het vonnis vrijwillige opheffing te verlenen, zegde voor recht dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn dit vonnis als opheffing geldt en hem in de kosten veroordeelde, met deze preciseringen dat de termijn om tot uitvoering over te gaan inging de dag dat het arrest kracht van gewijsde verkreeg, de akte van 8 maart 2004 geldig is met betrekking tot de betekeningen van het vonnis van 17 april 2000, het arrest van het hof van beroep van 28 oktober 2002 en het arrest van het Hof van Cassatie van 8 april 2003 en dat de opheffing van de inschrijving van de wettelijke hypotheek be¬volen wordt en dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de 24 uren na betekening van het arrest het als opheffing zal gelden. Deze beslissing is ge¬steund op volgende overwegingen: "De eerste rechter heeft om wel overwogen redenen die het hof herneemt en tot de zijne maakt voor recht gezegd dat de dwangsom die aan de uitvoering van het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 17 april 2000 werd verbonden bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2002, slechts zal verbeuren na verloop van de termijn van twaalf maanden die ingaat vanaf de betekening van het arrest op 8 maart
- De eerste rechter heeft daarentegen verkeerdelijk gesteld dat ook de termijn om tot uitvoering over te gaan zoals bepaald bij voormeld arrest slechts inging bij de betekening van het arrest, te weten op 8 maart 2004 terwijl het arrest uitdrukkelijk voorziet dat 'de voor het herstel bepaalde termijn ingaat op de dag dat dit arrest kracht van gewijsde verkrijgt'. Wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal ver¬schuldigd zijn na verloop van die termijn, heeft deze termijn, wat de dwangsom betreft, de strekking aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroorde¬ling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft. Deze termijn dient, wat de dwangsom betreft, te worden be¬schouwd als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, die slechts ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald (Cass., 28 maart 2003, R.W. 2004-05, 137). (De eiser) stelt tevergeefs dat het arrest van het hof van beroep slechts een termijn voor de uitvoering heeft toegekend en wat de dwangsom betreft geen gewag maakt van de termijn van twaalf maanden nadat het arrest kracht van gewijsde had verworven zodat de uitvoeringstermijn van twaalf maanden niet aan de orde is bij het bepalen van de datum waarop de dwangsom verbeurt in geval van niet uitvoering van de herstelmaatregel. Het arrest van het hof van beroep dd. 28 oktober 2002 heeft de termijn van twaalf maanden om de hoofdveroordeling uit te voeren bevestigd en heeft aan (de verweerders) een dwangsom van 15 euro opgelegd ‘per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de opgelegde herstelmaatregel'. De dwangsom kan bijgevolg slechts verbeuren vanaf de vertraging in de tenuitvoerlegging die slechts een aanvang kan nemen na het verstrijken van de termijn van twaalf maanden. (De verweerders) kunnen geen dwangsom verbeuren gedurende de termijn van twaalf maanden vermits de dwangsom slechts kan worden opge¬legd voor het geval de hoofdveroordeling niet of niet tijdig wordt nagekomen. Dit wordt trouwens door (de eiser) zelf bevestigd in de akte van betekening van 8 maart 2004 vermits hierin vermeld wordt dat het bevolen herstel uiterlijk op 8 april 2004 moet uitgevoerd zijn en dat bij gebreke aan uitvoering voor deze datum (de verweerders) solidair een dwangsom verschuldigd zijn van 15 euro per dag vertraging. De datum van 8 april 2004 komt overeen met twaalf maanden nadat het arrest kracht van gewijsde heeft verkregen door het arrest van het Hof van Cassatie dd. 8 april 2003 dat de voorziening tegen het arrest van het hof van beroep heeft verworpen. De dwangsom kan bijgevolg slechts worden verbeurd indien eenzelfde tijdspanne als de uitvoeringstermijn is verstreken. De termijn van twaalf maanden is bijgevolg een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, die slechts ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald. In tegenstelling met hetgeen (de eiser) voorhoudt is de termijn die een aanvang neemt bij de betekening van de uitspraak die de dwangsom oplegt geen bijkomende sanctieloze termijn voor de uitvoering. Niets belette immers (de eiser) over te gaan tot betekening van het arrest van het hof van beroep eens het in kracht van gewijsde was getreden op 8 april 2003 in plaats van tot 8 maart 2004 te wachten". De eerste rechter overwoog ter zake: "In het door (de verweerders) neergelegde arrest van 28 maart 2003 en in een ander arrest van dezelfde datum (R.A.B.G., 2003, 969, noot) oordeelde het Hof van Cassatie dat wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn, deze termijn wat de dwangsom betreft, de strekking heeft aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft; dat deze termijn, wat de dwangsom betreft, dient beschouwd te worden als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Ook indien in deze het dictum van het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 17 april 2000 luidt dat het herstel van de plaats in de vorige toestand dient uitgevoerd "binnen de twaalf maanden nadat dit vonnis kracht van gewijsde verkregen heeft", en het dictum van het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2002 luidt dat "de voor het herstel bepaalde termijn ingaat de dag dat dit arrest kracht van gewijsde verkrijgt'', werd bijge¬volg aan (de verweerders) een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek toegekend. Indien, in strafzaken, een cassatieberoep is ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep dat een dwangsom oplegt, kan de dwangsom slechts worden verbeurd vanaf de betekening aan de schuldenaar van het arrest dat het cas¬satieberoep verwerpt (Cass., 28 maart 2003, R.A.B.G., 2003, 980, noot). Aangezien het verwerpingsarrest van 8 april 2003 aan (de verweerders) werd betekend op 8 maart 2004, betogen zij terecht dat de termijn van twaalf maanden om tot uitvoering over te gaan eerst inging op 8 maart
- De in het geding zijnde dwangsommen zijn bijgevolg niet opeisbaar geworden. (...) Aangezien de dwangsom nog niet opeisbaar is, kon (de eiser) geen hypothecaire inschrijving nemen op de onroerende goederen van (de verweerders). De vordering tot opheffing van de inschrijving is gegrond". Grieven Eerste onderdeel Te dezen werd door de eiser hoger beroep ingesteld tegen de beslis¬sing van de eerste rechter die verweerders' vordering gegrond verklaarde, het bevel van 8 maart 2004 nietig verklaarde, zegde voor recht dat de termijn om tot uitvoering over te gaan, zoals in het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 17 april 2000 werd bepaald op twaalf maanden en bevestigd in het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2002, slechts inging bij de betekening van het arrest, te weten op 8 maart 2004, zegde voor recht dat de dwangsom die aan de uitvoering werd verbonden bij voormeld vonnis en bevestigd bij voormeld arrest slechts zal verbeuren na verloop van de voorziene termijn van twaalf maanden die ingaat vanaf de betekening van het arrest op 8 maart 2004, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur veroordeelde om binnen de 24 uren na uitspraak van het vonnis vrijwillige opheffing te verlenen, zegde voor recht dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn dit vonnis als opheffing geldt en hem in de kosten veroordeelde. Het hof van beroep verklaart in het bestreden arrest het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond, waarna het evenwel verklaart dat het het vonnis bevestigt met deze preciseringen dat de termijn om tot uitvoering over te gaan inging de dag dat het arrest kracht van gewijsde verkreeg, de akte van 8 maart 2004 geldig is met betrekking tot de betekeningen van het vonnis van 17 april 2000, het arrest van het hof van beroep van 28 oktober 2002 en het arrest van het Hof van Cassatie van 8 april 2003, dat de opheffing van de in¬schrijving van de wettelijke hypotheek bevolen wordt en dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de 24 uren na betekening van het arrest het als opheffing zal gelden. Uit deze omschrijving volgt dat het hof van beroep minstens ten dele inging op het hoger beroep van de eiser. Besluit Waar het hof van beroep, enerzijds, het hoger beroep van de eiser ongegrond verklaart, doch, anderzijds, het bestreden vonnis bevestigt met de hierboven aangehaalde preciseringen en onder meer uitdrukkelijk verklaart dat de termijn om tot uitvoering over te gaan inging de dag dat het arrest kracht van gewijsde kreeg en dat de akte van 8 maart 2004 wel degelijk geldig is met betrekking tot de betekeningen van het vonnis dd. 17 april 2000, het arrest van het hof van beroep van 28 oktober 2002 en het arrest van het Hof van Cassa¬tie van 8 april 2003, is het bestreden arrest door een tegenstrijdigheid in zijn beschikkend gedeelte aangetast en derhalve niet naar recht verantwoord (schending van artikel 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek) en is het bestreden arrest evenmin regelmatig met redenen omkleed (schending van arti¬kel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Tweede onderdeel Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 17 april 2000 werden de verweerders veroordeeld wegens een bouwmisdrijf tot het herstel van de plaatsen in de vorige staat van de plaats gelegen te Tremelo, Werchtersebaan 2/11 door afbraak van de daar wederrechtelijk opgerichte constructies, namelijk een weekendhuisje met bergplaatsen en veranda, en dit binnen de twaalf maanden nadat dit vonnis kracht van gewijsde verkregen heeft. Het hof van beroep te Brussel bevestigde bij arrest van 28 oktober 2002 dit vonnis, behalve dat, benevens de wijziging van de bewezen tenlas¬teleggingen en van de straffen, geoordeeld werd dat de herstelmaatregel tevens de vijvers omvat, de voor het herstel bepaalde termijn ingaat de dag dat dit arrest kracht van gewijsde verkrijgt en aan iedere beklaagde een dwangsom wordt opgelegd van 15 euro per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel. De dwangsom werd zodoende voor het eerst opgelegd in hoger beroep. De beslissing tot het opleggen van een dwangsom werd gerecht¬vaardigd door de overweging "dat het gepast voorkomt, teneinde de tenuit¬voerlegging van het opgelegd herstel te bewerkstelligen, een dwangsom op te leggen waarvan het bedrag bepaald kan worden op 15 euro per dag". Van enige respijttermijn, zijnde een termijn die dient te verstrijken alvorens de dwangsom kan verbeuren, was er in dat arrest geen sprake. Besluit Waar het hof van beroep in het bestreden arrest het arrest van 28 oktober 2002 aldus uitlegt dat hierin niet alleen een uitvoeringstermijn, maar ook een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek van dezelfde duur als de uitvoeringstermijn werd bepaald, zijnde een termijn tijdens dewelke de dwangsom niet kan verbeuren, en derhalve oordeelt dat er in het arrest van 28 oktober 2002 een dubbele termijn werd bepaald, daar waar blijkens de tekst van het kwestieuze arrest er, enerzijds, werd beslist dat de beslissing van de eerste rechter tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand binnen de aldaar bepaalde termijn van twaalf maanden nadat het vonnis kracht van gewijsde verkregen heeft, wordt bevestigd, met dien verstande dat het woord ‘arrest' aan het woord ‘vonnis' werd gesubstitu¬eerd, en, anderzijds, voor het eerst in hoger beroep een dwangsom van 15 euro per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de opgelegde herstelmaatregel werd bepaald, zonder dat in dat arrest werd gesteld dat de dwangsom eerst na het verstrijken van een zekere termijn zou kunnen verbeuren, heeft het hof aan voornoemd arrest een uitlegging gegeven die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en derhalve de bewijskracht van dit arrest miskend (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) evenals het rechterlijk gezag van gewijsde dat aan voornoemd arrest van 28 oktober 2002 kleeft (schending van de artikelen 23, 24, 25 en 26 van het Gerechtelijk Wetboek, alsook van het algemeen rechtsbeginsel van het strafrechterlijk gezag van gewijsde) en kon het derhalve niet wettig besluiten, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, dat de dwangsom die aan de uitvoering werd verbonden bij voormeld arrest, slechts zal verbeuren na verloop van de voorziene termijn van twaalf maanden die ingaat vanaf de betekening van het arrest op 8 maart 2004 (schending van artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek). Derde onderdeel Naar luid van artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek mogen de rechters in de zaken die aan hun oordeel zijn onderworpen, geen uitspraak doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking. Voornoemde regel verzet zich zodoende ertegen dat een rechter, aan wie de vraag wordt voorgelegd of de dwangsomrechter aan de door hem opgelegde dwangsom een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek, waarbinnen de dwangsom niet zal kunnen verbeu¬ren, te onderscheiden van een termijn verleend voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, heeft gekoppeld, tot een bevestigend antwoord komt om de enkele reden dat in het verleden een andere rechter, in casu het Hof van Cassatie in een arrest van 28 maart 2003, geoordeeld heeft dat wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn (onder te verstaan de termijn die werd verleend voor de uitvoering van de hoofdveroordeling), deze termijn, wat de dwangsom betreft, de strekking heeft aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft en derhalve, wat de dwangsom betreft, dient te worden beschouwd als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, die slechts ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald. De bepaling van een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt immers overgelaten aan de apprecia¬tiebevoegdheid van de feitenrechter die zelf vrij bepaalt om aan het verbeuren van de dwangsom al dan niet een termijn te verbinden, hetgeen impliceert dat ter zake de bedoeling van de rechter dient te worden nagegaan om uit te maken of er al dan niet van een dergelijke termijn sprake is. Besluit Waar het hof van beroep besluit tot het bestaan van een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek omdat overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie moet worden aangenomen dat er sprake is van een termijn, zoals bedoeld in dat artikel, wanneer de dwangsomrechter een termijn voor de uitvoering van de hoofdveroordeling heeft bepaald en voorts heeft gesteld dat de dwangsom eerst na het verstrijken van die termijn zal verbeuren, zonder dat er in feite wordt nagegaan of het wel de bedoe¬ling van de feitenrechter was om ook een termijn waarbinnen de dwangsom niet kan verbeuren, zoals bedoeld bij voornoemd artikel, te bepalen, verleent het aan deze rechtspraak de waarde van een algemene en als regel geldende beschikking (schending van artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek) en doet het uitspraak in miskenning van de appreciatiebevoegdheid van de rechter die de dwangsom heeft opgelegd (schending van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Vierde onderdeel Blijkens artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek kan de rech¬ter op vordering van één der partijen de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom voor het geval dat aan de hoofdveroordeling, al dan niet na het verstrijken van een bepaalde termijn, niet wordt voldaan. Naar luid van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter tevens bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren. Hij is daartoe evenwel niet verplicht. Blijkens laatstgenoemde bepaling zal er dan ook slechts van een respijttermijn in voornoemde zin sprake kunnen zijn wanneer de rechter gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die hem bij dit artikel wordt verleend om een termijn te bepalen waarbinnen de dwangsom niet zal verbeuren. De enkele omstandigheid dat de rechter bij toepassing van een andere bepaling voorziet in een termijn waarbinnen de hoofdveroordeling moet worden uitgevoerd volstaat dan ook geenszins om tot het bestaan van een dergelijke respijttermijn te kunnen besluiten. Daartoe dient de bedoeling van de rechter te worden nagegaan. Een dergelijke termijn dient meer bepaald te worden onderscheiden van de termijn, waarvan sprake in artikel 65, §1, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, nadien artikel 68, §1, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening, vervolgens artikel 149, §1, laatste alinea, van het de¬creet van 18 mei 1999, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van het decreet van 4 juni
- Naar luid van deze bepalingen beveelt de rechtbank, rechtdoende in stedenbouwzaken, ofwel de plaats in de vorige staat te herstellen, ofwel bouwwerken of aanpassingswerken uit te voeren. De rechtbank bepaalt daarvoor een termijn die een jaar niet mag overschrijden. De bepaling van een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregel is zodoende bij de wet opgelegd en komt voor in iedere beslissing waarbij een herstelmaatregel wordt bevolen. Het betreft hier bovendien een termijn waarbinnen dient te worden voldaan aan de hoofdveroordeling, anders gezegd een uitvoeringstermijn, die als dusdanig is te onderscheiden van een respijttermijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek. Uit de enkele omstandigheid dat in een beslissing, gewezen inzake stedenbouw, een termijn voor de uitvoering werd bepaald mag noch kan bijgevolg zonder meer worden afgeleid dat de rechter ook een tweede, bijko¬mende termijn heeft willen bepalen waarbinnen de dwangsom niet zal kunnen verbeuren. Besluit Waar het hof van beroep oordeelt dat de dwangsom slechts kan worden verbeurd indien een zelfde tijdspanne als de uitvoeringstermijn is verstreken en aldus aanneemt dat uit de enkele omstandigheid dat er in een termijn voor de uitvoering van de hoofdveroordeling werd voorzien volgt dat er ook is voorzien in een termijn waarbinnen de dwangsom niet kan verbeuren, zoals bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en aldus uit het oog verliest dat er van een respijttermijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek slechts sprake kan zijn voor zover de dwangsomrechter met toepassing van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek heeft beslist dat de dwangsom niet zal kunnen verbeuren vooraleer een bepaalde termijn, genaamd de respijttermijn, is verstre¬ken doet het hof van beroep uitspraak, enerzijds, in miskenning van het facul¬tatief karakter van de bevoegdheid verleend aan de dwangsomrechter om een termijn, zoals bedoeld in voornoemd artikel, te bepalen (schending van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek), anderzijds van de speci¬fieke aard van de termijn, waarvan sprake in de stedenbouwwetgeving, waarvan de bepaling verplicht is zodra een herstelmaatregel wordt bevolen (schending van artikelen 65, §1, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, 68, §1, tweede lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing vóór diens opheffing bij het decreet van 18 mei 1999 en artikel 149, §1, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van het decreet van 4 juni 2003). Minstens is het bestreden arrest dat niet toelaat uit te maken waarop het hof van beroep steunt om te stellen dat de dwangsom slechts kan worden verbeurd indien een zelfde tijdspanne als de uitvoeringstermijn is verstreken, met dien verstande dat die laatste termijn slechts een aanvang zal nemen op het ogenblik van het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, en aldus de wettigheidscontrole van het Hof op deze beslissing onmogelijk maakt, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Het is niet tegenstrijdig eensdeels te beslissen dat het hoger beroep van de eiser, strekkende tot het tenietdoen van het bestreden vonnis en het ongegrond verklaren van de vorderingen van de verweerders, ongegrond is en anderdeels te beslissen het bestreden vonnis te bevestigen mits een precisering omtrent de aanvang van de uitvoeringstermijn en de geldigheid van de akte van 8 maart 2004 met betrekking tot de betekeningen. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde tegenstrijdigheid, en dienvolgens niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het bestreden arrest geeft geen uitlegging van het arrest van het hof van beroep van Brussel van 28 oktober 2002 maar oordeelt dat, ongeacht de bewoordingen ervan, de draagwijdte van de veroordeling door dat arrest uitgesproken bepaald wordt door de wettelijke regels die de dwangsom beheersen.
- In zoverre het onderdeel miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, mist het feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten en is het in zoverre niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Anders dan het onderdeel voorhoudt, geeft het bestreden arrest een draagwijdte aan de wetsbepaling van artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat het op het concrete geval toepast. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
- Luidens artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, derde lid, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan de dwangsom niet worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld. Luidens het vierde lid van dit artikel, dat overeenstemt met artikel 1, vierde lid, van de Eenvormige Wet, kan de rechter bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren.
- Zoals blijkt uit de arresten in de zaken A 2000/3 en 2000/4 van het Benelux Gerechtshof van 25 juni 2002 zijn de termijn die de rechter toekent voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en de termijn gedurende dewelke volgens de beslissing van de rechter de dwangsom niet is verbeurd, van verschillende juridische aard en strekking. De eerste termijn is bedoeld om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen, zodat de schuldenaar binnen deze termijn geen dwangsom kan verbeuren daar de dwangsom slechts kan worden opgelegd voor het geval de hoofdveroordeling niet of niet tijdig wordt nagekomen, terwijl de tweede termijn ertoe strekt de schuldenaar nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft.
- Zoals uit voormelde arresten van 25 juni 2002 van het Benelux Gerechtshof nog blijkt, heeft de betekening tot doel ter kennis van de schuldenaar te brengen dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt en dat de schuldenaar mitsdien ook ervan op de hoogte gesteld moet worden dat de dwangsomrechter hem nog een bepaalde termijn heeft vergund om aan de veroordeling te voldoen voordat een dwangsom wordt verbeurd en volgt daaruit dat de termijn als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Eenvormige Wet pas ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald.
- Uit het arrest in de zaak A 2004/1 van het Beneluxgerechtshof van 16 december 2004 blijkt dat : - behoudens de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld, de schuldeiser van de dwangsom niets behoeft te ondernemen om de dwangsom te laten verbeuren. Zodra de termijn waarbinnen de dwangsom niet kan worden verbeurd, voorbij is, gaat het enkel nog om de niet-naleving van de hoofdveroordeling door de schuldenaar van de dwangsom, dit wil zeggen om de inbreuk op de rechterlijke uitspraak die de dwangsom oplegt; - de rechter die een dwangsom oplegt, de vrijheid heeft aan de dwangsomveroordeling al dan niet een respijttermijn als bedoeld in artikel 1, lid 4 van de Eenvormige Wet te verbinden.
- Krachtens artikel 65, §1, eerste lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw en artikel 68, §1, eerste lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, beveelt de rechtbank benevens de straf, op vordering van de gemachtigde ambtenaar of van het college van burgemeester en schepenen, maar met hun gezamenlijk akkoord in de sub b en c bedoelde gevallen : a. Ofwel de plaats in de vorige staat te herstellen; b. Ofwel bouwwerken of aanpassingswerken uit te voeren; c. Ofwel een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Krachtens het tweede lid van die wetsbepalingen bepaalt de rechtbank een termijn die in de sub a en b bedoelde gevallen een jaar niet mag overschrijden. Krachtens artikel 149, §1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening in zijn opeenvolgende versies wordt eenzelfde herstelmaatregel naast de straf bevolen op vordering van de stedenbouwkundige inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Krachtens het laatste lid van §1 van voormeld artikel bepaalt de rechtbank een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen en kan deze, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, eveneens een dwangsom bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen.
- Die wettelijke bepalingen wijken niet af van de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de dwangsom.
- De vraag rijst of, in het geval bedoeld in r.o. 11 wanneer de rechter een hoofdveroordeling uitspreekt om de plaats in de vorige staat te herstellen of om bouwwerken of aanpassingswerken uit te voeren en hiervoor aan de veroordeelde een termijn toekent vanaf het in kracht van gewijsde treden van deze veroordeling en daarbij een dwangsom oplegt per dag vertraging in de uitvoering van de hoofdveroordeling, artikel 1, lid 3 en 4, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom aldus moet worden uitgelegd dat de termijn die voor de uitvoering van de hoofdveroordeling is toegestaan vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling, ook geldt als termijn die door de rechter wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening, zodat de rechter niet vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan, dan die welke voorzien is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening. De vraag rijst tevens of, indien de rechter vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan dan die welke voorzien is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling, uit het stilzwijgen van de rechter omtrent de termijn voor het verbeuren van de dwangsom moet worden afgeleid dat de termijn die voorzien is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening. Ook rijst nog de vraag of artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de rechter een termijn toestaat voor het verbeuren van de dwangsom om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit artikel verhindert dat de rechter een langere termijn toestaat voor het verbeuren van de dwangsom berekend vanaf de betekening van de beslissing dan de termijn toegestaan voor de uitvoering.
- De vragen verplichten tot uitlegging van artikel 1, lid 3 en lid 4, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Beneluxgerechtshof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vragen:
- Moet artikel 1, lid 3 en lid 4, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom aldus worden uitgelegd dat wanneer de rechter een hoofdveroordeling uitspreekt en hiervoor een uitvoeringstermijn bepaalt vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling en daarbij een dwangsom oplegt per dag vertraging in de uitvoering, de termijn die voor de uitvoering is toegestaan, ook geldt als termijn die door de rechter wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening, zodat de rechter niet vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan, dan die welke bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening?
- Indien de rechter vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan dan die welke bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling, moet uit het stilzwijgen van de rechter omtrent de termijn voor het verbeuren van de dwangsom worden afgeleid dat de termijn die bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening?
- Moet artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet aldus worden uitgelegd dat wanneer de rechter een termijn bepaald om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit artikel verhindert dat de rechter een langere termijn voor het verbeuren van de dwangsom toestaat berekend vanaf de betekening van de beslissing dan de termijn toegestaan voor de uitvoering? Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 24 december 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091224.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091224.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110617.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div