id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090227.5 Rolnummer: C.07.0036.N Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-05-06 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-06-19 02:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090227.5 Fiches 1 - 2 Als "zeeschip", waarop het specifiek stelsel van bewarend beslag van toepassing is, moet worden beschouwd, ieder vaartuig dat geschikt is om de zee te bevaren en daartoe bestemd is, ook al wordt het niet gebruikt of is het niet bestemd tot enige winstgevende verrichting van scheepvaart op de zeewateren, zoals bedoeld in artikel 1 van de Zeewet; de in dit artikel gegeven omschrijving van het begrip zeeschip is immers niet van toepassing op de bepalingen van het Ger. W. betreffende het bewarend beslag op zeeschepen en binnenschepen; het schip, dat door beschadigingen zijn bestemming voor de zeevaart definitief heeft verloren, kan niet meer worden beschouwd als een zeeschip
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: BESLAG - BEWAREND BESLAG Vrije woorden: Beslag op zeeschip - Zeeschip - Begrip Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag van 10 mei 1952 tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen ondertekend te Brussel en goedgekeurd bij wet 24 maart 1961 - 10-05-1952 - Artt. 1, 2, 3
(1), 8
(2), en 9 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1468 en 1469 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART Vrije woorden: Bewarend beslag op zeeschip - Zeeschip - Begrip Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag van 10 mei 1952 tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen ondertekend te Brussel en goedgekeurd bij wet 24 maart 1961 - 10-05-1952 - Artt. 1, 2, 3
(1), 8
(2), en 9 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1468 en 1469 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 4 Het specifiek stelsel van bewarend beslag op een zeeschip, waarbij, na verlof van de bevoegde rechterlijke autoriteit, op grond van de loutere allegatie van een zeevordering op een zeeschip bewarend beslag kan worden gelegd, impliceert dat het schip op ogenblik van het beslag als een zeeschip kan worden beschouwd; de omstandigheid dat het schip op het ogenblik van het ontstaan van een zeevordering een zeeschip was, belet niet dat het later definitief verlies van deze hoedanigheid, het leggen van een bewarend scheepsbeslag op dit schip in de weg staat
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: BESLAG - BEWAREND BESLAG Vrije woorden: Beslag op zeeschip - Vereisten Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag van 10 mei 1952 tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen ondertekend te Brussel en goedgekeurd bij wet 24 maart 1961 - 10-05-1952 - Artt. 1, 2, 3
(1), 8
(2), en 9 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1468 en 1469 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART Vrije woorden: Bewarend beslag op zeeschip - Vereisten Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag van 10 mei 1952 tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen ondertekend te Brussel en goedgekeurd bij wet 24 maart 1961 - 10-05-1952 - Artt. 1, 2, 3
(1), 8
(2), en 9 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1468 en 1469 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: BESLAG - BEWAREND BESLAG Vrije woorden: Beslag op zeeschip - Zeeschip - Begrip Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART Vrije woorden: Bewarend beslag op zeeschip - Zeeschip - Begrip Thesaurus CAS: BESLAG - BEWAREND BESLAG Vrije woorden: Beslag op zeeschip - Vereisten Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART Vrije woorden: Bewarend beslag op zeeschip - Vereisten Tekst van de conclusie C.07.0036.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
- DE FEITEN.
- Op 16 juli 2004 breekt een brand uit aan boord van de m.s. Sea Trader, eigendom van de vennootschap naar Maltees recht MEHANIKIS GERASIMOVS SHIPPING COMPANY, op dat ogenblik aangemeerd in de haven van Antwerpen. Om veiligheids- en gezondheidsredenen laat men het schip gecontroleerd uitbranden. De m.s. Sea Trader is bijgevolg zwaar beschadigd, zowel bovendeks als benedendeks. In het raam van de bluswerken verleent het HAVENBEDRIJF Antwerpen bijstand met behulp van sleepboten.
- Op 9 september 2004 verkoopt MEHANIKIS GERASIMOVS SHIPPING COMPANY het voormelde schip aan de naamloze vennootschap VAN HEYGHEN RECYCLING, een firma die o.m. scheepswrakken opkoopt teneinde de metalen, na sortering en recyclage, op de metaalmarkt te koop aan te bieden. Ingevolge deze overdracht wordt het schip geschrapt uit het scheepsregister te Malta op 15 september 2004 (zonder elders opnieuw te worden ingeschreven) en vervolgens, op 17 september 2004, van Antwerpen naar Gent gesleept (met het oog op sloping). II. DE PROCEDUREVOORGAANDEN.
- Teneinde voldoening te krijgen voor haar zeevordering wegens gemaakte kosten van hulp en berging (in de zin van art. 23, § 1, sub 3° van de Zeewet, d.z. de titels I en X van boek II van het Wetboek van Koophandel over de zee- en binnenvaart), vraagt het HAVENBEDRIJF de Beslagrechter te Gent de toelating om aldaar een bewarend scheepsbeslag te leggen. Bij beschikking van 23 september 2004 verleent de Beslagrechter deze toelating, waarop het HAVENBEDRIJF op 24 september 2004 het bedoelde beslag laat leggen.
- VAN HEYGHEN RECYCLING tekent evenwel derdenverzet aan. De nieuwe eigenaar van het schip vordert hierbij de vernietiging van voormelde beschikking van de Beslagrechter, de opheffing van het gelegde beslag en de veroordeling van het HAVENBEDRIJF tot een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beslag. MEHANIKIS GERASIMOS SHIPPING COMPANY sluit zich hierbij aan en betwist bovendien de bevoegdheid van de Beslagrechter.
- Bij vonnis van 28 juni 2005 doet de Beslagrechter te Gent de eerdere beschikking van 23 september 2004 teniet en beveelt bijgevolg de opheffing en de doorhaling van het litigieuze beslag. De Beslagrechter wijst verder de gevorderde schadevergoeding af verklaart het vonnis tegenwerpbaar aan MEHANIKIS GERASIMOVS SHIPPING COMPANY.
- Het HAVENBEDRIJF tekent hoger beroep aan. Bij het thans bestreden arrest bevestigen de appelrechters het beroepen vonnis en oordelen hierbij dat de m.s. Sea Trader ten tijde van het bewarende beslag niet langer beantwoordde aan de vereiste kwalificatie van ‘zeeschip’, zodat een bewarend scheepsbeslag bij toepassing van de artikelen 1467 tot en met 1480 Ger.W. (in overeenstemming met het zogeheten Verdrag Scheepsbeslag, d.i. het Verdrag van 10 mei 1952 ‘tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen’) niet te verantwoorden was. De appelrechters oordelen verder dat een bewarend beslag op roerend goed eveneens was uitgesloten aangezien het HAVENBEDRIJF noch tegen VAN HEYGHEN RECYCLING, noch tegen MEHANIKIS GERASIMOVS SHIPPING COMPANY beschikt over een bevoorrechte schuldvordering met een zeker, vaststaand en opeisbaar karakter, zoals vereist door artikel 1413 Ger. W. Tot slot oordelen de appelrechters dat de eerder gevorderde schadevergoeding niet is hernomen in hoger beroep, zodat op dit punt evenmin een hervorming van het beroepen vonnis aan de orde kan zijn. III. DE VOORZIENING IN CASSATIE.
- Het HAVENBEDRIJF tekent cassatieberoep aan. Het (enig) middel tot cassatie betreft de beoordeling waarbij de appelrechters in dezen een bewarend scheepsbeslag bij toepassing van de artikelen 1467 tot en met 1480 Ger.W. (in overeenstemming met het zogeheten Verdrag Scheepsbeslag) uitsluiten.
- Het middel tot cassatie behelst twee specifieke rechtsvragen: ten eerste de vraag of een bewarend scheepsbeslag mogelijk is op een scheepswrak; ten tweede, en in de veronderstelling dat een bewarend scheepsbeslag niet mogelijk is op een scheepswrak, de vraag of de vereiste kwalificatie van ‘zeeschip’ speelt ten tijde van het ontstaan van de zeevordering dan wel ten tijde van het beslag. Het eerste onderdeel benadert deze rechtsvragen vanuit nationaalrechtelijke hoek (artt. 1467-1480 Ger.W.), het tweede onderdeel vanuit internationaalrechtelijk oogpunt (Verdrag Scheepsbeslag). III.
- Eerste onderdeel.
- Het bewarend beslag op zeeschepen (en binnenschepen) werd oorspronkelijk geregeld bij Wet van 4 september 1908 ‘op de inbeslagneming en het opbod bij vrijwillige vervreemding van de zee- en de binnenschepen, alsmede op de bevoegdheid inzake van zee- en binnenvaart’. Later (bij Wet van 4 december 1961) werden de bedoelde bepalingen in overeenstemming gebracht met het voormelde Verdrag Scheepsbeslag (goedgekeurd bij Wet van 24 maart 1961) en aldus overgenomen in het Gerechtelijk Wetboek van 10 oktober 1967
(1). Zodoende vindt het bewarend beslag op zeeschepen (en binnenschepen) thans (kernachtige) neerslag in de artikelen 1467 tot en met 1480 Ger.W. Nadere ontleding van deze bepalingen leert dat een wettelijke definitie van de notie ‘zeeschip’ ontbreekt. Alvorens te kunnen oordelen of een bewarend beslag op grond van voormelde artikelen mogelijk is op een scheepswrak, moet worden nagegaan wat de notie ‘zeeschip’ precies inhoudt en of een scheepswrak hieronder begrepen is.
- In het eerste subonderdeel verwijst het HAVENBEDRIJF voor een omschrijving van de notie ‘zeeschip’ naar de definitie die men terugvindt in artikel 1 van de Zeewet: “alle vaartuigen van tenminste 25 ton, bestemd of gewoonlijk gebruikt voor personen- of goederenvervoer, visserij, sleepvaart of enige andere winstgevende scheepvaartverrichting ter zee”. Doordat de appelrechters de mogelijkheid om bewarend scheepsbeslag te leggen beperken tot alsnog zeewaardige schepen, zouden zij, volgens het HAVENBEDRIJF, de bedoelde definitie verengen. Het al dan niet zeewaardig zijn van een zeeschip, zou immers los staan van de bepalingen van de Zeewet. Volgens het HAVENBEDRIJF kan men bezwaarlijk aan de definitie van zeeschip de voorwaarde van het ‘zeewaardig zijn’ toevoegen.
- Het eerste subonderdeel faalt naar recht. Uit de bewoordingen van artikel 1 van de Zeewet (‘met oog op de toepassing van deze wet’) blijkt dat de bedoelde definitie niet zonder meer van toepassing is in de context van het bewarend scheepsbeslag
(2). Gezaghebbende doctrine leert dat, in de context van het bewarend scheepsbeslag, onder ‘zeeschip’ moet worden begrepen: “elk vaartuig dat gewoonlijk en hoofdzakelijk de zee bevaart of hiertoe bestemd is en daarbij aan de gevaren van de zee wordt blootgesteld”
(3). Deze doctrine benadrukt dat een verdrag (zoals het Verdrag Scheepsbeslag, evenals de in overeenstemming daarmee ingevoerde nationaalrechtelijke bepalingen, zoals de artt. 1467-1480 Ger.W.) moet worden uitgelegd op grond van verdragseigen elementen
(4). Een scheepswrak beantwoordt niet aan deze laatste definitie en is bijgevolg niet vatbaar voor bewarend scheepsbeslag. Niet alleen kan een scheepswrak onmogelijk nog de zee bevaren, bovendien impliceert de notie ‘wrak’ dat herstellingen niet (langer) aan de orde zijn, zodat een eventuele vroegere bestemming tot het bevaren van de zee nadien in elk geval definitief onmogelijk is geworden
(5). De appelrechters oordelen in die zin.
- Nu voormelde zienswijze impliceert dat een bewarend scheepsbeslag slechts mogelijk is indien deze schepen niet als ‘scheepswrak’ kunnen worden aangezien, moet worden nagegaan welk tijdstip van belang is voor de vaststelling van het feitelijke gegeven of het schip een zeeschip dan wel een scheepswrak uitmaakt. Die vraag komt aan bod in het tweede subonderdeel.
- Het HAVENBEDRIJF werpt op dat het volstaat dat het bedoelde schip als een ‘zeeschip’ kan worden gekwalificeerd ten tijde van het ontstaan van de zeevordering, opdat een later te vestigen bewarend beslag mogelijk zou zijn.
- Ook het tweede subonderdeel faalt naar recht. Een rechtmatig bewarend beslag vereist immers dat aan de voorwaarden hiervan is voldaan, zowel ten tijde van het ontstaan van de bedoelde schuldvordering als ten tijde van het bewarend beslag op zich
(6). Het gegeven dat een schip ten tijde van het ontstaan van een zeevordering de kwalificatie van ‘zeeschip’ geniet, terwijl, ten tijde van het bewarend beslag, datzelfde schip nog slechts als ‘scheepswrak’ kan worden aangezien, kan bijgevolg geen bewarend beslag verantwoorden
(7). Door te oordelen dat een schip dat ten tijde van het bewarende beslag als scheepswrak moet worden aangezien, niet het voorwerp kan uitmaken van een bewarend beslag, verantwoorden de appèlrechters hun beslissing om dergelijk beslag af te wijzen bijgevolg naar recht. III.
- Tweede onderdeel.
- Zoals gezegd, werpt het tweede onderdeel dezelfde voormelde twee rechtsvragen op, zij het dan vanuit internationaalrechtelijke hoek (Verdrag Scheepsbeslag).
- Waar de appelrechters de mogelijkheid om bewarend scheepsbeslag te leggen beperken tot alsnog zeewaardige schepen, zouden zij, volgens het HAVENBEDRIJF, de in artikel 1 van de Zeewet bedoelde definitie hanteren op een internationaalrechtelijk niet verantwoorde wijze. Meer bepaald verplichten de artikelen 26, 27 en 31 van het Verdrag van Wenen, d.i. het Verdrag van 23 mei 1969 inzake het Verdragenrecht, verdragsbepalingen uit te leggen in de lijn van de internationale context en de bedoeling ervan. De toepassing van artikel 1 van de Zeewet en het al dan niet zeewaardig zijn van een zeeschip, zou, nog steeds volgens het HAVENBEDRIJF, niet beantwoorden aan de internationale context en de bedoeling van het Verdrag Scheepsbeslag.
- Het tweede onderdeel mist op dit punt feitelijke grondslag. Anders dan het onderdeel aanvoert, passen de appelrechters de in artikel 1 van de Zeewet bedoelde definitie niet als dusdanig toe. Zij hanteren de boven (onder randnummer 11) aangehaalde verruimde definitie op een internationaalrechtelijk verantwoorde wijze.
- Het HAVENBEDRIJF voert verder, eens te meer, aan dat het volstaat dat het bedoelde schip als ‘zeeschip’ kan worden aangezien ten tijde van het ontstaan van de zeevordering, opdat een later te vestigen bewarend beslag mogelijk zou zijn. De andere zienswijze van de appelrechters zou, nog steeds volgens het HAVENBEDRIJF, niet beantwoorden aan de internationale context en de bedoeling van het Verdrag Scheepsbeslag.
- Ook op dit vlak kan het tweede onderdeel niet worden aangenomen. Zoals voormeld, onderstelt een bewarend scheepsbeslag bij toepassing van de artikelen 1467 tot en met 1480 Ger.W., in overeenstemming met het Verdrag Scheepsbeslag, dat het gaat om een zeeschip, en dit zowel ten tijde van het ontstaan van de bedoelde schuldvordering als ten tijde van het beslag. Een bewarend scheepsbeslag op wat ten tijde van het beslag als een scheepswrak doorgaat, is niet mogelijk. De appelrechters, die in die zin oordelen, verantwoorden hun beslissing dan ook naar recht. Besluit: VERWERPING. __________________________________
(1)Ch. VAN REEPINGHEN, Verslag over de gerechtelijke hervorming, Brussel, Belgisch Staatsblad, 1964, 548-549.
(2)Zie dienaangaande: C. VAN AERDE, Zeeschepen onder bewarend beslag: Theorie en praktijk, Brugge, die Keure, 1988, p. 5-6, nr. 7: “Sommigen verwijzen (zonder motivering, alsof het om een evidentie zou gaan) naar de definitie in art. 1 Zeewet. (…) Art. 1 Zeewet is nochtans niet van toepassing bij bewarend beslag op zeeschepen. (…) Vooreerst volgt uit de inleidende woorden van art. 1 Zeewet, dat die definitie enkel geldt ‘met oog op de toepassing van deze wet’, nl. de Zeewet. (…) Ze is bijgevolg niet zonder meer van toepassing op de andere afdelingen van het Belgische Zeerecht (cfr. de inleidende woorden van art. 271 Zeewet), laat staan op het internationale zeerecht. In andere wetten (overigens van recentere datum) worden soms sterk afwijkende definities geformuleerd. (…) Waarom dan art. 1 Zeewet, een definitie uit de Wet 10 februari 1908 betreffende de zee- en binnenvaart, toepassen op de regeling inzake bewarend beslag op zeeschepen, die pas een halve eeuw later tot stand gekomen is? (…) Ook verwerp ik de toepassing van art. 1 Zeewet, omdat volgens die definitie enkel schepen die in de volle zee actief zijn, zeeschepen kunnen zijn. (…) Bovendien is de in artt. 1467 e.v. Ger.W. gebruikte term ‘zeeschip’ overgenomen uit het Verdrag Scheepsbeslag, waarvan de bedoeling was (...) internationaal eenheid te brengen in de bepalingen van de diverse verdragsstaten inzake bewarend beslag op zeeschepen.”. Zie ook: W. VERSTREPEN, “Bewarend beslag op zee- en binnenschepen”, Jura Falconis 1988-89, 77: “Het Verdrag is daarentegen bedoeld voor alle zeeschepen, dus ook voor die vaartuigen die door de artt. 1 en 271 Zeewet worden uitgesloten, op voorwaarde dat ze bestemd zijn voor de zeevaart.”. DIRIX en BROECKX vermelden dat de bedoelde zee- en binnenschepen deze zijn zoals omschreven in de artt. 1 en 271 Zeewet (E. DIRIX en K. BROECKX, “Beslag”, A.P.R. 2001, p. 290-291, nr. 458); zij verwijzen evenwel naar een beslissing van de Beslagrechter te Antwerpen van 22 november 1996 (R.W. 1996-1997, 1262) die eerder de denkwijze van voormelde auteurs volgt.
(3)C. VAN AERDE, o.c., p. 11 e.v., nrs. 7 e.v. Zie ook: K. MACKAY, “Art. 1467 Ger.W.”, Comm. Ger., p. 6, nr. 4: “Krachtens de Wet van 24 maart 1961 komen niet-commerciële zeeschepen (zoals pleziervaartuigen of vaartuigen voor wetenschappelijk onderzoek of voor milieubescherming, die gewoonlijk gebruikt worden of die bestemd zijn voor de zeevaart) ook in aanmerking voor bewarend beslag volgens de regels van het Verdrag Scheepsbeslag.”.
(4)Cass. 27 januari 1977, Arr. Cass. 1977, 595.
(5)C. VAN AERDE, o.c., p. 15, nr. 9: “Zo is een vaartuig dat voorheen een zeeschip was, maar actueel opgelegd is en waarvan men nog niet weet wat men er precies mee zal beginnen, geen zeeschip meer.”.
(6)Vergelijk: E. DIRIX en K. BROECKX, l.c., p. 277-278, nr. 438: “Of de schuldvordering van de beslaglegger aan deze voorwaarden en kwaliteiten voldoet, moet beoordeeld worden naar het tijdstip waarop het verzoekschrift wordt neergelegd of, wanneer het beslag zonder rechterlijke machtiging wordt gelegd, naar het tijdstip van het beslag. (…) De beslagrechter die kennis neemt van het verzet tegen het bewarende beslag (artt. 1419 en 1420) moet aldus een dubbel tijdsmoment in ogenschouw nemen. Hij moet immers vanzelfsprekend ook vaststellen of de vereisten ook nog vervuld zijn op het tijdstip van zijn uitspraak ten einde het beslag te kunnen handhaven.” en E. DIRIX en K. BROECKX, l.c., p. 292, nr. 459: “De rechtspleging (bij bewarend scheepsbeslag) komt overeen met wat geldt voor andere bewarende beslagen.”.
(7)Zie: W. VERSTREPEN, l.c., 78: “Het Brussels Scheepsverdrag van 10 mei 1952, bekrachtigd door de Wet van 24 maart 1961, en de artt. 1468-1469 Ger.W. hebben alleen op zeeschepen betrekking en vormen een uitzondering op de algemene regel.”. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090227.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090227.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div