id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090105.6 Rolnummer: S.08.0013.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 308 - laatst gezien 2026-07-03 01:32 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.6 Fiche 1 Wanneer een werknemer die door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur gebonden is, ontslagen wordt met een ontoereikende opzeggingstermijn, ontstaat in zijn hoofde overeenkomstig artikel 39,§ 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, een recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding vanaf de kennisgeving van het ontslag, hoewel de arbeidsovereenkomst blijft voortbestaan totdat de in acht genomen opzeggingstermijn verstrijkt
(1).
(1)Zie de strijdige conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Algemeen Vrije woorden: Ontstaan van het recht - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 39, § 1 Fiche 2 Dit recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding, dat ertoe strekt de hem ter kennis gebrachte ontoereikende opzeggingstermijn te compenseren, heeft geen bestaansreden meer indien de arbeidsovereenkomst niet meer eindigt ten gevolge van de opzegging gegeven met een ontoereikende opzeggingstermijn, maar wel van een later door de werkgever terecht gegeven ontslag om dringende redenen, zodat de werknemer die zich gedurende de in acht genomen opzeggingstermijn schuldig maakt aan een ernstige tekortkoming die zijn ontslag om dringende reden rechtvaardigt, door zijn toedoen het recht verliest op de vergoeding die de ontoereikende duur van die termijn compenseert
(1).
(1)Zie de strijdige conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Algemeen Vrije woorden: Gerechtvaardigd ontslag om dringende reden tijdens de opzeggingstermijn Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 39, § 1 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Algemeen Vrije woorden: Ontstaan van het recht - Tijdstip Gerechtvaardigd ontslag om dringende reden tijdens de opzeggingstermijn Tekst van de conclusie S.08.0013.N CONCLUSIE VAN MEVROUW DE ADVOCAAT-GENERAAL R. MORTIER
- Situerinq Verweerster was met de rechtsvoorgangster van eiseres verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Eiseres betekende aan verweerster de opzegging van de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van 6 maanden. Verweerster stelde dat de haar betekende opzeggingstermijn te kort was en zij recht had op 24 maanden in plaats van de toegekende 6 maanden. Lopende de gegeven opzeggingstermijn van 6 maanden werd verweerster door eiseres ontslagen wegens dringende reden. Verweerster vorderde via gerechtelijke weg onder andere een aanvullende opzeggingsvergoeding. De arbeidsrechtbank oordeelde bij vonnis van 31 mei 2005 dat het ontslag wegens dringende reden ongegrond was en dat de normale opzeggingstermijn niet in acht werd genomen zodat verweerster recht had op een aanvullende opzeggingsvergoeding. Na hoger beroep vanwege eiseres oordeelde het arbeidshof te Antwerpen bij arrest van 13 februari 2007, zonder zich uit te spreken over de gegrondheid van het ontslag wegens dringende reden in afwachting van de afwikkeling van een strafzaak, dat verweerster alvast recht had op een aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan 18 maanden loon namelijk het verschil tussen de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn en de toegekende opzeggingstermijn. De beslissing in verband met het recht op vergoeding voor het resterend gedeelte van de oorspronkelijk toegekende, maar ingevolge het ontslag om dringende reden niet gepresteerde opzegtermijn werd opgeschort.
- Het middel. In het enig middel voert eiseres aan dat de appelrechters niet wettig konden oordelen dat reeds uitspraak kon gedaan worden over het recht op aanvullende opzeggingsvergoeding. De appelrechters beschouwen deze vergoeding ten onrechte als een "verworven recht" dat niet kan beïnvloed worden door een ontslag wegens dringende reden, door de werkgever gegeven tijdens de ontoereikende opzeggingstermijn. Eiseres stelt dat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding teniet gaat om dezelfde redenen als die op grond waarvan het recht op de opzegging zelf teniet gaat. De werknemer die zich tijdens de opzeggingstermijn bezondigt aan een zwaarwichtige fout die zijn ontslag om dringende reden rechtvaardigt, verliest het recht op de opzegging en bijgevolg op de vergoeding wegens een ontoereikende opzeggingstermijn.
- De opzeggingsvergoeding en de rechtspraak van Uw Hof. 3.
- De opzegging is de handeling waardoor een partij aan de andere ter kennis brengt dat zij de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst wil beëindigen
(1), of nog, de voorafgaande mededeling van een partij aan een andere partij van de datum waarop de arbeidsovereenkomst moet eindigen.
(2)De opzegging is dus een wettelijke vorm van ontslag met een tijdsbepaling. Nu de opzegging een wettelijke wijze van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst is, wordt de arbeidsovereenkomst bij de kennisgeving van de opzegging, ongeacht of een voldoende opzeggingstermijn wordt betekend, beëindigd en hoeft de partij van wie de opzegging uitgaat bij het verstrijken van de termijn geen handeling meer te stellen om de arbeidsovereenkomst te doen eindigen. De arbeidsovereenkomst gaat op dat ogenblik vanzelf teniet door de uitwerking van de gegeven opzegging. De arbeidsovereenkomst wordt met andere woorden beëindigd op het ogenblik dat de opzegging wordt gegeven, maar eindigt bij het verstrijken van de betekende opzeggingstermijn.
(3)De gegeven opzegging staat er niet aan in de weg dat de arbeidsovereenkomst tijdens de gegeven (al dan niet ontoereikende) opzeggingstermijn om een andere reden kan beëindigd worden. 3.
- Artikel 39§1, eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat wanneer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt gesloten, de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn, zoals vastgesteld in onder andere artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet, gehouden is de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterend gedeelte van die termijn. Indien geen opzeggingstermijn werd inachtgenomen is er sprake van een vervangende opzeggingsvergoeding. Indien een te korte opzeggingstermijn werd in acht genomen is er sprake van een aanvullende opzeggingsvergoeding. 3.
- Bij arrest van 17 maart 1986
(4)oordeelde Uw Hof dat inzoverre artikel 39,§1 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de werkgever gehouden is de werknemer een vergoeding te betalen, dit artikel een bepaling van dwingend recht is ten voordele van de werknemer. Deze wettelijk opgelegde vergoeding kan beschouwd worden als een "ontslagbeperkende maatregel" die erop gericht is de door het ontslag getroffen partij, en in het bijzonder de werknemer, enige bescherming te verlenen. 3.4. De opzeggingsvergoeding is verschuldigd bij wijze van sanctie voor het niet respecteren van de bij wet vastgelegde opzeggingstermijn.
(5)Uw Hof oordeelde bij arrest van 7 mei 2001
(6)dat deze opzeggingsvergoeding op forfaitaire wijze alle schade dekt, zowel de materiële als de morele schade die uit de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit. Deze vergoeding kan, aldus een arrest van 19 februari 1975 van Uw Hof, hoger of lager kan zijn dan de werkelijk geleden schade en dekt dus niet de reëel geleden schade
(7). 3.5. In een constante rechtspraak heeft uw Hof aangenomen dat het recht op aanvullende opzeggingsvergoeding ontstaat vanaf de kennisgeving van de opzegging
(8)en dat het feit dat de arbeidsovereenkomst tijdens de in acht genomen opzeggingstermijn blijft voortbestaan, hieraan niet in de weg staat.
(9)Zo wordt aangenomen dat de aanvullende opzeggingsvergoeding moet worden berekend met inachtneming van het loon waarop de werknemer recht heeft op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging
(10)en dat op de aanvullende opzeggingsvergoeding intrest verschuldigd is vanaf het ogenblik waarop de opzeggingsvergoeding eisbaar is, dit wil zeggen vanaf het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging
(11). 3.6. In diverse arresten nam Uw Hof aan dat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding niet kan beïnvloed worden door latere gebeurtenissen.
(12)3.6.1. Zo werd bij arrest van 24 maart 1966
(13)geoordeeld dat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding blijft bestaan wanneer de werknemer tijdens de duur van de te korte opzeggingstermijn overlijdt, zodat de erfgenamen van de werknemer die overlijdt na de kennisgeving van de te korte opzeggingstermijn, doch voor het verstrijken ervan, aanspraak kunnen maken op de aanvullende opzeggingsvergoeding. 3.6.2. In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van Uw Hof van 6 maart 2000
(14)werd een werkneemster ontslagen met een te korte opzeggingstermijn van 12 maanden. De werkgever was nadien bereid de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn van 21 maanden na te leven doch de werkneemster weigerde een onderling akkoord met de werkgever. Tijdens de te korte opzeggingstermijn ging de werkgever over tot onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst omdat de werkneemster negatief reageerde op alle mogelijke voorstellen tot reclassering, zij tijdens de opzegperiode herhaaldelijk ziek was en zij op geen enkele wijze haar taken en verantwoordelijkheden opnam zoals vóór het ontslag. De werkgever betaalde een opzeggingsvergoeding uit voor 12 maanden verminderd met de gepresteerde dagen. De werkneemster vorderde evenwel een bijkomende opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het loon over 9 maanden. Zowel de arbeidsrechtbank als het arbeidshof oordeelden dat die vordering ongegrond was gelet op de negatieve houding van de werkneemster.Het arbeidshof stelde dat de opzeggingstermijn die aan de werknemer wordt verstrekt tot doel heeft hem in staat te stellen ondertussen uit te zien naar een andere gelijkwaardige dienstbetrekking; dat de werkgever grote bereidheid vertoonde de werkneemster hierbij te helpen maar dat uit het dossier blijkt dat het de werkneemster niet zozeer te doen was om dadelijk een andere betrekking te vinden, nog minder om de bestaande arbeidsovereenkomst naar behoren en ter goeder trouw uit te voeren. Het arbeidshof stelde dat: "gezien de negatieve ingesteldheid het dan ook voorkomt dat het systeem van een ruime opzeggingstermijn ingevolge anciënniteit, leeftijd en functie, getoetst aan de particuliere gegevens eigen aan de zaak, zodanig moet functioneren dat de werkneemster er moest toe worden aangezet zelf naar ander werk uit te zien. Een resterende opzeggingstermijn zoals verleend komt redelijk voor. Het beroep inzake opzeggingsvergoeding is ongegrond." Uw Hof vernietigde dit arrest en oordeelde dat: - krachtens artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet, de verschuldigde opzeggingsvergoeding bij het einde van de bij de opzegging in acht genomen opzeggingstermijn gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van het gedeelte van de opzeggingstermijn waarop de bediende aanspraak kan maken, dat bij de opzegging niet in acht werd genomen; - in geval van onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder dringende reden door de werkgever tijdens de door hem bij de opzegging in acht genomen opzeggingstermijn de alsdan verschuldigde opzeggingsvergoeding gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van het op dat ogenblik nog te lopen gedeelte van de opzeggingstermijn waarop de werknemer aanspraak kan maken; - de rechter bij het bepalen van de opzeggingstermijn die bij de opzegging in acht moest genomen worden, geen rekening mag houden met omstandigheden die zich na de opzegging hebben voorgedaan; - dat het arrest de opzeggingstermijn waarop eiser bij de opzegging aanspraak kon maken en de eraan verbonden opzeggingsvergoeding waarop eiser gerechtigd is bepaalt met inachtneming van omstandigheden van na de opzegging en het zodoende de aangehaalde wetsbepalingen schendt. 3.6.3. In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van uw Hof van 14 april 2003
(15)werd een bediende opgezegd door de werkgever met een opzeggingstermijn van negen maanden, terwijl de bediende oordeelde dat hij recht had op een aanvullende termijn van zes maanden. Er wordt gedagvaard in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding zonder dat dan contractbreuk wordt ingeroepen. Lopende de gegeven opzeggingstermijn roept de bediende contractbreuk in omdat de werkgever eenzijdig de functie van de werknemer had gewijzigd. De eerste rechter oordeelde, zonder te onderzoeken of de vaststelling van de vermeende contractbreuk al dan niet terecht was, dat het recht op de gevorderde opzeggingsvergoeding niet meer kan beïnvloed worden door gebeurtenissen die zich voordoen na de kennisgeving van de opzegging. Het arbeidshof daarentegen oordeelde dat de werknemer ten onrechte contactbreuk inriep ten aanzien van de werkgever en de werknemer op die datum onrechtmatig, op onregelmatige wijze de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd zodat de werknemer vanaf die datum zijn rechten op een aanvullende opzeggingsvergoeding verliest. Uw Hof vernietigde dit arrest en oordeelde dat - als een bediende ontslagen wordt met een opzeggingstermijn die korter is dan die waarop hij aanspraak kan maken, het recht van de bediende op een aanvullende opzeggingsvergoeding wegens deze onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst ontstaat op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging, hoewel de arbeidsovereenkomst nog tijdens de in acht genomen opzeggingstermijn blijft voortbestaan; - dat dit recht van de bediende niet kan beïnvloed worden door latere gebeurtenissen; - dat, ingeval van onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de bediende, tijdens de door de werkgever in acht genomen opzeggingstermijn, de bediende aan de werkgever een opzeggingsvergoeding verschuldigd is; - dat deze vergoeding gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt met de opzeggingstermijn die de bediende in acht diende te nemen, weliswaar er van uitgaande dat de arbeidsovereenkomst alleszins ten einde kwam op het ogenblik dat de voorheen door de werkgever in acht genomen opzeggingstermijn zou verlopen zijn; - dat de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de bediende tijdens de door de werkgever in acht genomen te korte opzeggingstermijn, geen invloed heeft op het verworven recht van de bediende op de aanvullende forfaitaire opzeggingsvergoeding wegens de vroegere onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. 3.6.4. Het recht op aanvullende opzeggingsvergoeding heeft evenwel geen reden van bestaan meer wanneer de opzeggingstermijn binnen de termijn waarvan kennis werd gegeven, in onderling akkoord wordt verlengd.
(16)Indien beide partijen erkennen dat de gegeven opzeggingstermijn te kort is, kan de einddatum van de opzeggingstermijn enkel door onderling akkoord verdaagd worden. Dit akkoord moet slaan zowel op het beginsel van de verlenging als op de duur ervan. Indien dergelijk akkoord niet kan bereikt worden, eindigt de arbeidsovereenkomst op de oorspronkelijk bepaalde datum en moet de partij, die de te korte opzeggingstermijn gaf, een vergoeding betalen gelijk aan het resterend gedeelte van die termijn, die moest in acht genomen worden
(17). Het principe dat het recht op aanvullende opzeggingsvergoeding niet beïnvloed wordt door latere gebeurtenissen verhindert ook niet dat de opgezegde persoon afstand doet van zijn recht op een opzeggingsvergoeding
(18). 3.6.
- In het geval dat de arbeidsovereenkomst tijdens de te korte opzeggingtermijn werd beëindigd omwille van een dringende reden heeft Uw Hof evenwel in een aantal arresten aangenomen dat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding vervalt. 3.6.5.1.Reeds in een voetnoot onder het in rubriek 3.6.1.vermeld arrest van 24 maart 1966 werd door het openbaar ministerie gewezen op het onderscheid tussen de situatie waar de werknemer tijdens de te korte opzeggingstermijn komt te overlijden en de situatie waarin hij ingevolge een zware fout ontslagen wordt om dringende reden: "... de même si, au cours du délai de préavis notifié, l'employé se rendait coupable d'un manquement grave à ses obligations contractuelles, justifiant un renvoi sur l'heure, il ne pourrait plus, en raison de cette faute grave, se prévaloir du droit à une indemnité. Mais le décès de l'employé n'est pas un manquement à ses obligations contractuelles et ne peut donc entraîner l'extinction du droit à l'indemnité." 3.6.5.
- Bij arrest van 4 juni 1975
(19)werd door Uw Hof geoordeeld: - dat de werknemer aan wie een onvoldoende opzeggingstermijn werd betekend weliswaar een recht op vergoeding heeft dat vanaf de kennisgeving van de opzegging ontstaat, maar dat dit recht in de plaats treedt van het recht op het overblijvend gedeelte van de volledige opzeggingstermijn en derhalve vervalt om de redenen die dit laatste recht teniet doen; - dat derhalve wanneer in de loop van de opzeggingstermijn die hem werd betekend de werknemer in overeenstemming met de werkgever beslist dat de volledige opzeggingstermijn moet geëerbiedigd worden, het bovenvermeld bedoeld recht op een vergoeding geen reden van bestaan meer heeft; - dat eveneens, wanneer in de loop van de hem betekende opzeggingstermijn de werknemer zich schuldig maakt aan een feit of aan een tekortkoming die een onmiddellijk ontslag wegens een dringende reden rechtvaardigt, hij het recht op enige verdere opzeggingstermijn verliest en derhalve ook op de vergoeding die in de plaats van het overblijvend gedeelte van de termijn treedt. 3.6.5.3. In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 26 februari 2007
(20)vorderde een werkneemster die ontslagen was terwijl de werkgever een ontoereikende opzeggingstermijn in acht had genomen een compensatoire opzeggingsvergoeding, niettegenstaande zij tijdens de te korte opzeggingstermijn werd ontslagen om dringende reden. Nadat de appelrechters deze vordering ongegrond verklaarden voerde eiseres voor uw Hof aan dat de dringende reden op grond waarvan zij werd ontslagen geen enkele weerslag heeft op het recht op een compensatoire opzeggingsvergoeding, gezien dit recht vóór de dringende reden is ontstaan. Aangezien de beëindiging van de overeenkomst plaatsvindt nadat zij het recht op opzeggingsvergoeding verworven heeft, kan die beëindiging haar dit recht niet doen verliezen In zijn conclusie vóór dit arrest stelde toenmalig Eerste advocaat-generaal J.-F. Leclercq: "Il est vrai que le travailleur auquel un préavis insuffisant a été notifié, a un droit à une indemnité qui naît dès la notification du préavis. Ce droit ne remplace toutefois que le droit à la partie restante du délai de préavis complet, qui eût dû être notifié et, partant, il s'éteint logiquement pour les mêmes raisons que celles qui éteignent ce dernier droit. Dès lors, puisque l'existence d'un motif grave prouvé permet à la partie qui s'en prévaut de résilier le contrat de travail sans préavis, il en résulte que lorsqu'au cours du délai de préavis qui lui a été notifié, le travailleur se rend coupable d'un fait ou d'un manquement justifiant un renvoi sur l'heure pour motif grave, il perd le droit à tout autre délai de préavis et, dès lors, aussi à l'indemnité remplaçant la partie restante du délai. Si l'employé, lié par un contrat à durée indéterminée a, en principe, droit, dès la notification d'un préavis inférieur à celui que le loi prévoit, à une indemnité égale aux appointements et avantages acquis en vertu de la convention, et correspondant à la partie restant à courir du délai de préavis qui eût dû être notifié par l'employeur, ce droit s'éteint si, pendant le délai notifié, le travailleur se rend coupable d'un fait ou d'un manquement justifiant son renvoi sur l'heure pour motif grave." Uw Hof volgde deze redenering en verwierp de voorziening op grond van de beoordeling dat: - het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding ontstaat vanaf de kennisgeving van het ontslag, hoewel de arbeidsovereenkomst tijdens de opzeggingstermijn blijft voortbestaan - dit recht niet kan beïnvloed worden door latere gebeurtenissen - dit recht ertoe strekt de ter kennis gebrachte, ontoereikende opzeggingstermijn te vergoeden - dit recht tenietgaat om dezelfde redenen als die op grond waarvan het recht op de opzegging zelf tenietgaat - de werknemer die zich gedurende de opzeggingstermijn schuldig maakt aan een zwaarwichtige fout die zijn ontslag om dringende redenen rechtvaardigt, het recht op de opzegging verliest en bijgevolg op de vergoeding die de ontoereikende duur van die termijn vergoedt. 4. Bespreking. 4.1. In de rechtsleer werd deze stellingname bekritiseerd op volgende gronden: - het lijkt inderdaad niet billijk een recht op vergoeding toe te kennen aan een partij die na opzegging terecht ontslagen wordt om dringende reden, maar de beslissing dat het recht op opzeggingsvergoeding vervalt om dezelfde reden als degene die het recht op een opzeggingstermijn doet tenietgaan, kan niet juridisch gefundeerd worden.
(21)- er valt niet goed in te zien waarom de situatie verschillend zou zijn naargelang de werknemer tijdens de te korte opzeggingstermijn wordt ontslagen wegens dringende reden dan wel onrechtmatig ontslag neemt. Immers ook in dit laatste geval verliest hij het recht op de resterende opzeggingstermijn
(22). - er valt niet in te zien hoe het recht op het ontbrekend gedeelte van de volledige opzeggingstermijn nog tijdens de te korte opzeggingstermijn kan vervallen, zo dit recht reeds vanaf de kennisgeving van de opzegging vervangen werd door een recht op forfaitaire schadevergoeding
(23). - een verschillende behandeling van het recht op vergoeding wegens een te korte opzeggingstermijn naargelang de oorzaak van de tweede beëindiging vindt geen steun in artikel 39,§1 van de Arbeidsovereenkomstenwet. De partij die de te korte opzeggingstermijn heeft gegeven is niet gehouden de opzeggingstermijn nog langer in acht te nemen als de andere partij zich in de loop van die termijn schuldig maakt aan een ernstige tekortkoming die een onmiddellijke beëindiging rechtvaardigt. Deze tweede beëindiging geeft geen aanleiding tot schadevergoeding vermits zij regelmatig is. De vergoeding die het ontbrekend gedeelte van de opzeggingstermijn vervangt blijft daarentegen wel verschuldigd omdat het recht op die vergoeding is ontstaan uit hoofde van de eerste beëindiging.
(24)4.
- Het standpunt dat het recht op aanvullende opzeggingsvergoeding vervalt na ontslag om dringende reden zou kunnen verantwoord worden om redenen van billijkheid. Een partij die wordt ontslagen om dringende reden zou niet mogen beloond worden door van de getroffen werkgever nog een vergoeding te krijgen voor een opzeggingstermijn die niet meer bestaat. Maar Uw Hof zegt niet uitdrukkelijk dat de billijkheid dit vereist en de vraag is of voormelde billijkheidsredenering wel volledig correct is. Zo zou kunnen aangevoerd worden dat in voorkomend geval beide partijen verwijtbaar gedrag hebben vertoond, elk met eigen gevolgen: - de partij die de te korte opzeggingstermijn betekent wordt gesanctioneerd met de verplichting tot het betalen van een aanvullende opzeggingsvergoeding; - de partij die later terecht ontslagen wordt om dringende reden wordt gesanctioneerd met het verlies van het recht op de vergoeding van het resterend gedeelte van de betekende opzeggingstermijn. Bovendien kan overeenkomstig artikel 35, eerste lid van de arbeidsovereenkomstenwet een eis worden ingesteld om vergoeding te bekomen van de schade die veroorzaakt werd door de fout van de ontslagen partij. Bovendien kan de betekening van een te korte opzeggingstermijn op geen enkele wijze een onrechtmatige handeling zijn in hoofde van de partij aan wie de te korte opzegging werd betekend. Aan deze partij kan enkel verweten worden dat ze nadien werd ontslagen om dringende reden. Het lijkt in die zin zelfs eerder onbillijk om de principes dat het recht op aanvullende opzeggingsvergoeding ontstaat vanaf de betekening van een te korte opzeggingstermijn en niet beïnvloed wordt door latere gebeurtenissen, toe te passen in alle omstandigheden van latere beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zelfs als deze beëindiging onregelmatig is in hoofde van de partij van wie de arbeidsovereenkomst werd beëindigd met een te korte opzeggingstermijn, doch enkel af te wijken van deze regel wanneer nadien een terecht ontslag wegens dringende reden volgt. 4.
- In zoverre Uw Hof in het arrest van 4 juni 1975 er bij de beoordeling dat het recht op aanvullende opzeggingsvergoeding "nochtans in de plaats treedt van het recht op het overblijvend gedeelte van de volledige opzeggingstermijn en derhalve vervalt om redenen die dit laatste recht teniet doen" van uitging dat de opzeggingsvergoeding moet beschouwd worden als een alternatief voor de niet-gerespecteerde opzeggingstermijn, kan deze stelling geen steun vinden in artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet. Uit de libellering van dit artikel blijkt dat de wetgever als beginsel heeft gesteld dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de regel dient te worden beëindigd met inachtneming van een opzeggingstermijn. De uitbetaling van een opzeggingsvergoeding is een sanctie voor het niet naleven van dit voorschrift. Immers door het niet naleven van de opzeggingstermijn wordt het ontslag onrechtmatig en ontstaat er schadeplichtigheid. Dat het uitbetalen van een opzeggingsvergoeding niet als een alternatief van een opzeggingstermijn kan aanzien worden moge ook blijken uit het gegeven dat de wetgever trouwens zelf heeft aangegeven wanneer de overeenkomst met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding rechtmatig kan beëindigd worden.
(25)Nu artikel 39§1 van de Arbeidsovereenkomstenwet een recht op aanvullende opzeggingsvergoeding toekent wanneer de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd zonder dringende reden en wanneer geen of een onvoldoende opzeggingstermijn werd betekend, lijkt het logisch dat door de terechte beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden, het recht op (vergoeding voor) het resterend gedeelte van de betekende opzeggingstermijn vervalt, maar ook niet meer dan dat. Het voordien ontstane recht op aanvullende opzeggingsvergoeding als sanctie wegens het niet respecteren van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn gaat door deze latere terechte beëindiging om dringende reden niet teniet. 4.4. Dit standpunt werd, naar analogie, door Uw Hof trouwens aangenomen in het arrest van 1 maart 1982
(26)waar werd geoordeeld dat het recht op vergoeding voor abusieve afdanking ontstaat en wordt bepaald op het ogenblik van de kennisgeving van de wil tot verbreking van een der partijen en niet beïnvloed wordt door een latere gebeurtenis, zoals een ontslag om dringende reden. 4.5. Ook het Franse Hof van Cassatie oordeelde: "Lorsqu'un salarié a été licencié sans faute grave et qu'il commet une telle faute durant l'exécution du préavis, cette faute ne peut entraîner la perte du droit de l'indemnité de licenciement, laquelle prend naissance à la date de la notification du congé, même si son exigibilité est reportée à la fin du préavis. Il en va de même d'une faute lourde commise pendant l'exécution du préavis
(27)." 5. Conclusie. Het door eiser aangevoerd middel dat een werknemer zijn recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding verliest indien hij tijdens de hem betekende, te korte opzeggingstermijn terecht om dringende reden wordt ontslagen faalt bijgevolg naar recht. Conclusie: VERWERPING. ________________
(1)Cass., 10 december 1975, A.C. 1975-1976, 447.
(2)Cass., 23 maart 1981, A.C. 1980-1981, 817.
(3)Votquenne D., "Ontstaan en eisbaarheid van het recht op de aanvullende opzeggingsvergoeding. De rechtspraak van het Hof van Cassatie", J.T.T. 1990, nr.478, p. 402.
(4)Cass., 17 maart 1986, A.C. 1985-1986, 986.
(5)M. Rigaux en P. Humblet, "Ontslagmacht, ontslagrecht en vastheid van betrekking: een systeem", R.W., 1988-1989, 731en 734.
(6)Cass. 7 mei 2001, A.R. S.00.0047.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6; A.C. 2001, nr.258, 819-822.
(7)Cass., 19 februari 1975, A.C; 1975, 685-687.
(8)Cass., 4 juni 1975; A.C. 1975, 1055; Cass. 3 mei 1982, A.C. 1981-1982, 1071; Cass. 6 november 1989, A.C. 1989-1990, 318 met conclusie toenmalig advocaat-generaal H. Lenaerts; Cass., 6 maart 2000, A.C. 2000, 519; Cass., 14 april 2003, A.C. 2003, 996; Cass. 26 februari 2007, J.T.T., 2007, 239 met conclusie toenmalig Eerste advocaat-generaal J.-F. Leclercq.
(9)Cass., 6 maart 2000, A.C. 2000, 519; Cass. 14 april 2003, A.C. 2003, 996; Cass. 26 februari 2007; J.T.T., 2007, 239 met conclusie toenmalig Eerste advocaat-generaal J.-F. Leclercq.
(10)Cass. 6 november 1989, Arr. Cass. 1989-90, 318, conclusie toenmalig advocaat-generaal H. Lenaerts
(11)Cass. 1 april 1985, Arr. Cass. 1984-85, 1047; Cass. 30 november 1992, Arr. Cass. 1992-93, 1363
(12)Cass., 14 april 2003, A.C. 2003, 996; Cass., 26 februari 2007, J.T.T., 2007, 239 met conclusie toenmalig eerste advocaat-generaal J.-F. Leclercq.
(13)Cass., 24 maart 1966, Pas.1966, I 957.
(14)Cass., 6 maart 2000, A.R. S.99.0161.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000306.8, A.C. 2000, nr. 155.
(15)Cass. 14 april 2003, A.R. S.02.0028.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.9; A.C. 2003, nr. 253.
(16)Cass. 4 juni 1975, Arr. Cass. 1975, 1057.
(17)Cass., 5 november 1966, Pas., 1966, I, 309.
(18)Zie Cass., 11 februari 1980, A.C. 1979-1980, nr. 354.
(19)Cass., 4 juni 1975, A.C. 1975, 1055.
(20)Cass. 26 februari 2007; J.T.T. 2007, 239 met conclusie toenmalig Eerste advocaat-generaal J.-F. Leclercq.
(21)M. Jamoulle, Examen de jurisprudence (1975 à 1977). Contrat de travail, R.C.J.B. 1978, 645. T. II, Faculté de droit, d'économie et de sciences sociales, Liège 1986, 295-296.
(22)W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium Arbeidsrecht 2007, p.2063-2064.
(23)D. Votquenne, "Ontstaan en eisbaarheid van het recht op aanvullende opzeggingsvergoeding. De rechtspraak van het Hof van Cassatie.", J.T.T., 1990, nr.478, p. 404.
(24)idem.
(25)Zie terzake M.Rigaux en P.Humblet, o.c., 734.
(26)Cass., 1 maart 1982, J.T.T.1983, 22.
(27)Cass.soc. 9 mai 2000, RJS 6/2000, n°650 et Cass. soc. 23 octobre1991, RJS 12/1991, n°
- in Dalloz, Répertoire de Droit du travail, Tome II, p.10-11, nr.95 en p.20 nr.
- Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000306.8 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div