← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090519.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 mei 2009 ECLI

Artikel 2, Sw.

Fiche 2 Op grond van artikel 2, tweede lid, Strafwetboek dient de rechter die vaststelt dat de feiten volgens de oude wet een misdrijf vormen, vooreerst te onderzoeken of de nieuwe wet aan de onder de oude wet als misdrijf omschreven gedraging niet haar strafbaar karakter ontneemt of de strafbaarstelling ervan niet beperkt door de bestanddelen ervan te wijzigen, om vervolgens de wet die de meest gunstige straf inhoudt, toe te passen

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN Vrije woorden: Strafzaken -

Artikel 2, Sw.

- Opdracht van de rechter Fiche 3 Wanneer twee wetten zowel hoofdgevangenisstraffen, als geldboeten en bijkomende straffen bepalen en de maat van de hoofdgevangenisstraffen verschilt, worden voor de bepaling van de respectieve zwaarte van de straffen enkel de hoofdgevangenisstraffen in aanmerking genomen

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN Vrije woorden: Strafzaken -

Gewijzigde straf - Toepassing van de meest gunstige straf - Bepaling van de respectieve zwaarte van de straffen - Criterium Fiche 4 Eens op basis van de relatieve zwaarte van de hoofdgevangenisstraffen bepaald is welk van beide wettelijke stelsels, wat de strafmaat betreft, het meest gunstig is voor de beklaagde, dienen de strafbepalingen van dit laatste stelsel integraal en in al hun onderdelen te worden toegepast, ongeacht de omstandigheid dat bepaalde van die onderdelen, afzonderlijk beschouwd, minder gunstig zijn voor de beklaagde of nog niet bij de wet bepaald waren voordat het misdrijf werd gepleegd

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN Vrije woorden: Strafzaken -

Gewijzigde straf - Nieuwe wet die de hoofdgevangenisstraf vermindert, de geldboete verhoogt en een nieuwe bijkomende straf voorziet - Integrale toepassing van de strafbepalingen van de nieuwe wet Fiches 5 - 6 Artikel 433decies, Strafwetboek, dat de voor het misdrijf "huisjesmelkerij" bepaalde hoofdgevangenisstraf vermindert, is minder streng dan het vroegere artikel 77bis, § 1, Vreemdelingenwet, zonder dat rekening moet worden gehouden met de door artikel 433decies, Strafwetboek ingevoerde verplichte vermenigvuldiging van de geldboete met het aantal slachtoffers en met de door artikel 433terdecies, Strafwetboek ingevoerde mogelijkheid van bijzondere verbeurdverklaring van de tegenwaarde van het goed

(1)
(2).
(1)Zie de concl. van het O.M.
(2)Gedeeltelijk andersluidende conclusie. Het Hof beslist tot de ambtshalve gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest wegens de schending van artikel 433terdecies, derde lid, Strafwetboek, omdat de appelrechters er, door hun oordeel dat "overeenkomstig artikel 433terdecies van het Strafwetboek (...) de verplichte verbeurdverklaring van de tegenwaarde van de delen van het onroerend goed (...) (zich opdringt)", ten onrechte lijken van uit te gaan dat de verbeurdverklaring van de tegenwaarde bij de vervreemding van het onroerend goed tussen het tijdstip waarop het misdrijf werd gepleegd en de definitieve uitspraak, steeds verplicht is. In zijn schriftelijke conclusie concludeerde het O.M. tot de verwerping van het cassatieberoep. In zijn mondelinge toelichting van deze conclusie achtte het O.M., vertrekkende van een meer welwillende lezing van de verschillende overwegingen van het bestreden arrest, het ambtshalve aanvoeren van de schending van artikel 433terdecies, derde lid, Strafwetboek weliswaar mogelijk, maar desalniettemin toch niet absoluut noodzakelijk. Toch blijft de door de appelrechters gebruikte woordkeuze voor kritiek vatbaar en het standpunt van het Hof kan bijgevolg worden onderschreven. Nu het Hof enkel beslist tot een gedeeltelijke vernietiging op het ambtshalve aangevoerde middel van schending van artikel 433terdecies, derde lid, Strafwetboek, diende het Hof ook de door de eiser aangevoerde middelen te beantwoorden om aan te tonen dat deze middelen niet tot een ruimere cassatie of een cassatie zonder verwijzing hadden kunnen leiden. Het gegrond bevinden van het eerste middel had immers moeten leiden tot een cassatie zonder verwijzing. Het antwoord op het eerste middel sluit aan bij het standpunt dat het O.M. ontwikkelde in de schriftelijke conclusie, maar het O.M. oordeelde dat het middel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalde naar recht. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN Vrije woorden: Werking in de tijd - Huisjesmelkerij - Feiten gepleegd onder vigeur van artikel 77bis, § 1, Vreemdelingenwet - Feiten op het ogenblik van de uitspraak strafbaar gesteld door artikel 433decies en 433terdecies, Sw. - Wet die de hoofdgevangenisstraf vermindert, de boete verhoogt en een nieuwe bijkomende straf voorziet Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Mensenhandel - Huisjesmelkerij - Zaken welke gediend hebben tot het plegen van het misdrijf - Zaken die werden vervreemd tussen het plegen van de feiten en de veroordeling - Feiten gepleegd onder vigeur van artikel 77bis, § 1, Vreemdelingenwet - Feiten op het ogenblik van de uitspraak strafbaar gesteld door artikel 433decies en 433terdecies, Sw. - Wet die de hoofdgevangenisstraf vermindert, de boete verhoogt en een nieuwe bijkomende straf voorziet - Nieuwe mogelijkheid tot bijzondere verbeurdverklaring van de tegenwaarde - Toepasselijkheid Fiches 7 - 12 Conclusie van advocaat-generaal DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN Vrije woorden: Strafzaken -

Artikel 2, Sw.

Strafzaken -

Artikel 2, Sw.

- Opdracht van de rechter Strafzaken -

Gewijzigde straf - Toepassing van de meest gunstige straf - Bepaling van de respectieve zwaarte van de straffen - Criterium Strafzaken -

Gewijzigde straf - Nieuwe wet die de hoofdgevangenisstraf vermindert, de geldboete verhoogt en een nieuwe bijkomende straf voorziet - Integrale toepassing van de strafbepalingen van de nieuwe wet Werking in de tijd - Huisjesmelkerij - Feiten gepleegd onder vigeur van artikel 77bis, § 1, Vreemdelingenwet - Feiten op het ogenblik van de uitspraak strafbaar gesteld door artikel 433decies en 433terdecies, Sw. - Wet die de hoofdgevangenisstraf vermindert, de boete verhoogt en een nieuwe bijkomende straf voorziet Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Mensenhandel - Huisjesmelkerij - Zaken welke gediend hebben tot het plegen van het misdrijf - Zaken die werden vervreemd tussen het plegen van de feiten en de veroordeling - Feiten gepleegd onder vigeur van artikel 77bis, § 1, Vreemdelingenwet - Feiten op het ogenblik van de uitspraak strafbaar gesteld door artikel 433decies en 433terdecies, Sw. - Wet die de hoofdgevangenisstraf vermindert, de boete verhoogt en een nieuwe bijkomende straf voorziet - Nieuwe mogelijkheid tot bijzondere verbeurdverklaring van de tegenwaarde - Toepasselijkheid Tekst van de conclusie P.08.1164.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

  1. Bij arrest van 19 juni 2008 werd de eiser door het hof van beroep te Antwerpen veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van zes maand, met uitstel van de tenuitvoerlegging gedurende een termijn van twee jaar, en tot een geldboete van achtmaal vijfhonderd euro of vierduizend euro, vermeerderd met 45 opdeciemen of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, wegens de vermengde feiten van huisjesmelkerij, inbreuken op artikel 17 van het decreet van 4 februari 1997, houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers en inbreuk op artikel 20 van het decreet van 15 juli 1997, houdende de Vlaamse Wooncode. Tevens werd een som van 57.000 euro verbeurd verklaard, zijnde de tegenwaarde van de delen van een onroerend goed, dat door de eiser na de feiten, gepleegd tussen 28 februari 2002 en 13 april 2004, werd verkocht op 4 mei
  2. Ter staving van zijn cassatieberoep van 1 juli 2008, voert de eiser, in een memorie, die op 11 september 2008 ter griffie van het Hof werd neergelegd, vijf middelen aan, waarvan enkel het eerste een bijzondere rechtsvraag oproept. Het tweede, derde, vierde en vijfde middel houden geen specifieke rechtsproblemen in en zullen dan ook enkel in kort bestek worden behandeld.
  3. In zijn eerste middel voert de eiser de schending aan van artikel 2 Strafwetboek en van het daarin vervatte beginsel van de niet-retroactiviteit van de strafwet. De kritiek van de eiser is gericht tegen de beslissing van de appelrechters, waarbij de verbeurdverklaring wordt bevolen van de som van 57.000 euro als tegenwaarde van (de delen van) één van de onroerende goederen waarop de telastleggingen betrekking hadden. Volgens de eiser is de verbeurdverklaring van de tegenwaarde van het onroerend goed pas mogelijk sinds de wijziging van artikel 433terdecies Strafwetboek door de wet van 9 februari 2006

(1)en was deze straf niet voorzien in het artikel 77bis, § 5 Vreemdelingenwet (oud), zoals dit toepasselijk was op het ogenblik van het plegen van de laatste feiten op 13 april
  1. Naar het oordeel van de eiser passen de appelrechters aldus, in strijd met artikel 2 Strafwetboek, een straf toe die de wet niet voorzag op het ogenblik van het plegen van de feiten.
  2. De oplossing voor dit rechtsprobleem ligt inderdaad besloten in artikel 2 Strafwetboek, dat bepaalt: "Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast". Hoewel artikel 2 Strafwetboek samengesteld is uit twee afzonderlijke zinnen, moet men zich ervoor hoeden deze wetsbepaling uit te splitsen in twee onderscheiden regels, waarvan de eerste het verbod zou inhouden om een straf op te leggen die nog niet bestond op het ogenblik van het plegen van de feiten, terwijl de tweede regel de verplichting zou opleggen, bij wijziging van de wet, de meest gunstige wet toe te passen. Een dergelijke interpretatie zou meebrengen dat een straf die nog niet bestond op het ogenblik van het plegen van de feiten in geen enkel geval zou kunnen worden toegepast op deze feiten, ook al ware deze nieuwe straf minder zwaar dan de oude straf die van toepassing was op het ogenblik van het plegen van de feiten. Deze wetsbepaling dient integendeel beschouwd te worden als één enkele regel, met name deze van verplichte toepassing van de meest gunstige strafwet, die uiteenvalt in, enerzijds, het verbod van retroactieve toepassing van de strafwet in het nadeel van de beklaagde, en, anderzijds, de toepassing van de gunstigere latere wet. Artikel 2 Strafwetboek verbiedt dus om aan de strafwet terugwerkende kracht te verlenen ten nadele van de inverdenkinggestelde, maar legt integendeel de toepassing op van de wet die na het plegen van het misdrijf in werking is getreden en dat misdrijf minder zwaar bestraft
(2): dit betekent dat zelfs een strafbepaling die niet bestond op het ogenblik van het plegen van het misdrijf op dit laatste kan worden toegepast, op voorwaarde dat deze strafbepaling milder is
(3). Het is deze regel die Uw Hof kernachtig uitdrukt in zijn arresten van 8 januari 2003
(4)en 12 maart 2003
(5), waar het oordeelt dat artikel 2, eerste lid, Strafwetboek de terugwerkende kracht van de voor de inverdenkinggestelde gunstige strafwet niet onderwerpt aan de voorwaarde dat de mildere straf die zij oplegt, moet hebben bestaan ten tijde van het misdrijf. Ook een "nieuwe" straf kan dus probleemloos worden toegepast op feiten die vóór de inwerkingtreding van de wet werden gepleegd, wanneer zij milder is. Wanneer deze regel wordt toegepast op de zaak die thans voorligt, zal moeten worden vastgesteld (zie infra) dat het strafstelsel van de artikelen 433decies en 433terdecies Strafwetboek, ten opzichte van het strafstelsel van artikel 77bis, §§ 1bis en 5, Vreemdelingenwet (oud), wat de strafbepaling betreft, twee "nieuwe" aspecten inhoudt, met name de vermenigvuldiging van de geldboete met het aantal slachtoffers
(6)en de mogelijkheid van de bijzondere verbeurdverklaring van de tegenwaarde van het goed. Het enkele feit dat het nieuwe wettelijk stelsel, wat de strafbepalingen betreft, "nieuwe" aspecten inhoudt, belet evenwel niet dat dit stelsel toch kan worden toegepast op feiten die werden gepleegd onder vigeur van artikel 77bis, §§ 1bis en 5, Vreemdelingenwet (oud), op voorwaarde evenwel dat de strafbepalingen van het nieuwe wettelijk regime, in hun geheel genomen, milder zijn voor de inverdenkinggestelde. De navolgende analyse zal aantonen dat dit inderdaad het geval is.
  1. Er dient dus allereerst een vergelijking gemaakt te worden tussen het wettelijk stelsel dat bestond ten tijde van het plegen van de feiten en het wettelijk stelsel dat van kracht was op het ogenblik dat het bestreden arrest gewezen werd. Zoals hoger uiteengezet werden de feiten gepleegd tussen 28 februari 2002 en 13 april
  2. Op het ogenblik van het plegen van de (laatste) feiten waren de artikelen 77bis, § 1bis, en § 5, Vreemdelingenwet (oud) van toepassing. Artikel 77bis, § 1bis Vreemdelingenwet (oud), zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, bepaalt: "Met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met een geldboete van vijfhonderd Belgische frank tot vijfentwintigduizend Belgische frank wordt gestraft hij die rechtstreeks of via een tussenpersoon misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie van een vreemdeling ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand door de verkoop, verhuur of ter beschikking stelling van enig onroerend goed of kamers of enige andere ruimte met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren." Artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet (oud), zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, bepaalt: "De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan worden toegepast zelfs wanneer de zaken waarop zij betrekking heeft, niet het eigendom van de veroordeelde zijn. Zij kan onder dezelfde voorwaarden ook worden toegepast op het in § 1bis bedoelde onroerend goed, kamers of enige andere ruimte." Op het ogenblik van het bestreden arrest waren de artikelen 433decies en 433terdecies Strafwetboek in werking getreden. Artikel 433decies Strafwetboek, zoals ingevoegd bij wet van 10 augustus 2005
(7)- en dus posterieur aan de feiten -, bepaalt: " Met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijfentwintigduizend euro wordt gestraft hij die rechtstreeks of via een tussenpersoon misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie van een persoon ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand of zijn precaire sociale toestand door, met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren, een roerend goed, een deel ervan, een onroerend goed, een kamer of een andere in artikel 479 bedoelde ruimte, te verkopen, te verhuren of ter beschikking te stellen in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken. De boete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn." Artikel 433terdecies, tweede en derde lid, Strafwetboek, zoals ingevoegd bij wet van 10 augustus 2005 en gewijzigd bij wet van 9 februari 2006
(8), bepalen: "De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, wordt toegepast op de schuldigen aan het misdrijf bedoeld in artikel 433decies, zelfs ingeval de zaken waarop zij betrekking heeft niet het eigendom van de veroordeelde zijn, zonder dat deze verbeurdverklaring evenwel afbreuk kan doen aan de rechten van de derden op de goederen die verbeurd zouden kunnen worden verklaard. Zij moet in dezelfde omstandigheden ook worden toegepast op het roerend goed, het deel ervan, het onroerend goed, de kamer of enige andere ruimte bedoeld in dat artikel. Ze kan ook worden toegepast op de tegenwaarde van deze roerende of onroerende goederen die werden vervreemd tussen het tijdstip waarop het misdrijf werd gepleegd en de definitieve rechterlijke beslissing." 6. Het lijkt nuttig vooreerst de bepalingen met betrekking tot de bijzondere verbeurdverklaring, zoals die in de twee opeenvolgende wettelijke stelsels is geregeld, met elkaar te vergelijken, rekening houdend met de interpretatie van artikel 77bis, § 5 Vreemdelingenwet (oud), door Uw Hof. Uit deze interpretatie
(9)volgt dat de straf van de bijzondere verbeurdverklaring, die voorzien was onder vigeur van artikel 77bis, § 5 Vreemdelingenwet (oud), bestaat in de verplichte verbeurdverklaring van het onroerend goed, bedoeld in artikel 77bis, § 1bis Vreemdelingenwet (oud), dat gediend heeft tot het plegen van het misdrijf, wanneer dat onroerend goed het eigendom van de veroordeelde is. De verbeurdverklaring van die onroerende goederen is enkel facultatief wanneer zij de veroordeelde niet toebehoren. In zijn arrest van 25 november 2008
(10)herhaalde het Hof deze stelling, waarbij bovendien nog gepreciseerd werd dat uit de bewoordingen van artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet (oud), niet blijkt dat de wetgever de verbeurdverklaring heeft willen afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de zaken waarop zij betrekking heeft, op het ogenblik van de beslissing waarbij zij wordt uitgesproken, nog het eigendom van de veroordeelde moet zijn. Het is bijgevolg vereist, maar het volstaat, dat de te verbeurdverklaren zaken het eigendom van de veroordeelde waren op het ogenblik van het plegen van het misdrijf. Anders gesteld: de bijzondere verbeurdverklaring die de rechter in het kader van artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet (oud) met toepassing van artikel 42, 1°, Strafwetboek verplicht moet uitspreken, vereist weliswaar dat het goed, dat in aanmerking komt om te worden verbeurdverklaard, het eigendom van de veroordeelde is, maar om te bepalen of aan die eigendomsvereiste is voldaan, moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik van het plegen van het misdrijf
(11). In de zaak die ons thans aanbelangt, blijkt dat het pand, dat op 4 mei 2005 werd vervreemd en waarvan de tegenwaarde werd verbeurdverklaard, inderdaad aan de eiser toebehoorde op het ogenblik van het plegen van de feiten: de bijzondere verbeurdverklaring van het (voor het misdrijf gebruikte deel van het) onroerend goed was hier dus niet alleen perfect mogelijk, maar zelfs verplicht, bij toepassing van artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet (oud). De bijzondere verbeurdverklaring, zoals die thans geregeld wordt door artikel 433terdecies, tweede lid, Strafwetboek, heeft, als bijkomende straf voor de schuldigen aan het misdrijf bedoeld in artikel 433decies, Strafwetboek, betrekking op de zaken, bedoeld in artikel 42, 1°, van hetzelfde wetboek, zelfs wanneer deze zaken niet (of niet langer) het eigendom van de veroordeelde zijn, zonder dat deze verbeurdverklaring evenwel afbreuk kan doen aan de rechten van de derden op de goederen die verbeurd zouden kunnen worden verklaard. Zij moet in dezelfde omstandigheden ook worden toegepast op het roerend goed, het deel ervan, het onroerend goed, de kamer of enige andere ruimte bedoeld in dat artikel. Er moet dus worden vastgesteld dat in de thans voorliggende zaak, de bijzondere verbeurdverklaring van datzelfde (voor het misdrijf gebruikte deel van het) onroerend goed eveneens perfect mogelijk en verplicht was bij toepassing van artikel 433terdecies, tweede lid, Strafwetboek. De toestand van de eiser is bijgevolg, althans wat de bijzondere verbeurdverklaring van het goed zelf betreft, identiek dezelfde onder het wettelijke stelsel van artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet (oud), als onder het wettelijke stelsel van artikel 433terdecies, tweede lid, Strafwetboek: in beide gevallen is de rechter verplicht deze bijkomende straf op te leggen. In zoverre het de mogelijkheid en de verplichting om het goed zelf verbeurd te verklaren betreft, is er derhalve, - gelet op de concrete feitelijke situatie (met name het feit dat het onroerend goed aan de eiser toebehoorde) -, alleszins geen sprake van enige retroactieve toepassing van een "nieuwe" straf in het nadeel van de beklaagde. Het middel voert nu evenwel aan dat het "nieuwe" aspect vervat ligt in artikel 433terdecies, derde lid, Strafwetboek, dat bepaalt: "(De bijzondere verbeurdverklaring) kan ook worden toegepast op de tegenwaarde van deze roerende of onroerende goederen die werden vervreemd tussen het tijdstip waarop het misdrijf werd gepleegd en de definitieve rechterlijke beslissing". De reden waarom de wetgever geoordeeld heeft deze wetswijziging van 9 februari 2006 te moeten doorvoeren, ligt in de bescherming van de derde die, in de periode tussen de feiten en de eindveroordeling en te goeder trouw, het goed, dat normalerwijze verplicht diende te worden verbeurd verklaard, verworven heeft. Het nieuwe derde lid van artikel 433terdecies Strafwetboek werd door de wet van 9 februari 2006 in dit artikel ingevoerd als gevolg van een amendement van de regering op het oorspronkelijke wetsvoorstel, dat er aanvankelijk enkel toe strekte artikel 43quater, § 1, 2bis, Strafwetboek aan te vullen. De regering verantwoordde dit amendement als volgt: "Deze verbeurdverklaring moet facultatief blijven om het aan de rechter mogelijk te maken te beoordelen of er een reden is om het gebouw dat zich in handen bevindt van een derde (bijvoorbeeld: het gebouw werd verkocht aan een verwante tegen een belachelijke prijs) of het geld dat werd bekomen als gevolg van de verkoop (het gebouw werd te goeder trouw verworven door een derde) verbeurd te verklaren"
(12). De rechter heeft thans dus, ingevolge de invoeging door de wet van 9 februari 2006 van een derde lid in artikel 433terdecies, Strafwetboek, de keuze tussen de verbeurdverklaring van het goed zelf (artikel 433terdecies, tweede lid) of de verbeurdverklaring van de tegenwaarde van het goed, dat vervreemd werd tussen het tijdstip van het plegen van het misdrijf en de definitieve rechterlijke beslissing (artikel 433terdecies, derde lid). De vraag zou kunnen rijzen of de nieuwe mogelijkheid om de tegenwaarde van het goed verbeurd te verklaren, die thans door de rechter facultatief kan worden toegepast, niet dient aanzien te worden als niet meer dan een alternatieve uitvoeringswijze of uitvoeringsmodaliteit van dezelfde, reeds eerder bestaande straf. Er dient in elk geval te worden vastgesteld dat de veroordeelde, zowel volgens de oude wet als volgens de nieuwe wet, in precies dezelfde mate in zijn patrimonium wordt getroffen: ofwel verliest hij het verbeurdverklaarde goed zelf, ofwel verliest hij de tegenwaarde ervan, dit is de gelijke waarde, uitgedrukt in geld. In beide gevallen blijft het nettoresultaat wat de impact van de straf betreft dus ongewijzigd: zijn toestand wordt noch verzwaard, noch gemilderd. De eiser kon bijgevolg, nog vóór het plegen van de feiten, weten wat de uiteindelijke totale impact van de (in casu verplichte) bijzondere verbeurdverklaring op zijn patrimonium zou zijn, in geval van veroordeling voor deze feiten, zodat ook aan de regel "moneat lex priusquam feriat", die inhoudt dat de dader moet kunnen weten wat hem bij overtreding van de norm te wachten kan staan
(13), is voldaan. 7. Na deze eerste vergelijking van de bijzondere verbeurdverklaring in beide wettelijke stelsels dient deze vergelijking thans uitgebreid te worden tot de constitutieve bestanddelen en tot de strafbepalingen. Artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, waarvan de hoofdprincipes ook terug te vinden zijn in de artikelen 7.1 EVRM en 15.1 IVBPR
(14), bepaalt: "Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast". Op grond van deze regel moet niet alleen onderzocht worden welke wet de meest gunstige strafbepalingen inhoudt, maar dient in de eerste plaats te worden nagegaan of de nieuwe wet aan de onder de oude wet als misdrijf omschreven gedraging niet haar strafbaar karakter ontneemt of de strafbaarstelling ervan niet beperkt door de bestanddelen ervan te wijzigen
(15). De rechter dient dus eerst op basis van de oude wet na te gaan of er sprake is van een misdrijf, vervolgens of de feiten ook volgens de nieuwe wet nog strafbaar zijn, om tenslotte, toepassing te maken van de wet die de meest gunstige strafmaat inhoudt
(16). Wanneer het artikel 77bis, § 1bis, Vreemdelingenwet (oud) vergeleken wordt met het (nieuwe) artikel 433decies Strafwetboek, blijkt dat het toepassingsgebied van het misdrijf van huisjesmelkerij vanuit een dubbel opzicht werd verruimd
(17): thans komen ook Belgische slachtoffers in aanmerking (en niet enkel meer vreemdelingen) en maakt de wet ook melding van roerende goederen (en niet enkel meer van onroerende goederen). Dit betekent dat het nieuwe artikel 433decies Strafwetboek niet kan worden toegepast op feiten die gepleegd werden vóór de inwerkingtreding van dit artikel op 12 september 2005 en die betrekking hebben op Belgische slachtoffers of roerende goederen. Dit probleem stelt zich evenwel niet in de zaak die ons thans aanbelangt: de feiten waarvoor de eiser wordt vervolgd hebben enkel betrekking op vreemdelingen en op onroerende goederen. Artikel 433decies Strafwetboek is daarnaast ook strenger voor de vervolgende partij, en dus gunstiger voor de beklaagde, in de mate dat dit artikel thans ook in een bijkomend constitutief element voorziet: het roerend of onroerend goed moet immers verhuurd, verkocht of ter beschikking gesteld zijn "in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid". De feiten waarvoor de eiser wordt vervolgd,- die, zoals gemeld, enkel vreemdelingen en onroerende goederen betreffen -, die reeds strafbaar waren onder vigeur van artikel 77bis, § 1bis, Vreemdelingenwet (oud), zullen dat dus nog steeds zijn onder het regime van artikel 433decies Strafwetboek, op voorwaarde dat ook aan het nieuwe constitutieve element van "omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid" is voldaan. Dit laatste lijkt inderdaad het geval te zijn, aangezien de appelrechters oordelen: "Deze panden en de erin vervatte woonruimtes waren volstrekt onaangepast voor een menswaardige bewoning (...)". Nu vastgesteld werd dat voldaan is aan de vereiste dat de feiten een misdrijf vormen onder de oude wetgeving en dat deze feiten thans nog steeds strafbaar zijn onder de gelding van de nieuwe wet, dient nog te worden nagegaan welke straffen dienen te worden toegepast. Onder het regime van artikel 77bis, § 1bis en § 5 Vreemdelingenwet waren de feiten strafbaar met een gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met een geldboete van vijfhonderd tot vijfentwintigduizend Belgische frank en diende de bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, Strafwetboek verplicht te worden toegepast op het onroerend goed dat toebehoorde aan de veroordeelde op het ogenblik van het plegen van de feiten (en dit ongeacht de latere vervreemding ervan). Onder het stelsel van de artikelen 433decies en 433terdecies Strafwetboek zijn de feiten strafbaar met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een geldboete van vijfhonderd tot vijfentwintigduizend euro, waarbij de boete zo veel keer wordt toegepast als er slachtoffers zijn, terwijl ook hier de bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, Strafwetboek verplicht moet worden toegepast, zonder dat deze verbeurdverklaring evenwel afbreuk kan doen aan de rechten van de derden. De bijzondere verbeurdverklaring kan bovendien facultatief ook worden toegepast op de tegenwaarde van de roerende of onroerende goederen die werden vervreemd tussen het tijdstip waarop het misdrijf werd gepleegd en de definitieve rechterlijke beslissing. Het Hof heeft sinds zijn ontstaan door zijn rechtspraak een bijzonder coherente regeling uitgewerkt betreffende de hiërarchie van de straffen en betreffende de systematiek die dient gevolgd te worden om de relatieve zwaarte van elke straf te bepalen. Deze regeling is een uitermate belangrijke waarborg voor de rechtszekerheid en vormt als het ware het verlengstuk van het reeds aangehaalde adagium "moneat lex priusquam feriat", door aan de beklaagde toe te laten, door toepassing van de door het Hof uitgewerkte regels, te bepalen tot welke straf(fen) hij in geval van wetswijziging kan veroordeeld worden en door hem aldus toe te laten hieromtrent zijn verweer te voeren. Het is bovendien een regeling die vertrekt van zuiver objectieve criteria, die voor eenieder toegankelijk zijn. Het lijkt dan ook niet zonder gevaar zomaar afbreuk te doen aan de fundamentele regels die dit systeem, dat zonder twijfel zijn waarde reeds heeft bewezen, schragen. Een aantal van deze regels zijn ook toepasselijk in de thans voorliggende zaak. Zo wordt, volgens de vaststaande rechtspraak van Uw Hof, bij de afweging van de relatieve zwaarte van de straffen, wanneer het correctionele of politiestraffen betreft, vooreerst enkel rekening gehouden met de hoofdstraffen en niet met de bijkomende straffen
(18). Als volgende regel geldt dat een hoofdgevangenisstraf steeds zwaarder is dan een geldboete van dezelfde aard (correctionele of politiestraf)
(19). Wanneer de hoofdgevangenisstraffen gelijkwaardig zijn, dienen de maxima van de straffen vergeleken te worden, waarbij de straf met het hoogste maximum de zwaarste is, en dit ongeacht het minimum
(20). Met de bijkomende straffen wordt enkel rekening gehouden om de zwaarste straf te bepalen, indien de hoofdstraffen van dezelfde aard zijn en daarenboven een gelijk maximum hebben: wanneer twee wetten zowel hoofdstraffen als bijkomende straffen bepalen en de maat van de hoofdstraffen verschilt, worden voor de bepaling van de respectieve zwaarte van de straffen dus enkel en alleen de hoofdstraffen in aanmerking genomen
(21). De bijzondere verbeurdverklaring wordt beschouwd als een bijkomende straf
(22). Om vast te stellen welke wet de mildste straf bepaalt, wordt algemeen
(23)aangenomen dat deze verschillende opeenvolgende criteria in abstracto worden toegepast. Bij toepassing van deze principes blijkt dat, ook voor wat de strafmaat betreft, de artikelen 433decies en 433terdecies Strafwetboek milder zijn dan artikel 77bis, §§ 1bis en 5 Vreemdelingenwet (oud). Wat de strafmaat betreft, dienen de strafbepalingen van de meest gunstige wet integraal en in hun geheel moeten worden toegepast
(24). Dit is ook logisch, vermits de onderscheiden criteria voor het afwegen van de relatieve zwaarte van correctionele straffen of politiestraffen, die in verschillende in de tijd opeenvolgende wetten zijn voorzien, volgens een "cascade"-systeem worden toegepast: een volgend criterium komt pas aan bod, wanneer beide straffen met toepassing van het vorige criterium evenwaardig bleken
(25). Zo oordeelde Uw Hof op 27 oktober 2004
(26)dat de nieuwe wet die de voor een misdrijf bepaalde hoofdgevangenisstraf opheft, minder streng is, zonder dat er rekening moet gehouden worden met de verhoging van het minimum- en maximumbedrag van de nieuwe geldboete en met het feit dat de nieuwe wet ook in de verplichte vervallenverklaring van het recht tot sturen voorziet. Hetzelfde geldt uiteraard ook wanneer, zoals in de zaak die ons thans aanbelangt, de gevangenisstraf door de nieuwe wet verminderd wordt: de nieuwe wet is dan minder streng en ook hier dient geen rekening meer gehouden te worden met het gegeven dat de geldboete zwaarder kan zijn (door de vermenigvuldiging met het aantal slachtoffers) of dat in een nieuwe mogelijkheid van bijzondere verbeurdverklaring van de tegenwaarde wordt voorzien
(27). Het door Uw Hof uitgewerkte systeem laat bijgevolg geen "panachage" toe, waarbij de meest gunstige aspecten van elk van de onderscheiden strafbepalingen van de verschillende wetten gecombineerd zouden worden toegepast. Eens één criterium van de verschillende opeenvolgende criteria volstaat om te bepalen welke strafmaat de meest gunstige is, is de vraag naar de toepasselijke wet (wat de strafmaat betreft) definitief opgelost, en wordt niet verder nagegaan, aan de hand van de daaropvolgende criteria, of die meest gunstige wet eventueel ook nog andere strengere bepalingen bevat. Het verbod van "panachage" wat de strafmaat
(28)betreft, kan ook worden uitgelegd door het feit dat een dergelijk systeem uiteindelijk erop zou neerkomen dat de rechter, precies door de gelijktijdige toepassing van (sommige strafbepalingen uit) twee in de tijd opeenvolgende wetten, een "derde" wet creëert die op geen enkel ogenblik heeft bestaan
(29). Op grond van de bovenstaande elementen moet dus worden besloten dat (al) de strafbepalingen van de artikelen 433decies en 433terdecies Strafwetboek (integraal) moeten worden toegepast: aangezien artikel 433decies Strafwetboek de vroeger door artikel 77bis, § 1bis, Vreemdelingenwet voorziene straf van 1 jaar tot vijf jaar gevangenisstraf herleidt tot een gevangenisstraf van 6 maand tot 3 jaar, moeten ook de andere (en eventueel zelfs zwaardere) aspecten van de artikelen 433decies en 433terdecies Strafwetboek (mede) worden toegepast. Dat geldt niet alleen voor de verplichte vermenigvuldiging
(30)van de geldboete met het aantal slachtoffers (artikel 433decies Strafwetboek), die vroeger niet voorzien was, maar ook voor de mogelijkheid van de bijzondere verbeurdverklaring van de tegenwaarde van het goed (artikel 433terdecies, derde lid, Strafwetboek), die vroeger evenmin voorzien was. De omstandigheid dat de verplichte vermenigvuldiging van de geldboete en de mogelijkheid van de bijzondere verbeurdverklaring van de tegenwaarde straffen zijn "die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd" belet dus niet dat deze straffen ook dienen te worden toegepast op feiten die gepleegd werden vóór de wet deze "nieuwe" straffen voorzag, op voorwaarde nochtans dat deze laatste wet, in haar geheel beschouwd, de meest gunstige straf inhoudt, wat hier het geval is. Niets belette bijgevolg de appelrechters om toepassing te maken van de mogelijkheid om de tegenwaarde van de vervreemde panden (of delen ervan) verbeurd te verklaren. Het eerste middel faalt bijgevolg naar recht. 8. Wanneer Uw Hof deze analyse niet zou volgen en dus zou beslissen om zich aan te sluiten bij de visie van de eiser door het eerste middel gegrond te verklaren, dan lijkt een dergelijke beslissing te impliceren dat het Hof zijn redenering steunt op een uitgangspunt dat, hoe dan ook, afwijkt van zijn vroegere rechtspraak. a) ofwel impliceert een dergelijke beslissing dat het Hof de twee leden van artikel 2 Strafwetboek op een geïsoleerde wijze bekijkt en bij de toepassing van artikel 2, eerste lid, Strafwetboek abstractie maakt van het tweede lid. Dergelijk uitgangspunt wijkt af van het standpunt van het Hof dat de twee leden van artikel 2 Strafwetboek moeten geïnterpreteerd worden, het ene in het licht van het andere
(31). Deze interpretatie houdt in dat artikel 2 Strafwetboek verbiedt om aan de strafwet terugwerkende kracht te verlenen ten nadele van de inverdenkinggestelde, maar integendeel de toepassing oplegt van de wet die na het plegen van het misdrijf in werking is getreden en dat misdrijf minder zwaar bestraft
(32). In deze laatste interpretatie blijft de mogelijkheid dus bestaan om een latere strafbepaling toe te passen op vóór de inwerkingtreding ervan gepleegde feiten, wanneer deze latere strafbepaling milder is voor de beklaagde. Behoudens het feit dat de hogervermelde "geïsoleerde" interpretatie van beide leden van artikel 2 Strafwetboek afwijkt van de vroegere rechtspraak, lijkt de cassatie op het eerste middel bovendien ook te impliceren dat de Hof dan van oordeel zou zijn dat niet alleen de toepassing van een "nieuwe" straf die zwaarder is moet worden uitgesloten, maar dat ook een "nieuwe" straf, die qua omvang, repercussie en zwaarte precies overeenstemt met de oude straf, niet kan worden toegepast. Hiervoor werd immers reeds uiteengezet dat de toestand van de beklaagde noch verzwaard, noch gemilderd wordt door de invoering van de mogelijkheid van verbeurdverklaring van de tegenwaarde van het goed: hij wordt precies in dezelfde mate in zijn patrimonium getroffen, aangezien hij ofwel het goed zelf verliest, ofwel de tegenwaarde ervan. Terloops moge erop gewezen worden dat artikel 433terdecies, tweede lid, Strafwetboek, dat bepaalt dat de bijzondere verbeurdverklaring geen afbreuk kan doen aan de rechten van de derden op de goederen die verbeurd worden verklaard, niet eraan in de weg staat dat de rechter die verbeurdverklaring toch kan bevelen: deze derde dient in toepassing van artikel 5ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering op de hoogte gebracht te worden van de rechtsdag voor het gerecht dat over de grond van de zaak zal beslissen en zal daar zijn rechten laten gelden. De rechter zal dan hetzij toch de verbeurdverklaring van het goed zelf bevelen, hetzij de verbeurdverklaring van de tegenwaarde ervan. b) ofwel impliceert de cassatie op het eerste middel dat het Hof afwijkt van het coherente systeem van afweging van de relatieve zwaarte van de straffen die het door zijn rechtspraak heeft opgebouwd, door toe te laten dat de opeenvolgende criteria, die thans volgens het "cascade"-systeem worden toegepast, toch achtereenvolgens, het ene na het andere, zouden worden toegepast. In een dergelijk systeem zou, in afwijking van de vaststaande rechtspraak, zowel de hoofdgevangenisstraffen, als de geldboeten en de bijkomende straffen, per categorie, tegen elkaar afgewogen worden, waarbij dan telkens de meest gunstige straf voor de beklaagde zou weerhouden worden. Er zou dan, per soort van strafbepaling, dienen "gepanacheerd" te worden tussen de verschillende wettelijke stelsels. Wat er ook van zij, in beide gevallen, - enerzijds, de "geïsoleerde" interpretatie van artikel 2, eerste lid, Strafwetboek en, anderzijds, het systeem van panacheren -, kan het Hof niet volstaan met de vernietiging van het bestreden arrest in zoverre het een bedrag van 57.000 euro verbeurdverklaart als tegenwaarde van (de voor het misdrijf gebruikte delen van) het onroerend goed, waarbij overigens de vraag nog zou rijzen of deze cassatie moet gebeuren met verwijzing (die dan de rechter op verwijzing zou verplichten het goed toch verbeurd te verklaren) of zonder verwijzing (waarbij dan rekening zou worden gehouden met het gegeven dat de bijzondere verbeurdverklaring van het onroerend goed geen afbreuk kan doen aan de rechten van de derde-verkrijger die het goed kocht). Er dient immers te worden vastgesteld dat de eiser, die hiertegen evenwel niet opkomt, ook veroordeeld werd tot een geldboete van 500 euro die vermenigvuldigd werd met het aantal slachtoffers. Zowel in de "geïsoleerde" interpretatie van artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, als in het systeem waarbij gepanacheerd zou moeten worden, zou de cassatie, op het ambtshalve aan te voeren middel van schending van artikel 2 Strafwetboek, verder moeten uitgebreid worden tot de vernietiging van het bestreden arrest in zoverre het deze (vermenigvuldigde) geldboete uitspreekt en dus tot de gehele straf, aangezien de gevangenisstraf en de geldboete samen worden opgelegd en de hoegrootheid van de ene straf een invloed heeft (of kan hebben) op de hoegrootheid van de andere straf. In dit geval kan er uiteraard alleen maar sprake zijn van een cassatie met verwijzing. De verplichting om de geldboete zo veel keer toe te passen als er slachtoffers zijn, is immers ook een nieuwigheid ten opzichte van artikel 77bis, § 1bis Vreemdelingenwet (oud). In de "geïsoleerde" interpretatie van artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, zou dit dienen te worden beschouwd als een "nieuwe" straf, die niet bestond op het ogenblik van het plegen van de feiten en die bovendien zwaarder is en dus in het nadeel van de beklaagde wordt opgelegd: deze straf zou bijgevolg, in deze interpretatie, niet kunnen worden opgelegd, zodat zou moeten besloten worden dat de appelrechters, die deze nieuwe straf toch opleggen, artikel 2, eerste lid, Strafwetboek schenden. In het systeem waarbij zou dienen gepanacheerd te worden is de geldboete van artikel 433decies Strafwetboek, die (verplicht) moet worden vermenigvuldigd met het aantal slachtoffers, uiteraard zwaarder dan de (in numerieke waarde) gelijke geldboete van artikel 77bis, § 1bis Vreemdelingenwet (oud), die niet diende vermenigvuldigd te worden met het aantal slachtoffers. In dit systeem zou de rechter dus dienen te panacheren tussen de twee wetten, waarbij als uiteindelijke mogelijke straffen de gevangenisstraffen van artikel 433decies Strafwetboek, de geldboete van artikel 77bis, § 1bis Vreemdelingenwet (oud) en (eventueel, in zoverre die als "minder zwaar" zou worden aanzien) de bijzondere verbeurdverklaring van artikel 77bis, § 5 Vreemdelingenwet (oud), als mildste straffen, zouden dienen te worden weerhouden. In dat geval zou de op te leggen geldboete dus evenmin kunnen worden vermenigvuldigd en zou bijgevolg moeten besloten worden dat de appelrechters, die dit toch doen, artikel 2, tweede lid, Strafwetboek schenden. Ik meen evenwel dat er geen enkele reden is om terug te keren op de vroegere rechtspraak van het Hof, noch wat de interpretatie van artikel 2 Strafwetboek betreft, noch wat de door het Hof uitgewerkte regels inzake de hiërarchie van de straffen en de afweging van hun relatieve zwaarte betreft. 9. De overige middelen worden hier slechts kort besproken. Het tweede middel voert de schending aan van "het principe van de personaliteit der bestraffingen" omdat uit de dossierstukken zou blijken dat de verschillende panden, waarop de telastleggingen betrekking hadden, niet zijn eigendom waren of dat hij er slechts mede-eigenaar van was, of nog, dat hij niet instond voor de verhuring ervan. Dit middel verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is. Het middel is dan ook niet ontvankelijk. Het derde middel voert de schending aan van "het principe van de niet-omkering van de bewijslast". Volgens de eiser keren de appelrechters de bewijslast om door, in strijd met de dossierstukken, te stellen dat niet bewezen zou zijn dat de mensonwaardige toestand van de bewuste panden ook door de bewoners werd veroorzaakt, zodat zij hun beslissing niet op regelmatige wijze motiveren. Ik meen dat de appelrechters met hun overweging "het is verder niet bewezen dat de mensonwaardige toestand van de betrokken woningen door derden, en met name de huurders zelf, zou zijn veroorzaakt ", enkel het verweer van de eiser als ongeloofwaardig verwerpen, zonder daarbij de bewijslast om te keren. Het middel mist bijgevolg allereerst al feitelijke grondslag. Bovendien komt het middel, in zoverre het ook een motiveringsgebrek aanvoert, in werkelijkheid op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. Het vierde middel voert de schending aan van "het principe van de gelijkwaardigheid van de bewijskracht van de dossierstukken en foutieve interpretatie ervan". De kritiek van de eiser komt erop neer dat de appelrechters geen rekening houden met dossierstukken, die gunstig zijn voor hem, maar enkel met ongunstige elementen, zodat zij hun beslissing niet op regelmatige wijze motiveren. Dit middel faalt naar recht in zoverre het veronderstelt dat een miskenning van de inhoud van een akte een motiveringsgebrek oplevert. Het middel is bovendien opnieuw niet ontvankelijk in zoverre het formeel een motiveringsgebrek aanvoert, maar in feite geheel opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rechter. Dat laatste geldt ook voor het vijfde middel dat de schending aanvoert van "de correcte interpretatie van de draagwijdte van de gerechtelijke antecedenten" van de eiser, omdat de appelrechters uit deze antecedenten een verkeerde conclusie trekken. CONCLUSIE: verwerping __________________
(1)Wet van 6 feb. 2006 tot wijziging van het Strafwetboek met het oog op de versterking van de strijd tegen de praktijken van huisjesmelkers (B.S., 28 februari 2006, p. 12140), in werking getreden op 10 maart 2006.
(2)Cass., 24 okt. 2007, AR P.06.0965.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071024.4, A.C., 2007, nr. 499; DEPELCHIN, L., Considérations sur l'article 2 du code pénal, rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie van 1 sept. 1965, J.T., 1965, blz. 478; HAUS, J.J., Principes généraux du droit pénal, dl. 1, Gent, 1879, blz. 122, noot 4.
(3)JACOBS, A., "L'application dans le temps de la loi introduisant la peine de travail", Rev.dr.pén., 2003, 537, noot onder Cass., 8 jan. 2003.
(4)Cass., 8 jan. 2003, AR P.02.1314.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030108.18, A.C., 2003, nr. 14.
(5)Cass., 12 maart 2003, AR P.02.1670.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030312.9, A.C., 2003, nr. 163.
(6)De eiser werd overigens inderdaad veroordeeld tot een boete van 500 euro vermenigvuldigd met het aantal slachtoffers, maar hij voert daartegen geen middel aan.
(7)Wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers (B.S., 2 september 2005, eerste uitgave), in werking getreden op 12 september 2005.
(8)Zie voetnoot 1.
(9)Cass., 3 mei 2006, AR P.06.0220.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.19, A.C., 2006, nr. 254 met concl. adv.-gen. Vandermeersch.
(10)25 nov. 2008, AR P.08.0951.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.5, A.C., 2008, nr. 664.
(11)Zie Cass., 29 jan. 1951, A.C., 1951, 298; 13 juni 1955, A.C., 1955, 839; 25 nov. 2008, AR P.08.0951.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.5, A.C., 2008, nr. 664;TROUSSE, P.E., Novelles, Droit pénal, Deel I, nr. 78; CONSTANT, J., Traité élém. droit pénal, deel II, nr. 722, p. 775; DE NAUW, A., Inleiding tot het algemeen strafrecht, 2006, p. 149; STESSENS, G., De verbeurdverklaring, Strafrecht en Strafprocesrecht, XXXIIste postuniversitaire cyclus W. Delva, 2005-2006, p. 338; DUPONT, L. en VERSTRAETEN, R., Handboek Belgisch Strafrecht, p. 378, nr. 692; ROZIE, J., Voordeelsontneming. De wisselwerking tussen de toepassingsvoorwaarden en het rechtskarakter van de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen, Antwerpen, Intersentia 2005, p. 265; VAN MUYLEM, E., Commentaar Strafrecht en Strafvordering, (Bijzondere) Verbeurdverklaring, nr. 41 p. 18.
(12)verantwoording van het door de Regering ingediende amendement nr. 1, Parl. St. Kamer 2005-06, nr. 51 1901/002, p. 2; zie hiervoor ook: BEERNAERT, M.A. en LE COCQ, P., "La loi du 10 août 2005 modifiant diverses dispositions en vue de renforcer la lutte contre la traite et le trafic des êtres humains et contre les pratiques des marchands de sommeil", RDP 2006,
(335)388; CLESSE, C.E., "La répression des marchands de sommeil", in MASSET, A., Actualités de droit pénale et de procédure pénale, CUP 12/2006, Brussel, Larcier, 2006,
(243)281).
(13)VANHOUDT, C.J. en CALEWAERT, W., Belgisch Strafrecht, Deel I, 1968, p. 162, nr. 336.
(14)COISNE, S., "Les enjeux du principe de la rétroactivité in mitius consacré dans le Pacte international relatif aux droits civils et politiques", R.D.P.,2006, p. 6.
(15)Cass., 17 nov. 1993, AR 417, A.C., 1993, 957; 24 okt. 2007, AR P.06.0965.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071024.4, A.C., 2007, nr. 499; DE NAUW, A., Inleiding tot het algemeen strafrecht, die keure 2006, p. 21, nr. 47; SPRIET, B., "Het strafrechtelijk retroactiviteitsbeginsel toegepast op een gunstige wijziging van de uitvoeringsreglementering", in Om deze redenen, Liber Amicorum A. Vandeplas, 351; VAN DEN WYNGAERT, C., Strafrecht, Strafprocesrecht en Internationaal Strafrecht, 6de ed., 2006, p. 106.
(16)POPELIER, P., Toepassing van de wet in de tijd, A.P.R., 1999, p. 64, nr. 98.
(17)BEERNAERT, M.A en LE COCQ, P., "La loi du 10 août 2005 modifiant diverses dispositions en vue de renforcer la lutte contre la traite et le trafic des êtres humains et contre les pratiques des marchands de sommeil", RDP 2006, p. 389.
(18)Cass.,14 juni 1937, Pas, 1937, I, 183; 15 jan. 1968, A.C., 1968, 666; 1 april 1968, A.C., 1968, 1003; 27 mei 1968, A.C., 1968, 1177; 20 juni 1979, A.C., 1978-79, 1262; 11 feb. 1986, AR 9379, A.C., 1985-86, nr. 375.
(19)Cass., 31 jan. 1984, A.C., 1983-84, 652; 5 okt. 1988, J.L.M.B., 1989, 287; 3 okt. 1990, A.C. 1990-91, 119); DE NAUW, A., Inleiding tot het algemeen strafrecht, die keure, 2006, p. 21, nr. 46.
(20)DUPONT, L. en VERSTRAETEN, R., Handboek Belgisch Strafrecht, 1990, p. 136, nr. 188; TROUSSE, P.E., "Les principes généraux du droit pénal positif belge", Les Novelles, Droit pénal, I, 1, 1956, nrs. 246-260.
(21)Cass., 11 feb. 1986, AR 9379, A.C., 1985-86, nr. 375, R.W., 1986-87, 1083, noot DE NAUW, A.
(22)Cass., 21 maart 1989, AR 3181, A.C., 1988-89, nr; 417; 27 maart 1990, AR 3602, A.C., 1989-90, nr. 452; 5 maart 2002, AR P.01.1431.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020305.6, A.C., 2002, nr. 158; 28 nov. 2006, AR P.06.1086.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.8, A.C., 2006, nr. 605.
(23)Soms wordt evenwel ook andere stellingen verdedigd: CLOSSET-MARCHAL, L'application dans le temps des lois de droit judiciaire civil, Brussel, Bruylant, 1983, p. 27; KNIGGE, G., Verandering van wetgeving,, p. 267; ROUBIER, P., Le droit transitoire. Conflits des lois dans le temps, Parijs, Dalloz/Sirey, tweede uitgave, 1960, p.499; COISNE, S., "Les enjeux du principe de la rétroactivité in mitius consacré dans le Pacte international relatif aux droits civils et politiques", R.D.P.,2006, p. 6
(24)POPELIER, P., Toepassing van de wet in de tijd, A.P.R., 1999, p. 64, nr. 98; MEYNNE, A., Essai sur la rétroactivité des lois répressives", in Annales des Universités de Belgique, Brussel, 1863, p. 20; HAUS, J., Principes généraux du droit pénal belge, 1879, I, p.132; BRAAS, A., Précis de droit pénal, 1946, p. 71.
(25)Cass., 17 maart 1924, Pas., 1924, I, 252.
(26)Cass., 27 okt. 2004, AR P.04.0695.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041027.5, A.C., 2004, nr. 511
(27)Zie voor de specifieke toepassing van deze regel inzake huisjesmelkerij Corr.Dendermonde, 3 april 2006, T. Strafr., 2007, p. 71; Corr. Gent, 13 juni 2006, T. Strafr., 2007, p. 76; Corr. Gent, 5 feb. 2007, T. Strafr., 2007, p. 267.
(28)Zoals uiteengezet is een combinatie van de constitutieve bestanddelen van beide opeenvolgende wetten wél nodig om na te gaan of de feiten nog strafbaar zijn.
(29)RUBBRECHT, J. en DECLERCQ, R., "Het niet-terugwerken van strafwetten", Ann. de Droit, 1950, p. 133.
(30)BEERNAERT, M.A. en LE COCQ, P., "La loi du 10 août 2005 modifiant diverses dispositions en vue de renforcer la lutte contre la traite et le trafic des êtres humains et contre les pratiques des marchands de sommeil", RDP 2006, p. 390.
(31)JACOBS, A., "L'application dans le temps de la loi introduisant la peine de travail", Rev.dr.pén., 2003, 537, noot onder Cass., 8 jan. 2003.
(32)Cass., 8 jan. 2003, AR P.02.1314.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030108.18, A.C., 2003, nr. 14. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090519.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020305.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030108.18 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030312.9 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041027.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.19 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071024.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.