id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090526.3 Rolnummer: P.08.1288.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-06-12 Raadplegingen: 290 - laatst gezien 2026-07-02 23:16 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090526.3 Fiche 1 Wanneer de werkgever een werknemer die ingevolge de fout van een derde een bestendige arbeidsongeschiktheid heeft opgelopen, vervroegd op pensioen stelt, is het invaliditeitspensioen dat hij zijn werknemer uitkeert, voor de pensioenschuldenaar geen schade
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Begrip. Vormen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Schadebegrip - Algemeen Vrije woorden: Betaling van vervroegd invaliditeitspensioen door werkgever ingevolge zijn reglement Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Fiche 2 Conclusie van eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Begrip. Vormen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Schadebegrip - Algemeen Vrije woorden: Betaling van vervroegd invaliditeitspensioen door werkgever ingevolge zijn reglement Annotaties Publicaties: NJW - Ingrid BOONEN; Invaliditeitspensioen is geen schade voor de publieke werkgever - 2009, 590-592 Tekst van de conclusie P.08.1288.N Conclusie van de Eerste Advocaat-generaal:
- Feiten en voorafgaande procedure De zaak betreft een verkeersongeval waarvan een personeelslid van de NMBS het slachtoffer was geworden en waarvoor de verzekerde van AXA BELGIUM NV integraal aansprakelijk werd gesteld. Ten gevolge van dit ongeval werd het slachtoffer vervroegd op pensioen gesteld, conform het bij de NMBS geldende reglement. De NMBS vorderde ten laste van AXA BELGIUM NV vergoeding van de schade die uit de vervroegde pensionering voorvloeit. Bij vonnis van 14 september 1998 oordeelde de correctionele rechtbank te Gent dat de NMBS slechts als gesubrogeerde in de rechten van haar werknemer aanspraak kan maken op een vergoeding voor het verlies aan arbeidspotentieel van haar werknemer, begroot op 1.802.522 BEF. Beide partijen tekenden hoger beroep aan tegen dit vonnis. Bij tussenarrest van 6 juni 2006 besliste het Hof van Beroep te Gent dat de NMBS op grond van artikel 1382 BW gerechtigd is op de vergoeding van de totaliteit van de door haar betaalde en nog te kapitaliseren bedragen. Het debat werd heropend teneinde de NMBS toe te laten haar vordering te actualiseren. In het eindarrest van 16 juni 2008 veroordeelde het Hof van Beroep te Gent AXA BELGIUM NV tot het betalen van de som van 390.979,48 EUR, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 8 juli 1997 tot de datum van de uitspraak, meer de verwijlinterest aan dezelfde rentevoet vanaf de datum van de uitspraak. AXA BELGIUM NV stelt cassatieberoep in tegen de voormelde arresten van 6 juni 2006 en 16 juni
- Zij voert drie middelen aan. De NMBS die ook cassatieberoep instelde voert geen middelen aan.
- Bespreking van de middelen van de eiseres AXA BELGIUM NV a. Eerste middel Het eerste middel vecht het tussenarrest van 6 juni 2006 aan in zoverre niet duidelijk werd aangegeven op welke rechtsgrond de vordering van de NMBS precies is ingewilligd: subrogatie of eigen recht? Het eerste onderdeel voert meer bepaald aan dat het tussenarrest tegenstrijdig, minstens onnauwkeurig is gemotiveerd, doordat uit de overwegingen niet met zekerheid kan worden afgeleid of de vordering van de NMBS door de appelrechters wordt ingewilligd op grond van de eigen schade die de NMBS overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek heeft geleden, dan wel op grond van subrogatie in de rechten van haar getroffen werknemer. Het tweede, derde en vierde onderdeel gaan ervan uit dat de appelrechters beslissen dat de NMBS recht heeft op vergoeding van de totaliteit van haar uitgaven op grond van subrogatie in de rechten van haar personeelslid. Indien het tussenarrest in die zin moet worden gelezen, is het niet regelmatig met redenen omkleed (tweede onderdeel), noch naar recht verantwoord (derde en vierde onderdeel). De NMBS baseerde haar vordering in hoofdorde op artikel 1382 BW, waarbij zij vergoeding vorderde voor haar eigen schade doordat zij wegens de vervroegde oppensioenstelling van haar personeelslid uitgaven moet doen waar geen arbeidsprestaties tegenover staan. In ondergeschikte orde beriep zij zich op de subrogatie zoals die voortvloeit uit haar reglement. Het tussenarrest zegt enigszins verwarrend dat de NMBS over een "eigen (-subrogatoire-) vordering beschikt, gesteund op de bepalingen van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek". Uit het geheel van de motieven blijkt echter voldoende duidelijk dat de appelrechters de vordering toekennen op grond van artikel 1382 BW, voor eigen schade van de NMBS. De motivering staat namelijk helemaal in het teken van het eigen recht van de NMBS op vergoeding van haar uitgaven als schade die zij heeft geleden door de fout van de verzekerde van AXA BELGIUM NV. De appelrechters verwijzen weliswaar naar het subrogatierecht, maar dat gebeurt enkel ter staving van de overweging dat de bedoelde uitgaven schade uitmaken voor de NMBS, nu het reglement niet bepaalt dat de betaling definitief voor rekening moet blijven van degene die ze op die grond moet verrichten. De in het eerste onderdeel aangevoerde tegenstrijdigheid of onnauwkeurigheid in de motieven bestaat dus niet, zodat het eerste onderdeel feitelijke grondslag mist. Ook de overige onderdelen, die ervan uitgaan dat de appelrechters de vordering van de NMBS hebben toegestaan op grond van subrogatie, missen feitelijke grondslag. b. Tweede middel Het tweede middel voert de schending aan van de artikelen 1382 en 1383 BW. De sommen die de NMBS krachtens haar reglement verschuldigd is naar aanleiding van het vervroegd op pensioen stellen van haar werknemer als gevolg van de fout van een derde, zijn groter dan wat de NMBS normaal zou hebben betaald voor het verlies van de gepresteerde diensten zodat ze door het verrichten van deze uitgaven geen schade heeft geleden die zij kan verhalen op de aansprakelijke derde. Dit middel stelt aldus de vraag aan de orde of de betalingen die een werkgever uit de publieke sector moet doen wegens de vervroegde oppensioenstelling van een personeelslid, als gevolg van de letsels opgelopen bij een ongeval te wijten aan de fout van een derde, schade vormen waarvoor die werkgever recht heeft op vergoeding op grond van de artikelen 1382-1383 BW. Zoals bekend, aanvaardt uw Hof sinds 2001 dat de wedde (en de daarop verschuldigde bijdragen) die de werkgever moet betalen aan een personeelslid, zonder arbeidsprestaties te ontvangen, schade kan uitmaken in de zin van artikel 1382-1383 BW, waarvoor de werkgever vergoeding kan vorderen van de aansprakelijke derde.
(1)
(2)Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat schade in de zin van artikel 1382 of 1383 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten.
(3)Tevens heeft uw Hof erkend dat de medische kosten die de werkgever heeft betaald ten behoeve van het getroffen personeelslid een vergoedbare schade kunnen uitmaken.
(4)Daarnaast heeft het Hof de criteria van de zgn. "loondoorbetalingsarresten" ook toegepast op gevallen waarin de publiekrechtelijke werkgever vergoeding vorderde voor de uitkeringen verschuldigd aan de rechthebbenden van een personeelslid dat het slachtoffer was geworden van een ongeval.
(5)Met betrekking tot de arbeidsongevallenrente verschuldigd voor een (geringe) blijvende arbeidsongeschiktheid, heeft het Hof daarentegen geoordeeld dat zij geen schade uitmaakt voor de publiekrechtelijke werkgever, wanneer deze rente verschuldigd is naast de bezoldiging, terwijl de werkgever niet verstoken blijft van de arbeidsprestaties van het getroffen personeelslid.
(6)Ik kom hierop verder terug. In deze zaak gaat het om het zgn. invaliditeitspensioen, dit is het vervroegde pensioen toegekend aan een personeelslid uit de publieke sector dat definitief ongeschikt is bevonden om zijn ambt verder uit te oefenen. Uw Hof heeft zich bij mijn weten nog niet eerder moeten uitspreken over de vraag of de werkgever op grond van de artikelen 1382 en 1383 BW recht heeft op vergoeding voor de betalingen die hij wegens de vervroegde oppensioenstelling aan zijn personeelslid verschuldigd is. Het tweede middel voert aan dat de door de NMBS reeds betaalde en nog te kapitaliseren bedragen naar aanleiding van de vervroegde oppensioenstelling van haar werknemer geen schade uitmaken die ze kan verhalen op de aansprakelijke, aangezien enerzijds, "het vergoedend karakter van deze bedragen grotendeels ontbreekt", en anderzijds, "deze bedragen groter zijn dan wat de NMBS normaal zou hebben betaald voor het verlies van de gepresteerde diensten". Met het eerste argument, nl. het "ontbreken van het vergoedend karakter", bedoelt het middel dat de betalingen die de NMBS moet verrichten wegens de vervroegde oppensioenstelling "slechts gedeeltelijk strekken tot vergoeding van de schade die de werknemer als gevolg van het ongeval heeft geleden". Het middel voert in dat verband aan dat, aangezien de deskundige slechts een blijvende arbeidsongeschiktheid van 20% heeft weerhouden, het getroffen personeelslid zelf naar gemeen recht maar een vergoeding had kunnen verkrijgen voor die beperkte arbeidsongeschiktheid en dus niet voor een volledige blijvende arbeidsongeschiktheid. Het vervroegd pensioen zou dan ook in dit geval grotendeels de gemeenrechtelijke vergoeding waarop het slachtoffer zelf aanspraak had kunnen maken overtreffen. Daarom zouden deze betalingen geen schade kunnen vormen voor de werkgever. Dit argument komt erop neer dat de bedragen verschuldigd door de werkgever slechts een vergoedbare schade kunnen uitmaken wanneer zij de vergoeding die de getroffen werknemer zelf naar gemeen recht had kunnen vorderen, niet overtreffen. Aldus geeft het middel aan het recht op vergoeding voor eigen schade een invulling gelijkaardig aan die van een subrogatoir verhaalsrecht, dat uit zijn aard zelf beperkt is tot het bedrag van de vergoeding waarop het slachtoffer naar gemeen recht aanspraak had kunnen maken. Het argument dat de bedragen verschuldigd door de werkgever maar schade kunnen zijn binnen de grenzen van de vergoeding die het slachtoffer zelf had kunnen vorderen, is door uw Hof al verworpen in de rechtspraak over het eigen recht van de werkgever voor de wedde betaald aan een tijdelijk arbeidsongeschikt personeelslid. Daarin heeft het Hof namelijk aanvaard dat bij de vaststelling van de eigen schade van de werkgever, geen rekening moet worden gehouden met de omvang van het subrogatoir verhaal (en dus met de omvang van de vergoeding waarop het getroffen personeelslid naar gemeen recht aanspraak had kunnen maken). Meer bepaald overwoog het Hof in één van de arresten van 19 februari 2001 dat "de omvang van de subrogatie op grond van artikel 17 van het KB van 1 juni 1964 te dezen geen belang vertoont".
(7)Hiermee verwierp het Hof het argument dat de rechter, die zich op het bestaan van een subrogatierecht baseert om te oordelen dat het geenszins in de bedoeling van de wetgever lag de gedane uitgaven definitief ten laste te laten van de werkgever, niet naar recht kon beslissen dat de gedane uitgaven integraal voor vergoeding in aanmerking konden komen op grond van artikel 1382 BW. In een arrest van 10 december 2001 heeft uw Hof zijn standpunt bevestigd dat de beperkingen van de subrogatoire vordering niet gelden in het raam van de eigen verhaalsvordering van de werkgever.
(8)Wat precies bedoeld wordt met het tweede argument, volgens welk de bedoelde bedragen "groter zijn dan wat de NMBS normaal zou hebben betaald voor verlies van arbeidsprestaties", is het mij niet duidelijk of dit argument werkelijk onderscheiden is van het eerste argument. Zo stelt de toelichting bij het middel: "de rechter moet in dit geval nagaan of de toegekende sommen het bedrag overstijgen van wat de publiekrechtelijke werkgever normaal als werkgever aan zijn werknemer zou hebben betaald voor gepresteerde diensten, waarbij het ook de vraag is of de toegekende sommen al dan niet strekken tot vergoeding van de schade van de getroffen werknemer". Dit argument lijkt geïnspireerd te zijn door het cassatiearrest van 9 januari 2006
(9), waarnaar de eiseres trouwens verwijst. In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat "in de mate een wettelijke of reglementaire norm een werkgever die optreedt als verzekeraar, verplicht sommen te betalen waarvan het bedrag groter is dan wat hij als werkgever zou hebben betaald voor gepresteerde diensten, deze norm tot strekking heeft dat die sommen definitief ten laste blijven van die werkgever. Die werkgever lijdt door de nakoming van die verplichting geen schade die hij kan terugvorderen van de aansprakelijke derde." De eiseres leidt uit dit arrest af dat hetgeen het normale (dit is wat de werkgever normaliter voor de arbeidsprestaties zou hebben betaald) overstijgt, definitief ten laste moet blijven van de werkgever. Twee bedenkingen in dit verband. 1° Als men het criterium van het "groter zijn dan wat de werkgever normaliter zou hebben betaald voor de arbeidsprestaties" toepast op het vervroegde pensioen, zou het besluit juist moeten zijn dat dit pensioen niet definitief ten laste moet blijven van de werkgever, en dus wél een vergoedbare schade voor de werkgever vormt. Het (maandelijkse) bedrag van dit pensioen ligt immers noodzakelijkerwijze lager dan de wedde die de werkgever normaliter verschuldigd is voor geleverde arbeidsprestaties. Het zou overigens nogal willekeurig zijn het antwoord op de vraag of de verschuldigde bedragen definitief voor rekening moeten blijven van de werkgever louter te laten afhangen van de hoogte van deze bedragen. 2° Het arrest van 9 januari 2006 gaat over een arbeidsongevallenrente voor een blijvende arbeidsongeschiktheid van 6%, die de Belgische staat verschuldigd was bovenop de wedde van het personeelslid, dat opnieuw aan de slag was gegaan. De bewuste overweging betekent dat de arbeidsongevallenrente (en het daarvoor gevestigde kapitaal), wanneer zij verschuldigd is naast de gewone bezoldiging voor gepresteerde diensten, definitief voor rekening moet blijven van de werkgever. Het arrest van 12 november 2008
(10)verwoordt dit meer expliciet: "Lorsque, conformément à la loi ou au règlement, l'employeur public est tenu de verser à son agent, outre une rémunération, une rente d'incapacité permanente partielle alors qu'il n'est pas privé des prestations de celui-ci, le paiement de cette rente ou du capital constitué pour la servir, ne constitue pas un dommage au sens des articles 1382 et 1383 du Code civil". Wanneer dus de werkgever, naast de gewone wedde, een rente voor blijvende arbeidsongeschiktheid moet betalen terwijl hij de arbeidsprestaties van zijn personeelslid niet moet derven, maakt die rente (of het kapitaal gevestigd met het oog op de betaling van die rente) voor de werkgever geen schade uit in de zin van de artikelen 1382-1383 BW. De voorliggende zaak beantwoordt niet aan de situatie waarover de arresten van 9 januari 2006 en 12 november 2008 uitspraak doen. Het gaat hier om een personeelslid dat wegens zijn blijvende arbeidsongeschikt (door de deskundige vastgesteld op 20%) niet meer in staat was enigerlei functie te vervullen voor de NMBS. De appelrechters motiveren omstandig waarom een wedertewerkstelling van het betrokken personeelslid in dezelfde of een andere functie onmogelijk was. De NMBS diende dan ook, conform haar reglement, dit personeelslid vervroegd op pensioen te stellen, beslissing tot vervroegde oppensioenstelling die de aansprakelijke of zijn verzekeraar, het weze aangestipt, op zich niet vermag te betwisten. In de voorliggende zaak doet zich dus de situatie voor dat de werkgever gehouden is uitkeringen (in de vorm van een vervroegd pensioen) te betalen aan haar personeelslid, terwijl hij verstoken is van diens arbeidsprestaties. Deze situatie leunt dan ook sterker aan bij de situatie van de werkgever die, zonder arbeidsprestaties te ontvangen, de wedde moet doorbetalen aan een personeelslid, dan bij deze van de werkgever die een rente voor blijvende arbeidsongeschiktheid moet betalen, terwijl hij wel arbeidsprestaties geniet. Men kan dan ook verantwoorden dat de werkgever die, ingevolge de fout van een derde, een personeelslid, dat definitief ongeschikt is bevonden tot het vervullen van een functie voor die werkgever, vervroegd op pensioen dient te stellen en de daarvoor verschuldigde bedragen dient te betalen, hierdoor schade lijdt waarvoor hij in beginsel gerechtigd is op vergoeding. Bij deze aanname horen wel twee kanttekeningen. Ten eerste is er de vaststelling dat vervroegd pensioen of invaliditeitspensioen dat het risico van inkomensverlies door blijvende arbeidsongeschiktheid dekt, voor werknemers in de privésector gedekt wordt door de invaliditeitsuitkeringen van het ziekenfonds dat daarvoor alleen over een subrogatoir verhaal beschikt. Ten tweede impliceert de erkenning van het vervroegd pensioen (verschuldigd als gevolg van de onrechtmatige daad van een derde) als schade waarvoor de werkgever op grond van artikel 1382-1383 BW gerechtigd is op vergoeding, dat dit pensioen in mindering moet worden gebracht op de vergoeding die het getroffen personeelslid zelf kan vorderen naar gemeen recht. Uw Hof heeft de deur al op een kier gezet voor die oplossing. In een arrest van 26 juni 2002
(11)heeft het Hof geoordeeld dat de rechter de artikelen 1382 en 1383 BW schendt door te beslissen dat het invaliditeitspensioen, dat zijn oorzaak vindt in de statuten van de NMBS, niet moet worden toegerekend op de naar gemeen recht verschuldigde vergoeding van de materiële schade uit blijvende arbeidsongeschiktheid, zonder te onderzoeken of de uitkering van dat pensioen ertoe strekte de schade te vergoeden die het slachtoffer ten gevolge van het ongeval had geleden. De aansprakelijke kan immers niet verplicht worden dubbel te betalen. Als het gaat om een (gemeenrechtelijke) gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid (zoals in de voorliggende zaak), zal de gemeenrechtelijke vergoeding mogelijk minder bedragen dan het volledige pensioenkapitaal, zodat het slachtoffer dan niets meer zal kunnen vorderen voor materiële schade uit BAO. c. Derde middel Het derde middel bekritiseert de beslissing van het eindarrest van 16 juni 2008 waarbij de eiseres veroordeeld wordt om aan de NMBS te betalen, bovenop de hoofdsom van 390.979,49 EUR, verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 8 juli 1997 tot op de datum van de uitspraak, meer de verwijlinteresten aan dezelfde interestvoet vanaf de datum van de uitspraak. Het bedrag van de hoofdsom is samengesteld uit, enerzijds, de reeds door de NMBS verrichte uitgaven (begroot op 204.779,75 EUR), anderzijds, de toekomstige schade van de NMBS vanaf de datum van de uitspraak (begroot op 186.199,74 EUR). Het vierde onderdeel voert de schending aan van de artikelen 1382 en 1383 BW, doordat de appelrechters verwijlinterest toekennen vanaf 8 juli 1997, zijnde een tijdstip dat de datum van de uitspraak voorafgaat. Inzake buitencontractuele aansprakelijkheid is de moratoire interest de interest die verschuldigd is vanaf de datum van de rechterlijke uitspraak die de schadevergoeding toekent tot aan de dag van de betaling van die schadevergoeding. De rechter mag de moratoire interest dan ook niet doen ingaan vóór de beslissing waarbij die vergoeding wordt toegekend.
(12)Door op de hoofdsom van de verschuldigde schadevergoeding moratoire interest toe te kennen vanaf 8 juli 1997, doen de appelrechters die interest ingaan vóór de rechterlijke beslissing waarbij de vergoeding wordt toegekend. Het onderdeel is alsdan gegrond. Men zou het bestreden eindarrest echter ook zo kunnen begrijpen dat de appelrechters, ongeacht de gebruikte bewoordingen, bedoeld hebben enkel compensatoire interest toe te kennen op de hoofdsom vanaf 8 juli 1997 tot de datum van de uitspraak en van dan af moratoire interest. In die interpretatie kennen de appelrechters geen moratoire interest toe vóór de datum van de uitspraak waarbij de vergoeding wordt toegekend. Alsdan kan het vierde onderdeel niet worden aangenomen. In die lezing van het arrest is het vijfde onderdeel dan gegrond: de appelrechters schenden de artikelen 1382-1383 BW door vergoedende interest toe te kennen vanaf een gemiddelde datum in het verleden (8 juli 1997) op de hoofdsom, die gedeeltelijk betrekking heeft op het door kapitalisatie begrote bedrag van 186.199,74 EUR voor nog niet uitbetaalde, maar in de toekomst verschuldigde pensioenbedragen. Aangezien de compensatoire interest de schade vergoedt die de benadeelde lijdt door de vertraging in de betaling van de vergoeding waarop hij recht had op de dag waarop de schade is ontstaan, kunnen er geen compensatoire interesten worden toegekend voor schade die pas in de toekomst zal worden geleden.
(13)Uit de arresten van 13 september 2000, gevolgd door een aantal arresten in dezelfde zin, volgt dat de rechter die een forfaitair bedrag toekent ter vergoeding van schade die zich in de tijd uitstrekt en die ook nog na de uitspraak voortduurt, geen onderscheid dient te maken tussen de reeds geleden schade en de toekomstige schade en dat hij compensatoire interest kan toekennen op het volledige forfaitaire bedrag vanaf de consolidatie of het overlijden.
(14)Die regel blijft echter beperkt tot het geval waarin de schade forfaitair is geraamd, maar kan niet toegepast worden wanneer de schade wordt begroot door een beroep te doen op de kapitalisatietechniek,
(15)zoals in de voorliggende zaak. 3. Conclusie Vernietiging met verwijzing van het arrest van 16 juni 2008 in zoverre het uitspraak doet over de verwijlintresten; verwerping voor het overige. _______________________
(1)O.a. Cass. 19 februari 2001, AC 2001, 324, De Verz. 2001, 777, noot P. GRAULUS, Pas. 2001, 322, RW 2001-02, 238 en TBBR 2003, 182, noot S. HEREMANS; Cass. 19 februari 2001, AC 2001, 330, De Verz. 2001, 777, noot P. GRAULUS en Pas. 2001, 329; Cass. 20 februari 2001, AC 2001, 336 en Pas. 2001, 334 ; Cass. 6 november 2001, AC 2001, 1871 en Pas. 2001, 1805; Cass. 10 december 2001, AC 2001, 2117, Pas. 2001, 2046, RW 2003-04, 583, noot en TBBR 2003, 523, noot T. ROBERT; Cass. 4 maart 2002, JLMB 2004, 239, noot J. WILDEMEERSCH, Pas. 2002, 632, RGAR 2004 (verkort), nr. 13.869 en RW 2004-05, 136, noot; Cass. 10 april 2003, JLMB 2004, 243, noot J.-F. JEUNEHOMME en J. WILDEMEERSCH, Pas. 2003, 800, RW 2005-06, 1259, noot en RABG 2005, 1081, noot I. BOONE; Cass. 3 december 2003, Pas. 2003, 1934; Cass. 23 februari 2004, JTT 2004, 472, Pas. 2004, 300 en RW 2005-06, 303, noot.
(2)Het Grondwettelijk Hof ziet daarin geen schending van het gelijkheidsbeginsel, mits de vordering voor eigen schade ook toekomt aan werkgevers uit de privésector bij ongevallen die geen arbeids(weg)ongevallen zijn (GwH nr. 135/2007, 7 november 2007, BS 22 januari 2008; GwH nr. 65/2008, 17 april 2008, BS 18 juni 2008).
(3)Zie over het geheel van deze problematiek: I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Antwerpen, Intersentia, 2009, 425-474.
(4)Cass. 1 oktober 2007, C.06.0389.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071001.2. Deze kosten kunnen zelfs schade vormen voor de werkgever wanneer hij ze vrijwillig heeft betaald (Cass. 4 maart 2002, JLMB 2004, 239, noot J. WILDEMEERSCH, Pas. 2002, 632, RGAR 2004 (verkort), 13.869 en RW 2004-05, 136, noot).
(5)Cass. 13 juni 2001, AC 2001, 1160 en Pas. 2001, 1118 ; Cass. 16 januari 2006, Pas. 2006, 159 en RGAR 2006, 14.189. Deze arresten zeggen niet met zoveel woorden dat deze uitgaven een vergoedbare schade uitmaken voor de publiekrechtelijke werkgever, maar stellen wel dat de rechter de vordering niet kan afwijzen tenzij hij het bestaan vaststelt van een wettelijke of reglementaire bepaling of overeenkomst, volgens welke de uitbetaalde bedragen die de werkgever terugvordert definitief te zijnen laste dienen te blijven.
(6)Cass. 9 januari 2006, NjW 2007, 221, noot I.B., Pas. 2006, 95 en De Verz. 2007, 97; Cass. 12 november 2008, JLMB 2009, 258, noot N. SIMAR.
(7)Cass. 19 februari 2001, AC 2001, 324, De Verz. 2001, 777, noot P. GRAULUS, Pas. 2001, 322, RW 2001-02, 238 en TBBR 2003, 182, noot S. HEREMANS.
(8)Cass. 10 december 2001, AC 2001, 2117, Pas. 2001, 2046, RW 2003-04, 583, noot en TBBR 2003, 523, noot T. ROBERT.
(9)Cass. 9 januari 2006, NjW 2007, 221, noot I. BOONE, Pas. 2006, 95 en De Verz. 2007, 97.
(10)AR P.07.1531.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081112.4.
(11)Cass. 26 juni 2002, Pas. I, 2002, 1427 en RW 2005-06 (verkort), 556.
(12)Cass. 22 juni 1983, AC 1982-83, 1306; Cass. 27 januari 1993, AC 1993, 117; A. VAN OEVELEN, G. JOCQUE, C, PERSYN en B. DE TEMMERMAN, "Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad: schade en schadeloosstelling (1993-2006)", TPR 2007, 1002, nr. 20.2.
(13)Cass. 7 februari 1997, AC 1997, 182.
(14)Cass. 13 september 2000, AC 2000, 1346, conclusie J. SPREUTELS, R.Cass. 2000, 302, noot B. WYLLEMAN en TAVW 2000, 332, noot J. SCHRYVERS; Cass. 13 september 2000, AC 2000, 1353. Zie ook o.m. Cass. 13 januari 2005, Pas. 2005, I, 67.
(15)A. VAN OEVELEN, G. JOCQUE, C, PERSYN en B. DE TEMMERMAN, "Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad: schade en schadeloosstelling (1993-2006)", TPR 2007, 997, nr. 20.1. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090526.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071001.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081112.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div