id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 31 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090331.3 Rolnummer: P.09.0162.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-05-25 Raadplegingen: 493 - laatst gezien 2026-07-03 00:05 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090331.3 Fiches 1 - 4 Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling de vreemdeling, die met toepassing van artikel 3, vierde lid, Uitleveringswet 1874 is opgesloten, in vrijheid stelt, geldt voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep niet artikel 31, § 2 Voorlopige Hechteniswet, maar de gemeenrechtelijke bepalingen van het Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Invrijheidstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Toepasselijke wetsbepalingen Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Invrijheidstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Strafvordering - Openbaar ministerie en vervolgende partij UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Invrijheidstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Toepasselijke wetsbepalingen Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Invrijheidstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Ontvankelijkheid Fiches 5 - 6 Krachtens artikel 3, tweede lid, Uitleveringswet 1874 moeten de onderzoeksgerechten nagaan of de door de bevoegde vreemde overheid overgelegde akte, op het ogenblik van hun beslissing, aan de vereisten van de wet en van het uitleveringsverdrag voldoet en of de algemene en bijzondere uitleveringsvoorwaarden zijn vervuld
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Passieve uitlevering - Exequatur - Onderzoeksgerechten - Opdracht Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Passieve uitlevering - Exequatur - Opdracht Fiches 7 - 8 Uit de artikelen 5.4 E.V.R.M. en 3 en 5 Uitleveringswet 1874 volgt dat de uitvoerende macht als enige bevoegd is om, op advies van de kamer van inbeschuldigingstelling, te beslissen over de uitlevering; de persoon die is opgesloten om te worden uitgeleverd en die dus ter beschikking staat van de uitvoerende macht, heeft wel het recht de rechter te vragen op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Recht op vrijheid en veiligheid - Arrestatie of gevangenhouding - Recht om voorziening te vragen bij de rechter - Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Toepasselijkheid Fiches 9 - 10 Wanneer de persoon, die is opgesloten om te worden uitgeleverd en die ter beschikking staat van de uitvoerende macht, de rechter vraagt de wettigheid van zijn gevangenhouding te onderzoeken, kan dit onderzoek door de rechter niet inhouden dat deze de eerder gedane uitvoerbaarverklaring van de door de verzoekende staat overgelegde akten in vraag kan stellen; de rechter kan derhalve niet opnieuw de regelmatigheid van het verzoek tot uitlevering of van het door de verzoekende staat afgeleverde bevel tot aanhouding onderzoeken, wanneer daarover door de bevoegde rechter reeds definitief uitspraak is gedaan
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Passieve uitlevering - Exequatur door de raadkamer - Afwezigheid van hoger beroep - Navolgend verzoek tot invrijheidstelling - Afwijzing door de raadkamer - Hoger beroep van de vreemdeling - Kamer van inbeschuldigingstelling - Bevoegdheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Passieve uitlevering - Exequatur door de raadkamer - Afwezigheid van hoger beroep - Navolgend verzoek tot invrijheidstelling - Afwijzing door de raadkamer - Hoger beroep van de vreemdeling - Bevoegdheid Fiches 11 - 20 Conclusie van advocaat-generaal DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Invrijheidstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Toepasselijke wetsbepalingen Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Invrijheidstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Strafvordering - Openbaar ministerie en vervolgende partij UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Invrijheidstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Toepasselijke wetsbepalingen Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Invrijheidstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Passieve uitlevering - Exequatur - Onderzoeksgerechten - Opdracht Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Passieve uitlevering - Exequatur - Opdracht Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Recht op vrijheid en veiligheid - Arrestatie of gevangenhouding - Recht om voorziening te vragen bij de rechter - Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Toepasselijkheid Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Passieve uitlevering - Exequatur door de raadkamer - Afwezigheid van hoger beroep - Navolgend verzoek tot invrijheidstelling - Afwijzing door de raadkamer - Hoger beroep van de vreemdeling - Kamer van inbeschuldigingstelling - Bevoegdheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Algemeen (uitlevering) Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Passieve uitlevering - Exequatur door de raadkamer - Afwezigheid van hoger beroep - Navolgend verzoek tot invrijheidstelling - Afwijzing door de raadkamer - Hoger beroep van de vreemdeling - Bevoegdheid Tekst van de conclusie P.09.0162.N Conclusies van advocaat-generaal P. Duinslaeger: 1. De verweerder maakt het voorwerp uit van twee opeenvolgende verzoeken tot uitlevering vanwege de Turkse Staat ingevolge zijn definitieve veroordeling, bij arrest van 21 november 2001 van het Hof van Assisen te Aksaray (Turkije), wegens "afpersing, bedreiging en gebruik van wapen". Deze definitieve veroordeling werd, wat de uitvoering van de straf betreft, gewijzigd door het arrest van het Hof van Assisen te Aksaray van 13 juli 2005, waarbij de eerder opgelegde gevangenisstraf werd verminderd tot 8 jaar en 4 maanden. Het eerste uitleveringsverzoek dateert van 21 mei 2007 en was gesteund op een door de bevoegde Turkse autoriteiten op 26 oktober 2005 uitgevaardigd aanhoudingsbevel. Dit aanhoudingsbevel werd bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen uitvoerbaar verklaard op 16 juli 2007. Het uitvoerbaar verklaarde aanhoudingsbevel werd, samen met andere stukken, waaronder het tweede arrest van 13 juli 2005, aan de verweerder betekend op 7 augustus 2007. Vanaf dat ogenblik stond de verweerder ter beschikking van de Belgische regering die, na het advies van de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen te hebben ingewonnen, diende te beslissen of betrokkene al dan niet aan het gerecht van de verzoekende Staat zou worden overgeleverd. Op 8 augustus 2007 tekende de verweerder hoger beroep aan tegen de beschikking tot exequatur van de raadkamer van 16 juli 2007. Bij arrest van 13 september 2007 werd dit hoger beroep door de kamer van inbeschuldigingstelling zonder voorwerp verklaard, omdat de uitlevering gevraagd werd op basis van een veroordelend vonnis, zodat er geen uitvoerbaarverklaring vereist was. Op 20 september 2007 verklaarde de verweerder niet te verzaken aan de pleegvormen van de Belgische uitleveringsprocedure. Op 13 november 2007 verleende de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen een gunstig advies met betrekking tot de gevraagde uitlevering. De Belgische regering besliste bij ministerieel besluit van 21 december 2007 de uitlevering van betrokkene aan Turkije toe te staan. Ingevolge een door de verweerder aangetekend schorsings- en annulatieverzoek besliste de Raad van State op 23 januari 2008 de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 21 december 2007 te schorsen wegens schending van de formele motiveringsplicht
(1). De effectieve uitlevering werd uitgesteld in afwachting van een nieuw ministerieel besluit en de verweerder werd op 16 juli 2008 in voorlopige vrijheid gesteld. Op 10 maart 2008 werd door de bevoegde Turkse autoriteiten een bijkomend aanhoudingsbevel verleend, waarin werd verwezen naar het arrest van het Hof van Assisen van 13 juli
- Op 15 oktober 2008 vorderde de procureur des Konings te Antwerpen de raadkamer dit bijkomend aanhoudingsbevel uitvoerbaar te verklaren. De raadkamer verleende het exequatur bij beschikking van 23 oktober
- Anders dan bij de eerdere uitleveringsprocedure tekende de verweerder tegen deze uitvoerbaarverklaring geen hoger beroep aan. Het bijkomend bevel tot aanhouding van 10 maart 2008, werd samen met andere stukken, waaronder de beschikking tot exequatur van de raadkamer van 23 oktober 2008, aan de verweerder betekend op 7 november
- Vanaf die datum werd betrokkene opnieuw opgesloten ter beschikking van de Belgische regering. Op 20 november 2008 verklaarde verweerder opnieuw niet te verzaken aan de pleegvormen van de Belgische uitleveringsprocedure. Bij verzoekschrift van 9 december 2008, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, verzocht betrokkene de raadkamer om zijn voorlopige invrijheidstelling. Op 12 december 2008 verklaarde de raadkamer zich onbevoegd om van dit verzoek kennis te nemen. Op het hoger beroep van de verweerder tegen de beslissing van de raadkamer van 12 december 2008, verklaarde de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen op 30 december 2008 het hoger beroep ontvankelijk. De beschikking van de raadkamer van 12 december 2008 werd door de kamer van inbeschuldigingstelling hervormd en de verweerder werd in vrijheid gesteld, omdat het nieuw uitleveringsverzoek prima facie behept was met hetzelfde gebrek als het initiële verzoek, dat uiteindelijk geleid had tot de vernietiging (lees: schorsing) van het ministerieel besluit tot uitlevering. Deze laatste beslissing maakt het voorwerp uit van het cassatieberoep van 6 januari 2009 van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, dat aan de verweerder werd betekend op 12 januari
- De verweerder voert in zijn memorie van antwoord aan dat het cassatieberoep van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen niet ontvankelijk is. In een eerste onderdeel voert de verweerder aan dat de procureur-generaal geen cassatieberoep kan aantekenen tegen een beslissing van invrijheidstelling. Blijkbaar steunt dit onderdeel op artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet, dat bepaalt dat de vreemdeling zijn voorlopige invrijheidstelling mag verzoeken in de gevallen waar een Belg hetzelfde voorrecht geniet en dit "onder dezelfde voorwaarden". Deze laatste zinsnede "onder dezelfde voorwaarden" heeft, ook in het verleden, meermaals aanleiding gegeven tot verwarring. Uit deze zinsnede werd, -overigens niet geheel onterecht-, afgeleid dat de regels van de wet betreffende de voorlopige hechtenis ook toepasselijk waren op de (voorlopige) aanhouding met het oog op de (uiteindelijke) uitlevering. Daarbij mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat de verwijzing, door de zinsnede "onder dezelfde voorwaarden", naar de wet betreffende de voorlopige hechtenis in artikel 5, vierde lid, van de Uitleveringswet van 15 maart 1874, uiteraard enkel betrekking kon hebben op de Wet Voorlopige Hechtenis, die in dezelfde periode door het Parlement werd behandeld en die uiteindelijk op 20 april 1874 zou worden afgekondigd. Deze laatste wet bevatte geen enkele bepaling over het cassatieberoep
(2)en bepaalde dus niet, zoals dat thans wel het geval is in artikel 31, § 2 van de Wet Voorlopige Hechtenis van 20 juli 1990, dat enkel beslissingen waardoor de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd, en dus niet deze waarbij tot invrijheidstelling wordt besloten, vatbaar zijn voor cassatieberoep. Het gegeven dat de Uitleveringswet van 15 maart 1874 met de woorden "onder dezelfde voorwaarden" enkel kon verwijzen naar de Wet Voorlopige Hechtenis van 20 april 1874, heeft Uw Hof ertoe gebracht te oordelen, in zijn arresten van 9 november 1993 en 16 december 1997, dat niet alle voorschriften van de Wet Voorlopige Hechtenis van 20 juli 1990 toepasselijk zijn op het cassatieberoep dat ingesteld wordt door een voorlopig aangehouden vreemdeling in het kader van een uitleveringsprocedure
(3). Deze arresten hadden betrekking op de termijn voor het neerleggen van de memorie en op de termijn waarin het Hof uitspraak dient te doen: in beide gevallen heeft het Hof geoordeeld dat de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en niet deze van de Wet Voorlopige hechtenis van 20 juli 1990 van toepassing zijn. Ik meen dat dezelfde redenering kan gevolgd worden voor het cassatieberoep van het openbaar ministerie tegen een invrijheidstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling van een vreemdeling, die zich in uitleveringsdetentie bevindt. De zinsnede "onder dezelfde voorwaarden" van artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet, die een verwijzing inhield naar de Wet Voorlopige hechtenis van 20 april 1874, die zelf geen regeling van het cassatieberoep bevatte, kan niet tot gevolg hebben dat aan het openbaar ministerie een rechtsmiddel wordt ontnomen in de procedure inzake uitlevering, die, onder meer qua finaliteit, wezenlijk verschillend is van de procedure van de voorlopige hechtenis. Zoals advocaat-generaal BRESSELEERS terecht preciseert in zijn conclusie
(4)heeft de Wet Voorlopige Hechtenis van 20 juli 1990 het artikel 5 Uitleveringswet niet gewijzigd en is tijdens de parlementaire werkzaamheden, die geleid hebben tot de wet van 20 juli 1990, niet gebleken dat de nieuwe regeling in verband met het cassatieberoep (in casu meer bepaald de afwezigheid van de mogelijkheid tot het instellen van cassatieberoep tegen de beslissing tot invrijheidstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling) ook zou moeten worden toegepast op andere procedures dan op de voorlopige hechtenis in strikte zin, ook niet als andere bepalingen van de wet van 20 juli 1990, ingevolge de verwijzing in artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet, wel toepasselijk zouden zijn. Bij arrest van 14 augustus 2001
(5)oordeelde het Hof dat het cassatieberoep van de procureur-generaal bij het hof van beroep niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, wanneer het gericht is tegen een beslissing die de stopzetting beveelt van de voorlopige aanhouding van de vreemdeling met het oog op zijn uitlevering, maar geen invloed heeft op de tenuitvoerlegging van het internationaal aanhoudingsbevel, dat de nieuwe titel van vrijheidsberoving vormt. Uit het feit dat het cassatieberoep niet ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan belang, kan worden afgeleid dat het Hof meteen ook oordeelde, -weze het impliciet-, dat dit cassatieberoep niet diende niet ontvankelijk te worden verklaard op grond van artikel 31, §2 van de Wet Voorlopige Hechtenis van 20 juli 1990. Het Hof acht dit laatste artikel dus niet toepasselijk inzake uitlevering. Het arrest van 18 februari 2003
(6)is nog veel duidelijker: op het cassatieberoep van de procureur-generaal bij het hof van beroep wordt de beslissing, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling de voorlopige invrijheidstelling beveelt van de persoon om wiens uitlevering werd verzocht, vernietigd. Ook hier weer heeft het Hof dus gemeend geen toepassing te moeten maken van artikel 31, §2 Wet Voorlopige Hechtenis. Deze eerste grond van niet-ontvankelijkheid lijkt mij dus niet te kunnen worden aangenomen. In een tweede onderdeel voert de verweerder aan dat de betekening van het cassatieberoep niet gebeurde binnen de termijn van drie dagen, bedoeld in artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Volgens de verweerder dient de niet-tijdige betekening gesanctioneerd te worden met de nietigheid van het cassatieberoep omdat het een schending inhoudt van de rechten van verdediging. Ook deze grond van niet-ontvankelijkheid lijkt mij niet te kunnen worden aangenomen, aangezien de naleving van deze termijn niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven
(7). Bovendien werd het cassatieberoep van dinsdag 6 januari 2009 aan de verweerder betekend op maandag 12 januari 2009 en werd op 10 februari 2009 door de verweerder een memorie van antwoord (getiteld "nota met betrekking tot het cassatieberoep van het parket bij het hof van beroep te Antwerpen inzake P.09.0162.N") neergelegd ter griffie van het Hof. De betekening buiten de termijn van drie dagen van artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, levert bijgevolg, anders dan het onderdeel aanvoert, geen schending van het recht van verdediging op.
- In zijn verzoekschrift, dat op 14 januari 2009 werd neergelegd op de griffie van het hof van beroep te Antwerpen voert de eiser één middel aan. Volgens de eiser volgt uit de context van de artikelen 3 en 5 Uitleveringswet dat de onderzoeksgerechten niet meer bevoegd zijn om te oordelen over het verzoek tot invrijheidstelling van een vreemdeling, wanneer deze op grond van een hem regelmatig betekend buitenlands bevel tot aanhouding, dat uitvoerbaar werd verklaard, met het oog op zijn uitlevering opgesloten is ter beschikking van de uitvoerende macht en dat, eens de beslissing tot uitvoerbaarverklaring kracht van gewijsde heeft, alleen de uitvoerende macht bevoegd is om over de verdere vrijheidsberoving van de vreemdeling te oordelen.
- Het standpunt van de eiser vindt steun in vaststaande rechtspraak, die wil dat, eens de persoon om wiens uitlevering werd verzocht, aangehouden is ter fine van uitlevering in toepassing van artikel 3, vierde lid, Uitleveringswet, de gerechtelijke autoriteiten niet meer bevoegd zijn om zijn invrijheidstelling te bevelen
(8). Deze rechtspraak lijkt zijn grondslag te vinden in het onderscheid dat gemaakt wordt tussen, enerzijds, het regime van artikel 3, vierde lid, Uitleveringswet en, anderzijds, het regime van artikel 5 van diezelfde wet. Artikel 3, vierde lid, Uitleveringswet dat bepaalt dat zodra de vreemdeling ter uitvoering van een der akten, vermeld in het eerste lid van dit artikel en na behoorlijke betekening ervan, zal zijn opgesloten, de regering het advies zal inwinnen van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep in het rechtsgebied waarvan de vreemdeling werd aangehouden, maakt verder geen enkele melding van enige mogelijkheid voor de onder dit regime opgesloten vreemdeling om zijn voorlopige invrijheidstelling te vragen in afwachting dat de uitvoerende macht beslist om hem al dan niet over te leveren aan de verzoekende Staat. Artikel 5, eerste lid, Uitleveringswet bepaalt de voorwaarden waarin de vreemdeling, in geval van onverwijlde spoed, voorlopig kan worden aangehouden. Artikel 5, tweede lid, Uitleveringswet bepaalt dat de vreemdeling terug in vrijheid zal worden gesteld indien hij, binnen veertig dagen vanaf zijn aanhouding, geen mededeling ontvangen heeft van het bevel tot aanhouding dat door de vreemde bevoegde overheid werd afgeleverd. Artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet tenslotte bepaalt dat de vreemdeling zijn voorlopige invrijheidstelling mag verzoeken in de gevallen waar een Belg hetzelfde voorrecht geniet en dit onder dezelfde voorwaarden, waarbij hij zijn verzoek aan de raadkamer moet richten. 5. De hiervoor aangehaalde rechtspraak, die wil dat de op grond van artikel 3, vierde lid, Uitleveringswet ter fine van uitlevering opgesloten en ter beschikking van de uitvoerende macht gestelde vreemdeling niet meer beschikt over enige mogelijkheid om zijn toestand van vrijheidsberoving aan het toezicht van de rechter te onderwerpen, lijkt mij moeilijk verzoenbaar met artikel 5.4 EVRM. Deze verdragsbepaling, met directe werking in ons nationale recht, bepaalt dat eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd, het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is. Dit artikel, dat overigens geen enkele tekstuele beperking inhoudt, is zonder de minste twijfel ook van toepassing inzake uitleveringen, aangezien artikel 5.1 EVRM, dat het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid waarborgt, onder punt f) precies de uitzondering vermeldt van de rechtmatige arrestatie of aanhouding van personen tegen wie een uitleveringsprocedure hangende is. Het gebrek aan mogelijkheid om "voorziening te vragen bij de rechter" onder het regime van de "definitieve" aanhouding ter fine van uitlevering werd in het verleden overigens reeds herhaaldelijk op kritiek onthaald in de rechtsleer
(9). 6. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens hebben zich herhaaldelijk uitgesproken over de toepasselijkheid van artikel 5.4 EVRM op de uitleveringsprocedure. In de zaak FARMAKOPOULOS t./ België oordeelde de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens, in zijn advies van 4 december 1990, dat de omstandigheden
(1)dat de mogelijkheid van hoger beroep tegen de beschikking tot uitvoerbaarverklaring door de raadkamer niet uitdrukkelijk door de wet geregeld is,
(2)dat de termijn van 24 uur voor dit hoger beroep bijzonder kort is voor een vreemdeling die niet geacht wordt het Belgisch recht te kennen en
(3)dat betrokkene niet van het bestaan van dit recht op hoger beroep moet worden ingelicht, maken dat de Belgische regeling van de uitleveringsdetentie strijdig is met artikel 5.4 EVRM
(10). Bij arrest van 27 maart 1992 werd de zaak van de rol geschrapt, omdat de klager zich niet langer manifesteerde, wat door het EHRM beschouwd werd als een impliciete afstand. In de zaak KOLOMPAR t./ België
(11)oordeelde de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens, in zijn advies van 26 februari 1991, dat de Belgische regeling van de uitleveringsprocedure strijdig is met artikel 5.4 EVRM, omdat de (enkel jurisprudentieel aanvaarde) mogelijkheid om een verhaal in te stellen bij de rechter in kort geding, bij gebrek aan voldoende publieke bekendheid, onvoldoende toegankelijk en onvoldoende effectief werd geacht in het licht van deze verdragsbepaling. Het lijkt nuttig even in te gaan op de feitelijke omstandigheden van deze zaak. De heer Djula KOLOMPAR, die het voorwerp uitgemaakt had van een veroordeling door het Hof van Assisen van Firenze (Italië), werd op 7 maart 1984 aangehouden ter fine van uitlevering na de betekening van het veroordelend arrest. Op 15 juni 1985 verzocht hij de raadkamer om zijn voorlopige invrijheidstelling. De raadkamer verklaarde zijn verzoek niet ontvankelijk. Op het hoger beroep van de heer KOLOMPAR tegen deze beschikking, bevestigde de kamer van inbeschuldigingstelling bij arrest van 5 juli 1985 de beschikking van de raadkamer. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelde onder meer, getrouw aan het klassieke standpunt, dat de onderzoeksgerechten niet meer bevoegd zijn om te oordelen over het verzoek tot invrijheidstelling van een vreemdeling, wanneer deze met het oog op zijn uitlevering opgesloten is ter beschikking van de uitvoerende macht. De kamer van inbeschuldigingstelling preciseerde daarbij dat de door de heer KOLOMPAR ingeroepen artikelen 3, 5 en 6 EVRM op zichzelf niet volstonden om aan de onderzoeksgerechten rechtsmacht te verlenen om over de invrijheidstelling te oordelen. Tegen dit arrest werd door de heer KOLOMPAR cassatieberoep aangetekend, maar het Hof oordeelde dat de beslissing regelmatig was en overeenkomstig de wet werd gewezen, zonder acht te slaan op de memorie die voor de verzoeker werd neergelegd door een Nederlands raadsman zonder de tussenkomst van een Belgisch advocaat (overeenkomstig de toen geldende regelgeving onder vigeur van artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 maart 1983 tot uitvoering van de artikelen 477bis en 477quater van het Gerechtelijk Wetboek.)
(12). Op 17 september 1985 richtte de heer KOLOMPAR een verzoek tot de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in kort geding, waarin hij, onder meer, om zijn voorlopige invrijheidstelling vroeg. Bij beschikking van 21 maart 1986 oordeelde de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg dat het verzoek in kortgeding zonder voorwerp was, omdat de vrijheidsberoving met het oog op de uitlevering niet gelijk te stellen was met een onrechtmatige overheidsdaad. Tegen deze beschikking werd hoger beroep aangetekend, maar er werden geen conclusies meer neergelegd door de heer KOLOMPAR. Betrokkene werd uiteindelijk in 1987 uitgeleverd aan Italië. In deze zaak heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uiteindelijk beslist dat er geen sprake was van schending van artikel 5.4 EVRM, omwille van de "dilatoire" houding van de verzoeker zelf. Opmerkelijk in deze zaak is dat de Belgische Staat als exceptie voor de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens had aangevoerd dat de nationale interne rechtsmiddelen door Djula KOLOMPAR niet werden uitgeput. Volgens de Belgische Staat had de verzoeker niet de correcte procedure gevolgd, hoewel het Hof van Cassatie "zijn vroegere rechtspraak had kunnen wijzigen en de bevoegdheid van de onderzoeksgerechten had kunnen erkennen om de invrijheidstelling te bevelen van een persoon die ter beschikking staat van de regering met het oog op zijn uitlevering, wanneer die uitlevering gestoeld is op artikel 3, eerste lid, Uitleveringswet".
(13)In de zaak QUINN t./ Frankrijk
(14)oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat enkel de uitleveringsprocedure zelf de vrijheidsberoving kan rechtvaardigen. Daaruit volgt dat, wanneer de procedure tot uitlevering niet met de vereiste spoed wordt afgehandeld, de vrijheidsberoving niet langer verantwoord is in het licht van artikel 5.1.f EVRM. Tenslotte kan ook verwezen worden naar de zaak SANCHE-REISSE t./ Zwitserland
(15): in deze zaak oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onder meer dat aan het voorschrift van de "korte termijn", waarvan sprake in artikel 5.4 EVRM, niet voldaan was omdat de termijn waarbinnen de uit te leveren persoon zijn verzoeken tot voorlopige invrijheidstelling behandeld zag, respectievelijk 31 en 46 dagen bedroeg. Uit deze arresten en adviezen blijkt dat er geen twijfel meer kan bestaan over de toepasselijkheid van artikel 5.4 EVRM op de aanhouding in het kader van een uitleveringsprocedure. 7. Maar ook Uw Hof heeft uitspraken gedaan over de toepasselijkheid van artikel 5.4 EVRM op de procedure van uitlevering, zoals die geregeld is door de Uitleveringswet van 15 maart 1874. In zijn arrest van 9 november 1993
(16)oordeelde het Hof dat artikel 5.4 EVRM niet het geval beoogt waarin een vrijheidsbeneming voor een bepaalde tijd het gevolg is van een rechterlijke beslissing waarbij de door die verdragsbepalingen gewilde rechterlijke controle in de beslissing zelf is ingebouwd en de gevolgde procedure aan de betrokkene alle waarborgen heeft verstrekt welke de aard van de vrijheidsbeneming vereist. Het artikel 5.4 EVRM heeft bijgevolg, volgens het Hof, geen betrekking op een gevangenhouding (in het kader van een uitleveringsprocedure) die het gevolg is van veroordelingen uitgesproken door bevoegde buitenlandse rechtsmachten. F. THOMAS
(17)stelt zich overigens bij dit arrest terecht de vraag wat er dient te gebeuren wanneer uit de buitenlandse veroordelende beslissing niet zou blijken dat de persoon, om wiens uitlevering wordt verzocht, in de verzoekende Staat (die niet noodzakelijk Partij is bij het EVRM) alle waarborgen heeft genoten die de aard van de vrijheidsbeneming vergt of wanneer de uitleveringsdetentie in België door verloop van tijd onrechtmatig zou worden. In zijn arrest van 16 december 1997
(18)beslist het Hof dat de omstandigheid dat het onderzoeksgerecht niet meer bevoegd is om te oordelen over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling dat door de vreemdeling is ingediend nadat hij definitief ter beschikking is gesteld van de Uitvoerende Macht, artikel 5.4 EVRM niet schendt wanneer de vreemdeling in de loop van de exequaturprocedure over het recht heeft beschikt om voorziening te vragen bij de rechter. In zijn arrest van 18 februari 2003
(19)oordeelt het Hof dat de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak moet doen over het hoger beroep tegen de uitvoerbaarverklaring door de raadkamer van een door de bevoegde vreemde overheid verleend bevel tot aanhouding op grond waarvan de uitlevering wordt verzocht, dient te onderzoeken of dit bevel op het ogenblik van haar beslissing aan de door de wet gestelde vereisten voldoet en of de algemene en bijzondere uitleveringsvoorwaarden zijn vervuld, maar dat zij de voorlopige invrijheidstelling van de aangehoudene enkel kan bevelen op grond van artikel 5.1.f en 5.4 EVRM wanneer de wettigheid of de rechtmatigheid van de uitvoerbaarverklaring werd aangetast door het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep en haar beslissing, doch niet op grond van motieven die uitsluitend betrekking hebben op de opportuniteit van de vrijheidsberoving. Dit arrest bouwt overigens verder op het arrest van 5 december 1995
(20), waarin het Hof voor het eerst een rechtstreekse toepassing maakte van artikel 5.4 EVRM
(21). 8. Ook de rechtsleer
(22)drukt de hoop uit dat de vreemdeling die aangehouden is ter fine van uitlevering over een verhaal bij de rechter zou beschikken dat voldoet aan de vereiste van artikel 5.4 EVRM.
- Uit de hiervoor aangehaalde elementen kan besloten worden dat artikel 5.4 EVRM een algemene draagwijdte heeft en toepasselijk is op alle vormen van vrijheidsberoving, hier inbegrepen de vrijheidsberoving in het kader van een uitleveringsprocedure. Dit houdt in dat ook de persoon, om wiens uitlevering wordt verzocht, die "definitief" opgesloten is met het oog op zijn uitlevering en die ter beschikking staat van de uitvoerende macht, die moet beslissen om hem al dan niet uit te leveren, ook in de periode tussen zijn "definitieve" opsluiting en het tijdstip van de daadwerkelijke uitlevering over de mogelijkheid moet beschikken om zijn toestand van vrijheidsberoving te laten toetsen door een rechter.
- Kan het Hof het hiervoor geschetste probleem oplossen? Artikel 20 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat middelen van nietigheid niet kunnen worden aangewend tegen vonnissen en dat deze alleen kunnen worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Deze wetsbepaling lijkt uit te sluiten dat het Hof, bij gebrek aan enig wettelijk bepaald rechtsmiddel, zelf een rechtsmiddel zou ter beschikking stellen van de persoon die het voorwerp uitmaakt van een uitleveringsdetentie. Ik meen hierbij drie kanttekeningen te kunnen maken. In de eerste plaats dient rekening gehouden te worden met de omstandigheid dat de verplichting om aan de "definitief" opgesloten uit te leveren persoon een verhaal bij de rechter te geven, zijn grondslag vindt in artikel 5.4 EVRM, waarvan niet meer kan betwist worden dat het rechtstreekse werking heeft in het interne recht. De "wet", in casu de verdragsrechtelijke bepaling van artikel 5.4 EVRM, voorziet dus wel degelijk in een rechtsmiddel. In de tweede plaats kan worden opgemerkt dat de rechtspraak, in het verleden, ook in andere omstandigheden, de wet op een creatieve wijze heeft geïnterpreteerd om aldus rechtsmiddelen te erkennen, die oorspronkelijk niet door de wetgever voorzien of bedoeld waren. Een eerste voorbeeld hiervan is te vinden in het uitleveringsrecht zelf: hoewel de Uitleveringswet geen rechtsmiddelen tegen de beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring van de buitenlandse akte houdende vrijheidsberoving aanwijst, wordt algemeen aangenomen dat hoger beroep mogelijk is
(23). Dit werd ook door het Hof aanvaard in verschillende arresten
(24), waarbij een analoge toepassing werd gemaakt van artikel 135 Wetboek van Strafvordering
(25). Een tweede voorbeeld is te vinden in een arrest van het Militair Gerechtshof van 31 januari 1984
(26), waarin geoordeeld werd dat, hoewel de Wet Voorlopige Hechtenis van 20 april 1874 in principe niet toepasselijk was op militairen, deze laatsten, krachtens artikel 5.4 EVRM, toch het recht hadden de rechtmatigheid van hun aanhouding te doen beoordelen door de Krijgsraad of het Militair Gerechtshof. Het Hof bevestigde dit standpunt, waarbij een rechtstreekse toepassing werd gemaakt van artikel 5.4 EVRM, door het bestaan van deze rechtsmiddelen te aanvaarden in een aantal latere arresten
(27). Een derde voorbeeld dateert uit een meer recent verleden. Het Hof oordeelde immers, bij arrest van 14 oktober 2008
(28), na een door het Grondwettelijk Hof bij arrest van 31 juli 2008
(29)vastgestelde leemte in de wet, dat het die leemte zelf kon aanvullen door het onmiddellijk cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, dat overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering controle uitoefent over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethodes observatie en infiltratie, ontvankelijk te verklaren
(30). Bij deze drie voorbeelden, die voldoende aantonen dat de rechtspraak kan verhelpen aan een stilzwijgen of een leemte in de wet met betrekking tot het al dan niet voorhanden zijn van een rechtsmiddel, werd, eens het bestaan van het rechtsmiddel aanvaard was, de rechtspleging aangepast naar analogie met reeds bestaande gelijkaardige rechtsplegingen: voor het beroep tegen het exequatur werd artikel 135 Wetboek van Strafvordering toegepast, voor de voorlopige hechtenis van militairen werd beroep gedaan op de rechtspleging van de Wet Voorlopige Hechtenis en voor het onmiddellijk cassatieberoep in het kader van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering werd teruggegrepen naar de regels die van toepassing zijn in de gevallen, bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, waar de wet wel een onmiddellijk cassatieberoep voorzag. De derde kanttekening poogt de hiervoor besproken werkwijze, die door de rechtspraak werd toegepast om het bestaan van niet (uitdrukkelijk) door de wet voorziene rechtsmiddelen toch te erkennen, toe te passen op de artikelen 3 en 5 Uitleveringswet. Artikel 3, vierde lid, Uitleveringswet bepaalt: "Zodra de vreemdeling ter uitvoering van één der akten hierboven vermeld en na behoorlijke betekening ervan, zal zijn opgesloten, zal de regering het advies inwinnen van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep in het rechtsgebied waarvan de vreemdeling werd aangehouden". De rechtsleer en de rechtspraak nemen aan dat de vreemdeling vanaf dat ogenblik "definitief" opgesloten is ter beschikking van de uitvoerende macht. Zoals hiervoor vermeld, lijkt de interpretatie van de term "definitief" strijdig met artikel 5.4 EVRM, wanneer deze term zo zou worden geïnterpreteerd dat de "definitieve" opsluiting niet meer het voorwerp zou kunnen uitmaken van een verhaal bij de rechter. Artikel 5, eerste lid, Uitleveringswet bepaalt de voorwaarden waaronder een vreemdeling voorlopig kan worden aangehouden. Artikel 5, tweede lid, Uitleveringswet legt de maximumtermijn van deze voorlopige aanhouding vast: binnen deze termijn moet de voorlopig aangehouden vreemdeling mededeling krijgen van één van de akten bedoeld in artikel 3 Uitleveringswet
(31). Artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet bepaalt: "De vreemdeling mag zijn voorlopige invrijheidstelling verzoeken in de gevallen waar een Belg hetzelfde voorrecht geniet en dit onder dezelfde voorwaarden. Zijn verzoek wordt aan de raadkamer voorgelegd". Het artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet maakt deel uit van het artikel dat, in zijn aanhef, handelt over de voorlopige aanhouding in het kader van een uitleveringsprocedure en wellicht waren het verzoek tot invrijheidstelling en de procedure die het vierde lid voorzien (historisch gezien) ook enkel bedoeld voor het stelsel van voorlopige aanhouding. Afgezien van deze vaststelling blijft evenwel de vraag of de artikelen 3 en 5 Uitleveringswet ook niet op een andere en meer EVRM-conforme wijze kunnen geïnterpreteerd worden. De opbouw van artikel 5 Uitleveringswet lijkt dit allerminst uit te sluiten: het artikel vangt aan met de voorwaarden voor de voorlopige aanhouding, regelt daarna de maximumtermijn waarbinnen de in artikel 3 Uitleveringswet bedoelde stukken moeten betekend worden, waardoor de aanhouding "definitief" wordt en spreekt dan pas over de mogelijkheid voor de vreemdeling om een verzoek tot invrijheidstelling voor te leggen aan de raadkamer. Anders gesteld: het vierde lid van artikel 5 Uitleveringswet heeft betrekking op de verhaalmiddelen van de vreemdeling tegen zijn voorlopige aanhouding, maar volgt, in de tekstopbouw van deze wetsbepaling, op het tweede lid dat handelt over de termijn waarbinnen de door de Uitleveringswet vereiste stukken moeten worden betekend aan de vreemdeling. Dit tweede lid houdt twee te onderscheiden hypotheses in. In de eerste hypothese is er geen betekening binnen de termijn van veertig dagen. In dat geval moet de vreemdeling terug in vrijheid worden gesteld en is er uiteraard geen enkele nood meer aan een verzoek tot invrijheidstelling. In de tweede hypothese is er wél een tijdige betekening van de door de wet vereiste stukken, maar precies door deze betekening wordt de voorlopige aanhouding, overeenkomstig de interpretatie die gegeven wordt aan artikel 3, vierde lid, Uitleveringswet, een definitieve opsluiting ter beschikking van de uitvoerende macht, waarbij, -steeds volgens de geldende interpretatie-, de gerechtelijke overheden niet meer bevoegd (zouden) zijn om over de invrijheidstelling te oordelen. Ook in deze tweede hypothese is een verzoek tot invrijheidstelling dus zinloos. In de klassieke interpretatie kan het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling dus enkel worden ingediend tussen het ogenblik van de arrestatie en het ogenblik waarop de uitleveringsstukken betekend worden (of het ogenblik van het verstrijken van de termijn van veertig dagen). Uit de hiervoor beschreven opbouw van artikel 5 Uitleveringswet, kan nochtans evengoed worden afgeleid dat artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet, maar zin heeft wanneer het ook toepasselijk is op de periode van vrijheidsberoving, die volgt op de betekening van de door artikel 3 Uitleveringswet bedoelde stukken en dus op de zogenaamde "definitieve" uitleveringsdetentie. Een dergelijke interpretatie breekt weliswaar met het verleden, maar is, in tegenstelling tot de vroegere interpretatie, nu wel EVRM-conform, zonder daarbij strijdig te zijn met de tekst van de Uitleveringswet. 11. Een dergelijke interpretatie biedt overigens het bijkomend voordeel dat onmiddellijk duidelijk wordt wie de bevoegde rechter is en welke procedure zal dienen gevolgd te worden, aangezien artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet deze procedure regelt door te verwijzen naar de "voorwaarden" van de Wet Voorlopige Hechtenis (waarvan evenwel, zoals hoger uiteengezet, niet alle bepalingen toepasselijk zijn). Bij de zeldzame keren, waarbij in het verleden, -ook in de interpretatie van de artikelen 3 en 5 Uitleveringswet, zoals die tot hiertoe door de rechtspraak en de rechtsleer werd gevolgd-, aangenomen werd dat de "definitief" opgesloten vreemdeling toch de mogelijkheid had om zijn vrijheidsberoving te laten toetsen door een rechter, stelde zich inderdaad steeds het probleem van de bevoegde rechter. De onderzoeksgerechten hebben zich steeds onbevoegd verklaard om over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling te oordelen, eens de uit te leveren persoon in toepassing van artikel 3, vierde lid, Uitleveringswet, "definitief" is opgesloten ter fine van uitlevering
(32). De mogelijke tussenkomst van de rechter in kort geding in strafzaken blijft eveneens controversieel
(33). In een aantal gevallen verklaarde de rechter in kort geding zich inderdaad bevoegd
(34). In andere gevallen daarentegen verklaarde de rechter in kort geding het verzoek tot invrijheidstelling niet ontvankelijk
(35). Precies in verband met de bevoegdheid van de rechter in kort geding in het kader van een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van een persoon, om wiens uitlevering werd verzocht en die zich in (definitieve) uitleveringsdetentie bevond, moet ik U wijzen op het arrest van Uw Hof van 15 maart 2007
(36). Aanleiding tot dit arrest was een cassatieberoep van de Belgische Staat (Minister van Justitie) tegen het arrest van het hof van beroep van Brussel van 20 september 2002, waarbij het hoger beroep van de Belgische Staat tegen de beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in kort geding, werd afgewezen. In deze zaak had de rechter in kort geding beslist dat de Belgische Staat de verzoeker, wiens uitlevering aan Duistland bij ministerieel besluit van 14 oktober 1999 was toegestaan, maar waarbij de eigenlijke overlevering aan de Duitse overheden werd uitgesteld in toepassing van artikel 19.1 van het Europees Uitleveringverdrag van 13 december 1957 wegens een hangende strafzaak in België, daadwerkelijk diende uit te leveren aan Duitsland onder verbeurte van een dwangsom. Het Hof oordeelt: "de rechterlijke macht is bevoegd om de onrechtmatig schijnende aantastingen van de subjectieve rechten van de op grond van artikel 3 van de Uitleveringswet opgesloten vreemdeling, die de administratie bij de uitoefening van haar discretionaire macht zou hebben begaan, te voorkomen of te beëindigen". Terloops weze opgemerkt dat de Belgische Staat, eiser in cassatie, die in het aangevoerde middel de bevoegdheid van de rechter in kort geding betwistte, in het tweede onderdeel argumenteerde dat "het rechtsmiddel bedoeld in artikel 5.4 EVRM door de Belgische wetgever toevertrouwd werd aan de kamer van inbeschuldigingstelling, zodat de rechter in kort geding niet bevoegd kan zijn". Het Hof heeft dit onderdeel evenwel niet dienen te beantwoorden wegens een cassatietechnische reden: het achtte het onderdeel niet ontvankelijk omdat de eiser niet de schending had ingeroepen van de wettelijke bepalingen die deze bevoegdheid aan de kamer van inbeschuldigingstelling toevertrouwen. Dit arrest is belangrijk in de mate dat het afbreuk doet aan het vroegere standpunt dat de gerechtelijke overheden geen enkele bevoegdheid meer hebben om te oordelen over de vrijheidsberoving eens de vreemdeling "definitief" is opgesloten ter beschikking van de regering (en zeker niet tussen het ogenblik waarop de uitlevering bij ministerieel besluit wordt toegestaan en de daadwerkelijke overlevering van de vreemdeling aan de verzoekende Staat). Deze beslissing van het Hof lijkt mij evenwel minder gelukkig waar het de verwarring omtrent het al dan niet bevoegd zijn van de rechter in kort geding in dergelijke aangelegenheden niet oplost. Het arrest spreekt zich, in antwoord op het aangevoerde middel, immers enkel uit over de bevoegdheid van de rechterlijke macht en niet over de specifieke bevoegdheid van de rechter in kort geding. Overigens zou Uw Hof, wanneer het zou oordelen dat het arrest van 15 maart 2007 inderdaad inhoudt dat de bevoegdheid in deze materie (exclusief) aan de rechter in kort geding toekomt, het thans bestreden arrest ambtshalve moeten vernietigen wegens de onbevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling om over de invrijheidstelling te oordelen: het toekennen van een bevoegdheid aan de rechter in kort geding houdt inderdaad in dat er geen andere rechter bevoegd kan zijn. Wat er ook van zij, de rechter in kort geding lijkt in elk geval niet de "natuurlijke rechter" om dergelijke aangelegenheden te beoordelen. Bovendien blijft het betwistbaar of de mogelijkheid van een verhaal bij de rechter in kort geding voldoet aan de vereisten van artikel 5.4 EVRM: zoals hiervoor vermeld, oordeelde de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens, in zijn advies van 26 februari 1991 in de zaak KOLOMPAR t./ België
(37), dat de Belgische regeling van de uitleveringsprocedure strijdig is met artikel 5.4 EVRM, omdat de mogelijkheid om een verhaal in te stellen bij de rechter in kort geding, bij gebrek aan voldoende publieke bekendheid, onvoldoende toegankelijk en onvoldoende effectief werd geacht in het licht van deze verdragsbepaling. Het lijkt mij dan ook aangewezen om, bij toepassing van de voorgestelde "creatieve" interpretatie van de artikelen 3 en 5 Uitleveringswet, samen gelezen met artikel 5.4 EVRM, de bevoegdheid om over de verzoeken van een ter fine van uitlevering aangehouden vreemdeling te oordelen, terug te plaatsen bij de echte "natuurlijke rechter", met name de raadkamer en, in hoger beroep, de kamer van inbeschuldigingstelling. De reden hiervoor ligt in de "analoge" bevoegdheden die deze onderzoeksgerechten thans reeds uitoefenen, hetzij in het kader van de Wet Voorlopige Hechtenis (waarnaar artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet verwijst), hetzij inzake de voorlopige aanhouding in het kader van de uitlevering in toepassing van artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet, hetzij in het kader van het exequatur of het advies bedoeld in artikel 3 Uitleveringswet, hetzij nog in het kader van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel: het is voor de onderzoeksgerechten een materie waarmee zij reeds vertrouwd zijn. Terloops kan er overigens ook op worden gewezen dat deze onderzoeksgerechten ook een rol spelen bij de controle van de vrijheidsberoving in het kader van de Vreemdelingenwet (die wel uitdrukkelijk een verhaal bij de rechter in de zin van artikel 5.4 EVRM voorziet): de situatie van de vreemdeling die ter beschikking staat van de uitvoerende macht met het oog op zijn uitwijzing is overigens wel enigszins vergelijkbaar met de positie van de "definitief" opgesloten vreemdeling die ter beschikking staat van de uitvoerende macht met het oog op zijn uitlevering (beide situaties vallen onder toepassing van artikel 5.1.f EVRM).
- Het eerste besluit is dus: - dat artikel 5.4 EVRM, dat rechtstreekse werking heeft in het interne recht, een rechtsmiddel toekent aan de ter fine van uitlevering opgesloten en ter beschikking van de regering gestelde vreemdeling. - dat een dergelijke voorziening bij de rechter, middels een "creatieve" interpretatie in te passen is in het thans bestaand wettelijk kader, gevormd door de artikelen 3 en 5 Uitleveringswet. - dat dergelijke interpretatie, die tegelijk ook EVRM-conform is, meteen ook toelaat de bevoegde rechter en de te volgen procedure te kennen. Wanneer deze elementen getoetst worden aan de bestreden beslissing kan alleen maar vastgesteld worden dat de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen, in zijn arrest van 30 december 2008, zonder het uitdrukkelijk te vermelden, een perfecte toepassing maakt van deze principes. Vanuit dit oogpunt is het arrest niet voor kritiek vatbaar.
- Er is evenwel meer: de bestreden beslissing dient niet enkel geanalyseerd te worden vanuit het oogpunt van de bevoegdheid, maar ook vanuit de eigenlijke inhoud, rekening houdend met voorafgaande procedure. Deze laatste analyse leidt tot een aantal bedenkingen. In de eerste plaats kan de vraag gesteld worden of er wel een exequatur vereist was: het verzoek tot uitlevering vanwege de Turkse autoriteiten was namelijk gebaseerd op de definitieve veroordeling van de verweerder, bij arrest van 21 november 2001 van het Hof van Assisen te Aksaray (Turkije), wegens "afpersing, bedreiging en gebruik van wapen", die naderhand, enkel wat de uitvoering van de straf betreft, gewijzigd werd door het arrest van het Hof van Assisen te Aksaray van 13 juli 2005, waarbij de eerder opgelegde gevangenisstraf werd verminderd tot 8 jaar en 4 maanden. In toepassing van artikel 3, eerste lid, Uitleveringswet volstond de betekening van dit stuk voor zijn "definitieve" opsluiting ter fine van uitlevering, zonder dat een exequatur vereist was. Dat was overigens ook het eerder standpunt van de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen, die bij arrest van 13 september 2007 het hoger beroep van de verweerder tegen de beschikking tot exequatur door de raadkamer zonder voorwerp verklaarde, omdat de uitlevering gevraagd werd op basis van een veroordelend vonnis, zodat er geen uitvoerbaarverklaring vereist was. De tweede bedenking heeft betrekking op de overweging van het bestreden arrest dat prima facie het nieuwe uitleveringsverzoek behept is met hetzelfde gebrek als het initieel verzoek tot uitlevering, waarbij de beslissing tot uitlevering door de Raad van State werd "vernietigd". In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat het ministerieel besluit tot uitwijzing door de Raad van State enkel werd geschorst: de procedure in vernietiging is nog niet afgerond. In de tweede plaats is niet duidelijk waarop het bestreden arrest precies doelt, waar het oordeelt dat het nieuw uitleveringsverzoek behept is met hetzelfde gebrek als het initiële uitleveringsverzoek: - ofwel doelt het arrest op het feit dat het advies van de kamer van inbeschuldigingstelling niet medegedeeld wordt aan de verweerder (mede de reden waarom het ministerieel besluit tot uitlevering wegens schending van de formele motiveringsplicht werd geschorst). In dat geval loopt de kamer van inbeschuldigingstelling in zijn arrest van 30 december 2008 vooruit op de feiten, want het - overigens negatieve - advies inzake de uitlevering dateert van dezelfde dag en de kamer van inbeschuldigingstelling kon op dat ogenblik niet weten hoe het eventuele nieuwe ministeriële besluit tot uitlevering zou worden gemotiveerd. - ofwel doelt het arrest op het ontbreken van het veroordelend arrest van 21 november 2001 van het Hof van Assisen van Aksaray. In dat geval is het verband dat de kamer van inbeschuldigingstelling legt met de "vernietiging" (lees: schorsing) van het initiële verzoek tot uitlevering door de Raad van State niet duidelijk. Het initiële verzoek werd immers enkel geschorst wegens de miskenning van de formele motiveringsplicht (eerste middel door de verweerder aangevoerd voor de Raad van State) en niet wegens het tekortkomen aan de zorgvuldigheidsplicht door het niet voegen van het veroordelend vonnis van 21 november 2001 van het Hof van Assisen van Aksaray (tweede middel door de verweerder aangevoerd voor de Raad van State). Dit tweede middel werd door de Raad van State (nog) niet beantwoord: het is enkel de auditeur bij de Raad van State die in haar verslag meent dat (ook) het tweede middel gegrond is. De laatste en belangrijkste bedenking heeft evenwel betrekking op het feit dat het bestreden arrest meent het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en gegrond te kunnen verklaren op basis van een (nieuw) onderzoek van de stukken, die reeds eerder onderzocht werden door de raadkamer, die het exequatur verleende bij beschikking van 23 oktober
- Zoals hiervoor uiteengezet, tekende de verweerder tegen deze uitvoerbaarverklaring geen hoger beroep aan, hoewel hij het bestaan van dit rechtsmiddel kende en het ook reeds eerder had aangewend in de eerste uitleveringsprocedure. Dit houdt in dat de beoordeling over de conformiteit van de stukken, die de Turkse overheden aan de Belgische autoriteiten hadden overgemaakt met het oog op de uitlevering, met de vereisten van de Uitleveringswet reeds definitief was gebeurd door de raadkamer bij het verlenen van het exequatur. Het bestreden arrest, dat overgaat tot een nieuw onderzoek van deze conformiteit, had daartoe geen rechtsmacht meer en overschrijdt daarmee de grenzen van zijn bevoegdheid. Ik meen bijgevolg dat ambtshalve de schending moet worden aangevoerd van de artikelen 8, 23, 556 en 609 Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 179, 199, 200, 211 en 407 Wetboek van Strafvordering en van de artikelen 3 en 5 Uitleveringswet. Het door de eiser aangevoerde middel kan niet tot cassatie zonder verwijzing leiden en behoeft bijgevolg geen antwoord meer. CONCLUSIE: vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. ________________
(1)De Raad van State stelde vast dat het ministerieel besluit tot uitlevering van 21 december 2007 enkel stelde "dat aan de voorwaarden en formaliteiten voor uitlevering is voldaan". Volgens de Raad van State kon uit deze algemene formulering niet worden afgeleid dat in casu effectief aan de uitleveringsvoorwaarden was voldaan, te meer daar het advies van de kamer van inbeschuldigingstelling niet was medegedeeld aan de verzoeker (thans verweerder in cassatie) en deze laatste voor de kamer van inbeschuldigingstelling betwistte dat aan de uitleveringsvoorwaarden was voldaan.
(2)KRINGS, E., "Réflexions relatives à l'application de la loi sur la détention préventive", mercuriale, J.T., 1984, p. 530, nr. 28; DEJEMEPPE, B., La détention préventive, Larcier, 1992, p. 315, nr. 38.
(3)Cass., 9 november 1993, A.C., 1993, nr. 456; 16 dec. 1997, AR P.97.1405.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971216.12, A.C., nr. 560, R.W., 1997-98, p. 1470, telkens met concl. Adv.-gen. BRESSELEERS.
(4)Zie de verwijzing in voetnoot 3.
(5)Cass., 14 aug. 2001, AR P.01.1159.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010814.2, A.C., 2001, nr. 431.
(6)Cass., 18 feb. 2003, AR P.02.1711.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030218.26, A.C., 2003, nr. 116, R.W., 2004, p. 301 met noot JANSSENS, L., "De voorlopige invrijheidstelling bij uitleveringen".
(7)Cass., 17 dec. 1991, AR 4851, A.C., 1991-92, nr. 205.
(8)Cass., 29 sept. 1982, AR 2573, A.C., 1982-83, nr. 7; 13 nov. 1985, AR 4662, A.C., 1985-86, nr. 168; 16 jan. 1991, A.C., 1990-91, p. 515, J.L.M.B., 1991, p. 549; Rev. dr. pén. Crim., 1991, p. 621, met noot J.S.; 1 juni 1994, AR P.94.0060.F, A.C., 1994, nr. 279; 16 dec. 1997, AR P.97.1405.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971216.12, A.C., 1997, nr. 560, met conc. Adv.-gen. BRESSELEERS; 18 april 1999, AR P.99.0475.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990428.9, A.C., 1999, nr. 249; 14 aug. 2001, AR P.01.1159.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010814.2, A.C., 2001, nr. 431; WINANTS, A., "Uitlevering: de voorlopige aanhouding", Comm.Straf., nr 41; TROUSSE, P.E. en VANHALEWIJN, J., Uitlevering en internationale rechtshulp in strafzaken, A.P.R., nr. 315 en 340; JANSSENS, L., "De voorlopige invrijheidstelling bij uitleveringen", noot onder Cass., 18 maart 2004, R.W., 2004, p. 302, nr. 1; JANSSENS, L., "De voorlopige invrijheidstelling bij uitleveringen", noot onder Cass., 18 maart 2004, R.W., 2004, p. 302, nr. 2; DE SWAEF, M. en TRAEST, M., "Uitlevering: het advies van de kamer van inbeschuldigingstelling", Comm. Straf., p.7, nr.4.; DE SWAEF, M. en TRAEST, M., "Uitlevering: uitvoerbaarverklaring van het buitenlands bevel tot aanhouding", Comm. Straf., p. 12, nr. 6.
(9)VAN DEN WYNGAERT, Chr., "Aspecten van het uitleveringsrecht" in DE NAUW, A., D'HAENENS, J. en STORME, M. (eds;) "Actuele problemen van strafrecht", XIVde Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, nr. 5.1; VANDERMEERSCH, D., "Le recours de l'étranger détenu en Belgique en vue de son extradition", J.L.M.B., 1992, 998; VAN CAENEGEM, P., "De toepasselijkheid van de mensenrechtenverdragen op de uitleveringsdetentie en - procedure in de aangezochte staat", R. Cass., 1992, 108; THOMAS, F., "De uitleveringsprocedure nog steeds controversieel", R. Cass., 1994, p. 8; VERBERT, E., "Vrijheidsberoving, exequatur en mensenrechten: een voorlopige oplossing voor het definitieve karakter van de uitleveringsdetentie", R. Cass., 1997, p. 379, nr. 7; JANSSENS, L., "De voorlopige invrijheidstelling bij uitleveringen", noot onder Cass., 18 maart 2004, R.W., 2004, DE SWAEF, M. en TRAEST, M., "Uitlevering: het advies van de kamer van inbeschuldigingstelling", Comm. Straf., nr.4.
(10)EHRM, arrest FARMAKOPOULOS t./ België, 27 maart 1992, Publ. E.C.H.R., Série A, Vol 235-A. Deze zaak had betrekking op Cass., 21 mei 1985, AR 9541, Pas, I, 1985, nr. 569, waarin geoordeeld werd dat de artikelen 5.2 en 5.4 EVRM niet de verplichting opleggen om de gearresteerde in te lichten over het rechtsmiddel dat hij kan aanwenden en over de termijnen waarbinnen dit rechtsmiddel moet worden ingesteld.
(11)EHRM, arrest KOLOMPAR t./ België, 24 september 1992, Publ. E.C.H.R., Série A, Vol 235-C.
(12)Deze zaak had betrekking op Cass., 8 okt. 1985, AR 9950, Pas., I, 1986, nr. 75.
(13)Advies van de ECRM van 26 februari 1991, nr. 72: "Le (Gouvernement) fait encore valoir que le requérant n'a pas régulièrement saisi la Cour de cassation d'un pourvoi dirigé contre l'arrêt de la chambre des mises en accusation d'Anvers, alors que cette Cour 'aurait pu modifier sa jurisprudence antérieure et reconnaître la compétence des juridictions d'instruction pour ordonner la mise en liberté d'une personne mise à la disposition du gouvernement pour être extradée, lorsque l'extradition est fondée sur le paragraphe 1 de l'article 3 de la loi du 15 mars 1874'."
(14)EHRM, arrest Quinn t./Frankrijk,, 22 maart 1995, Publ. E.C.H.R., Série A, Vol.311; zie ook EHRM, arrest Chahal t./Verenigd Koninkrijk, 15 nov. 1996, www.echr.coe.int/ech; ERGEC, R. et DOCUIR, P.-F., "La Convention européenne des droits de l'homme", Examen de jurisprudence (1995-2000), R.C.J.B, 2002, p. 137, n° 71.
(15)EHRM, arrest Sanchez-Reisse t./ Zwitserland, 21 okt. 1986; Publ. E.C.H.R., Série A, Vol. 235-A
(16)Cass., 9 nov. 1993, AR P.93.1330.N ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931109.16, A.C., 1993, nr. 456.
(17)THOMAS, F., "De uitleveringsprocedure nog steeds controversieel", Rec. Cass., 1994, p. 8.
(18)Cass., 16 dec. 1997, AR P.97.1405.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971216.12, A.C., 1997, nr. 560, R.W., 1997-98, p. 1470, telkens met concl. Adv.-gen. BRESSELEERS.
(19)Cass., 18 feb. 2003, AR P.02.1711.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030218.26, A.C., 2003, nr. 116, R.W., 2004, p. 301 met noot JANSSENS, L., "De voorlopige invrijheidstelling bij uitleveringen".
(20)Cass., 5 dec. 1995, AR P.95.1146.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951205.1, A.C., 1995, nr. 526 met noot Ph.G.
(21)JANSSENS, L., "De voorlopige invrijheidstelling bij uitleveringen", R.W., 2004, p303, nr. 6 (noot onder Cass., 18 februari 2003 (zie voetnoot 17); VERBERT, E., "Vrijheidsberoving, exequatur en mensenrechten: een voorlopige oplossing voor het definitieve karakter van de uitleveringsdetentie", R. Cass., 1997, p. 379, nr. 6.
(22)PETTITI, DECAUX en IMBERT, "La Convention européenne des droits de l'homme: commentaire article par article", p. 229 et 230; COHEN-JONATHAN, G., "La Convention européenne des droits de l'homme", p. 339; VAN DEN WYNGAERT, Chr., "Aspecten van het uitleveringsrecht" in DE NAUW, A., D'HAENENS, J. en STORME, M. (eds;) "Actuele problemen van strafrecht", XIVde Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, nr. 5.1; VANDERMEERSCH, D., "Le recours de l'étranger détenu en Belgique en vue de son extradition", J.L.M.B., 1992, 998; VAN CAENEGEM, P., "De toepasselijkheid van de mensenrechtenverdragen op de uitleveringsdetentie en - procedure in de aangezochte staat", R. Cass., 1992, 108; THOMAS, F., "De uitleveringsprocedure nog steeds controversieel", R. Cass., 1994, p. 8; VERBERT, E., "Vrijheidsberoving, exequatur en mensenrechten: een voorlopige oplossing voor het definitieve karakter van de uitleveringsdetentie", R. Cass., 1997, p. 379, nr. 7; JANSSENS, L., "De voorlopige invrijheidstelling bij uitleveringen", noot onder Cass., 18 maart 2004, R.W., 2004, DE SWAEF, M. en TRAEST, M., "Uitlevering: het advies van de kamer van inbeschuldigingstelling", Comm. Straf., nr.4.
(23)R.P.D.B., v°Extradition, nr. 73; DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4de ed., 2007, p. 1657, nr. 3865; DEMANET, G., "Du rôle de la chambre du conseil et de la chambre des mises en accusation en cas d'extradition demandée à la Belgique", Rev. dr.pén.crim., 1988, p. 275; THEYS, M., L'extradition, Novelles, Procédure pénale,I, 2, nr.82; BOSLY, H.-D., VANDERMEERSCH, D. et BEERNAERT, M.-A., Droit de la procédure pénale, 5ième ed., 2008, p. 1177.
(24)Cass., 12 maart 1855, Pas., 1855, I, p. 113; 16 mei 1949, Pas., I, 371; 23 maart 1964, Pas., 1964, I, 797; 25 april 1990, AR 8240, A.C. 1989-90, nr. 499, R.D.P., 1990, p. 967.
(25)Cass., 3 mei 1926, Pas., 1926, I, 358; 25 april 1990, AR 8240, A.C. 1989-90, nr. 499, R.D.P., 1990, p. 967; VERBERT, E., "Vrijheidsberoving, exequatur en mensenrechten: een voorlopige oplossing voor het definitieve karakter van de uitleveringsdetentie", R. Cass., 1997, p. 379, nr. 3.
(26)Mil. Ger., 31 jan. 1984, Pas., 1984, II, 108.
(27)Cass. , 22 juni 1982, AR, 7412, Pas.,, 1982, I, 1236; 18 dec. 1985, AR 4620, A.C., 1985-86, nr. 268.
(28)Cass., 14 okt. 2008, AR P.08.1329.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1, A.C., 2008, nr. ...
(29)Grondw.H., 31 juli 2008, nr. 111/2008.
(30)Het artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering werd uiteindelijk in dezelfde zin aangepast door de Wet van 16 januari 2009 (B.S. 16 januari 2009, tweede editie, p. 2764), in werking getreden op 16 januari 2009 (art. 7): het artikel 235ter Wetboek van Strafvordering is thans ook opgenomen in artikel 416, tweede lid .
(31)Artikel 5, tweede lid, Uitleveringswet maakt enkel melding van het vreemd bevel tot aanhouding, maar dit is duidelijk een vergetelheid van de wetgever: HAUS, J.J., Principes généraux du droit pénal belge, II, nr. 975, noot 3; L'extradition, Novelles, Procédure pénale,I, 2, nr.59; WINANTS, A., "Uitlevering: de voorlopige aanhouding", Comm. Straf., p. 8, nr. 4
(32)Cass., 29 sept. 1982, AR 2573, A.C., 1982-83, nr. 7; 13 nov. 1985, AR 4662, A.C., 1985-86, nr. 168; 16 jan. 1991, A.C., 1990-91, p. 515, J.L.M.B., 1991, p. 549; Rev. dr. pén. Crim., 1991, p. 621, met noot J.S.; 1 juni 1994, AR P.94.0060.F, A.C., 1994, nr. 279; 16 dec. 1997, AR P.97.1405.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971216.12, A.C., 1997, nr. 560, met conc. Adv.-gen. BRESSELEERS; 18 april 1999, AR P.99.0475.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990428.9, A.C., 1999, nr. 249; 14 aug. 2001, AR P.01.1159.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010814.2, A.C., 2001, nr. 431; WINANTS, A., "Uitlevering: de voorlopige aanhouding", Comm.Straf., nr 41; TROUSSE, P.E. en VANHALEWIJN, J., Uitlevering en internationale rechtshulp in strafzaken, A.P.R., nr. 315 en 340; JANSSENS, L., "De voorlopige invrijheidstelling bij uitleveringen", noot onder Cass., 18 maart 2004, R.W., 2004, p. 302, nr. 1; JANSSENS, L., "De voorlopige invrijheidstelling bij uitleveringen", noot onder Cass., 18 maart 2004, R.W., 2004, p. 302, nr; 2; DE SWAEF, M. en TRAEST, M., "Uitlevering: het advies van de kamer van inbeschuldigingstelling", Comm. Straf., p.7, nr.4.; DE SWAEF, M. en TRAEST, M., "Uitlevering: uitvoerbaarverklaring van het buitenlands bevel tot aanhouding", Comm. Straf., p. 12, nr. 6.
(33)MARCHAL, P., "Les référés", Rép.Not., XV, Matières diverses, boek XXIV, nr. 118 e.v.; MARCHAL, P., "De rechter in kort geding en de strafvordering", in Liber Amicorum M. Châtel, 317; STORME, M., "Het kort geding kan ook in strafzaken", in Liber Amicorum J. D'haenens, Gent, Mees & Brys, 1993, 277; DE SWAEF, M. en TRAEST, M., "Uitlevering; het advies van de kamer van inbeschuldigingstelling", Comm. Straf., p.7, nr. 4.
(34)Vz. Rb. Luik, 20 mei 1987, J.L.M.B., 1987, 1194; Kort Ged. Rb. Brussel, 13 aug. 1992, J.L.M.B., 1993 met noot KEFER, F.
(35)Luik, 3 dec. 1992, J.L.M.B., 1993, 657.
(36)Cass., 15 maart 2007, AR C.04.0505.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070315.7, A.C., 2007, nr. 137 met concl. Adv.-gen. HENKES.
(37)EHRM, arrest KOLOMPAR t./België, 24 september 1992, Publ. E.C.H.R., Série A, Vol 235-C. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090331.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931109.16 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951205.1 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971216.12 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990428.9 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010814.2 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030218.26 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070315.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div