id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090407.8 Rolnummer: P.09.0399.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-07-03 04:50 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090407.8 Fiches 1 - 2 Niettegenstaande de inwerkingtreding op 8 maart 2009 van de wet van 6 februari 2009 tot wijziging van artikel 97 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten waardoor enerzijds de termijn voor de veroordeelde om cassatieberoep in te stellen tegen een vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van vierentwintig uur te rekenen van de dag van de kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief, werd gebracht op vijftien dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis en anderzijds het cassatieberoep dient te worden ingesteld door een advocaat, is het cassatieberoep dat door de veroordeelde werd ingesteld op 10 maart 2009 tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 2 maart 2009, ontvankelijk wanneer niet blijkt op welk ogenblik van het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank aan de veroordeelde kennis werd gegeven
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Wijziging termijn en vormvoorwaarden cassatieberoep - Overgangsrecht - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank - Cassatieberoep - Wet die termijn om cassatieberoep in te stellen wijzigt - Wet die de vormvoorwaarden voor het cassatieberoep wijzigt - Overgangsrecht Fiche 3 Behoudens andersluidende bepaling is een nieuwe wet tot verlenging van de cassatietermijnen onmiddellijk toepasselijk op de uitspraken van vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, op voorwaarde dat de cassatietermijn, volgens de oude wet, niet verstreken was; die wet vindt echter geen onmiddellijke toepassing indien ze niet louter de cassatietermijn verlengt doch ook de vormvoorwaarden voor het instellen van het cassatieberoep wijzigt
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Werking in de tijd - Wet Strafuitvoering - Termijn cassatieberoep - Vormvoorwaarden cassatieberoep - Ontvankelijkheid - Artikel 97, Wet Strafuitvoering - Wet 6 februari 2009 - Toepassing Fiches 4 - 6 Conclusie van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Wijziging termijn en vormvoorwaarden cassatieberoep - Overgangsrecht - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank - Cassatieberoep - Wet die termijn om cassatieberoep in te stellen wijzigt - Wet die de vormvoorwaarden voor het cassatieberoep wijzigt - Overgangsrecht Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Werking in de tijd - Wet Strafuitvoering - Termijn cassatieberoep - Vormvoorwaarden cassatieberoep - Ontvankelijkheid - Artikel 97, Wet Strafuitvoering - Wet 6 februari 2009 - Toepassing Tekst van de conclusie P.09.0399.N Conclusie van de Heer Eerste Advocaat-generaal M. DE SWAEF [1] Deze zaak onderwerpt aan het Hof een probleem van overgangsrecht. Het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Gent waartegen door de veroordeelde cassatieberoep werd ingesteld dateert van 2 maart
- Er zou een gerechtsbrief met de beslissing zijn verstuurd naar de eiser in cassatie op 3 maart 2009; uit het dossier blijkt evenwel niet op welk ogenblik de eiser van het vonnis kennis heeft gekregen. Onder gelding van de oude wet was dit tijdstip evenwel van cruciaal belang. Immers krachtens het oude artikel 97, § 1, tweede alinea, Wet Strafuitvoering kon de veroordeelde cassatieberoep instellen binnen een termijn van vierentwintig uur, te rekenen van de dag van de kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief. Relevant was dus het ogenblik waarop de gerechtsbrief van kennisgeving van de beslissing aan de geadresseerde was aangeboden; vanaf dan begon de termijn van vierentwintig uur te lopen waarbinnen het cassatieberoep moest worden ingesteld (zie Cass., 23 januari 2008, P.07.1908.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080123.6, A.C., 2008, nr. 54). [2] De wet van 6 februari 2009 tot wijziging van artikel 97 van de wet van 16 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (BS 26 feburari 2009, Ed. 2) wijzigde de bepaling van artikel 97, § 1 in de zin dat de termijn voor de veroordeelde om cassatieberoep in te stellen tegen een vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank vijftien dagen bedraagt, te rekenen van de uitspraak van het vonnis (zie artikel 2, 2° van de wet van 6 februari 2009). Die wet bepaalt geen overgangsmaatregelen en evenmin is voorzien in een specifieke bepaling inzake de inwerkingtreding ervan, hetgeen met zich meebrengt dat deze nieuwe wetsbepaling van kracht is geworden op 8 maart
- Voor procedurebepalingen geldt het algemeen principe van de onmiddellijke toepassing ervan op de hangende procedures. Evenwel moet ingevolge de rechtspraak van het Hof voorbehoud worden gemaakt voor het geval de nieuwe wet het stelsel van rechtsmiddelen betreft. [3] Inderdaad, bij arrest van 10 juni 1998 werd geoordeeld dat, in geval van wijziging van de wetgeving betreffende de rechtsmiddelen, de wet die van kracht is op de dag van de uitspraak van het vonnis, behoudens andersluidende bepaling, de rechtsmiddelen regelt die daartegen openstaan (AR P.08.0549.F, Arr. Cass. 1998, nr. 300). In dat geval betrof het een cassatieberoep tegen een beslissing van de commissie tot bescherming van de maatschappij waarbij het verzoek om invrijheidstelling van een geïnterneerde was afgewezen; uit dit arrest volgt dat de onmiddellijke toepassing van een nieuwe wet, waarin de mogelijkheid wordt voorzien om ten gunste van de geïnterneerde hoger beroep in te stellen bij de hoge commissie tegen de beslissingen van de commissies tot bescherming van de maatschappij, niet tot gevolg kan hebben dat die geïnterneerde onrechtstreeks het recht wordt ontzegd om cassatieberoep in te stellen, welk recht hij, krachtens de oude wet, genoot op het ogenblik dat de beslissing in laatste aanleg werd gewezen. De bijzonderheid was dat onder gelding van de oude wetgeving geen hoger beroep mogelijk was doch enkel een cassatieberoep zodat het onmiddellijk toepassen van de nieuwe wet (met de mogelijkheid van hoger beroep) tot gevolg zou hebben gehad dat het cassatieberoep niet ontvankelijk was want ingesteld tegen een beslissing die niet in laatste aanleg was gewezen, dus zonder dat eerst het rechtsmiddel van het hoger beroep was aangewend. De nieuwe wet die het rechtsmiddel van hoger beroep invoerde trad in werking op 28 maart 1998 terwijl de uitspraak waartegen cassatieberoep was ingesteld van 26 maart 1998 dateerde; op het moment van die uitspraak was dus enkel cassatieberoep mogelijk. Op vergelijkbare wijze besliste het Hof in een arrest van 30 juni 1998 dat, waar wijzigende wetten betreffende de rechtspleging in beginsel onmiddellijk van toepassing zijn op de reeds hangende procedures, een nieuwe wet die de regeling met betrekking tot de rechtsmiddelen en de aanleg wijzigt, alleen van toepassing is op beslissingen die werden gewezen nadat de nieuwe wet in werking is getreden (AR P.98.0728.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980630.9, Arr. Cass. 1998, nr. 352). Hier ging het om een cassatieberoep tegen een beslissing van de commissie tot bescherming van de maatschappij van 11 mei 1998; op dat moment was de nieuwe wet die het rechtsmiddel van het hoger beroep invoerde, dus wel reeds van kracht. [4] Ook in een arrest van 6 oktober 1999 werd de regel dat in geval van wijziging van de wetgeving betreffende de rechtsmiddelen, de wet die van kracht is op de dag van de uitspraak van het vonnis, de rechtsmiddelen die daartegen openstaan regelt, behoudens andersluidende bepaling, herhaald (AR P.99.1274.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991006.11, Arr. Cass. 1999, nr. 512). In casu ging het om een hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer conform artikel 135 Strafvordering. [5] In een arrest van 31 oktober 2007 werd tenslotte geoordeeld dat een nieuwe wet betreffende de rechtspleging die de regeling met betrekking tot het stelsel van de rechtsmiddelen wijzigt, behoudens afwijkende bepaling, alleen van toepassing is op beslissingen die worden gewezen nadat de nieuwe wet in werking is getreden (AR P.07.1401.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071031.3). In die zaak ging het om een onmiddellijk cassatieberoep dat op 7 september 2007 was ingesteld door een minderjarige tegen een beslissing van uithandengeving; dat cassatieberoep was gericht tegen een arrest op 27 augustus 2007 gewezen en dus voor de inwerkingtreding (op 1 oktober 2007) van de wet van 13 juni 2006 waarbij artikel 416, tweede lid, Strafvordering werd aangevuld in die zin dat ook een onmiddellijk cassatieberoep tegen arresten van uithandengeving mogelijk is. In toepassing van de regel dat het ogenblik van de uitspraak bepalend is - met andere woorden de uitspraak vond plaats op een ogenblik waarop de nieuwe wet nog niet van kracht was - werd dan ook geoordeeld dat geen onmiddellijk cassatieberoep mogelijk was en dat het onmiddellijk ingestelde cassatieberoep derhalve niet ontvankelijk was. Deze regel werd overigens ook in andere zaken dan strafzaken toegepast, onder meer in sociale zaken (zie: Cass. 24 januari 1983, Arr. Cass. 1982-83, nr. 300). [6] Kortom, de rechtspraak dat de wetgeving die van toepassing is op het moment van de uitspraak determinerend is wanneer er sprake is van een wijziging met betrekking tot het stelsel van de rechtsmiddelen blijkt stevig verankerd te zijn(R. DECLERCQ, Eléments de procédure pénale, Brussel, Bruylant, 2006, nr. 20). Toch wijst DECLERCQ op een nuancering in geval van een wet die de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel wijzigt: "Si la loi nouvelle restreint les possibilités de recours en réduisant le délai, elle ne s'applique pas aux décisions déjà rendues au moment de sa mise en vigueur. En revanche, la loi qui augmente le délai s'applique immédiatement aux décisions déjà rendues sauf si, lors de l'entrée en vigueur de la nouvelle loi, le délai fixé par l'ancienne loi, était déjà expiré. Cette règle ne s'applique toutefois pas s'il ressort du texte de la loi ou des travaux préparatoires que l'intention du législateur (...) était de limiter l'application du délai nouveau plus long aux décisions déjà rendues au moment de l'entrée en vigueur de la loi nouvelle" (R. DECLERCQ, Eléments de procédure pénale, Brussel, Bruylant, 2006, nr. 20). [7] Deze nuancering volgt ook uit cassatierechtspraak; in een arrest van 27 april 1982 werd geoordeeld dat, behoudens andersluidende bepaling een nieuwe wet tot verlenging van de cassatietermijn onmiddellijk toepasselijk is op de uitspraken van vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, op voorwaarde dat de cassatietermijn, volgens de oude wet, niet verstreken was (Cass. 27 april 1982, Arr. Cass. 1981-82, nr. 494). In een ander arrest van dezelfde datum werd geoordeeld dat, behoudens andersluidende bepaling een nieuwe wet tot verlenging van de appeltermijn onmiddellijk toepasselijk is op de uitspraken van vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, op voorwaarde echter dat dàn de uitspraak, volgens de oude wet nog geen kracht van gewijsde had (Cass. 27 april 1982, Arr. Cass. 1981-82, nr. 496). In een noot getekend R.D. onder het eerst vermelde arrest van 27 april 1982 werd erop gewezen dat het Hof vaak een algemene formule gebruikte, zonder enig onderscheid te maken tussen een nieuwe wet tot verlenging van de termijn en een wet tot verkorting ervan, en in het algemeen heeft gezegd dat de wet die van kracht is op de dag van de uitspraak de aard ervan bepaalt en de rechtsmiddelen regelt; in die noot wordt vastgesteld dat de "koppen" voor de bedoelde arresten waarin die regel werd geformuleerd, een meer algemene draagwijdte hebben dan de arresten zelf en dat het immers telkens de vraag betrof of de nieuwe wet al dan niet het recht van een partij om een rechtsmiddel aan te wenden kon beperken (zie de noot in Arr. Cass. 1982-82, 1029). [8] Bij toepassing van deze rechtspraak van 27 april 1982 (in het bijzonder het eerste arrest van die datum), moet vooreerst in casu worden vastgesteld dat de termijn van het cassatieberoep door de wet van 6 februari 2009 wordt verlengd (van vierentwintig uur naar 15 dagen) derwijze dat de regel uit de arresten van 27 april 1982 ook toepassing kan vinden. Verder is, opdat de nieuwe wet van toepassing is, wel vereist dat de (oude) cassatietermijn nog niet verstreken was. Nu niet blijkt op welk ogenblik van het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank kennis werd gegeven aan de betrokkene en dus - onder vigueur van de oude wet nog niet blijkt of de cassatietermijn was verstreken - zou dit moeten betekenen dat op het moment van de inwerkingtreding van de wet van 6 februari 2009 op 8 maart 2009 de nieuwe wet toch reeds van toepassing is, tenminste in zoverre deze wet de termijn voor het instellen van het cassatieberoep verlengt. Toepassing van de nieuwe wet conform de arresten van 27 april 1982 brengt aldus met zich mee dat het cassatieberoep dat werd ingesteld op 10 maart 2009 derhalve nog tijdig zou zijn, nu deze wet de termijn voor het instellen van het cassatieberoep verlengt (vijftien dagen te rekenen van de uitspraak). [9] Er is echter meer. De nieuwe wet verlengt niet alleen de termijn waarover men beschikt om cassatieberoep in te stellen, doch houdt ook een verstrenging van de vormvoorwaarden voor het instellen van het cassatieberoep in, aangezien het rechtsmiddel voortaan slechts kan worden ingesteld door een advocaat (zie art. 2, 3°, van de wet van 6 februari 2009). De vraag rijst dan ook of de regel van de arresten van 27 april 1982 zonder meer en wel onverkort kan worden toegepast indien de ingevolge die regel van toepassing zijnde nieuwe wet niet alleen de termijn voor het instellen van het cassatieberoep verlengt, doch ook de vormvoorwaarden verstrengt; dit laatste komt in zekere zin neer op een verzwaring van de toestand van de verzoeker. Is dit geen argument om in dat geval tóch niet terug te grijpen naar de eerste vermelde rechtspraak van het Hof zoals die onder meer tot uiting kwam in de arresten van 10 en 30 juni 1998? In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 27 april 1982 (nr. 494) was de bepaling van artikel 1 van de wet van 15 juni 1981 tot wijziging van de termijnen van beroep in strafzaken en van de termijn waarin over het hoger beroep uitspraak wordt gedaan ter terechtzitting in dezelfde zaken (BS 27 juni 1981) aan de orde; die bepaling verlengde de termijn voor het instellen van, onder meer, het cassatieberoep van tien tot vijftien dagen. Voor het overige had de wet van 15 juni 1981 geen betrekking op de cassatieprocedure. [10] Gelet op het voorgaande lijkt het wenselijk de regel van de arresten van 27 april 1982 te nuanceren in die zin dat, behoudens andersluidende bepaling, een nieuwe wet tot verlenging van de cassatietermijnen onmiddellijk toepasselijk is op de uitspraken van vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, op voorwaarde dat de cassatietermijn, volgens de oude wet, niet verstreken was; die wet vindt echter geen onmiddellijke toepassing indien ze niet louter de cassatietermijn verlengt doch ook de vormvoorwaarden voor het instellen van het cassatieberoep wijzigt. Deze nuancering zou betekenen dat het cassatieberoep in dit geval toch zou moeten worden beoordeeld aan de hand van de oude wet. Nu te dezen niet blijkt op welk ogenblik van het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank kennis werd gegeven aan de betrokkene, zou dit meebrengen dat het door de gedetineerde zonder bijstand van een advocaat op 10 maart 2009 ingestelde cassatieberoep toch ontvankelijk is. [11] Het voorgaande samenvattend kan besloten worden tot de ontvankelijkheid van het ingestelde cassatieberoep zowel onder gelding van de regel van de arresten van het Hof van 10 en 30 juni 1998 als onder gelding van de regel die uit de arresten van 27 april 1982 voortvloeit, met een verfijning van die regel ten aanzien van een nieuwe wet die niet enkel de termijn voor het instellen van het cassatieberoep verlengt doch ook de vormvoorwaarden voor het instellen van het cassatieberoep verstrengt; de toepassing van de nieuwe wet kan dan enkel gelden in zoverre deze de termijn voor het instellen van het cassatieberoep verlengt doch niet in zoverre deze de vormvoorwaarden verstrengt. Aldus blijkt het cassatieberoep van de eiser in alle geval ontvankelijk omdat niet blijkt op welk ogenblik van het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank werd kennis gegeven. De eiser voert geen cassatiemiddelen aan; er zijn er evenmin ambtshalve voor te stellen. Conclusie: verwerping. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090407.8 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980630.9 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991006.11 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071031.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080123.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div