← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090313.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090313.1 Rolnummer: F.07.0080.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-04-15 Raadplegingen: 488 - laatst gezien 2026-07-03 02:30 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090313.1 Fiche 1 Indien de curator de schuldvordering betwist, is de aangifte van schuldvordering in het faillissement een rechtsvordering die niet alleen gericht is op de opneming van de schuldvordering in het passief van het faillissement, maar ook op de gerechtelijke erkenning van de aangegeven schuldvordering. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Algemeen Vrije woorden: Aangifte van schuldvordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 574, 2° Wet - 18-04-1851 - Artt. 496, 498, 499, 500, 502 en 504 - 01 ELI link Pub nr 1851041850 Fiche 2 De beslissing van de rechtbank van koophandel die, krachtens de Faill. W. 1851, de opneming van de aangegeven schuldvordering in het passief van het faillissement afwijst, houdt in dat de aanspraak van de schuldeiser wordt verworpen en geldt niet alleen ten aanzien van de boedel maar ook ten aanzien van de gefailleerde zelf. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Algemeen Vrije woorden: Aangifte van schuldvordering - Betwisting door de curator - Rechtbank van koophandel - Beslissing tot afwijzing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 574, 2° Wet - 18-04-1851 - Artt. 496, 498, 499, 500, 502 en 504 - 01 ELI link Pub nr 1851041850 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Algemeen Vrije woorden: Aangifte van schuldvordering Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Algemeen Vrije woorden: Aangifte van schuldvordering - Betwisting door de curator - Rechtbank van koophandel - Beslissing tot afwijzing Tekst van de conclusie F.07.0080.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:

  1. De feiten. - Eiser was tot 1995 BTW-plichtige. - Bij vonnis van 14 februari 1995 werd hij failliet verklaard. - De BTW-ontvanger te Turnhout diende op 15 februari 1995 een provisionele aangifte van schuldvordering in. - Ingevolge een BTW-controle met betrekking tot de periode van 1 januari 1991 tot 31 december 1993, werd een correctieopgave opgesteld die op 7 maart 1995 door de curator voor akkoord werd ondertekend en waarbij hij erkende 13.150,80 EUR BTW verschuldigd te zijn. - Bij brief van 21 maart 1995 deelde de curator aan het BTW-kantoor mee dat de ingediende schuldvordering betwist werd in afwachting van de definitieve samenstelling van de vordering. - Op 6 juni 1995 diende de ontvanger een definitieve aangifte van schuldvordering in voor een totaal bedrag van 36.398,18 EUR. - Bij vonnis van 10 oktober 1995 besliste de Rechtbank van Koophandel te Turnhout dat de vordering uit het passief van het faillissement verwijderd werd (zonder opgave van reden). - Bij brief van 17 oktober 1995 vroeg het BTW-kantoor aan de curator of zijn schuldvordering nog kon worden opgenomen. - Op 18 oktober 1995 antwoordde de curator dat hij de brief van 6 juni 1995 niet had ontvangen, doch dat hij wel akkoord was om de vordering van de BTW te erkennen als volgt: bevoorrecht: 32.183,99 EUR gewoon: 4.214,19 EUR (of samen 36.398,18 EUR, zijnde het totaalbedrag van de definitieve aangifte van schuldvordering van 6 juni 1995). - Ingevolge een BTW-controle op 7 november 1995 met betrekking tot de periode van 1 januari 1993 tot 31 december 1994, werd een correctieopgave opgesteld, die op 7 november 1995 door de curator voor akkoord werd ondertekend en waarbij hij erkende 9.708,30 EUR BTW verschuldigd te zijn. - Op 9 december 1997 werd het faillissement bij vereffening gesloten. - Op 19 februari 1999 vaardigde de BTW-ontvanger drie dwangbevelen uit, die op 23 februari 1999 werden uitvoerbaar verklaard en op 25 februari 1999 overeenkomstig artikel 85 §1 van het BTW-wetboek ter kennis van eiser werden gebracht. De kennisgeving werd hernieuwd op 17 juli
  2. - Bij dagvaarding van 30 oktober en 4 november 2003 verzocht eiser de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen de dwangbevelen van nul en generlei waarde te verklaren. - De rechtbank verklaarde op 15 april 2005 de vordering toelaatbaar doch ongegrond. - Het bestreden arrest van 5 december 2006 verklaarde het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
  3. De voorziening in cassatie. 2.
  4. Eerste onderdeel. 2.1.
  5. Het eerste onderdeel voert aan dat het gezag van gewijsde van het vonnis van 10 oktober 1995 de Staat belet om de in het faillissement aangegeven (en uit het passief verwijderde) BTW-schuld alsnog te vorderen ten aanzien van eiser. 2.1.
  6. Het onderdeel betreft de problematiek van de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van koophandel, welke aanleiding heeft gegeven tot een hevige controverse in de rechtspraak en de rechtsleer en tot een ingrijpen van de wetgever. Reeds voor de invoering van het Gerechtelijk wetboek bestond er onenigheid over de vraag in welk geval de rechtbank van koophandel een betwisting diende te verwijzen naar een andere rechtbank voor wat de vaststelling van het voorwerp en het bedrag van de schuldvordering betrof ( ). Voor de invoering van het Gerechtelijk Wetboek verplichtten verschillende bepalingen van de oude faillissementswet van 18 april 1851 (onder meer de artikelen 502, 504, tweede lid en artikel 505) de faillissementsrechtbank om de betwistingen over de schuldvorderingen te verwijzen naar de normaal bevoegde rechtbanken ( ). De rechtspraak nam als beginsel aan dat de rechter gehouden was om de betwisting naar de normaal bevoegde rechter te verwijzen telkens de betwisting niet de toepassing noodzakelijk maakte van de beginselen eigen aan de faillissementswetgeving, die afwijken van het gemeen recht. Vereist was dat de betwisting niet voorstelbaar was op grond van het gemeen recht. De betwisting werd dan bestempeld als "ontstaan" uit het faillissement en de faillissementsrechtbank kon en moest er kennis van nemen. Was dat niet het geval dan diende de faillissementsrechter de betwisting, die niet was ontstaan uit het faillissement, maar naar aanleiding van het faillissement, te verwijzen naar de rechter die bevoegd was op grond van het gemeen recht tenzij hijzelf op grond van dat gemeen recht bevoegd was. Er was in die periode geen enkele moeilijkheid indien de betwisting niet het privaatrecht betrof. Geschillen van strafrechtelijke, fiscaalrechtelijke of administratiefrechtelijke aard hebben steeds tot de bevoegdheid van de strafrechtelijke, fiscale of administratieve rechtbanken behoord. Het vraagstuk van de verwijzing heeft nooit problemen gesteld voor die geschillen ( ). Er bestond in die periode dan ook geen twijfel over dat de faillissementsrechtbank niet bevoegd was om zich uit te spreken over het bestaan en het bedrag van belastingschulden. 2.1.
  7. Het Gerechtelijk Wetboek bracht wijzigingen aan in de teksten die de bevoegdheid inzake faillissement beheersen ( ). Het Gerechtelijk Wetboek verklaart de rechtbank van koophandel bevoegd voor "alles wat het faillissement, het akkoord en opschorting van betaling betreft, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek van Koophandel en van de wetten op het gerechtelijk akkoord gecoördineerd op 23 september 1946" (artikel 574, 2° Ger.W. voor de wijziging bij wet van 24 maart 1975). De bevoegdheid die artikel 574, 2° Ger.W. toewijst aan de rechtbank van koophandel is een exclusieve bevoegdheid. De rechtbank van eerste aanleg heeft ter zake geen residuaire bevoegdheid ( ). Na de invoering van deze nieuwe tekst blijft een deel van de rechtspraak trouw aan het onderscheid tussen vorderingen die ontstaan zijn uit het faillissement aan de ene kant en vorderingen die ontstaan zijn naar aanleiding van het faillissement aan de andere kant ( ). Deze strekking acht de rechtbank van koophandel bevoegd voor de eerste categorie vorderingen en niet bevoegd voor de tweede. Andere uitspraken stellen daarentegen dat artikel 574, 2° Ger.W. geen onderscheid maakt tussen vorderingen die zijn ontstaan uit het faillissement en vorderingen die slechts zijn ingeleid naar aanleiding van het faillissement ( ). Zij achten de rechtbank van koophandel bevoegd voor beide soorten vorderingen. 2.1.
  8. In zijn arrest van 3 mei 1973 sloot uw Hof zich aan bij de rechtspraak die de klassieke bevoegdheid van de rechtbank van koophandel uitbreidt. Het Hof oordeelt dat alle geschillen die beslecht moeten worden om tot de vereffening van de faillissementen te komen tot de bevoegdheid behoren van de rechtbank van koophandel van het arrondissement waarin ze geopend zijn en dat zulks inzonderheid het geval is voor geschillen over schuldvorderingen die aan de gefailleerde, zelfs door niet-handelaars verschuldigd zijn. De uitbreiding van de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel werd bevestigd in de constante rechtspraak van uw Hof ( ). Deze rechtspraak gaf aanleiding tot een haast onbegrensde bevoegdheid van de rechtbank van koophandel. Zo besliste de Rechtbank van Koophandel te Luik, onder verwijzing naar het cassatiearrest van 3 mei 1973, dat de fiscale betwistingen die moeten worden opgelost om tot de vereffening te kunnen overgaan tot de exclusieve bevoegdheid van de faillissementsrechter behoren ( ). Het Hof van Beroep te Luik hervormde evenwel dit vonnis en besliste dat iedere betwisting met betrekking tot een bedrag van belastingen die voorkomen in een aangifte van schuldvordering van belastingen, tot de exclusieve bevoegdheid behoort van de gewestelijk directeur van de belastingen, vervolgens van het hof van beroep ten tenslotte van het Hof van Cassatie ( ). De interpretatie van uw Hof was in hoofdzaak gesteund op de afschaffing van artikel 505 van de faillissementswet van 18 april 1851 en op de wijzigingen aangebracht door de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek aan de artikelen 492, 502 en 504 van dezelfde faillissementswet ( ) waardoor voormelde bepalingen in de oude faillissementswet die de faillissementsrechter uitdrukkelijk verplichtten om betwistingen die niet tot zijn bevoegdheid behoorden, te verwijzen naar de bevoegde rechter, werden weggelaten. De stelling van uw Hof werd gedeeld door een groot aantal rechtscolleges en beaamd door enkele auteurs. Bepaalde arrondissementsrechtbanken hebben zich echter niet aangesloten bij de cassatierechtspraak en hebben hun vroeger ingenomen standpunt gehandhaafd: de rechtbank van koophandel is slechts uitsluitend bevoegd inzake geschillen die rechtstreeks hun oorsprong vinden in het faillissement en die, met toepassing van het bijzonder faillissementsrecht, moeten beslecht worden ( ). De rechtspraak van uw Hof werd door de rechtsleer bekritiseerd ( ). 2.1.
  9. Deze controverse heeft geleid tot de wet van 24 maart 1975 tot wijziging van artikel 574, 2° Ger.W. (B.S. 14 mei 1975). Na de wijziging door deze wet bepaalde artikel 574, 2° Ger.W. dat de rechtbank van koophandel kennis neemt, zelfs wanneer partijen geen handelaar zijn, van vorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit het faillissement, het akkoord en de opschorting van betaling overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek van Koophandel en de wetten op het gerechtelijk akkoord, gecoördineerd op 25 september 1946, en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat het stelsel van het faillissement, het akkoord en de opschorting van betaling beheerst. Opdat de rechtbank van koophandel bevoegd is moet aan twee essentiële voorwaarden zijn voldaan. Vooreerst is vereist dat het geschil rechtstreeks is ontstaan uit het faillissement. Vervolgens moeten de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzondere faillissementsrecht. Een geschil is rechtstreeks ontstaan uit het faillissement indien het zonder dit faillissement niet was kunnen ontstaan ( ). Hoewel deze wetswijziging zeker niet alle problemen ter zake van de omvang van de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van koophandel heeft opgelost, bestaat er thans in de rechtspraak en de rechtsleer geen twijfel meer over dat de rechtbank van koophandel weliswaar exclusief bevoegd is voor de opneming van schuldvorderingen in het passief van het faillissement ( ), maar dat zij niet bevoegd is om uitspraak te doen over het bestaan en het bedrag van die schuldvordering- en, tenzij zij op grond van het gemeen recht daarvoor bevoegd is ( ). De gewone bevoegdheidsregels moeten toepassing vinden wanneer een schuldvordering wordt betwist. De faillissementsrechtbank moet de zaak verwijzen opdat een andere rechtbank beslist over de betwisting, wanneer de "natuurlijke" rechter niet de faillissementsrechtbank is ( ). 2.1.
  10. In een arrest van 8 december 1995 (A.R. C.94.0432.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951208.1, nr. 536) heeft uw Hof uitdrukkelijk deze bevoegdheidsregeling onderschreven. Uw Hof overwoog dat, hoewel de krachtens het gemeen recht materieel bevoegde rechtbank kennis neemt van het bestaan en het bedrag van de tegen een gefailleerde schuldenaar aangevoerde schuldvordering, alleen de rechtbank van koophandel kennis kan nemen van de opname van de schuldvordering in het passief van het faillissement. 2.1.
  11. In casu kan er geen discussie over bestaan dat de litigieuze BTW-schuld van eiser niet rechtstreeks uit het faillissement van eiser is ontstaan. Zij heeft immers betrekking op belastbare verrichtingen van voor de faillietverklaring. Evenmin is het zo dat de gegevens voor de oplossing van de betwisting over de verschuldigdheid van de BTW-schuld zich bevinden in het bijzondere faillissementsrecht. Geen van beide voorwaarden is vervuld opdat de rechtbank van koophandel op grond van artikel 574, 2° Ger.W. exclusief bevoegd zou zijn voor de betwisting over het bestaan en het bedrag van de litigieuze belastingschuld. Vermits de litigieuze belastingschuld integraal betrekking heeft op een periode na de inwerkingtreding op 24 mei 1975 van de wet van 24 maart 1975 tot wijziging van artikel 574, 2° Ger.W., is de rechtbank van koophandel op geen enkel ogenblik exclusief bevoegd geweest om uitspraak te doen over het bestaan van de litigieuze belastingschuld. De rechtbank van koophandel was evenmin bevoegd om uitspraak te doen over het bestaan van de litigieuze belastingschuld op grond van de gemeenrechtelijke bevoegdheidsregels. Vóór 6 april 1999 waren de gewone rechtbanken (vredegerecht of rechtbank van eerste aanleg als het bedrag meer dan 75.000 BEF bedroeg) van de plaats van het ontvangkantoor bevoegd voor betwistingen over de verschuldigdheid van BTW wanneer de oorzaak van de eisbaarheid van de BTW zich had voorgedaan vóór 1 januari
  12. Sedert 6 april 1999 zijn de fiscale rechtbanken van eerste aanleg bevoegd als bedoeld in artikelen 569, 32° en 632 Ger.W. ( ). Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat de Rechtbank van Koophandel te Turnhout niet bevoegd was om op 10 oktober 1995 uitspraak te doen over de verschuldigdheid en het bedrag van de litigieuze BTW-schuld van eiser. 2.1.
  13. Het vonnis van 10 oktober 1995 bevat geen enkele aanwijzing als zou de Rechtbank van Koophandel te Turnhout deze algemeen aanvaarde bevoegdheidsregels met voeten zou hebben getreden door toch uitspraak te doen over de verschuldigdheid van de litigieuze belastingschuld zonder dat de betwisting naar de ten gronde bevoegde rechter werd verwezen. De beslissing tot verwijdering van de litigieuze belastingschuld uit het passief impliceert ook niet noodzakelijk de beslissing dat de aangegeven schuldvordering niet bestaat en dus de afwijzing van de vordering tot gerechtelijke erkenning van de aangegeven schuldvordering. De rechtbank van koophandel kan de opneming van de aangegeven schuldvordering in het passief weigeren om een andere reden dan dat de aangegeven schuldvordering niet (meer) bestaat. Zo kan de beslissing van de Rechtbank van Koophandel te Turnhout het loutere gevolg zijn van het feit dat het BTW-ontvangkantoor in deze verstek liet gaan ( ). De beslissing kan ook het gevolg zijn van het feit dat de curator, zoals blijkt uit het bestreden arrest, de definitieve aangifte van schuldvordering van 6 juni 1995 niet had ontvangen. De verwijdering kan eveneens het gevolg zijn van de omstandigheid dat de litigieuze belastingvordering niet bleek uit een BTW-aangifte, noch formeel was vastgesteld in een dwangbevel, zodat de Rechtbank van oordeel kan zijn geweest dat niet was voldaan aan de vereiste vervat in het op deze zaak toepasselijke artikel 496 van de faillissementswet van 18 april 1851, dat de schuldeiser de titels van zijn schuldvordering ter griffie van de rechtbank van koophandel moet neerleggen binnen de termijn die in het vonnis van faillietverklaring is bepaald. Net zomin als de verwerping van de aangegeven schuldvordering omwille van een reden van niet-tegenstelbaarheid aan de boedel de schuldenaar kan ten goede komen ( ), kan de verwerping om een louter processuele reden die verband houdt met de procedure van aangifte en verificatie van de schuldvorderingen, de schuldenaar ten goede komen. De verwijdering van de betwiste schuldvordering uit het passief van het faillissement, zonder vermelding van enig motief, kan dan ook niet worden vermoed een impliciete beslissing over het bestaan van die schuldvordering in te houden. Vermits sedert de wijziging van artikel 574, 2° Ger.W. door de wet van 24 maart 1975 algemeen aanvaard wordt dat de rechtbank van koophandel zich niet kan uitspreken over het bestaan van de aangegeven schuldvordering indien een andere rechter ter zake materieel bevoegd is en er geen enkele aanwijzing is dat de Rechtbank van Koophandel te Turnhout deze regel heeft overtreden, kan zulk vermoeden niet gehanteerd worden. 2.1.
  14. Het gezag van het gerechtelijk gewijsde is beperkt tot wat de rechter heeft beslist over een punt dat in betwisting was en tot wat, om reden van het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag, al weze het impliciet, van de beslissing uitmaakt ( ). Het gezag van het rechterlijk gewijsde van een beslissing strekt zich niet uit tot motieven waarvan de betekenis niet met zekerheid kan worden vastgesteld ( ). Voormeld vonnis van 10 oktober 1995 moet dan ook in die zin worden begrepen dat de Rechtbank enkel uitspraak doet over de opneming van de litigieuze belastingschuld in het passief van het faillissement zonder zich uit te spreken over de verschuldigdheid en het bedrag van die schuld. Het vonnis belet dan ook niet dat verweerder zich naderhand ten aanzien van eiser op bedoelde schuldvordering kon beroepen. 2.1.
  15. In de gevallen waarin de rechtbank van koophandel daarentegen de opneming van de aangegeven schuldvordering afwijst nadat de ten gronde materieel bevoegde rechtbank definitief heeft beslist dat de betwiste schuldvordering niet bestaat, niet bewezen is of uitgedoofd is, kan de schuldeiser zich, gelet op het gezag van gewijsde van die beslissing, vanzelfsprekend naderhand niet meer op die schuldvordering beroepen ( ). 2.1.
  16. Het eerste onderdeel van het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen. In zoverre het ervan uitgaat dat de rechtbank van koophandel bevoegd is zich uit te spreken over de verschuldigdheid van een schuld wanneer de rechtbank op grond van de gemeenrechtelijke bevoegdheidsregels daartoe niet bevoegd is en dat de beslissing tot verwijdering van de schuldvordering uit het passief van het faillissement steeds een beslissing over het bestaan van de schuldvordering impliceert, gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting. In zoverre het ervan uitgaat dat de Rechtbank van Koophandel te Turnhout zich heeft uitgesproken over het bestaan van de litigieuze belastingschuld, gaat het uit van een verkeerde lezing van dat vonnis en mist het feitelijke grondslag. 2.
  17. Tweede onderdeel (...) Besluit: VERWERPING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090313.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950227.17 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951208.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.