id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090210.11 Rolnummer: P.08.1312.N Zaak: B. contra MINISTER VAN FINANCIËN Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Burgerlijk recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2022-02-02 Raadplegingen: 677 - laatst gezien 2026-07-03 00:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090210.11 Fiches 1 - 2 Het witwasmisdrijf van artikel 505, eerste lid, 2° Strafwetboek vóór de wijziging ervan door de wet van 10 mei 2007 kan niet worden gepleegd door de dader, mededader of medeplichtige van het misdrijf dat de vermogensvoordelen vermeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek heeft voortgebracht; tegen de dader, mededader of medeplichtige aan dit hoofdmisdrijf kan dus ook geen bijzondere verbeurdverklaring als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek worden uitgesproken
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwasmisdrijf - Artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek (oud) - Misdrijf dat vermogensvoordelen vermeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek heeft voortgebracht - Dader, mededader of medeplichtige van dat hoofdmisdrijf - Gevolg - Bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen - Witwasmisdrijf - Artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek (oud) - Misdrijf dat vermogensvoordelen vermeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek heeft voortgebracht - Dader, mededader of medeplichtige van dat hoofdmisdrijf - Gevolg Fiches 3 - 4 Opdat een benadeelde zich ontvankelijk burgerlijke partij kan stellen, is vereist dat tussen de fout van het misdrijf en de schade een noodzakelijk verband van oorzaak tot gevolg bestaat; de rechter oordeelt daarover in beginsel wel onaantastbaar, maar het Hof toetst of de rechter zijn beslissing wettig heeft kunnen afleiden uit zijn vaststellingen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling door benadeelde van misdrijf - Voorwaarde - Beoordeling door de rechter - Toetsing door het Hof Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling door benadeelde van misdrijf - Ontvankelijkheidsvoorwaarde - Vaststellingen van de feitenrechter - Toetsing door het Hof Fiches 5 - 6 De schade die het gevolg is van het feit dat de Belgische Staat op grond van de belastingwetgeving tegen anderen dan de vennootschapsbelastingplichtige of tegen de personen die als daders of medeplichtigen aan een fiscaal misdrijf hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de ontdoken belasting, geen niet-betaalde en ontdoken belasting kan vorderen, is niet het gevolg van het gemeenrechtelijk misdrijf, maar van een vreemde oorzaak namelijk die belastingwetgeving zelf
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Begrip. Vormen Vrije woorden: Fiscaal misdrijf - Betaling van de ontdoken belasting - Vordering van de Belgische Staat - Grenzen Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Betaling van de ontdoken belasting - Vordering van de Belgische Staat - Grenzen Fiches 7 - 8 Het vonnis dat een voorlopige schadevergoeding toekent, zonder iets aan te houden waarover de rechter zelf nog uitspraak moet doen, is een eindvonnis in de zin van artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, zodat de rechter een rechtsplegingsvergoeding kan toekennen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Vrije woorden: Toekenning van voorlopige schadevergoeding - Eindvonnis - Rechtsplegingsvergoeding Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Burgerlijke rechtsvordering - Eindvonnis - Rechtsplegingsvergoeding Fiches 9 - 16 Conclusie van eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwasmisdrijf - Artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek (oud) - Misdrijf dat vermogensvoordelen vermeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek heeft voortgebracht - Dader, mededader of medeplichtige van dat hoofdmisdrijf - Gevolg - Bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen - Witwasmisdrijf - Artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek (oud) - Misdrijf dat vermogensvoordelen vermeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek heeft voortgebracht - Dader, mededader of medeplichtige van dat hoofdmisdrijf - Gevolg Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling door benadeelde van misdrijf - Voorwaarde - Beoordeling door de rechter - Toetsing door het Hof Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling door benadeelde van misdrijf - Ontvankelijkheidsvoorwaarde - Vaststellingen van de feitenrechter - Toetsing door het Hof Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Begrip. Vormen Vrije woorden: Fiscaal misdrijf - Betaling van de ontdoken belasting - Vordering van de Belgische Staat - Grenzen Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Betaling van de ontdoken belasting - Vordering van de Belgische Staat - Grenzen Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Vrije woorden: Toekenning van voorlopige schadevergoeding - Eindvonnis - Rechtsplegingsvergoeding Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Burgerlijke rechtsvordering - Eindvonnis - Rechtsplegingsvergoeding Tekst van de conclusie P.08.1312.N Conclusie van de eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF:
- De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest dat op 30 juni 2008 werd gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. De vervolgde feiten kunnen als transnationale verzekeringsfraude gecatalogeerd worden en situeren zich in de periode tussen 17 oktober 1989 en 16 april
- Aan de beklaagden werd in concreto verweten dat zij middels het voorwenden van kapitaalkrachtige en solvabele vermogens in hoofde van de maatschappijen die zij vertegenwoordigden, wereldwijd makelaars hebben overgehaald om verzekerings- of herverzekeringspolissen af te sluiten. In werkelijkheid bleek evenwel een geheel fictieve structuur opgezet te zijn met inbegrip van fictieve kapitalen. Bovendien werden de kwestieuze polissen aangeboden zonder de vereiste machtiging van de toenmalige Controledienst voor Verzekeringsondernemingen, in het bijzonder door het tussenschuiven van een aantal zogenaamde ‘frontingmaatschappijen’, c.q. niet-erkende of onbestaande (her)verzekeringsmaatschappijen, gevestigd hetzij te Antwerpen, hetzij te Brussel of te Diepenbeek. Derwijze was het mogelijk de wederrechtelijke verzekeringsproducten te verhandelen aan een prijs die tot 20% lager lag dan de geldende marktprijs. De dienvolgens opgestreken premies werden voorts via allerlei financiële transacties en andere vennootschappen verduisterd, zodat de herverzekeringsmaatschappijen als het ware op structurele wijze uitgezogen werden. Finaal konden deze vennootschappen niet langer aan hun financiële verplichtingen voldoen, zodat een faillissement steeds onafwendbaar bleek. Hierbij werd telkenmale een enorme schuldenberg achtergelaten. Daarenboven werden de voornoemde frauduleuze praktijken later gecontinueerd via telkens nieuwe groepen van vennootschappen.
- De eisers in cassatie werden zowel in eerste aanleg als in hoger beroep deels strafrechtelijk en burgerrechtelijk veroordeeld en deels strafrechtelijk vrijgesproken. De onderscheiden cassatieberoepen verzoeken alle de vernietiging van de bestreden beslissing in globo. Voor zover deze voorzieningen opkomen tegen de vrijspraken, zijn ze bij ontstentenis van belang onontvankelijk. De eiseres II voert geen middel aan. De overige eisers voeren respectievelijk één (eiser IV), twee (eiser I) en drie middelen (eisers III) aan. Eerste onderdeel van het eerste middel van de eiser I Eerste middel van de eisers III
- De grief stoelt op artikel 505, lid 1, 2°, Sw. zoals toegepast in tenlastelegging H.I. De eisers I en III worden daarbij door de appelrechters veroordeeld uit hoofde van witwassen, meer bepaald van geldsommen voor een totaal bedrag van 749.353.501 BEF. Deze gelden, voorwerp van het witwasmisdrijf, zouden tevens deel uitmaken van het basismisdrijf ‘misbruik van vertrouwen’, vermeld sub tenlasteleggingen L.I.c en L.I.d waarvoor de betrokken eisers eveneens schuldig bevonden worden. Uit de gepreciseerde delictsomschrijvingen in de bekritiseerde beslissing zou, overeenkomstig de grief, een onaantastbaar verband vastgesteld zijn tussen enerzijds de oorspronkelijke overtredingen en anderzijds het latere witwassen. Dienvolgens wordt geargumenteerd dat de in casu toegepaste versie van het witwasmisdrijf (tenlastelegging H.I) de iure niet kon worden gepleegd door de dader, mededader of medeplichtige van het delict dat de nadien witgewassen vermogensvoordelen in de zin van artikel 42,3°, Sw. gegenereerd heeft.
- Er dient in hoofdorde geconcludeerd te worden dat het beweerdelijke onvervreemdbaar verband tussen het oorspronkelijk misdrijf en de witwas, alsook in het bijzonder de feitelijkheid dat het minstens gedeeltelijk om dezelfde geldsommen gaat, door de eiser I noch door de eisers III opgeworpen werden in de procedure voor de appelrechters. Zo uit de bewezen verklaarde feiten en de onaantastbare vaststellingen van het hof van beroep al zou blijken dat de bedragen bepaald in de incriminaties geformuleerd onder de tenlasteleggingen L.I.c en L.I.d begrepen zitten in het bedrag dat het voorwerp van het witwasmisdrijf sub tenlastelegging H.I uitmaakt (de onderscheiden tenlasteleggingen omvatten alleszins geen identieke bedragen), blijkt dit niet onloochenbaar uit de motiveringen in het bestreden arrest. A fortiori geldt dit voor de mate waarin deze geldsommen zich zouden vermengen, te meer daar deze bedragen in verschillende munteenheden uitgedrukt zijn (BEF in tenlastelegging H.I, BEF, GBP en USD in tenlasteleggingen L.I.c en L.I.d). Vermits deze kwestie kennelijk niet het voorwerp blijkt te zijn geweest van enig debat tijdens de appelprocedure, mag van het Hof niet verwacht worden een plaatsvervangend feitenonderzoek te voeren. In zoverre deze grief feit en recht vermengt is hij niet ontvankelijk.
- In de hypothese dat er te dezen toch sprake zou zijn van een ontvankelijk cassatiemiddel, moet in louter subsidiaire orde geattendeerd worden op de vaststaande rechtspraak van het Hof, waarbij een schuldigverklaring aan het eerste witwasmisdrijf steeds onmogelijk verklaard werd indien de witwasser de dader, mededader of medeplichtige aan het hoofdmisdrijf betrof
(1). Het is immers traditioneel aan te nemen dat de dader van het initieel delict en de heler/witwasser niet dezelfde persoon kunnen zijn
(2). Op het ogenblik dat het misdrijf van artikel 505, lid 1, 2°, Sw. nog de enige strafbare witwas inhield, m.a.w. voor de inwerkingtreding van de wet van 7 april 1995 die het tweede en het derde witwasmisdrijf introduceerde
(3), kon sowieso moeilijk anders geoordeeld worden. In de voorliggende zaak situeren de feiten bedoeld sub de tenlastelegging H.I zich nu net voor deze wijziging, zodat wettelijk onmogelijk een cumulatieve veroordeling toegestaan kan worden. Dit ware niet noodzakelijk het geval geweest indien de dader van het oorspronkelijk misdrijf als strafbare deelnemer aan het eerste witwasmisdrijf vervolgd zou worden
(4). Het lijkt de facto immers weinig waarschijnlijk dat het (doen) opnemen van contante geldsommen door zes daders gepleegd werd. De libellering van tenlastelegging H.I maakt intuïtu personae geen onderscheid tussen daders, mededaders en medeplichtigen aan de witwas. Nu dit evenmin kan afgeleid worden uit de overige vermeldingen in het bestreden arrest, is het aangevoerde middel, maar slechts in zoverre het ontvankelijk zou worden bevonden, gegrond. Tweede onderdeel van het eerste middel van de eiser I
- Het onderdeel voert aan dat de bestreden beslissing geen antwoord geeft op het in conclusies gevoerde verweer van de eiser I dat de bijzondere verbeurdverklaring van het voorwerp van de witwastransacties opgenomen onder de tenlasteleggingen H.I, H.II en I niet uitgesproken vermocht te zijn, aangezien de betrokken gelden zich niet in zijn vermogen bevonden en er zich bovendien nooit bevonden hebben. Mitsdien zou artikel 149 G.W. geschonden zijn. Gelet op de vrijspraak van de eiser I hoofdens de tenlasteleggingen H.II en I, betreft het onderdeel enkel tenlastelegging H.I. Te dezen geldt een verplichte verbeurdverklaring van de witgewassen vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 1°, Sw., ook al vormen deze geen eigendom van de veroordeelde. Deze bestraffing is van zakelijke aard en kan derhalve enkel de door de wet bepaalde zaken treffen. Om die reden moet, ten einde wettig met redenen omkleed te zijn, de beslissing van verbeurdverklaring zowel de overtreding vaststellen, als het voorwerp van het witwasmisdrijf (de gepreciseerde geldsommen) aanduiden en de toegepaste wetsartikelen vermelden. Aan deze voorwaarden voldoet het bestreden arrest. Van een miskenning van de grondwettelijke motiveringsplicht, die los staat van een eventuele onmogelijkheid inzake de tenuitvoerlegging van de objectconfiscatie, kan derhalve geen sprake zijn. Het onderdeel mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser I Enig middel van de eiser IV
- De Belgische Staat, burgerlijke partij, is verweerder in cassatie opzichtens de eiser I en de eiser IV. Hun middel komt op tegen hun veroordeling, solidair met twee andere veroordeelden, tot de betaling aan de Staat van een som van 1 EUR provisioneel, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Aan de bestreden beslissing wordt verweten dat aan de Belgische Staat een schadevergoeding toegekend wordt die louter de achterstallige vennootschapsbelasting moet compenseren, daar waar de belastingplichtige vennootschappen niet mee vervolgd worden en de belasting middels aanwending van de burgerlijke partijstelling toegerekend wordt op andere personen dan deze vennootschappen, waaronder de eiser I en de eiser IV. Door verder vast te stellen dat het de verweerder niet mogelijk is op grond van de fiscale wetgeving te vorderen tegen andere dan de betrokken vennootschappen, veelal gefailleerd, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.
- Met betrekking tot de beoordeling van de toekenning van een civielrechtelijke schadevergoeding door de strafrechter, komt het aan het Hof toe te toetsen of de feitenrechter zijn beslissing wettig heeft kunnen deduceren uit zijn, weliswaar onaantastbare, vaststellingen
(5). Daarbij komt het uiteraard aan de rechter toe het vereiste verband na te gaan tussen de fout en de causaal gerelateerde schade. Dit is eveneens het geval wanneer, zoals in casu, de burgerlijke partijstelling uitgaat van de Belgische Staat namens de fiscale administratie. De rechtspraak van het Hof is desbetreffend bekend
(6). Met betrekking tot de vennootschapsbelasting komt het hierop neer dat, in afwijking van het regime inzake BTW, deze belasting zelf niet bij wege van een burgerlijke partijstelling ingevorderd kan worden, aangezien de rechter onbevoegd is om de fiscale invorderingstitel (belastingkohier) door een andere uitvoerbare titel te vervangen. Het wordt wel mogelijk geacht dat de fiscus zich burgerlijke partij stelt voor het nadeel waarvoor de wetgeving betreffende de vennootschapsbelasting geen eigen mogelijkheid tot herstel biedt.
- Te dezen strekt de strafvervolging zich niet uit tot fiscale misdrijven. De bestreden beslissing stelt integendeel vast dat de burgerlijke partijstelling van de Belgische Staat (minister van Financiën) gesteund is op de tenlasteleggingen B.II (gemeenrechtelijke valsheid in geschriften) en F.II (voorheen bedrieglijke bankbreuk, thans valsheid in geschriften). De appelrechters oordelen dat, vermits er geen vervolging is wegens belastinginbreuken, de Belgische Staat niet beschikt over eigen herstelmogelijkheden. De niet-geïnde vennootschapsbelasting kan op grond van de fiscale wetten niet ingevorderd worden ten laste van de betrokken veroordeelden. De taxatie (belastingkohier) treft namelijk enkel de belastingplichtige vennootschappen, in concreto veelal de faillissementsboedel. Desbetreffend kan de hoofdelijkheidsregel vervat in artikel 458 WIB 1992 evenmin soelaas bieden. De bepaling die krachtens de wet een automatisch civiel gevolg verbindt aan een strafrechtelijke veroordeling, voorziet immers louter de hoofdelijke gehoudenheid van de personen die als daders of medeplichtigen van belastingfraude veroordeeld worden. Te dezen strekken de veroordelingen zich niet uit tot fiscale misdrijven en evenmin tot de belastingplichtige rechtspersonen. De vraag rijst derhalve of de fiscus deze onmogelijkheid tot herstel kan verhalen op onder meer de eisers I en IV bij wege van een burgerlijke partijstelling die steunt op gemeenrechtelijke valsheidsdelicten, geconcretiseerd in valse overeenkomsten m.b.t. de verzekeringsfraude en het voeren van een onjuiste en onbetrouwbare boekhouding in de betrokken vennootschappen.
- Een analoge betwisting werd door het Hof reeds eerder beslecht bij het arrest van 8 september 1999
(7). In deze zaak steunde de burgerlijke vordering eveneens op een niet-fiscale valsheid in geschriften, namelijk de opmaak en het gebruik van fictieve facturaties. Het verval in hoofde van de fiscale administratie van het recht van inkohiering wegens verjaring, aangenomen door de feitenrechters, werd door het Hof evenwel verworpen als te vergoeden schade. Het Hof ging er daarbij van uit dat, nu de wettelijke aanslagtermijn verstreken was, een eigen oorzaak het causaal verband tussen de fraude en de schade had verbroken. Die vreemde oorzaak moet dan uiteraard in de belastingwetgeving zelf gesitueerd worden en kan geenszins het gevolg zijn van een gemeenrechtelijk misdrijf. Een analoge casus doet zich thans in de voorliggende zaak voor. Evenzeer vormt de door de verweerder aangevoerde schade die resulteert uit het gegeven dat de belastingadministratie overeenkomstig de fiscale wetten geen achterstallige belastingen kan vorderen tegen andere debiteuren dan de belastingplichtige vennootschappen en dat dit evenmin opgevangen kan worden via wettelijke bepalingen inzake hoofdelijkheid, op geen enkel vlak het gevolg van de gemeenrechtelijke feiten en tenlasteleggingen waarop de burgerlijke partijstelling steunt. De schade spruit immers voort uit de fiscale wetgeving zelf, waarvan een overtreding niet in zake is. Het komt dan ook voor dat de appelrechters niet op wettelijk wijze konden beslissen dat de burgerlijke partijstelling van de verweerder tegen de eiser I en de eiser IV ontvankelijk en gegrond is. Bovendien dreigt, zo een burgerlijke partijstelling van de belastingadministratie op grond van gemeenrechtelijke delicten aanvaardbaar geacht zou worden, een grondwettelijk ongelijke behandeling tot stand te worden gebracht tussen enerzijds veroordeelden hoofdens gemeenrechtelijke feiten tegen wie schadevergoeding zou kunnen worden gevorderd en diegenen die aansprakelijk zijn voor de niet-vervolgde belastingontduiking.
- Nu de Belgische Staat in de voor de appelrechters neergelegde beroepsbesluiten verduidelijkt dat haar vordering niet de betaling van de belastingschulden betreft, maar wel de schade die voortvloeit uit de vastgestelde gemeenrechtelijke misdrijven, lijkt deze eis onwerkelijk te worden wanneer deze geraamde schade, zoals het bekritiseerde arrest vaststelt, begroot wordt op het equivalent van de niet-betaalde vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 1995 en
- Het is evident dat dergelijke camouflagetechniek geenszins tot aanbeveling kan strekken en hoe dan ook haaks staat op de aangehaalde rechtspraak van het Hof met betrekking tot de burgerlijke partijstelling van de fiscus inzake directe belastingen.
- Gelet op het voorgaande komt het eerste onderdeel van het tweede middel van de eiser I gegrond voor. Dit geldt eveneens voor het enig middel van de eiser IV dat dezelfde strekking heeft. Het tweede en het derde onderdeel van het tweede middel van de eiser I behoeven omwille van de voormelde gegrondheid geen antwoord meer. Tweede middel van de eisers III
- Het middel in zijn beide onderdelen attendeert, voor wat betreft de bestraffing van de eisers III inzake bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 42, 3°, Sw., niet onterecht op een discordantie tussen het motiverende en het beschikkende gedeelte van de bestreden beslissing. De eisers III worden beiden schuldig bevonden aan onder meer de feiten omschreven sub tenlastelegging F.I (valsheid in geschriften, voorheen bedrieglijke bankbreuk). Zij worden niet vervolgd uit hoofde van tenlastelegging G (ontdraging van vennootschapsactiva bij faillissement
(8), voorheen eveneens bedrieglijke bankbreuk). Nopens de bewezen tenlastelegging F.I motiveert het bestreden arrest op grond van artikel 42, 3°, Sw. de verbeurdverklaring van de op rekeningen geblokkeerde geldsommen, vermeerderd met de gelopen intresten (arrest blz. 117). De verbeurdverklaarde bedragen worden toegewezen aan de betrokken faillissementscuratele die als burgerlijke partij in zake is. Het dispositief van het arrest beslist tot dezelfde verbeurdverklaring, maar uitsluitend als vermogensvoordelen bekomen uit de tenlastelegging G (arrest blz. 128)
(9). Vermits de eisers III niet wegens deze incriminatie beticht worden, is deze passus uit de bekritiseerde beslissing hoe dan ook onjuist. Mag in redelijkheid aangenomen worden dat het te dezen een materiële verschrijving betreft? Dit zou kunnen blijken eensdeels uit de vordering van het openbaar ministerie die overeenkomstig artikel 43bis, lid 1, Sw. op schriftelijke wijze aan het strafdossier gevoegd werd. Deze vordering werd in hoger beroep ter zitting hernomen, zodat desbetreffend voor de appelrechters geen wijziging optrad. Uit deze schriftelijke vordering, in eerste aanleg neergelegd ter zitting van 28 februari 2007, kan afgeleid worden dat het openbaar ministerie wel degelijk de confiscatie van de onder meer lastens de eisers III in beslag genomen geldbedragen vordert. Hoewel het openbaar ministerie in deze vordering niet preciseert uit hoofde van welke precieze tenlastelegging de verbeurdverklaring ten laste van de eisers III gevorderd wordt, kan niet aangenomen worden dat dit niet zou gelden voor feiten waartoe opzichtens de eisers III de vervolging van het openbaar ministerie strekt. Anderdeels kan het besluit van verschrijving ook afgeleid worden uit de redactie van de motiveringen op blz. 117 van het bestreden arrest. In afwijking van het dispositief wordt aldaar per geblokkeerd geldbedrag en per veroordeelde vermeld uit welke bewezen tenlasteleggingen de te confisceren gelden bekomen werden. Hieruit blijkt dat de appelrechters vaststellen dat ook de tenlastelegging G in beslag genomen vermogensvoordelen genereerde, zij het weliswaar niet, conform de vervolging, lastens de eisers III. Voor wat betreft de eisers III wordt louter gerefereerd naar tenlastelegging F.I of, overeenkomstig de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, hoegenaamd naar geen enkel bewezen delict. Toch is in redelijkheid de conclusie gewettigd dat de verwijzing naar tenlastelegging G in het dispositief van het bestreden arrest een verschrijving betreft. 14. Het middel voert voorts aan dat een bijzondere verbeurdverklaring van uit feiten van de tenlastelegging F.I voortgekomen vermogensvoordelen strijdig is met onder meer de artikelen 42, 3°, en 43bis, Sw. De eisers III werpen op dat de feiten van valsheid in de boekhouding waaraan zij schuldig bevonden worden, onmogelijk rechtstreeks de vermogensvoordelen kunnen hebben opgeleverd die verbeurdverklaard worden. De vraag rijst dan of nog andere feiten dan de onjuiste en onvolledige boekhouding nodig waren om zich deze gelden op een rechtstreekse wijze onrechtmatig toe te eigenen. Kon de opmaak en/of het gebruik van deze valse of vervalste geschriften m.a.w. rechtstreeks vermogensvoordelen doen verkrijgen in hoofde van de eisers III? 15. Artikel 42, 3°, Sw., te dezen samen te lezen met artikel 43bis, Sw., bepaalt dat bijzondere verbeurdverklaring kan worden toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen. Deze wettelijke bepaling getuigt van een brede actieradius, waardoor de bedoelde voordeelsontneming toepasselijk kan zijn op alle misdrijven. Onverminderd dat bepaalde rechtsleer toch een veeleer restrictief toepassingsgebied voorstaat
(10), dient steeds in achtgenomen te worden of de natuur van het misdrijf zelf wel rechtstreekse vermogensvoordelen kan doen ontstaan. Deze vraag dient inzonderheid onderzocht wanneer, zoals in casu, dit vermogensmisdrijf als valsheid in geschriften gekwalificeerd wordt. Dit misdrijf lijkt in de voorliggende context immers geen doel op zich te zijn, maar eerder een instrument om een bepaalde doelstelling inzake wederrechtelijke vermogensverrijking mogelijk te maken. In dezelfde zin dient het bijzonder opzet begrepen te worden dat daarbij vereist is en dat per definitie bestaat in de bedoeling om aan zichzelf of aan anderen een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Onder onrechtmatig voordeel moet dan een voordeel begrepen worden van eender welke aard dat niet verkregen zou zijn indien de waarheid niet vermomd zou zijn.
- De bewezen verklaarde tenlastelegging F.I omschrijft het misdrijf van zowel de opmaak als het gebruik van valse of vervalste geschriften, in concreto namelijk door meermaals “valselijk een onjuiste en onbetrouwbare boekhouding te hebben gevoerd, dewelke nimmer de ware toestand van activa en passiva weergaf, hetgeen onder meer blijkt uit de opname in de boekhouding van fictieve tegoeden en activa, met bedrieglijk opzet de feiten der tenlasteleggingen G, K.I en II en L.I te kunnen plegen en/of te verdoezelen.” Deze laatste incriminaties betreffen verduistering van faillissementsactiva, oplichting en misbruik van vertrouwen, telkenmale misdrijven waaruit ontegensprekelijk rechtstreeks illegale vermogensvoordelen kunnen voortkomen. De geciteerde delictsomschrijving lijkt echter duidelijk te wijzen op de accessoire aard van de ten laste gelegde feiten. De vervalste boekhouding vormt te dezen kennelijk geen doel op zich, maar staat ten dienste van de eigenlijke vermogensdelicten. De eisers III worden niet vervolgd wegens tenlastelegging G, maar wel hoofdens oplichting (tenlasteleggingen K.I) en misbruik van vertrouwen (tenlastelegging L.I). Uit niets vermag evenwel afgeleid te worden dat de appelrechters vaststellen dat de verbeurdverklaarde vermogensvoordelen, die overigens aan de faillissementscuratele toegewezen worden, opbrengsten vormen uit deze misdrijven. Evenmin tonen de appelrechters aan in hoeverre deze gelden het rechtstreekse profijt vormen van de onjuiste en onbetrouwbare boekhouding. In zoverre blijft het bestreden arrest in gebreke en moet het middel gegrond geacht worden. Derde middel van de eisers III
- Het bestreden arrest verklaart de vorderingen van de burgerlijke partijen V.L. M., verweerder in cassatie, en Elisabeth-Anne PLUMMER (vereffenaar DEALFORMATICS Ltd.), verweerster in cassatie, opzichtens de eisers III principieel gegrond, maar beslist dat over de omvang van de aangenomen schade nog niet definitief geoordeeld kon worden, zodat de eisers III solidair veroordeeld worden tot de betaling van een bedrag van 1,00 EUR provisioneel, en tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 300,00 EUR. Het middel gaat ervan uit dat de appelrechters mitsdien hun rechtsmacht nog niet uitgeput hebben en dat de rechtsplegingsvergoeding, bij afwezigheid van een definitieve uitspraak in de zin van artikel 1017, lid 1, Ger.W., bijgevolg nog niet opgelegd kon worden. Artikel 1017, lid 1, Ger.W. bepaalt onder meer dat ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst. Die bepaling is evenwel niet van toepassing in strafzaken
(11). Te dezen kent het bestreden arrest een provisionele schadevergoeding toe, waarbij de beroepsrechters niet meer verder moeten beslissen. De beslissing tot schadeloosstelling als dusdanig is door de feitenrechter immers genomen. De bekritiseerde beslissing vormt derhalve wel een einduitspraak. Het middel dat hier anders over oordeelt, faalt naar recht. Conclusie: Vernietiging zonder verwijzing van de beslissingen waarbij: a. de eisers I en IV veroordeeld worden op civielrechtelijk gebied tegenover de Belgische Staat; b. lastens de eisers III de vermogensvoordelen verbeurd worden verklaard op grond van artikel 42, 3°, Strafwetboek. Verwerping voor het overige. __________________________________
(1)Cass. 8 mei 2002, AR P.02.0021.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020508.22, AC 2002, nr. 282; Cass. 13 december 2006, AR P.05.1434.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061213.7, AC 2006, nr. 646; Cass. 4 september 2007, AR P.07.0219.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.2, AC 2007, nr. 381.
(2)A. DE NAUW, “De verschillende luiken van het wettelijk systeem tot bestraffing en tot voorkoming van het witwassen van gelden en fiscale fraude”, in M. ROZIE (ed.), Fiscaal strafrecht en strafprocesrecht, Gent, Mys & Breesch, 1996, 231.
(3)Wet 7 april 1995 tot wijziging van de Wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, B.S., 10 mei 1995, err. B.S., 25 mei 1995.
(4)Zie in deze zin: L. CORNELIS en R. VERSTRAETEN, “Mag er nog wit worden gewassen?”, TBH, 1992, 185; R. VERSTRAETEN en D. DEWANDELEER, “Witwassen na de Wet van 7 april 1995: kan het nog witter?”, RW 1995-96, 692.
(5)Cass. 10 mei 2007, AR C.06.0468.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070510.5, AC 2007, nr. 241.
(6)Cass. 9 december 1997, AR P.95.0610.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971209.3, AC 1997, nr. 540; Cass, 14 februari 2001, AR P.00.1350.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14, AR P.00.1353.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14 en AR P.00.1363.F, AC 2001, nr. 91. Zie ook: L. HUYBRECHTS, Fiscaal strafrecht, in APR, Mechelen, Kluwer, 2002, nrs. 355-362.
(7)Cass. 8 september 1999, AR P.99.0360.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990908.9, AC 1999, nr. 441.
(8)Het betreft een overtreding van artikel 489ter, Sw., i.e. een zgn. faillissementsmisdrijf.
(9)Het dispositief van het beroepen vonnis van 30 maart 2007 verklaart de gelden lastens de eisers III eveneens verbeurd als zijnde vermogensvoordelen bekomen uit tenlastelegging G, c.q. een misdrijf waarvoor deze eisers niet vervolgd werden. Het vonnis formuleert geen nadere redengeving en verwijst louter naar de vordering van het openbaar ministerie.
(10)J. ROZIE, Voordeelsontneming, Antwerpen, Intersentia, 2005, 142-144.
(11)De toepassing van het Gerechtelijk Wetboek in strafzaken: artikelsgewijze bespreking van de rechtspraak van het Hof in: Jaarverslag 2005 van het Hof van Cassatie, 176
(254). PDF document ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090210.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090210.11 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971209.3 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990908.9 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020508.22 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061213.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070510.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div