id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090525.9 Rolnummer: S.08.0009.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht - Unierecht Invoerdatum: 2009-11-10 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 23:18 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090525.9 Fiche 1 Artikel 796 Ger.W. sluit niet uit dat wanneer de rechter zijn rechtsmacht nog niet volledig heeft uitgeput, een vordering tot uitlegging of verbetering met betrekking tot een reeds door die rechter beoordeeld geschilpunt als tussenvordering kan worden ingesteld bij conclusie, voor zover de termijnen van hoger beroep of voorziening in cassatie tegen die beslissing verstreken zijn en waarbij de neerlegging ter griffie van de conclusie als betekening geldt, overeenkomstig artikel 746 Ger.W.
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tusseneis SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Vordering tot uitlegging - Aard van de procesregel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 796 Fiches 2 - 4 De vraag of het begrip "ambtenaar of een met hem gelijkgestelde" in artikel 13 tweede lid, d), van de Verordening nr. 1408/71 verwijst naar de omschrijving die daaraan wordt gegeven in het nationale stelsel van sociale zekerheid waarbij de betrokkene is aangesloten en de vraag of een persoon die krachtens een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld is door een werkgever uit de publieke sector en die op grond van het nationale stelsel van sociale zekerheid voor sommige takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Verordening nr.1408/71 onderworpen is aan de algemene sociale zekerheidsregeling voor werknemers, terwijl hij voor bepaalde andere takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderworpen is aan een bijzondere regeling voor ambtenaren, beschouwd dient te worden als een met ambtenaar gelijkgestelde voor de toepassing van artikel 13, tweede lid, d), van de Verordening nr. 1408/71, kunnen slechts opgelost worden door een uitlegging van de Verordening nr. 1408/71 zodat het middel een vraag opwerpt die tot de uitsluitende bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap behoort en het Hof ingevolge artikel 234, derde lid, van het EG-Verdrag in de regel verplicht is aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tusseneis SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Europees socialezekerheidsrecht - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Begrip "ambtenaar of een met hem gelijkgestelde" Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 14-06-1971 - Art. 13, tweede lid,
- d)Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tusseneis SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Europees socialezekerheidsrecht - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Begrip "ambtenaar of een met hem gelijkgestelde" - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 14-06-1971 - Art. 13, tweede lid,
- d)Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tusseneis SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Europese Unie - Europees socialezekerheidsrecht - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Begrip "ambtenaar of een met hem gelijkgestelde" - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 14-06-1971 - Art. 13, tweede lid,
- d)Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tusseneis SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Vordering tot uitlegging - Aard van de procesregel Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tusseneis SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Europees socialezekerheidsrecht - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Begrip "ambtenaar of een met hem gelijkgestelde" Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tusseneis SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Europees socialezekerheidsrecht - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Begrip "ambtenaar of een met hem gelijkgestelde" - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tusseneis SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Europese Unie - Europees socialezekerheidsrecht - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Begrip "ambtenaar of een met hem gelijkgestelde" - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE Paleis van Justitie 1000 Brussel _____ S.08.0009.N CONCLUSIE VAN MEVROUW ADVOCAAT-GENERAAL MORTIER 1. Situering Verweerder was sedert 1988 in dienst van eiseres aanvankelijk met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, nadien met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Hij was voortdurend als investeringsprospector tewerkgesteld in Zweden. Bij aangetekend schrijven van 8 augustus 1996 beëindigde eiseres de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een opzeggingstermijn. Bij schrijven van 27 september 1996 verbrak eiseres de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang. Een opzeggingsvergoeding gelijk aan 12 maanden loon werd uitbetaald. 2. Met betrekking tot het eerste middel. 2.1. Het eerste middel heeft betrekking op het ontvankelijk verklaren van het verzoek tot uitlegging of verbetering van het tussenarrest van 17 september 2002. Overeenkomstig artikel 798, eerste lid Ger.W. kan, tenzij alle partijen in het geding het eens zijn, de vordering tot uitlegging niet worden ingesteld voordat de termijnen van hoger beroep of van voorziening in cassatie verstreken zijn. De termijn om zich tegen het tussenarrest in cassatie te voorzien bedroeg overeenkomstig artikel 1073, eerste lid Ger.W. drie maanden te rekenen van de datum van betekening, namelijk 26 november 2002. De vordering tot uitlegging die dateert van 24 februari 2003 situeert zich dus voor het verstrijken van de termijn om zich in cassatie te voorzien. Nu uit de stukken waarop mag acht geslaan worden blijkt dat partijen het niet eens waren om de uitlegging te vragen diende de vordering als onontvankelijk afgewezen te worden. Het tweede subonderdeel van het eerste onderdeel van het eerste middel is bijgevolg gegrond. 2.2. In de memorie van antwoord werpt verweerder op dat dit onderdeel als niet ontvankelijk moet verworpen worden omdat het nieuw is. Deze grond van niet-ontvankelijkheid kan mijns inziens niet aangenomen worden gezien de regel waarop inbreuk werd gepleegd, namelijk artikel 798 Ger.W. een regel is die de rechterlijke organisatie aanbelangt, en bijgevolg voor het eerst voor Uw Hof kan aangevoerd worden. 2.3. Door de vernietiging van de beslissing waarbij de vordering tot uitlegging ontvankelijk verklaard wordt, wordt ook de beslissing tot uitlegging zelf vernietigd. De overige grieven van het eerste middel en het tweede middel kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. 3. Met betrekking tot het derde middel 3.1. De appelrechters oordeelden dat verweerder met eiseres verbonden was door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur op grond van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 en hij dus de hoedanigheid van werknemer had, dat hij niet genoot van de vastheid van betrekking die kenmerkend was voor het ambtenarenstatuut en dat verweerder krachtens het personeelsstatuut voor contractueel personeel een functionele bevoegdheid heeft en geen hiërarchische bevoegdheid zoals dit het geval is voor een ambtenaar. Het derde middel bekritiseert het arrest in zoverre dit verweerder niet als ambtenaar of daarmee gelijkgestelde in de zin van artikel 13.2.d van de Verordening 1408/71 heeft beschouwd, en dit zelfs niet heeft onderzocht, maar met toepassing van artikel 13.2.a van deze Verordening het Zweeds sociale zekerheidsrecht van toepassing heeft geacht waarna werd vastgesteld dat eiseres ten onrechte sociale zekerheidsbijdragen heeft ingehouden op het loon van verweerder. 3.2. EEG- Verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971. 3.2.1. Toepassingsgebied Verordening nr.1408/71 betreft de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de gemeenschap verplaatsen. Gezien de tewerkstelling van verweerder eindigde op 7 oktober 1996, dient ter beoordeling van deze zaak rekening gehouden te worden met de Verordening zoals van kracht vóór de wijziging ervan bij Verordening nr.1606/98 van 29 juni 1998. Het middel steunt in essentie op artikel 13 lid 2,
- a)en
- d)van de Verordening nr.1408/71. Deze bepalingen zijn ongewijzigd gebleven. 3.2.2. Doelstelling van de verordening De verordening beoogt uitvoering te geven aan artikel 42 (ex. artikel 51) van het EG verdrag en voorziet in een coördinatie en niet in een harmonisatie van de wettelijke regelingen der lidstaten. Het Hof van Justitie oordeelde
(1)dat dit artikel niet raakt aan de materiële en formele verschillen tussen de stelsels van sociale zekerheid van de onderscheiden lidstaten en dus ook niet aan de verschillen in de rechten van de aldaar werkzame personen. De lidstaten behouden alle vrijheid om hun socialezekerheidsstelsel uit te bouwen, zij bepalen zelf wie zij verzekeren, welke uitkeringen zij verlenen en onder welke voorwaarden.
(2)Deze voorschriften ter coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid, moeten bijdragen tot verhoging van de levensstandaard en verbetering van de arbeidsomstandigheden. Dit gebeurt onder andere door binnen de Gemeenschap alle onderdanen het recht op gelijke behandeling te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij een recht op prestaties inzake sociale zekerheid genieten, ongeacht de plaats waar zij werken en wonen. De coördinatie beoogt ervoor te zorgen dat de sociale zekerheidswetgevingen geen belemmering zouden vormen voor het vrij verkeer van personen. De doelstelling van de verordening is dus eerder beperkt. Ze boogt geen gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid op te zetten, maar laat de verschillende nationale stelsels voortbestaan die verschillende vorderingen doen ontstaan op onderscheiden organen waar tegenover de uitkeringsgerechtigde rechtstreeks aanspraken bezit, hetzij uitsluitens krachtens een nationale wettelijke regeling, hetzij krachtens de nationale regeling, aangevuld door het Gemeenschapsrecht. 3.2.3. Positie van de ambtenaren. 3.2.3.1. Vóór de inwerkingtreding van Verordening nr.1606/98 waren de bijzondere regelingen voor ambtenaren uitgesloten van het materieel toepassingsgebied van Verordening nr.1408/71. Artikel 4, lid 4, zoals van kracht vóór de wijziging bij verordening nr.1608/98, bepaalde namelijk dat de Verordening niet van toepassing is op de "bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden". Op ambtenaren of met hen gelijkgestelden was de verordening nr.1408/71 slechts van toepassing voor zover zij onderworpen waren aan een wettelijke regeling van een lidstaat waarop de Verordening wel van toepassing was. In dit verband is het arrest nr. C-71/93
(3)van 24 maart 1994 vermeldenswaard. In dit arrest gaf het Hof van Justitie, in antwoord op de vragen die de verwijzende rechter had gesteld, te kennen dat een ambtenaar (in voorkomend geval een beroepsmilitair in actieve dienst in België) onder toepassing van de werkingssfeer van de Verordening viel, nu deze categorie personen bij koninklijk besluit van 28 november 1969 onderworpen is aan de belgische regeling inzake de verplichte verzekering van werknemers tegen ziekte en invaliditeit. De omstandigheid dat iemand slechts aan een bepaalde tak van de sociale zekerheid onderworpen is, beïnvloedt dit standpunt niet. Wanneer de betrokken tak van de sociale zekerheid deel uitmaakt van een wetgeving waarop de Verordening van toepassing is in de zin van artikel 2, lid 3, valt degene die eraan onderworpen is, daadwerkelijk onder die wetgeving. 3.2.3.2. Waar aanvankelijk een coördinatie van de bijzondere stelsels voor ambtenaren niet nuttig werd geacht, veranderde die mening gaandeweg, niet in het minst onder invloed van de rechtspraak van het Hof van Justitie, waarin uitdrukkelijk gesteld werd dat de Raad van Ministers door het niet-voorzien van coördinatieregels voor deze bijzondere stelsels voor ambtenaren, zijn verplichtingen opgelegd door artikel 51 EG-verdrag niet volledig was nagekomen. Rechtstreekse aanleiding tot de Verordening 1606/98 was het Arrest C-443/93 van 22 november 1995
(4). In dit arrest werd door het Hof van Justitie nadere uitlegging gegeven aan de begrippen "ambtenaar" en "bijzondere regeling voor ambtenaren". Het Hof van Justitie oordeelde dat de term "ambtenaren" in artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 niet enkel de ambtenaren omvat die onder de afwijking van artikel 48, lid 4, van het Verdrag vallen zoals dit is uitgelegd door het Hof, maar alle ambtenaren in overheidsdienst en de met hen gelijkgestelden. Voor de kwalificatie "bijzonder" in de zin van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 volstaat, dat de betrokken nationale sociale-zekerheidsregeling verschilt van de algemene sociale-zekerheidsregeling die in de desbetreffende Lid-Staat voor werknemers geldt, en dat die regeling rechtstreeks op alle of bepaalde categorieën ambtenaren van toepassing is of naar een in die Lid-Staat reeds bestaande socialezekerheidsregeling voor ambtenaren verwijst, zonder dat andere elementen in dit verband in aanmerking moeten worden genomen. 3.2.3.3. De toepassing van de verordening werd nadien uitgebreid tot de zelfstandigen en pas bij Verordening nr.1606/98 van 29 juni 1998 tot de bijzondere stelsels voor ambtenaren
(5). 3.2.3.4. Definities Artikel 1 van de verordening 1408/71, zoals van toepassing, definieert "werknemer" en "zelfstandige" als ieder die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorend tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid voor werknemers of zelfstandigen. Bij arresten nr. C.340/94
(6)en C.221/95 van 30 januari 1997 oordeelde het Hof van Justitie dat de begrippen "werknemer" en "zelfstandige" in de Verordening verwijzen naar de definities van deze begrippen in de sociale zekerheidswetgevingen van de lidstaten en zij geen verband houden met de wijze waarop de uitgeoefende werkzaamheden in het arbeidsrecht worden gekwalificeerd. Voor de invulling van deze gemeenschapsrechtelijke begrippen wordt dus verwezen naar het nationale recht. Het begrip "ambtenaar" wordt in de verordening zoals van toepassing niet gedefinieerd
(7). In zoverre de verordening nr.1408/71 vóór de wijziging bij Verordening nr.1606/98 van toepassing is op ambtenaren, worden zij voor de toepassing van deze verordening als werknemers beschouwd. Het begrip "werknemer" wordt voor de toepassing van de Verordening zeer ruim begrepen en de werkzaamheden die een persoon als ambtenaar verricht, worden als werkzaamheden in loondienst beschouwd voor de toepassing van artikel 14quater van de Verordening, hoewel de ambtenaren en met hen gelijkgestelden als een afzonderlijke categorie worden beschouwd met het oog op de vaststelling van de op hen toe te passen wetgeving
(8). 3.5.3.5. Conflictregels. In Titel II van de Verordening werden de conflictregels voor het bepalen van de toepasselijke wettelijke regeling inzake sociale zekerheid opgenomen. De artikelen 13 tot en met 17 hebben tot doel te voorkomen dat er als gevolg van grensoverschrijdend verkeer tussen Lid-staten geen enkele wetgeving van toepassing zou zijn, dan wel dat er meerdere wetgevingen tegelijk van toepassing zouden zijn. Artikel 13.1 van de Verordening legt het algemeen principe vast dat degenen op wie de Verordening van toepassing is, slechts aan de sociale zekerheidswetgeving van één enkele lidstaat onderworpen zijn. Artikel 13.2. bepaalt de regels om vast te stellen welke wetgeving op welke personen moet toegepast worden. Zo bepaalt artikel 13.2.a dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat. Artikel 13.2.d bepaalt dat op ambtenaren en met hen gelijkgestelden de wetgeving van toepassing is van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert. Het Hof van Justitie merkte in de twee reeds vermelde arresten van 30 januari 1997 op dat, anders dan in de bepalingen van Titel I, in de bepalingen van Titel II niet gesproken wordt van werknemers en zelfstandigen, maar van personen die werkzaamheden in loondienst uitoefenen en personen die werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefenen. Deze begrippen worden in de Verordening niet gedefinieerd. "Weliswaar wordt in de bepalingen van Titel II van de verordening naar de letter gesproken van personen die werkzaamheden in loondienst uitoefenen en niet van werknemers of zelfstandigen, doch een logische en coherente uitlegging van de personele werkingssfeer van de Verordening en van het in de Verordening vervatte stelsel van conflictregels vereist dat de betrokken begrippen in titel II van de Verordening worden uitgelegd met inachtneming van de definities van artikel 1a." 3.5.3.6. Toepassing op het huidig geschil De Verordening geeft geen definitie van het begrip "ambtenaar of met ambtenaar gelijkgestelde". Ook de rechtspraak van het Hof van Justitie in de voormelde arresten geeft geen antwoord op de concrete vragen die zich in huidige zaak stellen, namelijk: - dient voor de toepassing van artikel 13,lid2,
- d)van de Verordening nr.1408/71 het begrip "ambtenaren en met hen gelijkgestelden" uitgelegd te worden op basis van het nationale stelsel van sociale zekerheid waarbij de betrokkene is aangesloten? En zo ja - dient dan de persoon die krachtens een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld door een werkgever uit de publieke sector en die op grond van het nationaal stelsel van sociale zekerheid voor bepaalde takken van de sociale zekerheid, zoals bedoeld in artikel 4,lid1, van de Verordening onder toepassing valt van de algemene socialezekerheidsregeling voor werknemers, terwijl hij voor bepaalde andere takken van sociale zekerheid onder toepassing valt van een bijzondere regeling voor ambtenaren, beschouwd te worden als een met ambtenaar gelijkgestelde? 3.5.3.6.1. Wat de eerste vraag betreft zou een logische en coherente uitlegging van de personele werkingssfeer van de Verordening en van het in de Verordening vervatte stelsel van conflictregels vereisen dat voor de uitlegging van deze begrippen ook op het nationale stelsel van sociale zekerheid waarbij betrokkene is aangesloten moet teruggevallen worden en het dus aan de rechter toekomt, die geconfronteerd wordt met het begrip "ambtenaar of daarmee gelijkgestelde" in de zin van Verordening (EEG) nr.1408/71, deze begrippen uit te leggen aan de hand van het Belgisch stelsel van sociale zekerheid dat op betrokkene van toepassing is. Dit betreft evenwel een naar analogie redenering met de standpunten die het Hof van Justitie met betrekking tot de begrippen "werknemer" en "zelfstandige" in haar rechtspraak heeft aangenomen; Met betrekking tot het begrip "ambtenaren of daarmee gelijkgestelde" heeft het Hof zich evenwel nog niet uitgesproken. 3.5.3.6.2. Wat de tweede vraag betreft is het zo dat het socialezekerheidsstatuut van contractueel overheidspersoneel, waarvan niet betwist wordt dat verweerder hiertoe behoort, naar Belgisch recht niet eenduidig is. Contractueel overheidspersoneel ressorteert namelijk gedeeltelijk onder het socialezekerheidsstelsel voor werknemers (dit is het geval met betrekking tot de ziektekostenverzekering, de arbeidsongeschiktheids-en moederschapsverzekering, de pensioenregeling en de werkloosheid), terwijl het voor bepaalde regelingen onder het bijzonder stelsel voor ambtenaren valt ( voor de gezinsbijslag vallen zij eveneens onder de werknemersregeling, maar bijzondere wetgeving kent aan het contractueel en statutair overheidspersoneel enkele bijzondere voordelen toe; voor arbeidsongevallen en beroepsziekten valt het contractueel overheidspersoneel niet onder de werknemersregeling maar onder de arbeidsongevallen en beroepsziektenwet overheidspersoneel van 3 juli 1967). Is dit stelsel, van toepassing op contractueel overheidspersoneel, als een bijzondere regeling in de zin van de Verordening te beschouwen? Verschillende interpretaties zijn denkbaar. Zo zou kunnen gesteld worden dat een contractueel personeelslid van de overheid te beschouwen is als een "met een ambtenaar gelijkgestelde" in de zin van artikel 13, lid 2
- d)wanneer hij volgens het nationale stelsel voor minstens één van de takken van de sociale zekerheid bedoeld in artikel 4, lid 1 van de Verordening onderworpen is aan een bijzondere regeling voor ambtenaren. Volgens deze interpretatie is verweerder dan te beschouwen als een "met ambtenaar gelijkgesteld persoon" in de zin van artikel 13, lid 2 d). Evenwel zou ook kunnen gesteld worden dat een contractueel personeelslid van de overheid slechts te beschouwen is als een "met een ambtenaar gelijkgestelde" in de zin van artikel 13, lid 2
- d)wanneer hij volgens het nationale socialezekerheidsstelsel "overwegend" dit is in de zin van "voor de meerderheid van de takken van de sociale zekerheid bedoeld in artikel 4, lid 1 van de Verordening" onderworpen is aan bijzondere regelingen voor ambtenaren. Volgens deze interpretatie is verweerder geen "met ambtenaar gelijkgesteld persoon " in de zin van artikel 13, lid 2 d), nu hij voor het grootste deel van de takken van sociale zekerheid zoals opgesomd in artikel 4 lid 1 van de Verordening onder de gewone regeling van de werknemers valt. Het antwoord op deze vragen vereist een uitlegging van de Verordening nr.1408/71. Het middel werpt een probleem op dat behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van het Hof van Justitie van de E.G. zodat het Hof verplicht is een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Conclusie: - VERNIETIGING in zoverre het arrest de vordering tot uitlegging en/of verbetering van het tussenarrest van 17 september 2002 ontvankelijk en gegrond verklaart. - Met betrekking tot het derde middel is er aanleiding tot het stellen van de onder punt 3.5.3.6. bepaalde prejudiciële vragen. ____________________
(1)HvJ, 30 jan. 1997, C-340/94, E.J.M. De Jaeck tegen Staatssecretaris van Financiën.
(2)De toepassing van de Verordening(EEG) nr.1408/71 in België, Y.Jorens en S. Geenen (editors), Die Keure, 1999, 3-4.
(3)HvJ, 24 maart 1994, C.-71/93 inzake Guido Van Poucke tegen Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen en Algemene Sociale Kas voor Zelfstandigen.
(4)HvJ, 22 nov. 1995, C-443/93, Ioannis Vougioukas tegen Idryma Koinonikon Asfalisseon.
(5)In het onder voetnoot 4 vermeld arrest werd gesteld dat de gemeenschapswetgever nog niet de nodige maatregelen genomen heeft om de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 uit te breiden tot de bijzondere regelingen voor ambtenaren en met hen gelijkgestelden, zodat artikel 4, lid 4, van de verordening een aanzienlijke leemte in de coördinatie van de sociale-zekerheidsregelingen binnen de Gemeenschap handhaaft. "De uitsluiting van de bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden van de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 kan destijds bij de vaststelling van die verordening gerechtvaardigd zijn geweest wegens diepgaande verschillen tussen de nationale regelingen die zodanige moeilijkheden meebrachten dat de gemeenschapswetgever ze als onoverbrugbaar kon beschouwen toen hij deze regelingen wilde coördineren. Gelet op de in artikel 51 van het Verdrag aan de Raad opgedragen taak kan het bestaan van dergelijke technische moeilijkheden het ontbreken van elke coördinatie van de bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden echter niet voor onbepaalde tijd rechtvaardigen. Dit klemt te meer, omdat de Commissie in december 1991 bij de Raad een voorstel heeft ingediend tot wijziging van verordening nr. 1408/71, waarmee onder meer wordt beoogd dergelijke regelingen onder de materiële werkingssfeer van de verordening te brengen". De commissie had er inderdaad op gewezen dat het vrij verkeer van personen,dat een van de hoekstenen van de gemeenschap is, niet beperkt mag blijven tot werknemers en zelfstandigen, maar op alle verzekerde personen van toepassing dient te zijn, met het oog op de verwezenlijking van de sociale dimensie van de interne markt. De materiële werkingssfeer van de verordening moet daarenboven zodanig uitgebreid worden dat in principe de bijzondere stelsels van ambtenaren en aan hen gelijkgestelden, alsmede de bijzondere stelsels voor niet-actieve personen daarin zijn opgenomen. De commissie overwoog verder dat het noodzakelijk is wijzigingen aan te brengen in de verordening 1408/71 teneinde deze Verordening toe te passen op de personen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, rekening houdend met de specifieke situatie van de betrokken personen en met de bijzonderheden van de stelsels waarbij zij zijn aangesloten en de prestaties waarop zij recht hebben.
(6)HvJ., 30 jan. 1997, C-340/94, E.J.M. de Jaeck tegen Staatssecretaris van Financiën; HvJ., 30 jan. 1997, C-221/95, INASTI tegen Claude Hervein e.a.
(7)In verordening nr.83/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels bepaalt artikel 1 d) dat voor de toepassing van deze verordening onder "ambtenaar" wordt verstaan de persoon die door de lidstaat waaronder de dienst waarbij hij werkzaam is ressorteert, wordt beschouwd als ambtenaar of daarmee gelijkgesteld persoon.
(8)Zo overwoog het Hof van Justitie in het eerder vermeld arrest Van Poucke: "Gelijk de Commissie terecht heeft opgemerkt, worden ambtenaren in het stelsel van het Verdrag als werknemers aangemerkt. Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de omschrijving van het communautaire begrip werknemer in de zin van artikel 48 van het Verdrag immers worden uitgegaan van objectieve criteria die kenmerkend zijn voor de arbeidsverhouding, waarvan het hoofdkenmerk is, dat iemand voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een beloning ontvangt. Uit de plaats van artikel 48, lid 4, in het Verdrag en uit de bewoordingen van deze bepaling, die de betrekkingen in overheidsdienst van haar werkingssfeer uitsluit zonder onderscheid te maken tussen betrekkingen vervuld door ambtenaren en betrekkingen vervuld door andere personeelsleden, blijkt dat ambtenaren tot de werknemers of loontrekkenden behoren. Er zij overigens aan herinnerd, dat toen de verordening enkel op de loontrekkenden en nog niet op de zelfstandigen van toepassing was, de specifieke bepalingen betreffende ambtenaren reeds in de verordening voorkwamen. Het is juist, dat in artikel 13, lid 2, van de verordening, dat de algemene regels voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving bevat, de ambtenaren worden genoemd sub d, terwijl degenen die werkzaamheden in loondienst uitoefenen, worden vermeld sub a. Opgemerkt zij evenwel, dat de eerste twee alinea's van dit lid, sub a en sub b, respectievelijk zien op degenen die werkzaamheden in loondienst uitoefenen, en op degenen die werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefenen, terwijl de volgende alinea's betrekking hebben op een aantal bijzondere categorieën personen, die ook de ene of de andere van die werkzaamheden kunnen uitoefenen, hetgeen bij voorbeeld het geval is voor de sub c genoemde zeelieden. De omstandigheid dat de ambtenaren in een aparte alinea van artikel 13, lid 2 - namelijk sub d - worden genoemd, neemt niet weg dat zij voor de toepassing van de verordening werknemers blijven. Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de werkzaamheden die een binnen de werkingssfeer van de verordening vallende persoon als ambtenaar verricht, werkzaamheden in loondienst zijn in de zin van artikel 14quater houdende bijzondere regels voor personen die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van een Lid-Staat en werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van een andere Lid-Staat uitoefenen." Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090525.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div