id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090522.1 Rolnummer: C.07.0087.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-16 Raadplegingen: 458 - laatst gezien 2026-07-02 23:21 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090522.1 Fiche 1 De wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden houdt een speciale regeling in inzake de onteigening van onroerende goederen waarvan de inbezitneming door de onteigenende instantie onmiddellijk vereist is en regelt alle fasen van de onteigeningsprocedure, zodat de bepalingen van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemenen nutte ter zake in beginsel niet toepasselijk zijn; dit sluit evenwel niet uit dat de mogelijkheid van wederoverdracht van toepassing is bij een onteigening bij hoogdringende omstandigheden
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Hoogdringende omstandigheden - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Onteigeningswet - Algemeen Vrije woorden: Hoogdringende omstandigheden - Wet 17 april 1835 - Toepassingsgebied - Wederoverdracht Wettelijke bepalingen: Wet - 17-04-1835 - Art. 23 - 30 ELI link Pub nr 1835041750 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal VANDEWAL. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Terrorisme - Art. 137-141ter Sw. PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Hoogdringende omstandigheden - Algemeen Vrije woorden: Hoogdringende omstandigheden - Wet 17 april 1835 - Toepassingsgebied - Wederoverdracht Tekst van de conclusie C.07.0087.N Conclusie van de Heer Advocaat-generaal C. Vandewal:
- Met hun vorderingen beogen eisers onder meer en vooral de wederoverdracht te bekomen van de onroerende goederen die bij hoogdringendheid in september 1977 werden onteigend op grond van een Koninklijk Besluit van 7 december
- Hun vordering tot wederoverdracht steunde op het feit dat de bestemming waarvoor hun gronden bij hoogdringendheid werden onteigend, met name sociale woningbouw, niet werd gerealiseerd. I. Eerste middel
- In het eerste middel komen eisers op tegen de beslissing van de appelrechters dat de door hen ingestelde vordering tot teruggave van het onteigend goed, gesteund op artikel 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte, ongegrond is. De appelrechters gronden hun beslissing op de reden dat de bepalingen van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte ter zake niet toepasselijk zijn, nu uit de stukken waarop het hof van beroep acht vermocht te slaan blijkt dat het Koninklijk Besluit van 7 december 1973, dat tot de kwestieuze onteigening heeft beslist, deze uitdrukkelijk aan de bijzondere regels van de wet van 26 juli 1962 betreffende de onteigeningen ten algemene nutte en de concessie voor de bouw van de autosnelwegen heeft onderworpen.
- In het derde onderdeel van dit eerste middel voeren eisers schending aan van artikel 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte, nu dit artikel, dat voorziet in een recht op teruggave van het onteigend goed in bepaalde omstandigheden, niet de rechtspleging zelf inzake de onteigening ten algemene nutte betreft en derhalve ook van toepassing is wanneer de onteigening gebeurt op grond van voormelde wet van 26 juli
- Dit onderdeel nodigt het Hof aldus uit tot het onderzoeken van een rechtsvraag betreffende de verhouding tussen de wet van 17 april 1835 en de wet van 26 juli 1962, met name of de bepalingen van de wet van 17 april 1835, waarvoor geen afwijkende regeling is voorzien in de wet van 26 juli 1962, al dan niet van toepassing blijven in geval van een onteigening volgens de procedure bij hoogdringendheid voorzien in deze laatste wet.
- De wet van 17 april 1835 vormt als het ware het gemeenrecht inzake onteigening. De wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, die vervat is in artikel 5 van de wet van dezelfde datum betreffende de onteigeningen ten algemene nutte en de concessies voor de bouw van de autosnelwegen, heeft voorzien in een procedure bij hoogdringendheid, met een van de wet van 17 april 1835 afwijkende rechtspleging die toelaat de onteigeningsprocedure in een sneller tempo af te ronden. Er wordt overigens vastgesteld dat in de meeste onteigeningsprocedures deze procedure bij hoogdringendheid wordt gevolgd, zodat de toepassing van de "gewone" procedure van de wet van 17 april 1835 eerder de uitzondering is geworden. Uit de samenlezing van beide wetten volgt naar mijn mening dat de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden een speciale regeling inhoudt inzake de onteigening van onroerende goederen waarvan de inbezitneming door de onteigenende instantie onmiddellijk vereist is en alle fasen van de onteigeningsprocedure regelt. Uit de wordingsgeschiedenis van de wet van 26 juli 1962 blijkt dat de wetgever, om een vluggere inbezitneming door de onteigenaar van het onteigende goed mogelijk te maken, een summiere procedure heeft ingevoerd en dat hij o.m. de vrederechter heeft opgedragen: - in een eerste, ten laatste achtenveertig uren na de verschijning van de partijen te wijzen vonnis, waartegen voor de onteigende geen rechtsmiddel openstaat, onder meer over de regelmatigheid van de onteigening uitspraak te doen en, ingeval hij het verzoek van de onteigenaar inwilligt, tegelijk bij wijze van ruwe schatting, het bedrag van de "provisionele" vergoedingen te bepalen die de onteigenaar aan de onteigende zal storten, waardoor de inbezitneming van het onteigende goed mogelijk wordt, en - na de neerlegging van het deskundigenverslag, in een tweede vonnis, dat niet voor beroep vatbaar is, het bedrag van de onteigeningsvergoeding "voorlopig" te bepalen. De wetgever heeft verder de mogelijkheid geboden om voor de rechtbank van eerste aanleg een vordering tot herziening in te stellen nadat het tweede vonnis is gewezen door de vrederechter, in het bijzonder om het bedrag van de door de onteigende geleden schade juister te horen bepalen.
- Uw Hof heeft ter zake twee belangrijke arresten geveld, met name op 12 januari 1990 en op 14 december 1995, waarin het oordeelde dat de bepalingen van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte ter zake niet toepasselijk zijn wanneer uit de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan blijkt dat het Koninklijk Besluit dat tot de onteigening heeft beslist, deze uitdrukkelijk aan de bijzondere regels van de voormelde wet van 26 juli 1962 heeft onderworpen
(1). Er dient echter vastgesteld te worden dat deze beide arresten betrekking hadden op voorzieningen waarin o.m. schending werd aangevoerd van de artikelen 7, 9 en 9bis van de wet van 17 april
- In de eerste zaak werd de bestreden beslissing aangevochten omdat erin werd geoordeeld dat de rechtbank en het hof van beroep er niet toe verplicht waren de door de eisers gevraagde expertise te bevelen en in de tweede zaak omdat de bestreden beslissing op het verzoek van de onteigende om de onteigeningsvergoeding opnieuw te onderzoeken niet was ingegaan en dit nochtans had dienen te doen volgens de schattingsmethodes voorzien in deze artikelen.
- Beide precedenten hadden dus betrekking op de procedure tot vaststelling van de schadebegroting en meer bepaald de aanstelling van deskundigen. Er dient ter zake vastgesteld te worden dat de wet van 17 april 1835 en de wet van 26 juli 1962 daaromtrent een volledig verschillende procedure voorzien. Art. 7 van de wet van 17 april 1835 bepaalt immers dat, zo de rechtbank beslist dat de bij de wet voorgeschreven vormen werden in acht genomen en dat er geen geschikte stukken tot vaststelling van het bedrag der vergoeding werden voorgelegd, zij bij hetzelfde vonnis zal verklaren dat de gronden of gebouwen binnen de kortste tijd bezichtigd en geraamd zullen worden door drie experten die op staande voet en in gemeenschappelijk overleg door de partijen aangesteld worden, zoniet van ambtswege benoemd worden, en dat zij één der rechters zal gelasten zich met hen en de griffier ter plaatse te begeven op dag en uur en plaats die bij hetzelfde vonnis aangeduid worden. Art. 9 bepaalt de wijze waarop de deskundigen hun opdracht vervullen. Artikel 4 van de wet van 26 juli 1962 bevat een andere regeling, waarbij de rechter binnen acht dagen na de indiening van het verzoekschrift dag en uur bepaalt van de verschijning, die uiterlijk de 21e dag na de indiening plaatsheeft, en bij dezelfde beschikking een deskundige aanstelt, belast met het opmaken van de plaatsbeschrijving en de schatting van de onroerende goederen. Het is duidelijk dat deze twee procedures van elkaar verschillend zijn en dat slechts één ervan kan gevolgd worden; Uw Hof besliste aldus in de geciteerde arresten in geval van een onteigening op grond van hoogdringende omstandigheden tot de primauteit en de toepasselijkheid van de procedure voorzien in de wet van 26 juli
- Deze precedenten hebben aldus geen betrekking op het aspect van de wederoverdracht.
- In de onderwerpelijke zaak ligt de problematiek anders; er zijn in de twee voormelde wetten geen verschillende rechtsplegingen voorhanden met betrekking tot de vordering tot wederoverdracht; in de wet van 17 april 1835 is deze uitdrukkelijk voorzien in artikel 23, terwijl in de wet van 26 juli 1962 helemaal geen bepaling omtrent de vordering tot wederoverdracht is opgenomen. Ik meen aldus dat de wet van 17 april 1835 blijft gelden voor de aspecten die in de bijzondere onteigeningswetten, in casu deze van 26 juli 1962, niet zijn geregeld mits de hoogdringendheid zich daar niet tegen verzet. Aldus lijkt de mogelijkheid een vordering tot wederoverdracht in te stellen wanneer de voor werken van algemeen nut verworven gronden die bestemming niet krijgen, zoals voorzien en uitgewerkt in artikel 23 van de wet van 17 april 1835, mij niet onverenigbaar te zijn met een onteigening bij hoogdringende omstandigheden volgens de procedure van de wet van 26 juli
- De appelrechters die de vordering tot teruggave uitsluiten voor onteigende onroerende goederen waarvan de bestemming tot algemeen nut nog niet werd gerealiseerd omdat de onteigening diende te verlopen volgens de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden voorzien in de wet van 26 juli 1962, verantwoorden naar mijn mening dan ook hun beslissing niet naar recht en de bestreden beslissing lijkt mij artikel 23 van voormelde wet van 17 april 1835 te schenden. Het derde onderdeel komt mij aldus gegrond voor. II. Tweede middel
- In het tweede middel tot cassatie voeren eisers een schending aan van artikel 1138, 3° van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 149 van de Grondwet omdat de appelrechters hebben nagelaten uitspraak te doen over de vordering van eisers tot teruggave van het onteigend goed gesteund op de gemeenteraadsbeslissingen van 20 september 1972 en van 28 februari 1973, minstens geen enkele reden hebben opgegeven waarom deze vordering ongegrond is.
- Eisers vorderden in hun "nieuwe globale conclusie na tussenarrest van 12 mei 1998 en deskundig verslag van 14 januari 2004", neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 9 maart 2006, "in hoofdorde, recht doende op de vordering tot wederoverdracht, de teruggave te bevelen van de goederen op grond van art. 23 van de wet van 27 april 1835 en op grond van de gemeenteraadsbesluiten van 20 september 1972 en 28 februari 1973".
- Zoals door het onderdeel aangevoerd, laten de appelrechters na uitspraak te doen over de vordering in zoverre zij gebaseerd is op de voormelde gemeenteraadsbeslissingen. Het middel lijkt mij dan ook gegrond te zijn. III. Omvang van de cassatie
- Eisers vochten het bestreden arrest aan "inzoverre het beslist betreffende de vordering van eisers tot teruggave van het onteigend goed gesteund op artikel 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte en in zoverre het zich niet uitspreekt over de vordering van eisers tot teruggave van het onteigend goed gesteund op de gemeenteraadsbeslissingen van verweerster dd. 20 september 1972 en 28 februari 1973."
- Uw Hof besliste in zijn arrest van 4 november 2005 dat volgens de geest en de algemeenheid van de bewoordingen van art. 1110, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de verwijzing na cassatie regelt, het wettelijke gevolg van de verwijzing niet beperkt mag worden tot het onderzoek van het vernietigde dictum, maar dat het gehele proces, in zoverre het nog moet worden beslecht, voor de rechter op verwijzing moet komen
(2). 14. Het lijkt mij aangewezen dat de vernietiging zou uitgebreid worden tot de beschikkingen van het bestreden arrest waarbij de debatten worden heropend teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen het vonnis alvorens recht te doen uitgesproken door de Zevende Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 27 januari 1986 alsook over de gebeurlijke onrechtmatige overheidsdaad en de vergoeding ervan op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij in de vorm van een herstel in natura hetzij bij equivalent en de begroting ervan, en om hen toe te laten hieromtrent te concluderen, en de beslissing over de kosten wordt aangehouden. Nu het ter zake niet gaat om eindbeslissingen in de zin van art. 1077 van het Gerechtelijk Wetboek, vermocht geen der partijen een ontvankelijke voorziening ertegen in te stellen. Deze beschikkingen zijn naar mijn mening niet te onderscheiden, wat de omvang van de vernietiging betreft, van de bestreden beschikkingen. Wanneer het Hof één van de beslissingen vernietigt, beslist het meteen dat de beslissing die niet het voorwerp kon uitmaken van een ontvankelijk cassatieberoep, wordt beschouwd als niet te onderscheiden van de vernietigde beslissing. Toenmalig eerste advocaat-generaal Hayoit de Termicourt, die in zijn conclusie bij 's Hofs arrest van 16 februari 1951 de leer van de "niet te onderscheiden beschikking" uitwerkte
(3), benadrukte overigens dat deze oplossing slechts mogelijk is wanneer het Hof vaststelt dat één van de beslissingen het voorwerp niet kan uitmaken van een ontvankelijk cassatieberoep, door geen van de bij het cassatieberoep betrokken partijen. Dit is in casu het geval. De oplossing van de "niet te onderscheiden beschikking" kende diverse malen toepassing in 's Hofs rechtspraak
(4); in onteigeningszaken kan nuttig verwezen worden naar het arrest van 7 oktober 1977
(5). IV. Besluit: Vernietiging _________________
(1)Cass., 12 jan. 1990, A.R. 6402, A.C., 1989-90, nr. 295, en Cass., 14 dec. 1995, A.R. C.93.0122.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951214.7, A.C., 1995, nr. 548.
(2)Cass., 4 nov. 2005, A.R. C.04.0074.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051104.19 en C.04.0089.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051104.19, A.C., 2005, nr. 562.
(3)Concl. van eerste adv.-gen. Hayoit de Termicourt bij Cass., 16 feb. 1951, Pas., 1951, I, 395; zie ook C. STORCK, "Le renvoi au juge du fond dans la procédure en cassation en matière civile", in Imperat Lex, Liber Amicorum Pierre Marchal, Brussel, Larcier, 2003, p. 217; E. KRINGS, "De omvang van cassatie", T.P.R. 1995, p.
(885)895.
(4)Zie o.m. Cass., 13 jan. 2005, A.R. C.04.0280.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050113.7, A.C., 2005, nr. 22.
(5)Cass., 7 okt. 1977, A.C., 1978, 173. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090522.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951214.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050113.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051104.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div