id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090508.3 Rolnummer: F.08.0012.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-06-10 Raadplegingen: 272 - laatst gezien 2026-07-02 23:34 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090508.3 Fiches 1 - 2 Als schadevergoeding wegens het laattijdig doorstorten van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting, kan slechts wettelijke interest worden toegekend vanaf de betekening van de dagvaarding indien voordien geen aanmaning tot betaling is gebeurd
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling Vrije woorden: Aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting - Verplichting tot doorstorting - Vertraging in de uitvoering - Schadevergoeding - Wettelijke interest - Berekening Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1153, eerste lid Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 464, 469 en 470 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Thesaurus CAS: VERBINTENIS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling Vrije woorden: Betalen van een geldsom - Doorstorting van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting - Vertraging in de uitvoering - Schadevergoeding - Wettelijke interest - Berekening Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1153, eerste lid Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 464, 469 en 470 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling Vrije woorden: Aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting - Verplichting tot doorstorting - Vertraging in de uitvoering - Schadevergoeding - Wettelijke interest - Berekening Thesaurus CAS: VERBINTENIS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling Vrije woorden: Betalen van een geldsom - Doorstorting van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting - Vertraging in de uitvoering - Schadevergoeding - Wettelijke interest - Berekening Tekst van de conclusie F.08.0012.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. De feiten en procedurevoorgaanden. De belastingadministratie heeft een gedeelte van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting met jaren vertraging doorbetaald aan een hele reeks gemeenten. In voorliggend geval heeft de stad Oostende schadevergoeding gevorderd wegens de laattijdige doorstorting en de terugbetaling van de op grond van artikel 470 verschuldigde vergoeding voor administratiekosten geëist omdat er een schending van het gelijkheidsbeginsel zou zijn. In eerste aanleg werd de vordering van de verweerster afgewezen. De appelrechters hebben daarentegen geoordeeld dat de eiser de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting niet binnen een redelijke termijn heeft doorbetaald en hebben de eiser veroordeeld tot betaling aan de verweerster van een som van 162.435,45 EUR, meer de gerechtelijke interesten vanaf de uitspraak als schadevergoeding wegens het laattijdig doorstorten van de aanvullende belasting. Over de vordering tot terugbetaling van de aangerekende vergoeding voor administratiekosten, hebben de appelrechters nog geen uitspraak gedaan, maar een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof. II. De voorziening in cassatie. II.
- De eiser komt niet op tegen de beslissing van de appelrechters dat de eiser de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting niet binnen een redelijke termijn heeft doorbetaald en aldus een fout heeft begaan. De bestreden beslissing heeft bij zijn beslissing dat de laattijdige doorstorting een fout uitmaakt, zorgvuldig de regels in acht genomen die blijken uit het cassatiearrest van 27 oktober 2006 (A.R. C.03.0584.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.1). II.
- De eiser betwist wel dat de appelrechters in strijd met artikel 1153 B.W. vergoedende interesten op grond van artikel 1382 B.W. kon toekennen (eerste onderdeel) en dat de appelrechters wettelijke interest konden toekennen vanaf het ogenblik waarop zij de redelijke termijn overschreden achten, terwijl artikel 1153, derde lid bepaalt dat de wettelijke interest verschuldigd is vanaf de dag van de aanmaning tot betaling (tweede onderdeel). Krachtens artikel 1153 B.W. bestaat de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering van een verbintenis die alleen betrekking heeft op de betaling van een bepaalde geldsom, nooit in iets anders dan de wettelijke interest behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen (eerste lid) en is de wettelijke interest verschuldigd te rekenen van de dag der aanmaning tot betaling (derde lid). De appelrechters oordelen dat de (wettelijke) verbintenis van de eiser om de aanvullende belasting door te betalen een verbintenis is die betrekking heeft op de betaling van een bepaalde geldsom zodat artikel 1153 B.W. in beginsel van toepassing is op de begroting van de schadevergoeding. De appelrechters oordelen dat artikel 1153 B.W. niet alleen van toepassing is op contractuele verbintenissen, maar ook op de wettelijke verbintenis van de eiser om de aanvullende gemeentebelasting door te storten (in die zin ook L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Intersentia, 2000, 567, nr. 450; I. DURANT en N. VERHEYDEN-JEANMART, "Dommages et intérêts judiciaires" in Les sanctions de l'inexécution des obligations contractuelles, M. FONTAINE en G. VINEY (ed.), Bruylant, 2001, 334.J. PETIT, "Interest" in A.P.R., Story, 19958, 38, nr. 40 die verwijst naar het andersluidende maar voorbijgestreefde cassatiearrest van 11 mei 1923, Pas. 1923, I, 303 (zie o.m. Cass. 25 november 1991, A.R. 9239, nr. 162; B. DE TEMMERMAN, "Interest bij schadevergoeding uit wanprestatie en onrechtmatige daad. Een stand van zaken, tevens aanleiding tot een kritische beschouwing over de grondslagen van het Belgische schadevergoedingsrecht" T.P.R. 1999, 1295); N. SIMAR, "Le régime légal de l'évaluation du dommage" in Responsabilités. Traités théoriques et pratiques, Kluwer, losbl., Livre 50 -40, nr. 72). De appelrechters stellen vast dat de verweerster nooit -voor de dagvaarding op 16 september 2004- heeft geprotesteerd tegen de laattijdige betaling. Aldus stellen de appelrechters vast dat er geen aanmaning is geweest. Desondanks willigen de appelrechters de vordering van de verweerster in om op de achterstallige aanvullende belasting wettelijke interest toe te kennen vanaf 1 januari
- Zij oordelen dat op dat ogenblik de redelijke termijn voor doorstorting verstreken is, zodat de Staat van dan af de algemene zorgvuldigheidsplicht schendt. Deze beslissing lijkt mij inderdaad in strijd met artikel
- Beide onderdelen komen dan ook gegrond voor zodat er aanleiding toe bestaat om het bestreden arrest in zoverre te vernietigen. II.
- De redenering van de appelrechters om ondanks de afwezigheid van een aanmaning toch schadevergoeding gelijk aan de wettelijke interest toe te kennen vanaf het ogenblik waarop de redelijke termijn voor de doorbetaling volgens de appelrechters is verstreken, en dus voor een periode vóór de aanmaning (bij dagvaarding) interest toe te kennen, lijkt mij niet verantwoord. De appelrechters gaan ervan uit dat artikel 1153 B.W. niet belet om interest toe te kennen vóór de aanmaning indien de laattijdige betaling een fout in de zin van artikel 1382-1383 B.W. uitmaakt. Het klopt dat artikel 1153 B.W. niet van toepassing is op een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad (Cass. 18 juni 1981, A.C. 1980-81, nr. 603; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, III/2, Bruylant, 1967, 136; B. DE TEMMERMAN, "Interest bij schadevergoeding uit wanprestatie en onrechtmatige daad. Een stand van zaken, tevens aanleiding tot een kritische beschouwing over de grondslagen van het Belgische schadevergoedingsrecht" T.P.R. 1999, 1297; C. BIQUET-MATHIEU, "Aspects de la réparation du dommage en matière contractuelle" in Les obligations contractuelles, Editions du jeune barreau de Bruxelles, 2000, 469). De verbintenis uit onrechtmatige daad is immers geen geldschuld als bedoeld in artikel 1153 B.W. maar een waardeschuld die door de rechter moet ingevuld worden. De verbintenis strekt initieel niet tot betaling van een som geld. Bij schadevergoeding uit onrechtmatige daad is de hoofdschuld zich van die daad onthouden, een verbintenis om iets te laten, waarvan de niet-uitvoering door een geldelijke vergoeding enigszins wordt goedgemaakt. Verbintenissen tot vergoeding van schade (ingevolge wanprestatie, onrechtmatige daad of onteigening) waarvan de geldsom niet numeriek bepaald is, noch volgens berekeningsgrondslagen bepaalbaar, worden niet meer beschouwd als geldschulden (B. DE TEMMERMAN, "Interest bij schadevergoeding uit wanprestatie en onrechtmatige daad. Een stand van zaken, tevens aanleiding tot een kritische beschouwing over de grondslagen van het Belgische schadevergoedingsrecht" T.P.R. 1999, 1301, nr. 17). Artikel 1153 voorziet rechtstreekse uitvoering van een verbintenis om geld te geven. Het gegeven geld zal dus nooit een vergoeding zijn, maar het voorwerp zelf van de verbintenis. De enige vraag is te weten wanneer dat geld zal gegeven worden: op tijd of te laat? In dit laatste geval voegt artikel 1153 bij de rechtstreekse uitvoering, een vergoeding wegens vertraging, en daarmee uit (R. DEKKERS, Handboek Burgerlijk Recht, III, Intersentia, 2007, 232, nr. 393). In casu oordelen de appelrechters uitdrukkelijk dat de schuld van de eiser om de aanvullende belasting door te betalen een geldschuld is, waarop artikel 1153 B.W. in beginsel van toepassing is. Hoewel het Hof zich daarover niet uit te spreken heeft, is dit oordeel van de appelrechters mijns inziens gegrond. De verplichting voor de Staat om de aanvullende gemeentebelasting door te storten is een wettelijke verplichting op grond van artikel 469 WIB
- Het door te storten bedrag is door het gemeentelijk belastingreglement vastgesteld op een bepaald percentage van de personenbelasting. De verbintenis strekt primair tot betaling van een geldsom. De omvang van de verbintenis ligt reglementair vast en hoeft niet door de rechter geraamd te worden, zoals wel het geval is bij aansprakelijkheidsvorderingen, waarvan de begroting aan de wijsheid van de partijen en de rechter is opgedragen (cf. L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Intersentia, 2000, 567, nr. 450). Een geldschuld strekt initieel tot betaling van een som geld en kan geen aanleiding geven tot vergoedende interesten maar enkel tot moratoire interesten op grond van artikel 1153 B.W. (H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, III/2, Bruylant, 1967, 170). Die moratoire interesten zijn verschuldigd vanaf de aanmaning. Door de schuld van de eiser (terecht) als een geldschuld te kwalificeren en toch vergoedende interesten toe te kennen voor een periode voor de aanmaning, schenden de appelrechters artikel 1153 B.W. De redenering van de appelrechters holt artikel 1153 B.W. volledig uit: Als de laattijdige uitvoering van de verbintenis om een geldsom te betalen een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsplicht uitmaakt, is artikel 1382 B.W. van toepassing en kan een volledige schadevergoeding worden toegekend die hoger ligt dan de forfaitaire schadevergoeding van artikel 1153 B.W. Mijns inziens maakt de laattijdige uitvoering van een contractuele of wettelijke verbintenis tot betaling van een geldsom bijna steeds een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsplicht uit. De goede huisvader betaalt zijn contractuele en wettelijke schulden immers tijdig. Enkel indien de laattijdige betaling aan een vreemde oorzaak buiten de schuldenaar te wijten is, is er geen inbreuk op de zorgvuldigheidsplicht, maar dan is er ook geen fout en dus geen aanleiding om schadevergoeding toe te kennen. Artikel 1153 B.W. met zijn forfaitaire schadevergoeding zou in die interpretatie telkens opzij kunnen worden geschoven door de schuldeiser die laattijdig werd betaald en zou dus vrijwel volledig uitgehold worden. II.
- De appelrechters zijn van oordeel dat integrale schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W. kan worden toegekend indien er geen betalingstermijn is vastgesteld door de wet en de betaling niet binnen een redelijke termijn is gebeurd. Deze redenering van de appelrechters leidt tot het nefaste gevolg dat de schuldenaar op grond van artikel 1153 B.W. slechts forfaitaire schadevergoeding vanaf de aanmaning verschuldigd is indien de betalingstermijn in het contract of de wet is vastgelegd, terwijl de schuldenaar reeds vóór de aanmaning integrale schadevergoeding verschuldigd is vanaf het ogenblik waarop de redelijke termijn is overschreden, ingeval de betalingstermijn niet in het contract of de wet is vastgelegd. De redenering van de appelrechters gaat dan ook niet op. De omstandigheid dat de Staat niet binnen een bepaalde termijn de aanvullende gemeentebelasting moet doorstorten heeft tot gevolg dat de doorstorting die geruime tijd na de inning van de personenbelasting gebeurt, in beginsel niet foutief is. De appelrechters oordelen dat de doorstorting in casu niet binnen een redelijke termijn is gebeurd, wat volgens hen een inbreuk op de zorgvuldigheidsplicht uitmaakt en dus een fout uitmaakt. Dat de laattijdige doorstorting een fout uitmaakt, heeft evenwel niet tot gevolg dat artikel 1153 B.W. niet van toepassing zou zijn. De aard van de verbintenis van de Staat om de aanvullende gemeentebelasting door te storten verandert immers niet door de laattijdigheid van de doorstorting. Het is en blijft een verbintenis die initieel strekt tot betaling van een bepaalde som geld. De laattijdige uitvoering van die verbintenis maakt dat moratoire interest verschuldigd is vanaf de aanmaning. De rechter kan evenwel geen vergoedende interest toekennen voor de periode voor de aanmaning. II.
- Eigenlijk oordelen de appelrechters in casu dat de schuld van de eiser tot doorstorting van de aanvullende gemeentebelasting terzelfder tijd een geldschuld is als bedoeld in artikel 1153 B.W. én dat deze schuld geen geldschuld is maar een waardeschuld wegens schending van de algemene zorgvuldigheidsplicht. Dat kan mijns inziens niet. Een schuld kan niet tegelijk een geldschuld en een waardeschuld zijn. Enkel in gevallen waarin cumul van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid mogelijk is, zou desgevallend een geldschuld én een waardeschuld voorhanden kunnen zijn, maar gaat het om onderscheiden schulden die betrekking hebben op verschillende schadeposten. De regels met betrekking tot de ingebrekestelling en met betrekking tot het onderscheid tussen geld- en waardeschuld zijn per verbintenis in acht te nemen (L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Intersentia, 2000, 570, nr. 454). Artikel 1153 B.W. wordt niet buiten werking gesteld indien de laattijdige betaling een fout in de zin van artikel 1382 B.W. uitmaakt. Artikel 1153 B.W. maakt een wettelijk schadebeding uit waarbij de schadevergoeding wegens laattijdige uitvoering van de verbintenis tot betaling forfaitair wordt geraamd en aan de schuldeiser wordt toegekend zonder dat deze zijn schade moet bewijzen. Er moet zoals in het gemeen recht een fout van de schuldenaar zijn die bij vertraging in de betaling enkel een ongelukkig toeval of overmacht tot ontlasting zou kunnen inroepen (J. PETIT, "Interest" in A.P.R., Story, 1995, 53, nr. 50). Artikel 1153 wijkt dus niet in geval van fout, maar veronderstelt precies een fout. Artikel 1153 B.W. is van toepassing op alle schade die het gevolg is vertraging in de uitvoering van de verbintenis tot betaling van een bepaalde geldsom, ook als die vertraging in de uitvoering een inbreuk op de zorgvuldigheidsplicht uitmaakt. Ruimere schadevergoeding kan mijns inziens enkel worden toegekend indien er andere schade is dan deze die het gevolg is van de laattijdige uitvoering van de verbintenis tot betaling. Zowel uit de motivering als uit het dispositief van het bestreden arrest blijkt dat de door de appelrechters toegekende schadevergoeding betrekking heeft op schade wegens het laattijdig doorstorten van de aanvullende gemeentebelasting. Deze schadevergoeding wegens laattijdige betaling betreft de moratoire interest die beheerst wordt door artikel 1153 B.W. en dus slechts vanaf de aanmaning kan worden toegekend (C. BIQUET-MATHIEU, "Aspects de la réparation du dommage en matière contractuelle" in Les obligations contractuelles, Editions du jeune barreau de Bruxelles, 2000, 465; J. PETIT, "Interest" in A.P.R., Story, 1995, nrs. 44 tot 49). II.
- De beslissing van de appelrechters bezondigt zich aan een niet toegelaten cumul van forfaitaire schadevergoeding op grond van artikel 1153 B.W. met integrale buitencontractuele schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W. Volgens vaste rechtspraak van ons Hof kan wanneer een contractuele fout tevens een buitencontractuele fout uitmaakt, slechts schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W. verschuldigd zijn indien de fout aanleiding heeft gegeven tot andere schade dan de schade die het gevolg is van de niet-uitvoering van de overeenkomst. De contractuele aansprakelijkheid sluit in beginsel de buitencontractuele aansprakelijkheid uit. In casu stellen de appelrechters niet vast dat de fout aanleiding gegeven heeft tot andere schade dan deze die voortvloeit uit de laattijdige uitvoering van de "contractuele" verbintenis. Uit de motivering en het dispositief van het bestreden arrest blijkt integendeel duidelijk dat de eiser is veroordeeld tot schadevergoeding wegens het laattijdig doorstorten van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting, dus tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit de laattijdige uitvoering van zijn wettelijke verbintenis. Zoals de contractuele aansprakelijkheid in de regel de buitencontractuele aansprakelijkheid uitsluit, sluit de toepasselijkheid van artikel 1153 B.W. met zijn forfaitaire schadebepaling de toepassing uit van de integrale schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W., buiten de gevallen waarin cumul van aansprakelijkheden toegelaten is omdat de schuldenaar naast de laattijdige betaling ook een andere fout als bedoeld in artikel 1382 B.W. heeft begaan, die andere schade heeft veroorzaakt dan deze die voortvloeit uit de laattijdige uitvoering van de verbintenis tot betaling. Vermits in casu geen cumul toegelaten is, dienden de appelrechters de begrenzing van artikel 1153 B.W. toe te passen. Doordat ze dat niet gedaan hebben, hebben ze artikel 1153 B.W., en inzonderheid het derde lid daarvan, geschonden. Beide onderdelen zijn mijns inziens dan ook gegrond. Besluit: VERNIETIGING van het bestreden arrest in zoverre het eiser veroordeelt tot de betaling van schadevergoeding. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090508.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div