← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090220.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090220.16 Rolnummer: C.08.0115.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-29 Raadplegingen: 257 - laatst gezien 2026-07-03 00:37 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.16 Fiche 1 Ten aanzien van de vreemdeling, die op het tijdstip van de verklaring de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en, ingevolge regularisatie, gemachtigd is of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of toegelaten werd om er zich te vestigen, mag, voor de berekening van de vereiste wettelijke verblijfsduur, de aan de regularisatie voorafgaande periode, gedurende dewelke de vreemdeling, zonder onderbreking, over voorlopige verblijfsvergunningen of over toelatingen om voorlopig in het land te verblijven heeft beschikt, in aanmerking worden genomen

(1).
(1)Zie de concl. O.M.; zie ook Cass., 20 feb. 2009, AR C.07.0641.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.12, supra, nr ... Thesaurus CAS: NATIONALITEIT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATIONALITEIT - Verkrijging Vrije woorden: Verklaring tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit - Vreemdeling - Regularisatie - Machtiging tot verblijf - Wettelijke verblijfsduur - Berekening Wettelijke bepalingen: Wet - 28-06-1984 - Art. 12bis, § 1, 3° Fiche 2 Concl. van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: NATIONALITEIT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATIONALITEIT - Verkrijging Vrije woorden: Verklaring tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit - Vreemdeling - Regularisatie - Machtiging tot verblijf - Wettelijke verblijfsduur - Berekening Tekst van de conclusie C.08.0115.N Conclusie van de Heer Advocaat-generaal Dubrulle
  1. Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres tegen het vonnis, dat haar verhaal tegen het negatief advies van de procureur des Konings betreffende haar verklaring tot verkrijging van de Belgische nationaliteit afwees, toelaatbaar, doch verklaart haar vordering ongegrond, omdat ze niet bewijst dat ze aan de voorwaarde van zeven jaar wettig verblijf in België voldoet. Het arrest (p. 7, nr. 2) stelt vast dat de eiseres op 16 september 1998 in België is aangekomen; dat haar asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard; dat de beslissing tot weigering van verblijf door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en staatlozen bevestigd werd op 3 september 1999; dat deze beslissing werd geschorst bij arrest van de Raad van State van 22 december 2000, waarna het Commissariaat-Generaal haar asielaanvraag op 6 februari 2001ontvankelijk verklaarde; dat, na positief advies van de Commissie voor regularisatie op 17 september 2001, de eiseres op 3 maart 2003 in het bezit werd gesteld van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister. De enige motivering tot afwijzing van de vordering luidt: "De regularisatie van de toestand van (de eiseres) heeft geen terugwerkende kracht en heeft niet tot gevolg dat het voorafgaande verblijf een wettelijk verblijf is, in de zin van het wetboek van de Belgische nationaliteit. (De eiseres) bewijst niet dat zij vanaf haar aankomst in België alhier wettig verbleef, zodat de voorwaarde van zeven jaar wettig verblijf op het ogenblik van de nationaliteitsverklaring niet vervuld is."
  2. Het cassatiemiddel voert, in zijn tweede onderdeel, tegen deze beslissing in hoofdorde een schending aan van het artikel 12bis, § I, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (ingevoerd door de wet van 28 juni 1984, zoals vervangen door de wet van I maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit en voor de wijziging bij artikel 382 wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen), krachtens hetwelk "een vreemdeling de Belgische nationaliteit (kan) verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig §2 van dat artikel, indien hij of zij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, sedert ten minste zeven jaar zijn hoofdverblijf in België heeft gevestigd en, op het tijdstip van de verklaring, gemachtigd is of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of toegelaten werd om er zich te vestigen". Artikel 299 van de Programmawet van 27 december 2004
(1)bepaalt dat artikel 12bis, § I, 3° zo wordt uitgelegd "dat het alleen van toepassing is op de vreemdelingen die zich kunnen beroepen op zeven jaar hoofdverblijfplaats gedekt door een wettelijk verblijf". Volgens het cassatiemiddel wordt de kandidaat-vluchteling gemachtigd om in het land te verblijven tot over zijn aanvraag tot erkenning als vluchteling is beslist en bestond er, te dezen, geen discussie over dat de eiseres sedert 16 september1998 aldus gemachtigd werd om in het land te verblijven, noch dat ze vanaf die datum tot op het ogenblik van haar verklaring op 3 oktober 2006 haar hoofdverblijf in België gevestigd had. Door aldus impliciet doch zeker te beslissen dat het verblijf van de kandidaat-vluchteling tijdens de erkenningsprocedure geen wettelijk verblijf uitmaakt en dus niet in aanmerking kan genomen worden bij de beoordeling van zeven jaar wettelijk verblijf, schendt het arrest (o.m.) dat artikel 12bis, § I, 3°. 3. De kernvraag is of een "precair" verblijf, gedekt door een verblijfsvergunning (of opeenvolgende verblijfsvergunningen) voor beperkte duur in aanmerking komen voor de bepaling van een "wettelijk verblijf van zeven jaar". Hoewel ze herhaaldelijk gewijzigd werd laat de wet zelf - artikel 12bis, § I, 3° van het Wetboek van de Belgische nationaliteit - hierover onduidelijkheid bestaan, ook na de voormelde interpretatieve wet, nochtans tot stand gekomen tengevolge van de door de hoven en rechtbanken aldus ervaren problemen van uitlegging. Inzonderheid is het begrip wettelijk verblijf in de wet zelf niet gedefinieerd, zomin als in de laatste wijziging door de (te dezen niet toepasselijke) wet van 27 december 2006 (houdende diverse bepalingen)
(2). Een korte historiek zal wat meer inzicht bieden. 3.1 De wet van 1 maart 2000 heeft (onder meer) volgend artikel 12bis
(3), §1, 3° ingevoegd: "3° de vreemdeling die sedert ten minste zeven jaar zijn hoofdverblijf in België heeft gevestigd en die, op het tijdstip van de verklaring gemachtigd is of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of toegelaten werd om er zich te vestigen." De parlementaire voorbereiding stelt dat "Onder het begrip 'hoofdverblijfplaats' moet worden verstaan een verblijf op grond van verschillende verblijfsvergunningen, te weten een vestigingsmachtiging, een machtiging of een toelating tot verblijf voor onbepaalde duur, dan wel een machtiging of een toelating tot verblijf voor bepaalde duur. Een hoofdverblijfplaats in België die niet is gegrond op een wettelijke verblijfsvergunning biedt de vreemdeling geenszins de mogelijkheid om een nationaliteitsverklaring af te leggen (...). Vanzelfsprekend kan een onwettig verblijf niet in aanmerking worden genomen"
(4). "Een hoofdverblijf in België dat niet zou zijn gedekt door een wettelijke verblijfsvergunning zal de vreemdeling dus in geen geval in staat stellen een nationaliteitsverklaring af te leggen
(5)
(6). 3.2 De interpretatieve wet van 27 december 2004, waarvan de voorbereiding ook woordelijk naar die stukken verwijst, bedoelde aan de verdeeldheid in de rechtspraak over deze uitlegging, inzonderheid na het arrest van het Hof van 16 januari 2004
(7), een einde te stellen. Het Hof oordeelt daarin dat het bestreden arrest, dat de nationaliteitsverklaring van de eiseres verwerpt op grond dat haar hoofdverblijf in België niet "gedekt wordt door verblijfsvergunningen gedurende ten minste zeven jaar" aan de wettekst een voorwaarde toevoegt die daarin niet voorkomt en 12bis, § I, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit schendt. Dit oordeel werd geïnterpreteerd alsof de wet onwettig verblijf niet uitsloot
(8). In de memorie van toelichting
(9)herhaalt de wetgever zijn oorspronkelijke bedoeling. Wat het cassatiearrest van 16 januari 2004 betreft lezen we: "Deze jurisprudentie verschaft aan artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit een draagwijdte die verder gaat dan wat het Parlement er aan wilde geven toen het werd aangenomen. Deze jurisprudentiële interpretatie komt er in feite op neer dat men het illegale verblijf van vreemdelingen op het vlak van het bekomen van de Belgische nationaliteit valoriseert. Dit is niet alleen niet in overeenstemming te brengen met de duidelijk verwoorde bedoeling van de wetgever, maar het is bovendien moeilijk te rechtvaardigen op het principiële vlak". Daaraan wordt toegevoegd: "Het voorwerp van deze bepaling is de aanvankelijke interpretatie van artikel 12bis tot regel te verheffen (...) door gebruik te maken van de authentieke interpretatie bepaald in artikel 84 van de Grondwet". Het Hof heeft zich, in dat arrest, niet over de legaliteit van de verblijfsvergunningen uitgesproken, zodat deze interpretatie niet zeker uit zijn bewoordingen kan worden afgeleid. Hoe dan ook, het (toenmalig) Arbitragehof oordeelde, bij arrest van 21 juni 2006, dat o.m. uit de voormelde verklaringen afgelegd tijdens de parlementaire voorbereiding "de wil van de wetgever (blijkt) om uit te sluiten dat een onwettig verblijf in aanmerking zou worden genomen voor de berekening van de vereiste verblijfsduur. Dat enkel een wettig verblijf in aanmerking werd genomen om de Belgische nationaliteit door verklaring te verkrijgen, werd door de Minister van Justitie als vanzelfsprekend beschouwd zodat het overbodig werd geacht dit expliciet in de tekst op te nemen. De Minister stelt bij herhaling dat het begrip 'hoofdverblijfplaats' moet worden begrepen zoals verduidelijkt in de omzendbrief van 8 november 1991 betreffende de wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (Parl. St., Kamer, 1999-2000. nr. 292/7. pp. 84, 88 en 94). Die omzendbrief stelt: 'Vanzelfsprekend kan een onwettig verblijf niet in aanmerking worden genomen' (Belgisch Staatsblad, 7 december 1991). De omzendbrief verwijst daarbij naar verklaringen die de bevoegde Minister heeft afgelegd tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juni 1991 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de artikelen 569 en 628 van het Gerechtelijk Wetboek"
(10). Dat Hof oordeelt verder: "De bestreden bepaling werd aangenomen omdat in een deel van de rechtspraak aan artikel 12bis, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit een interpretatie werd gegeven die niet overeenstemde met de betekenis die de wetgever daaraan had willen geven bij de totstandkoming ervan"
(11). 4. Op grond van de interpretatieve wet beslissen de cassatiearresten van 20 juni 2005
(12)en 4 mei 2006
(13)dat het om een wettelijk verblijf moet gaan. De rechtspraak blijft verdeeld. Hopelijk biedt de wet van 27 december 2006
(14)soelaas. Zij wijzigt andermaal het artikel 12bis, §1, 3° W.B.N., als volgt: "3° de vreemdeling die zich kan beroepen op zeven jaar hoofdverblijfplaats in België gedekt door een wettelijk verblijf en die op het tijdstip van de verklaring gemachtigd of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur". Deze wet heeft ook
(15)een artikel 7bis ingevoegd, luidende: "§
  1. Om een verzoek of een aanvraag tot het bekomen van de Belgische nationaliteit te kunnen indienen, moet de vreemdeling op het ogenblik van het indienen van dit verzoek of het afleggen van deze verklaring in wettelijk verblijf zijn. §
  2. Onder wettelijk verblijf wordt verstaan, de situatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven of die gemachtigd is zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen". Deze definitie, met betrekking tot de toestand "op het ogenblik van het indienen van dit verzoek of het afleggen van deze verklaring" is aldus niet dienend voor de invulling van de voorafgaande periode van zeven jaren
(16). 5. In twee arresten van 23 maart 2005
(17)weigert het hof van beroep te Antwerpen de nationaliteitsverklaring op grond dat de vreemdeling (die een asielaanvraag had ingediend) slechts vanaf de datum van regularisatie (en dus niet tijdens de asielprocedure) legaal in het land verbleef. Deze rechtspraak kon niet op bijval rekenen: zo schreef men dat er automatisch van uitgaan dat slechts van een wettig verblijf sprake kan zijn nadat een vreemdeling een positief advies met betrekking tot zijn regularisatieaanvraag heeft gekregen niet in overeenstemming kan zijn met de geest van de zgn. Snel-Belg-Wet. Het valt moeilijk te verdedigen dat een federale rechtsregel personen zou oproepen zich illegaal in het land te vestigen gedurende de tijd dat de procedure hangend is
(18). Deze rechtspraak wordt bevestigd in het arrest van 5 september 2007, dat thans ook voor het Hof bestreden wordt (A.R. C.07.0641.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.12). In (o.m.) een arrest van 15 september 2005
(19), het bestreden arrest van 13 december 2007 en een arrest 21 februari 2008 neemt het hof van beroep te Gent hetzelfde standpunt in. Tegen een arrest van 10 januari 2008, dat, met verwijzing naar de circulaire van de Minister van Justitie van 25 mei 2007 (B.S. 4 juni 2007), de nationaliteitsverklaring van een geregulariseerde asielaanvrager heeft aanvaard, heeft de procureur-generaal bij dit hof een cassatieberoep ingesteld (A.R. C.08.0096.N). Het hof van beroep te Luik oordeelt, in een arrest van 21 mei 2007
(20), dat de vreemdeling zijn verklaring kan steunen op een onderbroken hoofdverblijf van zeven jaren, en daarbij alle periodes van wettig verblijf kan optellen, in casu meer dan tien jaren, ook al waren ze onderbroken door onwettig verblijf. Voorlopige verblijfstitels worden dus in aanmerking genomen. Dit laatste werd bevestigd bij arrest van dat hof van 15 april 2008
(21). Het minste wat men kan vaststellen is dat de rechtspraak verdeeld blijft. 6. Het cassatiemiddel nodigt het Hof thans uit het begrip wettelijk verblijf te definiëren. In tal van hangende zaken, onder het toepasselijk recht (d.i. voor de wijziging door de wet van 27 december 2006) zal het antwoord van het Hof aan de voormelde verdeeldheid een einde moeten stellen. Met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding (zelfs van de nieuwe, weliswaar te dezen niet toepasselijke, wet, die evenwel de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever bevestigt), moet besloten worden dat ook voorlopige verblijfsvergunningen niet anders dan wettig kunnen geacht worden en dus in aanmerking komen. Het voorlopig of precair karakter verhindert inderdaad de wettigheid niet. Terecht werd opgemerkt dat, nu de wetgever het wettig verblijf niet nader heeft bepaald, de tegengestelde opvatting onoverkomelijke moeilijkheden zou veroorzaken, waar een onderscheid zou moeten gemaakt worden tussen verblijftitels die een wettig verblijf gronden en deze welke niet in aanmerking kunnen genomen worden
(22).
  1. Het onderdeel komt dus gegrond voor. Voor de toepassing van het artikel 12bis, § I, 3° het Wetboek van de Belgische nationaliteit is er sprake van hoofdverblijf in België indien de vreemdeling het bewijs kan leveren van voorlopige verblijfsvergunningen of van een toelating om voorlopig in het land te verblijven.Ook het verblijf dat gedekt is door deze voorlopige titels is dus een wettelijk verblijf in de zin van die bepaling. Zoals uit de voormelde wethistoriek blijkt mag, ten aanzien van de vreemdeling die, op het tijdstip van de verklaring van nationaliteit de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en, ingevolge regularisatie, gemachtigd is of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of toegelaten werd er zich te vestigen, voor de berekening van de wettelijke verblijfduur van zeven jaar, de aan de regularisatie voorafgaande periode, gedurende welke hij, zonder onderbreking, over voorlopige verblijfsvergunningen of over toelatingen om voorlopig in het land te verblijven beschikte, in aanmerking worden genomen. Het standpunt van de verweerder dat deze regeling slechts zou gelden voor de erkende vluchteling (wat de eiseres niet is), kan niet bijgetreden worden: niet de uitslag van de asielprocedure, dan wel de wettigheid van de verblijftitel(s) lopende deze procedure is determinerend. Een parallel met regularisatie kan evenmin overtuigen, nu overigens zelf wordt ingezien dat ze alleen voor de toekomst werkt (en de asielaanvraag "zonder voorwerp" maakt). Door te oordelen dat de regularisatie van de toestand van de eiseres geen terugwerkende kracht heeft en niet tot gevolg heeft dat dit voorafgaand verblijf een wettelijk verblijf is in de zin van artikel 12bis, § I, 3° het Wetboek van de Belgische nationaliteit en niet in aanmerking kan genomen worden bij de beoordeling of de eiseres zich kon beroepen op zeven jaar hoofdverblijfplaats gedekt door een wettelijk verblijf, ongeacht of aan de eiseres in die periode voorlopige verblijfsvergunningen werden verleend, zoals door haar aangevoerd en niet betwist werd, miskennen de appelrechters het begrip "wettelijk verblijf" in de zin van deze bepaling, die derhalve geschonden werd.
  2. Conclusie: vernietiging. ____________
(1)B.S. 31 december 2004.
(2)Het door artikel 379 van deze wet ingevoegd artikel 7bis bepaalt wel wat onder dit begrip dient te worden verstaan, doch met betrekking tot het ogenblik van het afleggen van de verklaring.
(3)Zelf ingevoegd bij wet van 13 juni 1991 (B.S. 3 september 1991).
(4)Parl. St. Kamer. 1999-2000, 50 0292/001, 10-11.
(5)Parl. St. Kamer. 1999-2000, 50 0292/007, 7.
(6)De Minister bevestigde deze interpretatie in een omzendbrief van 25 april 2000 (B.S. 6 mei 2000).
(7)A.R. C.03.0370.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040116.2, A.C., 2004, nr. 26, gewezen op strijdige conclusie O.M., zoals blijkt uit de voetnoot
(1)bij dat arrest: "Het O.M. concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. Het was namelijk van mening was dat het bestreden arrest geen voorwaarde aan de wet heeft toegevoegd, aangezien de appelrechters zich beperkt hadden tot het onderzoek van de draagwijdte van het begrip 'vestiging van de hoofdverblijfplaats', zoals het wordt bedoeld in de wet, met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding waar vermeld staat: 'Vanzelfsprekend kan een onwettig verblijf niet in aanmerking worden genomen'. (Gedr. St., Kamer, 50-0292/001, zitting 1999-2000, p. 10 en 11)".
(8)S. BOUCKAERT. "Illegaal verblijf telt mee bij verwerving Belgische nationaliteit", Juristenkrant 2004. nr. 89, 6.
(9)Parl. St. Kamer, 2004-05, 51 1437/001, 172-173.
(10)Arrest nr. 102/2006, A.A. 2006, afl. 3, 1239 (B.3.1-B.4.2) (www.const-court.be).
(11)B.5.1.
(12)A.R. C.04.0457.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050620.8, Pas., 2005, nr. 357.
(13)A.R. C.05.0413.N, niet gepubliceerd.
(14)Wet van van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen, art. 382 (B.S. 28 december 2006).
(15)Bij artikel 379.
(16)In die zin: Luik, 15 april 2008, Rev.dr.étr., 2008, 81.
(17)NjW 2005, 1270, met noot SB
(1272); RABG 2007, 187, met (afkeurende) noot F. DE BOCK, Hoofdverblijf, wettig verblijf, verblijf van onbeperkte duur, ... hoe zit het nu met die nationaliteitsverklaring?
(18)F. DE BOCK, l.c., 191-192.
(19)TVR 2006, 32, met noot M. VAN DE PUTTE en J.ClEMENT, Nationaliteitsverkrijging en wettigheid van het vereiste verblijf: het verhaal gaat verder.
(20)Revue de la Faculté de droit de l'Université de Liège, Larcier, 2007, 49, met noot P. WAUTELET, Nationalité belge et séjour "légal" en Belgique - suite... mais pas fin
(52).
(21)Rev.dr.étr., 2008, 81.
(22)P. WAUTELET, Nationalité belge et séjour "légal" en Belgique - suite... mais pas fin, obs. na Luik, 21 mei 2007, Revue de la Faculté de droit de l'Université de Liège, Larcier, 2007, 52-59
(57). Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.16 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040116.2 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050620.8 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.