← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090220.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090220.10 Rolnummer: C.07.0344.N-C.07.0345.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 285 - laatst gezien 2026-07-03 04:01 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.10 Fiches 1 - 2 Is ontvankelijk het cassatieberoep tegen het arrest van het hof van beroep waarbij tot de doorhaling van een zaak beslist wordt, in strijd met de vermeldingen van het zittingsblad, zodat het Hof in de onmogelijkheid verkeert de wettigheid van die beslissing na te gaan

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vonnis - arrest - Vonnis vooraleer recht doen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Weglating en doorhaling GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Algemeen (rechtsmiddelen - gerechtelijk recht en cassatie) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatie - Gevolgen - Verwijzing na cassatie - In burgerlijke zaken Vrije woorden: Beslissingen of maatregelen van inwendige aard - Doorhaling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 730, § 1, eerste lid, en 1046 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vonnis - arrest - Vonnis vooraleer recht doen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Weglating en doorhaling GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Algemeen (rechtsmiddelen - gerechtelijk recht en cassatie) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatie - Gevolgen - Verwijzing na cassatie - In burgerlijke zaken Vrije woorden: Beslissingen of maatregelen van inwendige aard - Doorhaling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 730, § 1, eerste lid, en 1046 Fiche 3 Wegens de vernietiging van een arrest van doorhaling op de algemene rol moet de zaak verder behandeld worden door het hof van beroep en is er geen aanleiding tot verwijzing
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vonnis - arrest - Vonnis vooraleer recht doen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Weglating en doorhaling GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Algemeen (rechtsmiddelen - gerechtelijk recht en cassatie) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatie - Gevolgen - Verwijzing na cassatie - In burgerlijke zaken Vrije woorden: Doorhaling op de algemene rol - Vernietiging Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 730, § 1, eerste lid Fiche 4 Als het cassatieberoep tegen een arrest niet is verworpen, is de valsheidsvordering tegen dit arrest zonder voorwerp
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M.; zie evenwel Cass., 3 nov. 2008, AR S.08.0060.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.8, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: BETICHTING VAN VALSHEID UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vonnis - arrest - Vonnis vooraleer recht doen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Weglating en doorhaling GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Algemeen (rechtsmiddelen - gerechtelijk recht en cassatie) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatie - Gevolgen - Verwijzing na cassatie - In burgerlijke zaken Vrije woorden: Arrest - Cassatieberoep - Vernietiging Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 907 Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vonnis - arrest - Vonnis vooraleer recht doen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Weglating en doorhaling GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Algemeen (rechtsmiddelen - gerechtelijk recht en cassatie) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatie - Gevolgen - Verwijzing na cassatie - In burgerlijke zaken Vrije woorden: Beslissingen of maatregelen van inwendige aard - Doorhaling Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vonnis - arrest - Vonnis vooraleer recht doen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Weglating en doorhaling GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Algemeen (rechtsmiddelen - gerechtelijk recht en cassatie) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatie - Gevolgen - Verwijzing na cassatie - In burgerlijke zaken Vrije woorden: Beslissingen of maatregelen van inwendige aard - Doorhaling Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vonnis - arrest - Vonnis vooraleer recht doen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Weglating en doorhaling GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Algemeen (rechtsmiddelen - gerechtelijk recht en cassatie) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatie - Gevolgen - Verwijzing na cassatie - In burgerlijke zaken Vrije woorden: Doorhaling op de algemene rol - Vernietiging Thesaurus CAS: BETICHTING VAN VALSHEID UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vonnis - arrest - Vonnis vooraleer recht doen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Weglating en doorhaling GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Algemeen (rechtsmiddelen - gerechtelijk recht en cassatie) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatie - Gevolgen - Verwijzing na cassatie - In burgerlijke zaken Vrije woorden: Arrest - Cassatieberoep - Vernietiging Tekst van de conclusie C.07.0344.N-C.07.0345.N Advocaat-generaal Dubrulle heeft in hoofdzaak gezegd 1. Het bestreden arrest beveelt de doorhaling van de zaak ingeschreven op de rol onder nummer 2006/AR/3115 en een ander arrest van dezelfde datum beveelt de doorhaling van de zaak ingeschreven op de rol onder nummer 2006/AR/3074, terwijl uit het zittingsblad blijkt dat de eiser enkel de doorhaling van de laatstgenoemde zaak vorderde en, in de eerstgenoemde, de partijen zijn gehoord, een conclusie en dossiers werden neergelegd voor de eerste verweerster en dossiers werden neergelegd voor de eiser. 2. Tegen dit arrest heeft de eiser een cassatieberoep ingesteld (A.R. C.07.0345.N). Tevens heeft hij een verzoekschrift wegens valsheid neergelegd (A.R. C.07.0344.N). Daar de valsheidvordering incidenteel is aan het cassatieberoep dient zij hierbij gevoegd te worden. 3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De vraag naar deze ontvankelijkheid rijst inderdaad. De eiser is zich daarvan overigens bewust, nu hij in de toelichting, na het eerste cassatiemiddel, laat opmerken dat zijn voorziening, "in afwijking van artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek", ontvankelijk is. Dit artikel bepaalt: "De beslissingen of maatregelen van inwendige aard zoals (...) doorhaling (...) zijn niet vatbaar voor verzet of hoger beroep". Het artikel 730 van het Gerechtelijk Wetboek (waarvan de schending wordt aangevoerd) regelt de doorhaling. Het eerste lid van § 1 bepaalt: "Een zaak kan op de algemene rol worden doorgehaald met instemming van de partijen"
(1). Het tweede lid bepaalt evenwel: "Een zaak die op de algemene rol is doorgehaald kan alleen door een nieuwe dagvaarding weer op de rol worden gebracht, behoudens het recht van de partijen om vrijwillig te verschijnen." Prima facie bevestigt dit de algemene regel van artikel 1046 dat de doorhaling een loutere beslissing van inwendige aard is ... die zonder rechtsmiddel kan rechtgezet worden. Deze reden volstaat evenwel niet om meteen te besluiten dat (a fortiori) een buitengewoon rechtsmiddel, zoals het cassatieberoep, daarvoor niet kan aangegrepen worden. Voor het ontvankelijk verklaren van een cassatieberoep tegen een doorhaling kan men steun vinden in het Verslag over de gerechtelijke hervorming. De Koninklijk Commissaris Ch. Van Reepinghen schrijft dat "evenmin vatbaar (zijn) voor verzet noch beroep, de beslissingen of 'ordemaatregelen' (...). Die beslissingen kunnen het voorwerp zijn van een voorziening in cassatie, wanneer zij bij overtreding van de wet zijn genomen"
(2). Deze grondslag is overigens de algemene regel, zoals bevat in artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt: "Het Hof van Cassatie neemt kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het hof worden gebracht wegens overtreding van de wet wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen". Hierbij sluit aan het artikel 609, aanhef en 1°, dat bepaald. "Het Hof van Cassatie doet uitspraak over de voorziening in cassatie: 1° tegen de beslissingen van de hoven en rechtbanken, gewezen in alle zaken en in laatste aanleg;" Het bestreden arrest is in laatste aanleg gewezen. En klaarblijkelijk is de wet ook overtreden wanneer de doorhaling niet, zoals voorgeschreven door artikel 730, §1, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek, met instemming van de partijen is gebeurd. Het cassatiemiddel voert immers de schending aan van deze bepaling om de reden dat de eiser zijn instemming met de doorhaling niet heeft betuigd. Uiteraard volstaat niet elke overtreding van de wet op zichzelf om een willekeurig rechtsmiddel te verantwoorden. Dekking van een nietigheid, termijnen, verjaring, enz. spelen een rol. Deze evidentie geldt des te meer voor het buitengewoon rechtsmiddel dat het cassatieberoep is. De vraag rijst hier evenwel of er een beslissing, in de zin van de rechtspraak van het Hof m.b.t. voor cassatieberoep vatbare beslissingen, genomen werd. Het arrest van 18 mei 2000
(3)is hiervoor richtinggevend. Volgens het Hof is een beslissing die een betwiste rechtsvraag beslecht geen beslissing of maatregel van louter inwendige aard; tegen een dergelijke beslissing staat cassatieberoep open. Dit betekent dus dat de inhoud van de beslissing het criterium is. Tenslotte dient de eiser in cassatie een belang te hebben, doordat de beslissing hem nadeel kan berokkenen. Dit is hier alleszins aanwezig: de eiser kan inderdaad gegriefd zijn doordat, zoals hij aanvoert, precies het omgekeerde van wat hij vroeg werd "beslist": hij wenste dat de zaak beoordeeld werd. Het arrest beslist dat dit niet zal gebeuren. Tot zover de toepasselijke beginselen. 4. Zij dienen uiteraard getoetst te worden aan de rechtspraak van het Hof m.b.t. de interne maatregelen van vonnisgerechten. Het Hof oordeelde, bij arrest van 4 maart 1976
(4), dat tegen een beslissing of maatregel van inwendige aard als bedoeld in artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek, "in de onderstelling dat ertegen een cassatieberoep kan worden ingesteld", dit cassatieberoep slechts openstaat na het eindvonnis (zoals, ingevolge artikel 1077 van dit wetboek, tegen een vonnis alvorens recht te doen). Het Hof heeft aldus zodanig cassatieberoep niet uitgesloten. Ingeval van doorhaling, is er vanzelfsprekend geen sprake van beslissing alvorens recht te doen daar deze maatregel, integendeel, een einde stelt aan de rechtspleging. Specifiek over een doorhaling oordeelt het Hof, in het arrest van 24 oktober 1980
(5), waarnaar de eiser in zijn toelichting verwijst, dat dit geen beslissing of maatregel van inwendige aard is en derhalve vatbaar voor hoger beroep, "wanneer daarin een feitelijk geschilpunt of rechtspunt wordt beslist". Dit betekent uiteraard niet dat deze regel onverkort kan toegepast worden op alle beslissingen of maatregelen van inwendige aard
(6). Omgekeerd stelt het arrest van 2 juni 1997
(7)dan ook dat, wanneer niet aldus is beslist, de doorhaling wel een beslissing of maatregel van inwendige aard is en derhalve niet vatbaar is voor hoger beroep. Voor het Hof werd, net als te dezen, aangevoerd dat de eiseres haar instemming niet had verleend met de doorhaling. Het Hof antwoordt dat het bestreden arrest terecht het hoger beroep tegen de beslissing tot doorhaling niet ontvankelijk verklaart. Volgens het Hof volgt uit het oordeel dat die instemming "uit de stukken van het dossier van de rechtspleging" blijkt, niet dat de arbeidsrechtbank bij de vaststelling van de instemming van de partijen een vraagpunt van feitelijke of juridische aard heeft beslecht of daarover reeds een beslissing heeft gewezen, ook al betwist eiseres voor de appelrechters dat zij haar instemming heeft gegeven. Het arrest van 3 oktober 1983
(8)preciseert: de regel van artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek is enkel van toepassing op de beslissingen waarbij de rechter geen enkel vraagpunt van feitelijke of juridische aard beslecht of niet reeds een beslissing daarover wijst, zodat de beslissing geen onmiddellijke schade kan toebrengen aan een van de partijen. Dit is ook de formulering in het arrest van 26 mei 2003
(9), m.b.t. een door de rechter bevolen uitstel. 5. Deze rechtspraak betekent weliswaar niet dat een beslissing tot doorhaling van de appelrechter zelf, zoals te dezen, voor cassatieberoep vatbaar zou zijn, om de enkele reden - vermeld in die toelichting - dat de eiser geen doorhaling heeft gevraagd en dus door het arrest gegriefd is. Overigens blijkt dit niet uit het arrest zelf, doch, volgens de eiser, enkel uit een ander processtuk, namelijk het zittingsblad. Toch is er geen beslissende reden om deze rechtspraak niet toe te passen op het cassatieberoep zelf. Vooreerst sluit het voormelde arrest van 18 mei 2000
(10)niet uit dat tegen een beslissing over een feitelijk geschilpunt in een uitspraak over een maatregel van louter inwendige aard, cassatieberoep kan openstaan. En vooral - het mag worden herhaald - de inhoud van de bestreden uitspraak moet als criterium gelden. Het arrest van 24 oktober 1980 stelde vast dat de eerste rechter er zich niet toe beperkte de instemming van de partijen vast te stellen en op grond daarvan de doorhaling te bevelen, maar dat hij de instemming afleidde uit het niet verschijnen van de partijen. Volgens het Hof wierp hij aldus een vraagpunt op waarvan de oplossing voor de partijen rechtstreeks grievend kon zijn. Om deze reden was deze beslissing volgens het Hof geen loutere maatregel van inwendige aard (en was ze vatbaar voor hoger beroep). 6. Dit standpunt lijkt me ook ter zake het cassatieberoep te kunnen gevolgd worden. Na vermelding van de partijen vermeldt de bestreden uitspraak dat het hof van beroep "volgend arrest velt". Vervolgens wordt, na de vaststelling dat de eiser samen met zijn raadsman het hof heeft verzocht de zaken te willen doorhalen en dat de overige aanwezige partijen zich daarmee akkoord verklaarden, beslist dat niets de inwilliging van dit verzoek tot doorhaling in de weg staat. Dit laatste kan dan toch als een beslissing over een rechtsvraag beschouwd worden, nu daarmee impliciet de vraag beantwoord is of de partijen wel hebben ingestemd met de doorhaling, zoals vereist door art. 730 van het Gerechtelijk Wetboek en beslist is met de niet aanwezige partijen geen rekening te houden (wat door het tweede middel wordt aangevochten). Dit is dan toch minstens een beslissing over een feitelijk geschilpunt. Alleszins betwist de eiser zijn instemming te hebben gegeven. De beslissing dat hij die wel gaf kan dan ook geen loutere interne (niet grievende) maatregel zijn. Anders dan in de casus van 2 juni 1997
(11)blijkt uit een stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, het zittingsblad, dat de zaak behandeld werd en dat de partijen dus niet instemden met haar doorhaling. 7. Waarom een gewoon rechtsmiddel tegen een onjuiste beslissing bevat in een slechts ogenschijnlijk loutere ordemaatregel van de feitenrechter toelaten en een buitengewoon rechtsmiddel, tegen een analoge beslissing in laatste aanleg, niet? Een vergelijking van deze rechtspraak van het Hof in civiele zaken, beheerst door het beschikkingsbeginsel, met deze in strafzaken, beheerst door de openbare orde, vergt het nodige voorbehoud. Niettemin levert ze nuttige indicaties op. Aldus oordeelde het Hof dat de beslissing die, ondanks verzet, de zaak uitstelt naar een latere terechtzitting, geen beslissing of maatregel van inwendige aard is en dat artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek daarop niet van toepassing is. De beslissing heeft daarvan alleen de schijn
(12). De regel van artikel 730 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk een zaak die op de (algemene) rol is doorgehaald alleen door een nieuwe dagvaarding weer op de rol kan worden gebracht, behoudens het recht van de partijen om vrijwillig te verschijnen, onderstelt een geldige instemming tot doorhaling, krachtens § 1 van dit artikel. In dezen wordt een onrechtmatige doorhaling aangevoerd. Ook al is een cassatieberoep wellicht niet de meest economische oplossing, het lijkt me toegelaten te moeten worden. Het cassatieberoep is dus ontvankelijk.
  1. Het eerste cassatiemiddel Uit de bepalingen van artikel 730, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat een zaak slechts met instemming van de partijen, op de algemene rol kan worden doorgehaald. Het cassatiemiddel voert terecht aan dat, door de strijdigheid van de vermeldingen van het arrest en deze van het zittingsblad, het Hof in de onmogelijkheid verkeert zijn wettigheidcontrole uit te oefenen, zodat het arrest niet regelmatig met redenen is omkleed en dus het artikel 149 van de Grondwet schendt.
  2. Het middel is dus in zoverre gegrond.
  3. Op het verzoekschrift wegens valsheid van het arrest dient het Hof niet in te gaan, daar het ondergeschikt is aan het cassatieberoep, als dat ingewilligd wordt.
  4. Conclusie: vernietiging.
  5. Ik ben van mening dat er geen aanleiding is tot verwijzing. Een ander hof van beroep lijkt me immers niet te kunnen ingrijpen in de (algemene) rol van het hof dat de doorhaling heeft bevolen. De zaak blijft, door de cassatie, op de rol ingeschreven. ________________
(1)Uiterlijk op 1 januari 2011 wordt het woord "algemene" in dit artikel weggelaten (W. 10 juli 2006, B.S.,. 7 september 2006, art. 15 en 39, dit laatste gewijzigd bij wet van 24 juli 2008, B.S., 7 augustus 2008, art. 141).
(2)CH. VAN REEPINGHEN, Verslag over de gerechtelijke hervorming, B.S., 1964, 409.
(3)A.R. C.99.0185.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000518.5, A.C., 2000, nr. 305.
(4)A.C., 1976, 765, met noot F.D.
(5)A.C., 1980-81, nr. 126, gewezen op andersluidende conclusie O.M., met noot A.C.
(6)Zie de voormelde noot.
(7)A.R. S.96.0094.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970602.10 A.C., 1997, nr. 252.
(8)A.R. 6764, A.C., 1983-84, nr. 59.
(9)A.R. S.02.0118.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030526.12, A.C., 2003, nr. 320.
(10)Zie randnummer 3.
(11)Zie hiervoor randnummer 4 en voetnoot 7.
(12)Cass. 18 maart 2003, A.R. P.02.1357.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030318.17, A.C., 2003, nr. 174; zie ook de noot A.C. bij Cass. 24 oktober 1980 (zie hiervoor voetnoot 5). Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.10 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970602.10 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000518.5 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030318.17 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030526.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.