← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090303.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090303.9 Rolnummer: P.08.1451.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 314 - laatst gezien 2026-07-03 00:27 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090303.9 Fiche 1 Het materieel mogelijk maken van een voorgenomen misdaad of een wanbedrijf zodat het wordt uitgevoerd, ook al wordt het uiteindelijk niet zo uitgevoerd, kan een daad van strafbare deelneming zijn zoals omschreven in artikel 66 Strafwetboek

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen - Algemeen Vrije woorden: Materieel mogelijk maken van voorgenomen misdrijf Fiche 2 Bij sluikinvoer van goederen die niet onder een schorsingregeling werden geplaatst is accijns verschuldigd op het ogenblik zelf van die sluikinvoer; de omstandigheid dat de sluikinvoer slechts achteraf wordt vastgesteld, doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen - Algemeen Vrije woorden: Sluikinvoer - Niet onder schorsingregeling geplaatste goederen - Verschuldigdheid van de accijns Wettelijke bepalingen: Wet - 10-06-1997 - Art. 6 Fiche 3 De rechter die de oplegging van een administratieve sanctie beoordeelt, heeft volle rechtsmacht om deze in feite en in rechte te toetsen; bovendien heeft hij dezelfde bevoegdheid als deze die de administratieve overheid ten aanzien van die sanctie heeft, om deze kwijt te schelden of te verminderen; de rechter die een misdrijf beoordeelt moet in beginsel de bij de wet bepaalde straffen opleggen, zulks binnen de grenzen die de wet bepaalt
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen - Algemeen Vrije woorden: Beoordeling van administratieve sanctie - Beoordeling van misdrijf - Beoordelingsbevoegdheid Fiches 4 - 6 Conclusie van eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen - Algemeen Vrije woorden: Materieel mogelijk maken van voorgenomen misdrijf Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen - Algemeen Vrije woorden: Sluikinvoer - Niet onder schorsingregeling geplaatste goederen - Verschuldigdheid van de accijns Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen - Algemeen Vrije woorden: Beoordeling van administratieve sanctie - Beoordeling van misdrijf - Beoordelingsbevoegdheid Tekst van de conclusie P.08.1451.N Conclusie van de eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF: [1] De procedurele voorgaanden. Deze zaak betreft twee cassatieberoepen die werden ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 september
  1. De eerste eiseres, de BVBA EDJA Invest, werd door de Administratie der Douane en Accijnzen gedagvaard als burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor haar zaakvoerder, E.V., bij verstek veroordeeld en geen partij in de cassatieprocedure. V. werd samen met de NV Biekorf en M.V. vervolgd om zich als dader, mededader of medeplichtige schuldig te hebben gemaakt aan sluikinvoer van sigaretten op 12 november 1999 te Antwerpen, niet voorzien van Belgische fiscale kentekens, verborgen achter kartonnen dozen met dekens, zoals het werd vastgesteld te Antwerpen op 16 november
  2. Het bestreden arrest verklaarde M.V. en V. schuldig aan het misdrijf van sluikinvoer, terwijl de schuld van NV Biekorf niet werd bewezen geacht. V. werd veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 1 maand, solidair met V. tot een effectieve geldboete van 186.359,83 EUR, zijnde vijf maal de ontdoken rechten, tot een bijdrage van 137,50 EUR, tot de vergoeding van 29,30 EUR, tot de kosten van de strafvordering en tot de kosten van de betekening. Daarnaast werd V. solidair met V. veroordeeld tot betaling van de ontdoken accijnzen ten belope van 281.568,47 EUR, van de ontdoken specifieke accijnzen ten belope van 21.204,84 EUR en van de ontdoken specifieke accijnzen ten bedrage van 30.420,03 EUR, meer intresten. De in beslag genomen goederen werd verbeurd verklaard. Samen met NV Biekorf werd de BVBA EDJA Invest burgerrechtelijk en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de aan V. opgelegde boete, kosten, accijnzen en specifieke bijzondere accijnzen. M.V. werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand met uitstel gedurende twee jaar en solidair met V. tot een geldboete van 186.359,83 EUR met uitstel gedurende twee jaar, zijnde vijf maal de ontdoken rechten, tot een bijdrage van 137,50 EUR, tot de vergoeding van 29,30 EUR en tot de kosten van de strafvordering. Daarnaast werd hij solidair met V. veroordeeld tot betaling van de ontdoken accijnzen ten belope van 281.568,47 EUR, van de ontdoken specifieke accijnzen ten belope van 21.204,84 EUR en van de ontdoken specifieke accijnzen ten bedrage van 30.420,03 EUR, meer intresten. Zowel de BVBA EDJA Invest als M.V. stelden cassatieberoep in en voeren elk twee middelen aan. [2] De cassatiemiddelen van de eiseres BVBA EDJA Invest. [2.1] Het eerste middel van BVBA EDJA Invest voert schending aan van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek en van de artikelen 220, § 1, 221, § 1, 265 en 266, § 1, van het Koninklijk Besluit van 18 juli 1977 tot coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen (AWDA). Er wordt meer bepaald aangevoerd dat bij gebrek aan vaststelling dat V. wetens en willens een deelnemingshandeling aan sluikinvoer heeft gesteld door de opslagruimte te verhuren in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de BVBA EDJA Invest, het bestreden arrest niet wettig kon beslissen dat die laatste burgerrechtelijk aansprakelijk was voor de door V. opgelopen veroordelingen. Het bestreden arrest stelt enkel vast, aldus het middel, dat V. in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de BVBA EDJA Invest een opslagruimte heeft verhuurd zodat die laatste enkel burgerrechtelijk aansprakelijk kon worden gesteld voor de gevolgen van het misdrijf van sluikinvoer indien V. aan dit misdrijf schuldig werd verklaard wegens de verhuur van een opslagruimte en niet wegens het opstellen van douanedocumenten. Specifiek wat V. betreft, oordelen de appelrechters dat deze ook is opgetreden als zaakvoerder van de BVBA EDJA Invest. "Het was immers in die hoedanigheid dat hij het magazijn verhuurde aan beklaagde M.V., waardoor de B.V.B.A. Edja Invest via haar zaakvoerder E.V. betrokken werd bij de sluikinvoer. Dat de sigaretten nooit aanwezig zijn geweest in het betrokken magazijn is daarbij irrelevant, nu dit uiteraard wel de bedoeling was, zoals blijkt uit het dossier: beklaagde M.V. huurde om die redenen immers een magazijn bij beklaagde E.V., en niet bij derden, en beklaagde E.V. verhuurde het magazijn als zaakvoerder van de B.V.B.A Edja Invest" (p. 9 van het bestreden arrest). Daaruit blijkt dat volgens de appelrechters V. materiële hulp verleende om het misdrijf mogelijk te maken; dat de sigaretten uiteindelijk niet in het magazijn zijn terecht gekomen, doet geen afbreuk aan het feit dat het verhuren van het magazijn een materiële handeling is teneinde het kwestieuze misdrijf mogelijk te maken. Om bovendien een beklaagde als mededader aan een misdrijf te veroordelen, is niet vereist dat alle bestanddelen van het misdrijf in de deelnemingshandeling zijn begrepen (S. VANDROMME en C. DE ROY, "De strafbaarheid van voorbereidingshandelingen en uitvoeringshandelingen. De nieuwste ontwikkelingen in het leerstuk van de strafbare poging en de gevolgen ervan voor het strafprocesrecht", in XXXIIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva, Strafrecht en strafprocesrecht 2005-2006, Mechelen, Kluwer, 2006,
(506)523 en de verwijzingen aldaar). Waar het middel nog aanvoert dat in het bestreden arrest moet zijn vastgesteld in welke mate het verhuren van een opslagruimte aan V. overeenstemt met één van de deelnemingshandelingen bedoeld in de artikelen 66 en 67 van het Strafwetboek en tevens dient te zijn vastgesteld dat V. wist dat hij meewerkte aan het misdrijf van sluikinvoer door de opslagruimte aan V. te verhuren, zitten deze bestanddelen in de bovenvermelde passage van het bestreden arrest vervat. Het middel kan derhalve niet worden aangenomen. [2.2] In het tweede middel voert de eiseres BVBA EDJA Invest schending aan van artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 266, § 1 AWDA, de artikelen 6 en 42 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals van kracht voor en na de wijziging bij de Programmawet van 22 december 2003 en tenslotte van het algemeen rechtsbeginsel inzake de niet-terugwerkende kracht van een wet. [2.2.1] In het eerste onderdeel van het middel wordt aangevoerd dat het bestreden arrest ten onrechte oordeelt dat de programmawet van 22 december 2003 geen toepassing vindt op een voordien ontstane accijnsschuld; naar het oordeel van de eiseres is de nieuwe bepaling wel toepasselijk op accijnsschulden die ontstaan zijn onder de oude wet doch op het ogenblik van de nieuwe wet nog niet definitief verschuldigd en opeisbaar waren. Vaststaat dat op 12 november 1999 de sluikinvoer plaats vond en dat het bestreden arrest oordeelt dat bij toepassing van artikel 6 van de wet van 10 juni 1997 de accijnzen verschuldigd zijn ingevolge de onrechtmatige invoer ervan, wanneer zij niet onder een schorsingsregeling werden geplaatst. Artikel 6 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (BS 1 augustus 1997) bepaalt: "De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van tekorten die aan accijns moeten worden onderworpen overeenkomstig artikel 14, § 3. De voorwaarden inzake de verschuldigdheid en het toepasselijk tarief zijn deze van kracht op de datum van de inverbruikstelling of van de vaststelling van tekorten. Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten wordt beschouwd: - iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, van deze producten aan een schorsingsregeling; - iedere fabricage, ook op onregelmatige wijze, van deze producten buiten een schorsingsregeling; - elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer ze niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst." Het Hof heeft in een arrest van 18 april 2006 beslist dat de accijnsschuld bij onttrekking of invoer geen straf is maar een fiscale schuld die opeisbaar is op het ogenblik van de onttrekking of de invoer (Cass. 18 april 2006, P.05.1561.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060411.1, A.C. 2006, nr. 215). Daarmee wordt duidelijk dat - anders dan het eiseres voorhoudt - het ogenblik van de opeisbaarheid van de accijnsschuld zich situeert op het moment van de invoer; op dat ogenblik ontstaat de accijnsschuld en wordt die fiscale schuld opeisbaar. Artikel 42 van voormelde wet van 10 juni 1997 zoals vervangen door artikel 320 van de Programmawet van 22 december 2003 (BS 31 december 2003, err. BS 16 januari 2004) bepaalt: "Onverminderd de bij de artikelen 39, 40 en 41 bepaalde straffen, is de accijns altijd opeisbaar, met uitzondering van de accijns verschuldigd op de accijnsproducten die, naar aanleiding van de vaststelling van een overtreding op basis van artikel 39, effectief worden in beslag genomen en naderhand worden verbeurdverklaard of, bij wege van transactie, aan de Schatkist worden afgestaan. De op de verbeurd verklaarde of afgestane goederen niet meer opeisbare accijns zal niettemin als basis dienen voor de berekening van de overeenkomstig artikel 39 op te leggen boeten." In het hierboven aangehaalde arrest van 18 april 2006 werd ten aanzien van die bepaling geoordeeld: "Volgens het artikel 42 Wet Accijnsproducten en het artikel 15 wet van 3 april 1997, respectievelijk gewijzigd door de artikelen 320 en 324 Programmawet van 22 december 2003, is de accijns verschuldigd op de accijnsproducten die naar aanleiding van de vaststelling van een overtreding op basis van hetzij het vermelde artikel 42 hetzij het vermelde artikel 15, niet opeisbaar wanneer die producten effectief worden in beslag genomen en naderhand worden verbeurd verklaard of, bij wege van transactie, aan de Schatkist worden afgestaan. Deze wetswijzigingen betreffen niet de straf voor de overtreding maar de accijnsschuld. Ze hebben geen onmiddellijke werking op de vóór de inwerkingtreding van de gewijzigde wetsbepalingen definitief verschuldigde maar nog niet betaalde accijns. Daar het bestreden arrest oordeelt dat de verweten feiten plaatsgrepen in 1999, kon het niet wettig oordelen dat de verweerders niet solidair konden veroordeeld worden tot betaling van de ontdoken invoerrechten en accijnsrechten op grond dat de aangehaalde koopwaar wordt verbeurd verklaard." Te dezen hebben aldus de appelrechters terecht de toepassing van artikel 42 van de wet van 10 juni 1997 uitgesloten. Ook in een arrest van het Hof van 20 februari 2007 werd geoordeeld dat wetswijzigingen betreffende de accijnsschuld geen onmiddellijke werking hebben ten aanzien van de voor de inwerkingtreding van de gewijzigde bepalingen definitief verschuldigde maar nog niet betaalde accijns; ze hebben slechts betrekking op de accijnsschuld die na de inwerkingtreding van de gewijzigde wetsbepalingen is ontstaan (Cass. 20 februari 2007, P.06.1377.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070220.2, A.C. 2007, nr. 104). Dat de sluikinvoer die de accijnsschuld doet ontstaan, pas na deze wetswijzigingen wordt vastgesteld, kan aan voorgaande principes geen afbreuk doen. Het onderdeel faalt derhalve naar recht. [2.2.2] In het tweede onderdeel van het tweede middel wordt aangevoerd dat er geen accijnsschuld kan zijn indien goederen niet in het economisch circuit terechtkomen. Meer bepaald houdt volgens de eiseres artikel 42 van de wet van 10 juni 1997 in de versie waarin het bestond voor de wijziging ervan door middel van de Programmawet van 22 december 2003, in dat er slechts van een accijnsschuld sprake kan zijn indien goederen in het economisch circuit zijn gebracht; dit is niet het geval indien goederen in beslag zijn genomen en naderhand verbeurd verklaard worden. Voor zover de verbeurdverklaring onder gelding van het oude artikel 42 van de wet van 10 juni 1997 er toch niet aan in de weg staat dat, bovenop de straffen, een veroordeling tot betaling van de accijns wordt uitgesproken, verzoekt de eiseres het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schenden de artikelen 6 en 42 van de Wet van 10/06/97, zoals van kracht vóór de wijziging bij de Programmawet van 22 december 2003 en gelezen in samenhang met artikel 266, § 1 AWDA, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate zij verplichten om de veroordeelde wegens sluikinvoer van sigaretten en de voor hem burgerrechtelijk aansprakelijke partij, bovenop de strafrechtelijke sancties, te veroordelen tot betaling van de op de sigaretten verschuldigde accijns, ook wanneer die sigaretten in beslag werden genomen en verbeurd verklaard, terwijl de douaneschulden die overeenkomstig artikel 202.1 van het CDW wegens diezelfde sluikinvoer van sigaretten ontstaan, krachtens artikel 233 lid 1 d) van het CDW geacht worden teniet te gaan door de inbeslagneming en verbeurdverklaring van de betrokken sigaretten en overeenkomstig lid 2 van hetzelfde artikel 233 enkel nog als basis kunnen dienen voor de betaling van de strafrechtelijke sancties, maar niet voor een bijkomende veroordeling tot betaling van de douaneschulden?" De uitleg waarvan het onderdeel uitgaat, met name dat de accijnsschuld slechts verschuldigd zou zijn in zoverre de goederen in het economisch circuit zijn gebracht, voegt een voorwaarde aan de wet van 10 juni 1997, met name de artikelen 6 en 42 (in de versie voor de wijziging ervan door middel van de programmawet van 22 december 2003) ervan, toe die er niet in staat. In zoverre het onderdeel van een andere opvatting uitgaat, faalt het naar recht. Wat de door het onderdeel opgeworpen prejudiciële vraag betreft, wordt niet overtuigend gemaakt dat de categorieën die worden vergeleken, met name douaneschulden enerzijds en accijnsschulden anderzijds, wel voldoende vergelijkbaar zijn dan wel of de opgeworpen vraag geen onderscheid betreft tussen personen of partijen die zich in een zelfde rechtstoestand bevinden, maar wel tussen personen in dezelfde hoedanigheid die zich in een verschillende rechtstoestand bevinden die zonder onderscheid voor alle partijen geldt. In alle geval moet vastgesteld worden dat het onderdeel niet echt verduidelijkt hoe de beide categorieën vergelijkbaar zijn en dus hoe het gelijkheidsbeginsel kan zijn geschonden, zodat het onderdeel in zoverre het ertoe strekt een prejudiciële vraag te laten stellen aan het Grondwettelijk Hof niet ontvankelijk is bij gebrek aan nauwkeurigheid. [3] De cassatiemiddelen van de eiser V.. [3.1] Het eerste middel van de eiser M.V. voert schending aan van artikel 149 Grondwet; het bestreden arrest hervormt het vonnis op grond van de motivering dat het uitstel van de uitvoering tot betaling van de verschuldigde accijnzen, specifieke accijnzen en specifieke bijzondere accijnzen ten onrechte was, terwijl de rechter verplicht is de juiste en afdoende motivering te geven in zijn beslissing. In de mate waarin het onderdeel aanvoert dat geen juiste motivering wordt gegeven, is het onderdeel niet ontvankelijk nu in werkelijkheid geen motiveringsgebrek wordt aangevoerd doch wel een onwettigheid. Voor het overige dient te worden vastgesteld dat de appelrechters op p. 10 bovenaan van het bestreden arrest de redenen weergeven waarom zij oordelen dat zij - anders dan de eerste rechter - aan de eiser de gunst van uitstel niet konden toestaan. In zoverre het onderdeel aldus een motiveringsgebrek inhoudt, mist het feitelijke grondslag. [3.2] In het tweede middel wordt schending aangevoerd van de rechten van de verdediging conform artikel 6 EVRM, van de probatiewet en van de wetgeving op de douane en de accijnzen. De appelrechters stellen uitdrukkelijk dat zij geen verzachtende omstandigheden bemerken ten gunste van beklaagde M.V. In zoverre het onderdeel aanvoert dat geen verzachtende omstandigheden in aanmerking konden worden genomen, mist het feitelijke grondslag. In zoverre het onderdeel aanvoert dat er in casu verzachtende omstandigheden aanwezig waren, verplicht het het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is en is de grief niet ontvankelijk. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters geen rekening hielden met de Probatiewet, mist het feitelijke grondslag nu de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf die aan eiser wordt opgelegd wordt uitgesteld gedurende twee jaar en ook diens geldboete van 186.359,8 EUR wordt uitgesproken met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende twee jaar. Ook al worden de desbetreffende wettelijke bepalingen van de Probatiewet niet vermeld, dan nog kan dit uitstel van tenuitvoerlegging worden gesteund op het ook door de appelrechters ten aanzien van de eiser toegepaste artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. [4] Er zijn geen middelen ambtshalve te weerhouden. Conclusie: verwerping. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090303.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060411.1 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070220.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.