id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090420.4 Rolnummer: D.09.0001.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-05-25 Raadplegingen: 457 - laatst gezien 2026-07-02 23:51 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090420.4 Fiche 1 Doordat er in een rechtscollege of korps nooit "een persoon van minstens gelijke rang" aan die van de korpschef bestaat, kan de bepaling dat ook zodanige persoon het door deze korpschef, bevoegde tuchtoverheid, met betrekking tot de feiten die in aanmerking komen om te worden gestraft met een lichte straf, te voeren tuchtonderzoek, kan voeren, enkel beogen dat dit tuchtonderzoek ook gevoerd kan worden door een persoon van minstens dezelfde rang als degene tegen wie de tuchtprocedure is ingesteld
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE TUCHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Tuchtoverheid - Tuchtonderzoek - Persoon van minstens gelijke rang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 411 Fiches 2 - 3 Tenzij het tegendeel is bewezen, is de rechter onpartijdig en onafhankelijk; het volstaat niet dat een partij beweert dat zij een subjectieve twijfel heeft omtrent de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de rechter, om daaruit te besluiten dat het bewezen is dat er een schijn van partijdigheid is of dat de rechter niet onafhankelijk en niet onpartijdig is
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. en Cass., 28 juni 1979, A.C., 1978-1979, 1319. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter Fiche 4 Wanneer het advies van de Nationale Tuchtraad mede is verleend door een lid dat niet aanwezig was op de zitting waarop een lid van een rechtbank van eerste aanleg, tegen wie het tuchtonderzoek werd ingesteld, werd gehoord, vernietigt het Hof, dat in verenigde kamers uitspraak doet over het hoger beroep van de betrokkene tegen de beslissing die hem een zware straf oplegt, dat advies en maakt het de zaak opnieuw aanhangig bij de Nationale Tuchtraad, anders samengesteld, om een nieuw advies te geven, dat hij aan het Hof zal overmaken
(1).
(1)Zie de (op dit punt strijdige) concl. van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE TUCHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Tuchtonderzoek - Nationale tuchtraad - Advies - Onregelmatigheid Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE TUCHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Tuchtoverheid - Tuchtonderzoek - Persoon van minstens gelijke rang Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE TUCHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Tuchtonderzoek - Nationale tuchtraad - Advies - Onregelmatigheid Tekst van de conclusie D.09.0001.N Conclusie van de heer advocaat-generaal G. Dubrulle: (...) Gegrondheid van het hoger beroep - onderzoek van de grieven (de titels en de nummering van de (aangetekende) brief (van de appellant) worden gevolgd)
- DE ONREGELMATIGHEID VAN HET TUCHTONDERZOEK 1 .
- Het tuchtonderzoek gevoerd door ondervoorzitter (V.) A. Miskenning van artikel 411, § 1, Ger.W. Dit artikel bepaalt: "Behoudens de magistraat bedoeld in artikel 410, § 2, die de zaak overzendt aan de tuchtoverheid van de betrokken griffier, voeren de bevoegde tuchtoverheid bedoeld in artikel 410, § 1, of een persoon van minstens gelijke rang die zij in hun eigen korps aanwijzen of de korpschef van het hogere niveau, het tuchtonderzoek met betrekking tot de feiten die in aanmerking komen om te worden gestraft met een lichte straf." De appellant voert aan dat de interpretatie, door het bestreden arrest, in de zin dat hiermee wordt bedoeld een persoon van minstens gelijke rang als de persoon tegen wie de tuchtprocedure is ingesteld, de tekst geweld aandoet en dat het getrapte verloop van de tuchtprocedure daartoe ook geen grond biedt. Ook al is die wettekst niet anders te lezen dan als door de appellant vooropgesteld (d.i.: "van minstens gelijke rang als de bevoegde tuchtoverheid"), samen met het hof van beroep moet worden besloten dat hij, in deze lezing, niet werkbaar is omdat geen persoon van die gelijke rang in het korps bestaat. De verwerping van dit middel door het hof van beroep lijkt me evenwel naar recht verantwoord op grond van het getrapte verloop van de tuchtprocedure alsook op grond van het toepasselijk artikel 90, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (Tweede Deel, Boek I, Titel I, Hoofdstuk II, Afdeling VIII: "Dienst"), krachtens hetwelk de voorzitter belast is met de organisatie van de werkzaamheden en de verdeling van de zaken overeenkomstig het reglement van de rechtbank en een of meer ondervoorzitters kan aanwijzen om hem bij te staan. Deze mogelijkheid tot delegatie is dus algemeen. Wat het tuchtrecht betreft wijkt het artikel 410, § 1, aanhef en 1°, vierde streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk de voorzitter de tuchtoverheid is om een tuchtprocedure in te stellen ten aanzien van de leden van de rechtbank, hiervan niet af. Het is alsof de voorzitter zichzelf als onderzoeker heeft aangewezen. De wetgever vond trouwens de cumulatie van functies een manier om de korpschefs hun verantwoordelijkheid te laten opnemen
(1). Hoe dan ook, de aangewezen ondervoorzitter, Mevrouw (V.), is hoger in rang dan de appellant, wat zeker in overeenstemming is met de geest van de wet: indien de aanwijzing van een persoon "van minstens gelijke rang als de persoon tegen wie de tuchtprocedure is ingesteld" daaraan niet zou voldoen, is dat alleszins wel het geval voor de "hiërarchisch meerdere". Deze aanwijzing voldoet ook aan de zorg voor onpartijdigheid en onafhankelijkheid, zoals gewaarborgd door artikel 6.1. E.V.R.M (dat nochtans deze cumulatie van functies niet verhindert
(2)): tuchtoverheid en onderzoeker zijn verschillende personen. Op goede grond verwijst het bestreden arrest naar de verantwoording voor het amendement van de minister op artikel 11 van het wetsontwerp betreffende artikel 411 van het Gerechtelijk Wetboek, naar luidt waarvan "de bevoegde tuchtoverheid er momenteel reeds voor (zorgt) dat zij een 'onderzoeksmagistraat' aanwijst, zich hierbij houdend aan de principes van onafhankelijkheid en onpartijdigheid (zie Cass., 4 maart 1993, Pas, nr. 1526, p. 242) (amendement nr. 4, DOC 50 1553/003)"
(3). Tenslotte heeft de appellant klaarblijkelijk, lopend het onderzoek, tegen deze aanwijzing geen bezwaar geopperd. B. Miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid De appellant meent dat Mevrouw (V.), die, zoals andere collega's, eind december 2006, zeven van de aan de appellant onttrokken zaken diende op te vangen en begin juli 2007 aangewezen werd om het tuchtonderzoek te voeren, dit onderzoek daarom niet objectief kon voeren en minstens een schijn van partijdigheid heeft gewekt. De bestreden beslissing gaat niet uit van een "actief bestuursorgaan", noch van de strafrechter, zodat deze vergelijkingen niet dienend zijn. De appellant steunt deze grief op de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 30 januari 2008 en het advies van de Nationale Tuchtraad van 23 juni 2008, die vermelden dat, door de herverdeling van zaken, na onttrekking, de appellant bij zijn collega's, waaronder de onderzoekende ondervoorzitter, elk krediet verloor. Het bestreden arrest oordeelt terecht dat de appellant hierover tijdens dit onderzoek geen opmerkingen formuleerde. Allerminst was er sprake van - voor zover mogelijk - een wraking van de onderzoekende magistraat wegens wettige verdenking. En thans is de kritiek een louter subjectieve doch niet gefundeerde bewering. 1.
- Het advies van de Nationale Tuchtraad De appellant voert aan dat de bestreden beslissing nietig is omdat ze aangetast is door de nietigheid van het advies van de Nationale Tuchtraad. Volgens zijn "dictum" werd het advies door de erin vermelde leden "uitgebracht" op 23 juni 2008 en ondertekend door de plaatsvervangend voorzitter en secretaris, zonder dat daarvan een proces-verbaal is opgesteld, terwijl het artikel 419, achtste lid, van het Gerechtelijk Wetboek dit inderdaad niet oplegt. Uit dit advies blijken niet de door de appellant gemaakte gevolgtrekkingen. Sub 1.
- hierna zal blijken dat het de tuchtoverheid hoe dan ook niet toekomt de regelmatigheid van dit advies te toetsen. Artikel 779 Gerechtelijk Wetboek, noch artikel 6 EVRM, waarnaar de appellant verwijst, zijn "per analogie" toepasselijk op een orgaan zonder rechtsprekende doch met louter adviserende functie. Het blijkt overigens ook niet dat de appellant de thans aangevoerde onregelmatigheden voor het hof van beroep heeft opgeworpen. (...) 1.4 Gevolgen van de onregelmatigheden De appellant voert thans ook voor het eerst aan "dat de tuchtprocedure niet regelmatig aanhangig is gemaakt bij de tuchtoverheid", zodat er, ook na vernietiging van de bestreden beslissing om die reden, geen grond meer is om verder uitspraak te doen. Het artikel 419, achtste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt: "In alle gevallen, waarin een zaak bij de Nationale Tuchtraad aangebracht werd, maakt hij deze aanhangig bij de overheid bevoegd om een zware straf van de eerste graad op te leggen en bezorgt deze tuchtoverheid het dossier en zijn advies aangaande de eventueel op te leggen straf". Het elfde lid bepaalt: "Indien de overheid bevoegd voor het opleggen van een zware straf van de eerste graad van oordeel is dat een zware straf van de tweede graad moet wordt opgelegd, zendt zij het dossier over aan de overheid bevoegd om een zware straf van de tweede graad op te leggen". Volgens de niet betwiste vaststelling van het bestreden arrest, werd de tuchtvordering ingesteld bij vordering (resp. aanvullende vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent in toepassing van artikel 410, § 4 (resp. §1) van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 410, § 4 luidt: "Het openbaar ministerie kan een tuchtprocedure aanhangig maken bij elke tuchtoverheid bedoeld in dit artikel". Hieruit blijkt dat aan deze terminologie geen bijzondere vaste betekenis werd gegeven wat betreft de saisine door en van de verscheidene overheden in diverse stadia van de procedure. De wet voorziet ook geen rechtsmiddel tegen een advies van de Nationale Tuchtraad, noch een bevoegdheid van de tuchtoverheid om de regelmatigheid te beoordelen van de wijze waarop dit advies is totstandgekomen, dan wel enkel om vast te stellen dat de wettelijke procedure werd gevolgd: dat het advies inderdaad, zoals wettelijk voorgeschreven, verleend werd, dat de zaak bij haar aanhangig gemaakt werd en dat het dossier haar werd bezorgd. In het (door de appellant ingeroepen) arrest van het Hof, Verenigde Kamers, van 4 oktober 2007 (A.R. D.07.0001.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071004.6) is vastgesteld dat de (toepasselijke) procedure niet werd gevolgd, zodat de saisine van de tuchtoverheden onregelmatig was. Waar het overigens enkel een niet bindend advies betreft kan het "dictum" van de Nationale Tuchtraad allerminst als een "verwijzingsbeslissing" die de tuchtoverheid "vat" worden beschouwd. Zelfs bindende verwijzingsbeslissingen kunnen door de feitenrechter niet getoetst worden. Zo oordeelt het Hof in het arrest van 4 maart 2008 (A.R. P.07.1782.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080304.18), in strafzaken: "De feitenrechter heeft geen rechtsmacht zich uit te spreken over de rechtsgeldigheid van de beslissingen van de onderzoeksgerechten die oordelen over de verwijzing en de regelmatigheid van de rechtspleging; de feitenrechter naar wie een beklaagde verwezen is, kan enkel het bestaan van de verwijzingsbeschikking vaststellen." In dezelfde opvatting oordeelt het Hof, heel recentelijk, in een arrest van 3 maart 2009 (o.m. A.R. P.09.0076.N), m.b.t. het artikel 235ter, § 1, van het Wetboek van Strafvordering (dat bepaalt: "De kamer van inbeschuldigingstelling is belast met de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie."): "Een vonnisgerecht heeft niet de rechtsmacht om de regelmatigheid van de beslissingen van het onderzoeksgerecht rechtstreeks of onrechtstreeks te onderzoeken of te beoordelen. Eens de kamer van inbeschuldigingstelling de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie heeft gecontroleerd, bindt haar beslissing het vonnisgerecht. Dit houdt in dat, ook al is de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling aangetast door een onregelmatigheid omdat er geen tegenspraak zou geweest zijn, het vonnisgerecht die onregelmatigheid niet mag betrekken in zijn oordeel." A fortiori kan de toetsing van een advies in tuchtzaken niet verder gaan. (...) Conclusie: het hoger beroep is ontvankelijk, doch ongegrond; het bestreden arrest dient te worden bevestigd. _____________
(1)Parl. St., Kamer, DOC 50 1553/001, 15 (wetsontwerp).
(2)Parl. St., Kamer, DOC 50 1553/007, 22-23.
(3)Ibid. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090420.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071004.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080304.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div