id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090109.4 Rolnummer: C.07.0188.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-02-10 Raadplegingen: 311 - laatst gezien 2026-07-03 05:46 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090109.4 Fiche 1 De bevoegde douaneautoriteiten kunnen een procedure instellen tot navordering van de niet-geheven rechten op grond van de Verordening (EG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 wanneer de betalingsverplichting volgt uit de niet-naleving van de voorwaarden van een bepaalde douaneregeling; de omstandigheid dat er geen aangifte zou zijn uitgereikt waaruit de verplichting tot betaling voortvloeit, is niet doorslaggevend voor de toepassing van die verordening
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Bijzondere bepalingen Vrije woorden: Rechten bij invoer of uitvoer - Niet-geheven rechten - Procedure tot navordering Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 24-07-1979 - Art. 2.1, eerste lid Fiche 2 Voor de toepassing van artikel 3 van de Verordening (EG), nr. 1679/79 van de Raad van 24 juli 1979, krachtens welke bepaling de in artikel 2 van die verordening gestelde termijn van drie jaar om de procedure tot navordering van niet-geheven rechten in te leiden niet van toepassing is in geval van strafrechtelijk vervolgbare handelingen, is niet vereist dat de autoriteiten niet in staat waren om binnen de termijn van drie jaar het juiste bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer vast te stellen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Bijzondere bepalingen Vrije woorden: Rechten bij invoer of uitvoer - Niet-geheven rechten - Procedure tot navordering - Termijn van drie jaar - Afwijking - Strafrechtelijk vervolgbare handeling - Toepassingsvoorwaarden Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 24-07-1979 - Artt. 2.1, eerste lid, en 3 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Bijzondere bepalingen Vrije woorden: Rechten bij invoer of uitvoer - Niet-geheven rechten - Procedure tot navordering Rechten bij invoer of uitvoer - Niet-geheven rechten - Procedure tot navordering - Termijn van drie jaar - Afwijking - Strafrechtelijk vervolgbare handeling - Toepassingsvoorwaarden Tekst van de conclusie C.07.0188.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk Thijs: 1. De vennootschap naar Duits recht Gerlach & C° GmbH (verweerster in cassatie) gaf als expediteur in de periode tussen 13 april 1992 en 2 december 1992 meerdere zendingen melkpoeder aan bij de Belgische douaneadministratie. Deze aangiften gebeurden middels T1-documenten in het kader van een douaneregeling extern douanevervoer. Hierbij treedt een schorsingsregeling in werking die het mogelijk maakt om niet-communautaire goederen tussen twee plaatsen gelegen binnen het douanegebied van de Europese Unie te vervoeren zonder dat deze goederen worden onderworpen aan rechten bij invoer en andere belastingen of aan handelspolitieke maatregelen
(1). De douaneschuld en de nationale belastingen dienen in dat geval betaald te worden in de Lid-Staat van bestemming. In casu bleek echter uit een onderzoek van de opsporingsdiensten van de douaneadministratie te Antwerpen dat een aantal zendingen van het kwestieuze melkpoeder niet aan het kantoor van bestemming aangeboden werden, zodat de T1-documenten niet regelmatig aangezuiverd werden. In geval van dergelijke onregelmatige dedouanering ontstaat de douaneschuld daar waar de onregelmatigheid vastgesteld wordt en zal de invordering plaatsgrijpen door de douaneautoriteit van de Lid-Staat waar de overtreding plaatsgreep. Dienvolgens vorderde onder meer het Belgisch Interventie en Restitutiebureau (BIRB) (eiser in cassatie), op dat ogenblik hiertoe bevoegd, van de verweerster de betaling van de verschuldigde invoerrechten, te vermeerderen met de verwijlinteresten, de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding. 2. Ab initio voerde de verweerster aan dat de eiser in gebreke gebleven was om het bedrag van de in zake zijnde douaneschuld aan de schuldenaar mee te delen binnen de driejarige vervaltermijn bepaald in artikel 221.3 CDW. Het beroepen vonnis oordeelt dat uit de beschikbare stukken inderdaad geenszins blijkt dat aan deze mededelingsplicht voldaan werd. De vordering van de eiser wordt dienvolgens verworpen. Het bestreden arrest stelt echter vast dat de betrokken T1-documenten en derhalve het ontstaan van de douaneschuld dateren van voor 1 januari 1994, zodat niet het CDW van toepassing geacht moet worden, maar de precederende regelgeving, c.q. EG-Verordening nr. 1697/79
(2). Ongeacht het gegeven dat de invordering van deze rechten een aanvang nam na 1 januari 1994, moet dit als correct beschouwd worden. Overeenkomstig vaste rechtspraak onderscheidt het Hof van Justitie immers enerzijds procedureregels die in het algemeen geacht worden te gelden voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige geschillen en anderzijds materiële regels die doorgaans geacht worden niet te gelden met betrekking tot voor de inwerkingtreding ervan verworven rechtsposities (H.v.J., 23 februari 2006, zaak C-201/4, Belgische Staat/Molenbergnatie NV, overweging nr. 31). Te dezen werd specifiek beslist dat de artikelen 221.1 en 221.2 CDW loutere procedureregels bevatten, maar dat artikel 221.3 CDW een materiële regel betreft. Meer bepaald oordeelde het Hof van Justitie dat alleen de procedureregels van de artikelen 217 tot en met 232 CDW van toepassing zijn op de na 1 januari 1994 aangevatte invordering van een douaneschuld die voor deze datum is ontstaan, en dat de in artikel 221.3 CDW geformuleerde regel, anders dan de leden 1 en 2 van dit artikel, als een materiële regel moet worden aangemerkt en derhalve niet kan worden toegepast op de invordering van een douaneschuld die voor 1 januari 1994 ontstaan is (H.v.J., 23 februari 2006, zaak C-201/4, Belgische Staat/Molenbergnatie NV, overweging nr. 42). Ook uw Hof besliste reeds in dezelfde zin
(3). De precisering in fine doet besluiten dat de verweerster rechtens onterecht aanvoert dat het Hof van Justitie hiermee bedoelt dat de artikelen 217 tot en met 232 CDW alle onmiddellijk toe te passen procedureregels betreffen. De vraag naar de desgevallende verjaring van het recht in hoofde van de eiser om in casu tot invordering van de kwestieuze heffingen over te gaan, dient dan ook beantwoord te worden op grond van artikel 2 EG-Verordening nr. 1697/79, en niet op grond van artikel 221.3 CDW. 3. Artikel 2.1, lid 2 EG-Verordening nr. 1697/79 bepaalt dat een procedure tot navordering van de niet-geheven rechten niet meer ingeleid kan worden na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan. De boekingsformaliteiten zijn vastgelegd in EG-Verordening nr. 1854/89
(4). Artikel 2.2 EG-Verordening nr. 1697/79 bepaalt dat de bedoelde procedure tot navordering ingeleid wordt door de kennisgeving (mededeling) van het bedrag van de verschuldigde rechten aan de betrokken schuldenaar. Naar aanleiding van de procedure die leidde tot het bestreden arrest, werd door de eiser een document voorgelegd dat zou moeten gelden als een conform 'boekingsstuk'. Dit werd door de feitenrechter evenwel niet als boekingsbewijs aangenomen. Evenmin werden aanvaard als rechtsgeldige mededeling: het proces-verbaal van de Belgische douaneadministratie van 29 november 1994 houdende de vaststelling van de onregelmatige dedouanering en de notificatie ervan op 2 december 1994, alsook een schrijven van de Duitse douaneautoriteiten van 30 oktober 1995 over deze feiten aan de borgsteller van de verweerster. Wat wel aangemerkt kan worden als voorgeschreven kennisgeving/mededeling van het bedrag van de rechten, is de gedinginleidende dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, gedateerd op 24 januari 1997. De relevantie van deze mededeling stoelt volgens de appelrechter mede op artikel 6, lid 1 EG-Verordening nr. 1854/89 dat poneert dat het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking moet meegedeeld worden aan de tot betaling gehouden persoon. In het perspectief van de geldende Europese rechtspraak
(5)is de draagwijdte van deze bepaling evenwel relatief. Reeds eerder werd door het Hof van Justitie immers aangenomen dat de niet-inachtneming van de verplichting onmiddellijk na de boeking tot mededeling aan de schuldenaar over te gaan, op zich geen belemmering vormt voor de invordering van de douaneschuld (H.v.J., 7 september 1999, zaak C-61/98, De Haan Beheer BV/Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen te Rotterdam). In een later arrest wordt beslist dat een desgevallende mededeling van de douaneschuld steeds een voorafgaande boeking van dit bedrag vereist (H.v.J., 23 februari 2006, zaak C-201/4, Belgische Staat/Molenbergnatie NV). Deze jurisprudentie dient evenwel geapprecieerd te worden in het perspectief van de artikelen 217 en 221 CDW. Artikel 2.1, tweede lid EG-Verordening nr. 1697/79 voorziet immers nog expressis verbis de hypothese van een niet-boeking van de betrokken rechten. In dat geval neemt de driejarige termijn een aanvang vanaf de dag waarop de douaneschuld ontstaan is.
- Naar het oordeel van de feitenrechters in deze zaak heeft geen regelmatige boeking van de verschuldigde rechten plaatsgegrepen en kan de eerste rechtsgeldige kennisgeving ter zake ten vroegste op 24 januari 1997 gedateerd worden. De verjaringsregel van artikel 2.1 EG-Verordening nr. 1697/79 refereert evenwel niet naar de mededeling, maar bij uitstek naar de boeking van de douanerechten. Artikel 2.2 EG-Verordening nr. 1697/79 moduleert slechts de inleiding van de navorderingsprocedure middels de mededeling van de schuld.
- Nu te dezen de kwestieuze schuld kennelijk niet geboekt werd, voert de eiser in de drie onderdelen van het tweede middel aan dat dergelijke boeking de iure niet vereist was. Zo dit al zo zou zijn, blijft artikel 2.1, lid 2 EG-Verordening nr. 1697/79 evenwel opleggen dat een procedure tot navordering van de niet-geheven rechten in geval van niet-boeking niet meer ingeleid kan worden na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan, in casu op het tijdstip van het verstrijken van de geldigheidsduur van de T1-documenten, i.e. in de periode tussen 22 april 1992 en 11 december
- Gelet op de samenlezing van de artikelen 2.1 en 2.2 Verordening nr. 1697/79, onderzoekt de appelrechter dienvolgens terecht of de mededeling van deze ontstane schuld (en niet louter 'geboekte bedrag' zoals in het bekritiseerde arrest onjuist verwoord sub 3.4) uiterlijk op 11 december 1995 plaatsvond.
- In het derde onderdeel van het tweede middel tot cassatie beroept de eiser zich op artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79, waarin gestipuleerd wordt dat de driejarige termijn van artikel 2.1, lid 2 van deze verordening niet van toepassing is wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer ter zake vast te stellen. De verweerster werpt vooreerst op dat het onderdeel, ook al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden en in zoverre niet onontvankelijk is, daar de beslissing van de appelrechter dat de eiser de douaneschuld niet meer kan invorderen, de iure verantwoord wordt bij wege van de beslissing dat deze schuld niet geboekt werd. Evenwel houdt de beslissing van de appelrechter precies in dat in artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79 een driejarige termijnvoorwaarde ingevoerd wordt, die erop neerkomt dat het wegvallen van de verjaringstermijn inzake navordering ingevolge strafbare feiten maar toegepast kan worden van zodra vaststaat dat ook na drie jaar sedert het ontstaan van de schuld geen juiste becijfering van de kwestieuze douanerechten kan plaatsvinden. Het bestreden arrest oordeelt namelijk dat de eiser de betrokken schulden weliswaar niet regelmatig geboekt heeft, maar hiertoe wel in de feitelijke mogelijkheid was, vermits ter zitting een zogenaamd boekingsstuk voorgelegd werd. Dienvolgens wordt dan afgeleid dat de eiser binnen de driejarige termijn de verschuldigde rechten had kunnen berekenen, zodat aan één van de voorwaarden van artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79 niet beantwoord was en de uitzonderingsbepaling niet ingeroepen kon worden. Als dusdanig houdt het bekritiseerde arrest niet louter de beslissing in dat de schuld niet meer kon worden ingevorderd doordat de douaneschuld niet geboekt was. De door de verweerster aangevoerde grond van onontvankelijkheid van het derde onderdeel van het tweede middel kan m.i. dan ook niet aangenomen worden.
- In de hypothese van artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79, zoals aangevoerd in het derde onderdeel van het tweede middel, kan er, mits voldaan is aan de gestelde dubbele voorwaarde, van enige verjaring geen sprake zijn. Artikel 3 moet duidelijk onderscheiden worden van artikel
- In deze laatste bepaling wordt immers de gemene regel aangeduid waarbij een douaneaangifte plaatsgegrepen heeft welke dienvolgens resulteert in de verschuldigdheid van douanerechten. Er wordt daarbij tevens uitgegaan van de ontstentenis van een strafrechtelijke inbreuk, vermits daartoe uitdrukkelijk de uitzondering sub artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79 voorzien wordt. In de hypothese van artikel 2 dient derhalve aangenomen te worden dat de betrokken goederen op regelmatige wijze het douanetoezicht verlaten hebben. De voorziene procedure tot navordering, in te leiden middels een kennisgeving van de nog verschuldigde rechten aan de betrokken debiteur, beoogt enkel de inning van deze openstaande schuld. De driejarige vervaltermijn geldt met andere woorden als een navorderingstermijn. Omwille van de aangenomen rechtsconforme dedouanering staat de hoegrootheid van de verschuldigde rechten in dat geval dan ook niet ter discussie. Die omstandigheid moet echter manifest onderscheiden worden van deze bedoeld in artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79, welke als een uitzonderingsbepaling te beschouwen is en welke inzonderheid werd bedoeld voor feitelijkheden van sluikinvoer of sluikuitvoer. In die situaties is immers geen sprake van enige regelmatige douaneaangifte of latere dedouanering. Bovendien blijkt uit de lezing van artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79 onmiskenbaar dat deze uitzonderingsregel eveneens opgaat in het geval van een toestand alwaar een al dan niet regelmatige douaneaangifte ingediend werd, maar waar geen regelmatige beëindiging van de douaneregeling tot stand gekomen is. Enerzijds betreft dit onloochenbaar een strafrechtelijk vervolgbare handeling, anderzijds kan uit een onttrekking aan het douanetoezicht niet anders dan de onmogelijkheid afgeleid worden dat de controlediensten het precieze bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten op empirische wijze zouden kunnen vaststellen of verifiëren. De loutere aanwezigheid van een aanvankelijke douaneaangifte maakt de toepassing van artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79 dan ook geenszins onmogelijk.
- In de voorliggende zaak werd door de Belgische douaneautoriteiten vastgesteld dat een aantal zendingen van het melkpoeder niet aan het kantoor van bestemming aangeboden bleken te zijn, zodat de T1-documenten niet aangezuiverd werden en de zendingen aan de doorvoer onttrokken werden. Deze feiten betreffen duidelijk strafrechtelijk vervolgbare handelingen, vermits deze naar Belgisch recht strafbaar gesteld worden krachtens respectievelijk artikel 257, §1 AWDA en artikel 257, §3 AWDA. Bovendien blijkt onder meer uit de verbalisering van 29 november 1994 dat het op dat ogenblik, i.e. na de wederrechtelijke onttrekking van de zendingen en de vermoedelijke ingebruikstellingen zonder dedouanering, niet langer mogelijk was het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde invoerrechten vast te stellen. Nu overeenkomstig de initiële aangifte van de verweerster de verschuldigde rechten beweerdelijk nihil waren, kan de onttrekking aan het douanetoezicht niet anders geapprecieerd worden dan als een tot stand gebrachte onmogelijkheid voor de inspectiediensten om de juiste douanerechten van het kwestieuze transport te verifiëren. Aan de dubbele voorwaarde van artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79 is in casu dan ook voldaan. Dienvolgens is deze uitzonderingsbepaling ten volle van toepassing en moet op grond van het tweede lid van artikel 3 de navordering dan ook geschieden overeenkomstig de internrechtelijke termijnen. Naar Belgisch recht moet hiertoe de verjaringstermijn bepaald in artikel 2262 BW geëerbiedigd worden.
- Het bestreden arrest benadrukt dat de uitzonderingsbepaling van artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79 beperkend geïnterpreteerd moet worden. In die context had de eiser, nu deze zelf aangeeft tot boeking overgegaan te zijn op 1 september 1994 en nu de kwestieuze schulden ontstaan zijn in 1992, binnen de periode van drie jaar de vereiste mededeling aan de schuldenaar moeten voldoen, daar het precieze bedrag van de verschuldigde rechten berekend kon worden. Aangezien deze kennisgeving in casu slechts plaatsgevonden heeft nadat meer dan drie jaren verstreken zijn, zou de eiser zich, naar het oordeel van de appelrechter, niet kunnen beroepen op de voornoemde uitzonderingsregel. In dergelijke gedachtengang wordt de toepassing van de uitzonderingsbepaling van artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79 niet langer mogelijk gemaakt wanneer het juiste bedrag van de verschuldigde rechten vastgesteld kan worden binnen de driejarige termijn en dit binnen deze termijn niet ter kennis gebracht wordt van de betrokken schuldenaar. Het bestreden arrest leidt uit de door de eiser beweerde boeking van 1 september 1994 af dat deze in staat was het juiste bedrag aan douanerechten te becijferen binnen een termijn van drie jaar na het ontstaan van deze schuld. Nochtans wordt deze boeking niet aanvaard als een boeking in de betekenis van artikel 2.1, lid 2 EG-Verordening nr. 1697/
- Uit stuk 29 van het stukkenbundel van de eiser blijkt dit immers niet meer te zijn dan een 'globaal overzicht-boekhouding der vastgestelde rechten', gedateerd op 11 mei 2000, zonder vermelding van de naam van de verweerster of het van het verschuldigde bedrag (cfr. bestreden arrest sub 3.4). Hoewel het bestreden arrest dit voorgelegd stuk om deze motieven als boekingsstuk verwerpt, wordt uit hetzelfde stuk nochtans afgeleid dat hieruit moet blijken dat de rechten precies becijferd konden worden.
- Behoudens de vraag of deze voorgehouden boeking inderdaad kan gelden als een berekening van het juiste verschuldigde bedrag (de onttrokken goederen werden nooit fysiek gecontroleerd), kan er niet aan voorbij gegaan worden dat het bestreden arrest in artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79 een driejarige termijnvoorwaarde invoert, die erop neerkomt dat het wegvallen van de verjaringstermijn inzake navordering ingevolge penaal vervolgbare handelingen maar toegepast kan worden van zodra vaststaat dat ook na drie jaar sedert het ontstaan van de schuld geen juiste berekening van de betrokken invoerrechten kan plaatsgrijpen. Zodoende voegt de appelrechter, zoals het derde onderdeel van het tweede cassatiemiddel aanvoert, ten onrechte een voorwaarde toe aan de bepaling vervat in artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/
- Deze kritiek vindt tevens steun in onder meer de zienswijze van Advocaat-generaal Van Gerven bij het arrest van het Hof van Justitie van 27 november 1991 (H.v.J., 27 november 1991, zaak C-273/90, Meico-Fell). In deze zaak was vooral de invulling van de notie 'strafrechtelijk vervolgbare handeling' voorwerp van debat. De Advocaat-generaal stelt over de artikelen 2 en 3 EG-Verordening nr. 1697/79 het volgende: "
- [...] Daarom wordt in artikel 2 van de verordening een verjaringstermijn van drie jaar ingesteld bij het verstrijken waarvan de oorspronkelijke vereffening van de rechten als definitief moet worden beschouwd. Op deze regel kan evenwel geen beroep worden gedaan wanneer de onjuiste of onvolledige heffing voortvloeit uit een "strafrechtelijk vervolgbare handeling" van de belastingschuldige. In zulk geval geschiedt de navordering "overeenkomstig de op dit gebied in de Lid-Staten geldende bepalingen" (zie het hiervoor aangehaalde artikel 3 van de verordening) - met andere woorden komt de (bij hypothese langere) verjaringstermijn die in het nationale recht ten aanzien van de betrokken handeling is voorzien, in de plaats van de gemeenrechtelijke (of beter: gemeenschapsrechtelijke) termijn van drie jaar. [...]
- Het is precies met het oog op een eenvormige toepassing en interpretatie van artikel 3, dat de Commissie voorstelt de uitdrukking "strafrechtelijk vervolgbare handeling" derwijze te interpreteren dat de - bij hypothese langere - verjaringstermijn van het nationale recht toepassing vindt telkens wanneer
(6)de belastingschuldige te kwader trouw is geweest, dat wil zeggen telkens wanneer de onjuiste of onvolledige heffing te wijten is aan zijn schuldige nalatigheid, of zelfs: telkens wanneer de belastingschuldige had moeten beseffen dat zijn gedrag wederrechtelijk was en/of aanleiding gaf tot een onvoldoende inning van douanerechten [...]." Enige voorwaardelijkheid of beperkende interpretatie van artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79 lijkt dus geenszins te beantwoorden aan de ratio legis van de Europese wetgever. 11. In deze context kan tevens verwezen worden naar de arresten
(7)van Uw Hof van 8 november 2005 (P.05.00698.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.10) en 5 juni 2007 (P.06.1404.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.9), waarbij telkenmale beslist werd dat de driejaarlijkse navorderingstermijn niet van toepassing is telkens wanneer een strafrechtelijk vervolgbaar feit aan de basis lag van het ontstaan van de douaneschuld, zodat ook na het verstrijken van deze termijn nog rechtsgeldige mededeling en navordering van de schuld kan uitgevoerd worden
(8). Het arrest van 8 november 2005 stipuleert dienaangaande: "Overwegende dat de eiseres aanvoert dat de tekst zo moet begrepen worden dat 'niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen' slaat op de onmogelijkheid om dit bedrag vast te stellen binnen die periode van drie jaar en dat hij onmogelijk kan inhouden dat het louter bestaan van een strafrechterlijke invorderingsprocedure, zonder dat wordt aangetoond dat de douaneautoriteiten de betrokken douanebedragen niet konden berekenen, volstaat om af te wijken van artikel 221, lid 1, CDW; Overwegende dat evenwel het oorspronkelijke artikel 221, lid 3, in fine, evenals als het nieuwe artikel 221, lid 4, CDW, duidelijk zijn; Dat het onderdeel in zoverre faalt naar recht. Overwegende dat het arrest onaantastbaar vaststelt dat strafbare handelingen werden gepleegd; dat het ook oordeelt dat de mededeling van het bedrag van de douaneschuld, op de wijze en in de omstandigheden die het arrest vermeldt, niet laattijdig is geschied; dat het arrest hiermede zijn beslissing naar recht verantwoordt." Derwijze kan iedere temporele limitering of relatering van de vaststelling van de strafrechtelijk vervolgbare handeling aan de driejarige termijn rechtens onmogelijk verantwoord geacht worden. Als dusdanig mag inderdaad geenszins aangenomen worden dat de dubbele voorwaarde bepaald in artikel 3, lid 1 EG-Verordening nr. 1697/79, begrensd zou worden door enige termijn. 12. Met arrest van 17 juni 2005 besliste de Nederlandse Hoge Raad in identieke zin. Met betrekking tot het aanvankelijke artikel 221.3 CDW werd op expliciete wijze het volgende geponeerd: "3.3.2. Naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is, ziet deze laatste bepaling, anders dan waarvan de klacht uitgaat, niet op een situatie waarin de douaneautoriteiten aanvankelijk ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen, maar nadien, binnen de in de eerste volzin van artikel 221, lid 3, van het CDW bedoelde termijn, op grond van inmiddels beschikbaar gekomen gegevens, wel in staat waren dat bedrag vast te stellen maar dit bedrag niet binnen die termijn hebben geboekt en medegedeeld (vergelijk Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 26 november 1998, Covita AVE, nr. C-370/96, Jurispr. 1998, blz. I-07711)." In dezelfde zaak verwoordde advocaat-generaal één en ander als volgt: "5.4.6. Zoals hiervoor reeds uiteengezet was de genoemde regeling oorspronkelijk opgenomen in Verordening 1697/79. In deze verordening is de 'reguliere' termijn voor navordering opgenomen in artikel 2, en de verlengde termijn in artikel 3. De opname van de 'reguliere' en de 'verlengde' navorderingstermijn in afzonderlijke artikelen geeft dan ook een duidelijker beeld van de bedoeling van de communautaire wetgever: (
- i)de navorderingstermijn is drie jaar; (
- ii)in geval van strafrechtelijk vervolgbare handelingen die er toe hebben geleid dat [...], geldt deze reguliere termijn niet. Een direct verband tussen het niet kunnen vaststellen van de verschuldigdheid en de 'reguliere' termijn van navordering (artikel 2) valt in artikel 3 in het geheel niet te onderkennen. Dit komt ook overeen met hetgeen hieromtrent in de considerans van Verordening 1697/79 is vermeld: 'dat deze beperking op het optreden van de bevoegde autoriteiten evenwel niet kan gelden wanneer een strafrechtelijk vervolgbare handeling er de oorzaak van was dat de bevoegde autoriteiten bij de vrijmaking van de goederen niet het juiste bedrag van de rechten bij invoer of uitvoer konden vaststellen.' [...] 5.4.7. Uit niets blijkt dat de communautaire wetgever bij vaststelling van het CDW (met name artikel 221) een andere doelstelling ten grondslag heeft willen leggen aan de communautaire regeling met betrekking tot de navorderingstermijn. Sterker nog, de redactionele wijziging van artikel 221 CDW per 12 december 2000, vormt een aanwijzing dat de communautaire wetgever de oorspronkelijke doelstelling van de verlengde navorderingstermijn nogmaals wenst te benadrukken, ter voorkoming van potentiële interpretatieverschillen als de onderhavige. [...] 5.4.11. Een andere uitleg zou inderdaad tot onaanvaardbare gevolgen leiden. Dit zou betekenen dat het tijdstip van 'ontdekking' van de strafrechtelijk vervolgbare handelingen een doorslaggevende rol gaat spelen. Dit tijdstip is in de eerste plaats nogal willekeurig. In de tweede plaats moet niet uit het oog worden verloren dat de beperking van de navorderingstermijn is gestoeld op het algemene beginsel van rechtszekerheid. Het komt mij voor dat de rechtvaardiging voor verlenging van de navorderingstermijn erin is gelegen dat het verrichten van strafrechtelijk vervolgbare handelingen, een onverkort beroep op dit beginsel doet verspelen. Voorts komt het hanteren van het tijdstip van 'ontdekking' de rechtszekerheid niet ten goede omdat dit tot allerlei discussies aanleiding kan geven omtrent de vraag wanneer nu de douaneautoriteiten in staat waren de douaneschuld vast te stellen." De vraag of de verlengde termijn van navordering kan worden toegepast, is bijgevolg niet afhankelijk van het tijdstip van de ontdekking van de strafrechtelijk vervolgbare handeling. Het is rechtens irrelevant of dit voor dan wel na de driejarige vervaltermijn plaatsgrijpt. In deze context legt geen enkele Europese norm of jurisprudentie op dat voor de toepassing van de uitzonderingsbepaling in artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79 (later artikel 221.3 in fine CDW en artikel 221.4 CDW) de strikte voorwaarde zou gelden dat het onmogelijk moet geweest zijn de wettelijk verschuldigde douanerechten vast te stellen binnen de periode van drie jaar na het ontstaan van de douaneschuld. Het derde onderdeel van het tweede middel komt in zoverre dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING van het arrest in zoverre het oordeelt dat de vordering van de eiser verjaard is. Arrest _________________
(1)Cfr. huidig artikel 91, lid 1a CDW.
(2)Verordening (EEG) Nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, PB. L.197, 3 augustus 1979, 1-3.
(3)Cass., 8 november 2005, P.05.0698.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.10.
(4)Verordening (EEG) Nr. 1854/89 van de Raad ba, 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer, PB.L.186, 30 juni 1989, 1-7.
(5)In de geciteerde rechtspraak gaat het om de draagwijdte van artikel 221.1 CDW. Dit artikel herneemt evenwel quasi letterlijk de bepaling die reeds vervat was in artikel 6, lid 1 EG-Verordening nr. 1854/89. Mutatis mutandis wordt derhalve ook de vroegere wetsbepaling beoordeeld.
(6)Eigen cursivering.
(7)In de geciteerde rechtspraak gaat het om de draagwijdte van zowel het eerdere artikel 221.3 in fine CDW als het vigerende artikel 221.4 CDW (wijziging door artikel 17 EG-Verordening nr. 2700/00 van 16 november 2000). Deze bepalingen hernemen evenwel quasi letterlijk de bepaling die reeds vervat was in artikel 3 EG-Verordening nr. 1697/79. Mutatis mutandis wordt derhalve ook de vroegere wetsbepaling beoordeeld.
(8)Volledigheidshalve weze gepreciseerd dat het Hof nopens de draagwijdte van de vigerende artikelen 217 en 221 CDW prejudiciële vraagstellingen richtte aan het Hof van Justitie bij wege van arresten van 26 februari 2008 (P.06.1518.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.14, P.07.0747.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.3 en P.07.1543.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15) en 22 mei 2008 (C.07.0172.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.4). Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090109.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.14 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div