← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090529.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090529.6 Rolnummer: C.08.0130.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-16 Raadplegingen: 257 - laatst gezien 2026-07-02 23:09 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.6 Fiche 1 De regel dat de in toepassing van de Wet Openbaarheid Bestuur verkregen bestuursdocumenten niet mogen worden verspreid, noch gebruikt voor commerciële doeleinden, belet niet dat een gemeente bestuursdocumenten ter beschikking stelt van een vennootschap in zoverre dat nodig is om die vennootschap toe te laten de openbare dienst te verlenen, waartoe zij zich in het kader van een concessie van openbare dienst verbonden heeft

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Algemeen (lokale belastingen) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Openbare dienst Vrije woorden: Openbaarheid van bestuur - Bestuursdocumenten - Verspreiding en gebruik voor commerciële doeleinden - Verbod Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1994 - Art. 10 Fiches 2 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS Thesaurus CAS: GEMEENTE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Algemeen (lokale belastingen) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Openbare dienst Vrije woorden: Openbaarheid van bestuur - Bestuursdocumenten - Verspreiding en gebruik voor commerciële doeleinden - Verbod Parkeerheffingen op motorvoertuigen - Uitvoering - Concessie gegeven aan een particulier Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Algemeen (lokale belastingen) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Openbare dienst Vrije woorden: Parkeerheffingen op motorvoertuigen - Uitvoering - Concessie gegeven aan een particulier Tekst van de conclusie C.08.0130.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk Thijs: I. De feiten en procedurevoorgaanden. Onderhavige betwisting betreft de invordering door verweersters in cassatie van zeven parkeerretributies lastens eiser wegens het parkeren in een betalende zone in de stad Aalst. Eiser gaf geen gevolg aan hun uitnodiging tot betaling, waarop hij gedagvaard werd voor de Vrederechter van het eerste kanton te Aalst tot betaling van een totaal bedrag van 141,48 euro in hoofdsom. Eiser stelde zelf een tegeneis in strekkende tot de veroordeling van de eisende partij tot betaling van 500 euro ten titel van advocaatkosten. Bij het thans bestreden vonnis van 26 juni 2007 werd eiser in het ongelijk gesteld en dienvolgens veroordeeld tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de gedingkosten. III. Het enig middel tot cassatie. Eerste onderdeel. III.
  1. In het eerste onderdeel voert eiser aan dat een parkeerfirma die contractueel belast is met de inning van parkeerretributies een eigen opzet nastreeft onderscheiden van het algemeen belang, namelijk de uitvoering van haar eigen contractuele verbintenissen in ruil voor een contractueel bedongen vergoeding. Volgens eiser vervult de parkeerfirma bij de uitvoering van haar opdracht geenszins een openbare dienst, doch enkel de uitvoering van haar eigen contractuele verbintenissen. Dergelijke firma zou bijgevolg noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, toegang mogen krijgen tot de gegevens van de D.I.V. Het onderdeel besluit dat waar de vrederechter in het bestreden vonnis oordeelt dat verweersters via de gemeente op rechtmatige wijze kennis konden verwerven van gegevens van de D.I.V. en aldus aanvaardt dat de gemeenten ten behoeve van een private parkeerfirma gegevens van de D.I.V. opvraagt, zij de wetgeving in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de inschrijving van de voertuigen schendt. III.
  2. In hoofdorde dient vastgesteld dat het onderdeel feitelijke grondslag mist nu het er verkeerdelijk van uitgaat dat de vrederechter oordeelde dat de private parkeerfirma gegevens kan verkrijgen voor andere doeleinden dan het vervullen van een openbare dienst. De vrederechter wees er daarentegen in het bestreden vonnis uitdrukkelijk op dat de litigieuze gegevens enkel kunnen gebruikt worden voor de vervulling van de openbare dienst. III.
  3. In subsidiaire orde weze opgemerkt dat het onderdeel ook ten gronde niet zou kunnen worden aangenomen zoals blijkt uit de uiteenzetting in de memorie van antwoord namens verweerders (p. 6 t.e.m. 16). III.4 De gemeenten zijn op grond van het enig artikel van de Wet dd. 22 februari 1965 bevoegd om parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren. Het parkeergeld dat aldus door de gemeenten wordt geheven zijn, retributies, met name de vergoeding die de overheid van bepaalde belastingplichtigen vordert als tegenprestatie voor een bijzondere dienst die zij in hun persoonlijk belang heeft geleverd of voor een rechtstreeks en bijzonder voordeel dat zij hun heeft toegestaan en waarvan het bedrag in een redelijke verhouding tot het belang van de verstrekte dienst moet staan (cfr. Cass., 20 november 1972, A.C., 1973, 279; Cass., 10 september 1998, A. C., 1998, nr. 397; Cass., 10 mei 2002, A. C., 2002, 1250; Arbitragehof, 13 september 1995, R.W., 1995-96, 876), hetgeen door eiser in cassatie niet betwist wordt. De stad Aalst heeft bijgevolg bij gemeenteraadsbeslissing dd. 25 november 2003 een retributiereglement goedgekeurd ter invoering van een systeem van betalend parkeren. Dit retributiereglement werd bij gemeenteraadsbeslissing dd. 30 maart 2004 aangepast (cfr. stuk 1 van het stukkenbundel neergelegd door verweersters in cassatie voor de Vrederechter). III.
  4. De stad Aalst verstrekt aldus een bijzondere dienst door het ter beschikking stellen tegen vergoeding van parkeerplaatsen. Deze bijzondere dienst van betalend parkeren kadert bovendien in de mobiliteitspolitiek van de stad Aalst, die het verzekeren van de toegankelijkheid van het stadscentrum beoogt en hiervoor de parkeerrotatie in het stadscentrum wil verhogen door aldaar het kort parkeren te promoten en de automobilisten aan te zetten voor lang parkeren de parkings langs de rand van het stadscentrum te gebruiken. Het systeem van betalend parkeren - en dus het heffen en innen van parkeerretributies - dient bijgevolg het openbaar belang, zodat er sprake is van een "openbare dienst". III.
  5. De gemeenten mogen het beheer van deze openbare dienst geheel of gedeeltelijk uitbesteden aan een derde. De stad Aalst heeft op 22 december 2003 met verweersters in cassatie een concessieovereenkomst afgesloten betreffende het beheer van het betalend parkeren. Een dergelijke "concessie van de openbare dienst" is een administratief contract waarbij de overheid, in casu de stad Aalst, een particulier (natuurlijke persoon of rechtspersoon, nl. in casu verweersters in cassatie) of een publiekrechtelijk orgaan tijdelijk ermee belast, onder haar gezag en mits naleving van de door haar bepaalde voorwaarden (nl. in casu het retributiereglement en de concessieovereenkomst), een openbare dienst op eigen kosten en risico te exploiteren tegen een vergoeding die normaliter op de gebruikers wordt verhaald (A. MAST, Overzicht van het Belgisch administratief recht, 2002, nr. 123). Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat de aan een privaatrechtelijke parkeerbeheerder in concessie gegeven dienst uiteraard een openbare dienst blijft en uitsluitend de exploitatie van het geheel of een deel van die openbare dienst tot voorwerp heeft (A. MAST, Overzicht van het Belgisch administratief recht, 2002, nr. 129; R.P.D.B., v° Concession, nr 20). Omwille hiervan zullen de gebruikers van deze openbare dienst ook tegenover de concessiehouder de rechten kunnen inroepen die het retributiereglement hen toekent. De concessiegevende overheid streeft inderdaad louter doeleinden van openbaar nut na met de toebedelen van de concessie (cfr. Cass., 31 mei 1978, A.C., 1978, 1159). De concessiegevende overheid geeft de openbare dienst in concessie omdat zij ervan overtuigd is dat de openbare dienst zo op een effectieve en/of meer efficiënte wijze zal kunnen worden ten uitvoer gebracht. De stad Aalst heeft dit als volgt verwoord in haar commentaar bij het retributiereglement (cfr. stuk 1 van het stukkenbundel neergelegd door verweersters in cassatie voor de Vrederechter): "Het spreekt voor zich dat deze manier van werken niet alleen financieel gunstiger is voor de stad maar dat ook de controle op het betalend parkeren veel strikter opgevolgd wordt. (...) door een aangepast tariefsysteem en intense controles wordt deze doelstelling grotendeels bereikt." III.
  6. De concessiehouder baat dus een openbare dienst uit en is bijgevolg, zoals de concessiegevende overheid, o.m. gehouden om de principes van continuïteit, regelmatigheid en benuttigingsgelijkheid van de beheerde openbare dienst te respecteren. Dit heeft tevens tot gevolg dat het te betalen parkeergeld zijn hoedanigheid van retributie niet verliest indien de materiële inning ervan door de gemeente aan een privaatrechtelijke parkeerbeheerder in concessie wordt gegeven, hetgeen eiser in cassatie overigens niet lijkt te betwisten. Het exploiteren van een openbare dienst is, tenslotte, ook de reden waarom de concessiegevende overheid een recht van toezicht op de goede werking van de openbare dienst behoudt en zij eenzijdig de exploitatievoorwaarden ervan mag wijzigen (A. MAST, Overzicht van het Belgisch administratief recht, 2002, nr. 126.4). De stad Aalst heeft van dit recht gebruik gemaakt toen zij bij gemeenteraadsbeslissing dd. 30 maart 2004 het abonnementstarief op de parking Keizershallen eenzijdig heeft gewijzigd toen zij vaststelde dat het doel om langparkeerders op te vangen, niet werd bereikt (cfr. stuk 1 van het stukkenbundel neergelegd door verweersters in cassatie voor de Vrederechter) III.
  7. Het karakter van openbare dienst gaat uiteraard niet verloren door het enkele feit dat verweersters in cassatie een vergoeding ontvangen voor het beheer van het betalend parkeren dat hen werd toevertrouwd. Eiser in cassatie stelt in dit verband ten onrechte dat "de zuiver privaatrechtelijke firma, die door de gemeente op contractuele basis wordt belast met de inning van parkeerretributies (...) derhalve een eigen opzet nastreeft, te onderscheiden van het algemeen belang" (cfr. voorziening in cassatie, p. 9) Er dient bij de concessie van openbare dienst, die een complexe handeling is, een onderscheid te worden gemaakt tussen
(1)het contractueel bestanddeel en
(2)het reglementair bestanddeel (A. MAST, Overzicht van het Belgisch administratief recht, 2002, nr. 126; R.P.D.B., v° Concession, nr. 73). Het contractueel of intern bestanddeel betreft de subjectieve rechten die verweersters in cassatie ten aanzien van de stad Aalst kunnen laten gelden, zoals het recht op vergoeding van de geleverde prestaties. Het reglementair of extern bestanddeel is de "wet van de geconcessioneerde dienst", nl. de exploitatievoorwaarden die eenzijdig worden vastgelegd door de stad Aalst, in casu het retributiereglement, en die verweersters in cassatie dienen te respecteren. De concessieovereenkomst dd. 22 december 2003 stipuleert duidelijk: "Het beheer valt onder toezicht van de stad en overeenkomstig de voorwaarden van onderhavige overeenkomst en het gemeentereglement inzake betalend parkeren (zie bijlagen)." Het ontvangen van een vergoeding door verweersters in cassatie in het kader van haar concessieopdracht is niet alleen volledig wettig en logisch, maar dus tevens een puur interne contractuele aangelegenheid, en betekent geenszins dat de taken van beheer van de openbare dienst waarmee zij belast zijn, niet meer in het algemeen belang zouden worden uitgevoerd, zoals eiser in cassatie ten onrechte aanvoert. III.9. Eiser in cassatie miskent hierdoor de essentie van de - ook door Uw Hof - als wettig beschouwde concessie van openbare dienst, die een zeer specifiek en afgelijnd voorwerp heeft, waardoor de concessiehouder als de "verlengde arm" van de concessiegevende overheid zelf dient te worden aanzien. Verweersters in cassatie zijn inderdaad op grond van de concessieovereenkomst houder geworden van bepaalde prerogatieven die normaliter aan de overheid toekomen (R. P. D. B., v° Concession, nr. 89 e.v.). Deze delegatie van prerogatieven is evenwel restrictief: enkel die prerogatieven die door de stad Aalst volgens de concessieovereenkomst uitdrukkelijk aan verweersters in cassatie werden overgedragen. Gelet op het onderscheid tussen voormeld contractueel (intern) en reglementair (extern) bestanddeel van de concessie van openbare dienst en het uitoefenen van bepaalde overheidsprerogatieven door de concessiehouder, betekent dat verweersters in cassatie binnen het kader van het aan hen opgedragen beheer van het betalend parkeren een dubbele hoedanigheid bezitten (A. MAST, Overzicht van het Belgisch administratief recht, 2002, nr. 126.3). Naast hun hoedanigheid van privaatrechtelijke rechtspersoon in het kader van haar contractuele relaties met de stad Aalst, treden verweersters in cassatie bij het uitoefenen van de taken van openbare dienst die haar door de stad Aalst in de concessieovereenkomst werden opgedragen, als "verlengde arm" van de stad Aalst op en dienen zij als dusdanig te worden aanzien. III.10. Verweersters in cassatie zullen bijgevolg bij het uitvoeren van die taken van openbare dienst enkel geacht worden het doel zoals vooropgesteld door de stad Aalst na te streven, nl. het algemeen of openbaar belang, en geenszins hun enkel eigen privaat belang. Dit is het wezen en het doel van de concessie van de openbare dienst. III.11. De stad Aalst heeft verweersters in cassatie enkel belast met zeer specifieke opdrachten inzake het beheer van de openbare dienst inzake het betalend parkeren. Deze taken staan opgesomd in artikel 2, § 2 van de concessieovereenkomst en omvatten onder meer de controle op het naleven van het retributiereglement, het uitschrijven van retributiebonnen bij niet-naleving ervan en het invorderen via een gerechtelijke procedure voor de burgerlijke rechtbanken bij niet-betaling van de retributiebon: "5. het verzekeren van de controle van het gebruik van de toestellen, door het aanwerven van voldoende burgerlijke parkeerwachters, met het oog op het doen naleven van de bepalingen van het terzake geldend gemeentereglement op het betalend parkeren. (...) 7. het administratief verwerken van de door de aangestelden (voetnoot 1) van de concessionaris uitgeschreven retributiebonnen tarief 1 en het opvolgen van de betaling van de retributie. De concessionaris zorgt voor de invordering langs burgerlijke weg van alle niet-betaalde retributiebonnen en voor het beantwoorden van klachtenbrieven. De te volgen procedure met het oog op de invordering van de niet spontaan betaalde retributiebonnen wordt voor aanvang van de exploitatie besproken in het begeleidingscomité. (voetnoot 1): "Bij het uitschrijven van retributiebonnen worden de nodige digitale foto 's gemaakt om later aan te wenden als bewijsmateriaal. Bij niet-betaling binnen de vooropgestelde termijn wordt door de concessionaris een burgerrechtelijk geding ingespannen. De lijst van nummerplaten wordt overgemaakt aan de stad om de nodige identificaties te bekomen. Deze gegevens zullen enkel mogen worden gebruikt voor de exploitatie van de geconcessioneerde openbare dienst voor het innen van de gemeentelijke parkeerretributies en dit overeenkomstig de wet. De gegevens zullen in geen geval voor enig ander doel worden aangewend dan het innen van de achterstallige parkeergelden en mogen niet doorgegeven worden aan derden. "(...) 10. de controle (met specifiek controlemateriaal dat door de concessionaris zal worden aangekocht) op het gebruik van de parkeerautomaten. (...)" De stad Aalst heeft verweersters in cassatie aldus het materieel innen van de aan de stad Aalst verschuldigde parkeerretributies in concessie gegeven, ofwel via spontane naleving van het retributiereglement of vrijwillige betaling van de uitgeschreven retributiebon, ofwel via een gerechtelijke procedure ingeval van niet vrijwillige betaling. De heffing zelf van de parkeerretributies, nl. het vastleggen van het tarief en de voorwaarden van het systeem van betalend parkeren, gebeurt eenzijdig door de stad Aalst door het uitvaardigen van een retributiereglement. III.12. De stad Aalst heeft de identificatie van de wanbetalers aan de hand van de nummerplaten niet aan verweersters in cassatie opgedragen. Het is de stad Aalst zelf die aan de hand van de door verweersters in cassatie vastgestelde nummerplaten bij de D.I.V. de identiteitsgegevens van de eigenaar van de gecontroleerde voertuigen opvraagt. III.13. Het artikel 6 § 2, 2° van het K.B. dd. 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen laat de stad Aalst uitdrukkelijk toe om de gegevens van het repertorium der voertuigen te raadplegen en te gebruiken voor het invorderen van parkeerretributies: "De doeleinden waarvoor de persoonsgegevens van het repertorium mogen worden verwerkt, zijn: (...) 2 ° de identificatie van de natuurlijke of rechtspersoon die belastingen of retributies verschuldigd is inzake de verwerving, de inschrijving, de inverkeerstelling, het gebruik of de buitengebruikstelling van een voertuig." Dit artikel 6 § 2, 2° van het K.B. dd. 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen is bovendien in overeenstemming met de voorwaarden van rechtmatigheid en toelaatbaarheid die de Wet Verwerking Persoonsgegevens dd. 8 december 1992 vooropstelt om tot verwerking van de persoonsgegevens zoals opgenomen in een bestand als het repertorium der voertuigen van de D.I.V. over te gaan: Het artikel 4 § 1 van de Wet Verwerking Persoonsgegevens dd. 8 december 1992 bepaalt: "Persoonsgegevens dienen: 1 ° eerlijk en rechtmatig te worden verwerkt; 2 ° voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden te worden verkregen en niet verder te worden verwerkt op een wijze die, rekening houdend met alle relevante factoren, met name met de redelijke verwachtingen van de betrokkene en met de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, onverenigbaar is met die doeleinden;(...) 3° toereikend, terzake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt;(...)" Het art. 5 lid 1, e en f van de Wet Verwerking Persoonsgegevens dd. 8 december 1992 bepaalt: "Persoonsgegevens mogen slechts verwerkt worden in één van de volgende gevallen: (...)
  1. e)wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van openbaar belang of die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag, die is opgedragen aan de verantwoordelijke voor de verwerking of aan de derde aan wie de gegevens worden verstrekt;
  2. f)wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke voor de verwerking of van de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, mits het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op bescherming uit hoofde van deze wet, niet zwaarder doorwegen." Hieruit blijkt dat de persoonsgegevens slechts kunnen worden verkregen voor welbepaalde uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden en niet verder verwerkt mogen worden op een wijze die onverenigbaar is met die strikte doelmatigheid. III.14. Zelfs het recht op eerbiediging van het privé-leven, zoals vastgelegd in art. 8, lid 1 van het E.V.R.M. en art. 22 van de Grondwet, staat niet in de weg dat de stad Aalst de persoonsgegevens bij de D.I.V. opvraagt en gebruikt voor het invorderen van de parkeerretributies. Het recht op eerbiediging van het privé-leven is inderdaad geen absoluut recht en zal moeten wijken voor een hoger belang. Het openbaar belang dat nagestreefd wordt met de openbare dienst inzake het betalend parkeren, nl. het optimaliseren van de mobiliteit in de stad Aalst, weegt duidelijk zwaarder door dan het recht op bescherming van de privacy van eiser in cassatie, die dit recht enkel inroept om zijn identiteit verborgen te houden teneinde te ontkomen aan de betaling van de parkeerretributie die hij verschuldigd is ingevolge het niet naleven van het retributiereglement. Zo niet, zou het aan de stad Aalst wettelijk toegestane systeem van betalend parkeren in de praktijk onuitvoerbaar zijn. De inmenging in het privé-leven is dan ook wettelijk, noodzakelijk en legitiem. III.15. Dit wordt op zich door eiser in cassatie niet betwist. Eiser in cassatie stelt enkel onterecht dat, indien de inning van de parkeerretributies aan een privaatrechtelijk rechtspersoon wordt uitbesteed, de stad Aalst die "gegevens opvraagt om haar medecontractant toe te laten zijn contractuele verbintenissen na te komen en derhalve haar recht van inzage in het repertorium aanwendt voor een ander doel dan datgene waartoe dat recht haar is verleend" (cfr. voorziening in cassatie, p. 10). Eiser in cassatie verliest hierbij echter uit het oog dat het opvragen van de gegevens uit het repertorium van de DIV. slechts één enkel doel heeft, nl. het identificeren van de schuldenaar van de aan de stad Aalst verschuldigde parkeerretributies met het oog op de inning ervan. Hierboven werd reeds uiteengezet dat het heffen en innen van parkeerretributies kadert in de openbare dienst van het betalend parkeren en bijgevolg uitsluitend ten dienste van het openbaar belang staat. Het is ook met ditzelfde specifieke doel en dus in het openbaar belang dat de stad Aalst de gegevens van de DIV. aan verweersters in cassatie heeft doorgegeven, nl. teneinde de parkeerretributies via een gerechtelijke procedure te innen, hetgeen niet onwettelijk is (Cass., 11 juni 1998, A.C., 1998, 675). Het opvragen van de gegevens van de D.I.V. is noodzakelijk en onontbeerlijk om deze openbare dienst te kunnen verlenen, zo niet zou het wettelijk toegelaten heffen van parkeergeld - en dus het retributiereglement van de stad Aalst betreffende het betalend parkeren - dode letter blijven. De stad Aalst heeft integendeel de bevoegdheid om alle daden te stellen die redelijkerwijze nodig zijn om dit retributiereglement te kunnen toepassen. Hierboven werd eveneens reeds uiteengezet dat het innen van de parkeerretributies door een privaatrechtelijke rechtspersoon, zoals verweersters in cassatie, in het openbaar belang en niet enkel in het eigen belang van de concessiehouder gebeurt. Het gebruik van de gegevens van de D.I.V. door verweersters in cassatie geschiedt dan ook evenzeer in hetzelfde openbaar belang. Er is dus wel degelijk voldaan aan het welbepaalde en uitdrukkelijk omschreven doel waarvoor een verwerking van persoonsgegevens is toegelaten volgens de artikelen 6 § 2, 2° van het K.B. dd. 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen en 5 lid 1, e en f van de Wet Verwerking Persoonsgegevens dd. 8 december 1992. III.16. De concessieovereenkomst bevat bovendien voldoende en sluitende garanties om te verzekeren dat de aan verweersters in cassatie doorgegeven gegevens van de DIV. enkel voor het innen van de parkeerretributies worden gebruikt. Verweersters in cassatie hebben zich t.a.v. de stad Aalst uitdrukkelijk verplicht om de persoonsgegevens van de wanbetalers enkel en alleen te gebruiken in het kader van het beheer van de openbare dienst die hen in concessie werd gegeven (cfr. art. 2, § 2, 7°, voetnoot 1, van de concessieovereenkomst dd. 22 december 2003): "Bij het uitschrijven van retributiebonnen worden de nodige digitale foto 's gemaakt om later aan te wenden als bewijsmateriaal. Bij niet-betaling binnen de vooropgestelde termijn wordt door de concessionaris een burgerrechtelijk geding ingespannen. De lijst van nummerplaten wordt overgemaakt aan de stad om de nodige identificaties te bekomen. Deze gegevens zullen enkel mogen worden gebruikt voor de exploitatie van de geconcessioneerde openbare dienst voor het innen van de gemeentelijke parkeerretributies en dit overeenkomstig de wet. De gegevens zullen in geen geval voor enig ander doel worden aangewend dan het innen van de achterstallige parkeergelden en mogen niet doorgegeven worden aan derden." III.17. Eiser in cassatie beroept zich dan ook ten onrechte op het terecht fel bekritiseerde advies nr. 37/2003 dd. 28 augustus 2003 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer dat overigens niet bindend is (cfr. voorziening in cassatie, p. 15-16). In dit advies ging de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer voorbij aan het juridisch statuut van een concessie van openbare dienst, zoals hierboven werd uiteengezet: de aan de concessiehouder in concessie gegeven dienst blijft een openbare dienst, die de concessiehouder op eigen risico en kosten beheert en exploiteert en waarbij de gebruikers eveneens het recht hebben om zich ten aanzien van de concessiehouder op de rechten te beroepen die het reglement van de betreffende openbare dienst hen toekent. Eiser in cassatie verwijst overigens naar volgende passage uit het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (p. 5): "In deze hypothese (opdracht van diensten) draagt de private vennootschap geen verantwoordelijkheid voor het verzorgen van de openbare dienst als dusdanig, doch is ter zake enkel verplicht om ten behoeve van de gemeente welbepaalde contractuele prestaties te verrichten. Het betreft hier de bespreking i.v.m. de rechtsfiguur van "opdracht van diensten" en niet i.v.m. de "concessie van openbare dienst", die reeds voordien werd behandeld. Het door eiser in cassatie aangehaalde deel van voormeld advies is in casu dan ook niet relevant. Voor zoveel als nodig stippen verweersters in cassatie nog aan dat voormeld advies eveneens voorbij gaat aan het onderscheid tussen, niet alleen, een belasting en een retributie, maar ook en vooral, het heffen en het innen van de parkeerretributie. Het heffen van de parkeerretributie bestaat uit het vastleggen van de voorwaarden van het betalend parkeren, in het bijzonder de retributie of vergoeding die voor het kort of lang parkeren dient te worden betaald. Deze voorwaarden worden door de stad Aalst op soevereine en eenzijdig wijze in de vorm van een retributiereglement beslist, zonder dat verweersters in cassatie daar enige inspraak in hebben. De hoogte van de parkeerretributie wordt bepaald in redelijke verhouding tot de geleverde openbare dienst en met het oog op de mobiliteitspolitiek van de stad Aalst en niet om een winst aan verweersters in cassatie te verzekeren. De bevoegdheid van de stad Aalst tot het heffen van parkeerretributies (cfr. art. 173 van de Grondwet) werd niet aan verweersters in cassatie overgedragen, enkel het materiële innen ervan. Verweersters in cassatie hebben enkel een vorderingsrecht, voor rekening van de stad Aalst, die de heffingsgerechtigde en begunstigde van de door haar eenzijdig vastgestelde en door verweersters in cassatie louter ingevorderde parkeerretributies is en blijft. De vergoeding die verweersters in cassatie vanwege de stad Aalst ontvangen, zal gebeuren op basis van de uitbatingsresultaten en zal - via een interne verdeelsleutel - in wezen een bepaald percentage van de aldus geïnde parkeerretributies betreffen (cfr. art. 3 en 4 van de concessieovereenkomst dd. 22 december 2003). Deze vergoeding betreft uitsluitend het contractueel of intern bestanddeel van de concessieovereenkomst. De parkeergelden die door verweersters in cassatie in opdracht en ten voordele van de stad Aalst, onder haar toezicht en met naleving van het retributiereglement, geïnd worden, blijven hoe dan ook parkeerretributies en de gegevens van de D.I.V. mogen hiertoe aangewend worden. III.18. De stad Aalst heeft bijgevolg haar recht op raadpleging en gebruik van de gegevens van het repertorium der voertuigen van de DIV. in casu niet moeten aanwenden en/of minstens niet aangewend voor een ander doel dan datgene waartoe dat recht haar is verleend, nl. teneinde de haar wettelijk toekomende parkeerretributies te innen. Uit het voorgaande blijkt dat eiser in cassatie ten onrechte stelt dat verweersters in cassatie, belast door de stad Aalst met het innen van de parkeerretributies, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks via de Stad Aalst, gegevens uit het repertorium van de DIV. kunnen opvragen. Eiser in cassatie leidt dit verkeerdelijk af uit de bewering dat verweersters in cassatie met de opvraging van die gegevens bij de DIV. enkel een "eigen opzet" zouden nastreven, "te onderscheiden van het algemeen belang", met name het nakomen van haar contractuele verplichtingen onder de met de stad Aalst afgesloten concessieovereenkomst en niet ter vervulling van een openbare dienst (cfr. voorziening in cassatie, p. 9-10). Eiser in cassatie miskent hierdoor het begrip en de draagwijdte van de concessie van openbare dienst evenals de contractuele bepalingen van de concessieovereenkomst. De Vrederechter heeft met zijn bestreden beslissing dan ook geenszins de in het eerste onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen geschonden. Tweede onderdeel. III.19. In het tweede onderdeel wordt een miskenning van artikel 10 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, zoals van toepassing voor zijn opheffing bij wet van 7 maart 2007, aangevoerd. Volgens die bepaling mogen bij toepassing van deze wet verkregen bestuursdocumenten niet worden verspreid, noch gebruikt voor commerciële doeleinden. Volgens eiser volgt uit artikel 2, § 2 van het Wetboek van Vennootschappen dat verweersters handelsvennootschappen zijn met dien verstande dat hun handelsrechtelijke aard wordt bepaald door hun doel. Overeenkomstig artikel 2, laatste lid, van het Wetboek van koophandel hebben alle verrichtingen van dergelijke vennootschappen een handelskarakter en worden ze derhalve met commerciële doeleinden gesteld. De aanwending van de gegevens van de D.I.V. door verweersters zou dan ook in strijd zijn met de wet betreffende de openbaarheid van bestuur. III.2O. De mededeling door de stad Aalst aan verweersters in cassatie van de persoonsgegevens van eiser in cassatie zoals opgenomen in het repertorium der voertuigen van de DIV., gebeurde geenszins met miskenning van artikel 10 van de Wet dd. 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Dit artikel 10 stipuleert: "De in toepassing van deze wet verkregen bestuursdocumenten mogen niet verspreid, noch gebruikt worden voor commerciële doeleinden." III.21. Deze bepaling werd ingevoerd met een specifiek doel: "Naar het model van de Franse wet op de openbaarheid van bestuur wordt in een nieuw artikel voorzien dat deze wet niet misbruikt mag worden voor commerciële doeleinden. Privé-gegevens worden wel reeds beschermd door de wet op de privacy. Maar voor sommigen kunnen inlichtingen en gegevens die niet onder deze bescherming vallen toch commercieel interessant zijn. Om misbruiken te voorkomen wordt een bijkomend artikel voorzien. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat de openheid van de administratie naar de burger toe dient ter verrijking van privé-personen of -bedrijven. Of dat de burger derden betaalt voor informatie die eigenlijk gratis beschikbaar is." (Parl. St., Kamer, 1992-1993, Doc. 48 1112/11, p. 3) De wetgever had niet de bedoeling om de gegevens van de D.I.V. ook onder het toepassingsgebied van artikel 10 van de Wet dd. 11 april 1994 te doen vallen, daar het gebruik van deze gegevens reeds aan de strikte doelmatigheid van de Wet Verwerking Persoonsgegevens dd. 8 december 1992 is onderworpen. III.22. Eiser in cassatie kan overigens niet worden gevolgd waar zij voorhoudt dat verweersters in cassatie de gegevens ontvangen vanwege de stad Aalst enkel zouden gebruiken voor commerciële doeleinden. Eiser in cassatie verliest daarbij uit het oog dat het doorgeven van de gegevens bekomen van de D.I.V. enkel gebeurt ter vervulling van één enkel specifiek, legitiem en niet commercieel doel, nl. teneinde de parkeerretributie via een gerechtelijke procedure te innen. De naleving van dit doel door verweersters in cassatie wordt door de contractuele garanties van de concessieovereenkomst gewaarborgd, doordat o.a. elk ander gebruik van de gegevens van de D.I.V., nl. voor commerciële doeleinden zoals reclame e.d., uitdrukkelijk verboden wordt. Het gebruik van de gegevens van de D.I.V. gebeurt door verweersters in cassatie uitsluitend ter vervulling van de openbare dienst van het betalend parkeren en dus in het openbaar belang. Het doel dat verweersters in cassatie in casu als handelsvennootschap nastreven, is inderdaad het uitvoeren van de concessieovereenkomst, hetgeen de exploitatie van een openbare dienst uitmaakt, nl. een "administratieve onderneming ten dienste van het publiek" (R.P.D.B., v° Concession, nr. 20), en zeker geen daad van koophandel. Dit kan dan ook geenszins als een commercieel doel, maar hoogstens als een burgerlijk - of nog beter publiek - doel worden aanzien (cfr. art. 3, § 2 en § 4 van het Wetboek van vennootschappen; Cass., 17 december 1896, Pas., 1897, I., 43). Het feit dat verweersters in cassatie winst maken met de exploitatie van de openbare dienst is hierbij zonder belang. III.23. Het feit dat verweersters in cassatie voor het vervullen van hun verplichtingen van de concessieovereenkomst een vergoeding vanwege de stad Aalst ontvangen en in principe zelfs een winst kunnen overhouden, is bovendien perfect normaal en wettig. Het uitbesteden van een deel van het beheer van het systeem van betalend parkeren houdt inderdaad een win-win situatie in voor zowel de stad Aalst, die haar parkeerretributies (meer) effectief en efficiënt zal kunnen innen, als verweersters in cassatie, die zullen trachten een winst over te houden. Dit "winst"-aspect, dat in principe eigen is aan elke vennootschap, betreft echter enkel het contractuele of interne bestanddeel van de concessieovereenkomst, die, zoals hierboven reeds uitvoerig werd uiteengezet, een complexe rechtshandeling is, waarbij het karakter van de geleverde openbare dienst behouden blijft, ook al wordt deze materieel door de concessiehouder geleverd (reglementair of extern bestanddeel). Het innen van de parkeerretributies wordt geen commerciële activiteit door het enkele uitbesteden ervan tegen vergoeding aan de concessiehouder. III.24. Er kan dan ook geen sprake zijn van enige schending van artikel 10 van de Wet dd. 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, noch van de andere in dit onderdeel van het tweede middel aangevoerde wettelijke bepalingen. III.25. Ten slotte weze opgemerkt dat de vrederechter niet nader hoefde in te gaan op eisers verweer nu hij de stelling van verweersters gevolgd had en daardoor eisers' standpunt noodzakelijk verworpen. Er ligt dan ook evenmin een schending voor van artikel 149 van de Grondwet. Het tweede onderdeel kan dan ook niet worden aangenomen. Derde onderdeel. III.26. Het derde onderdeel voert aan dat artikel 8, § 3bis van de Wet van 10 april 1990 betreffende de private en bijzondere veiligheid, die van toepassing is op parkeerfirma's, de bewakingsondernemingen belet om betrokken personen, getuigen of verantwoordelijken op te sporen, de identiteit te controleren, bijkomende inlichtingen in te winnen of personen te verhoren. Door via de gemeente gegevens bij de D.I.V. op te vragen zouden verweersters deze wet schenden vermits ze aldus bijkomende inlichtingen zouden inwinnen. Eiser stelt dat de vrederechter voormelde wet schendt door te oordelen dat er volkomen legaal gehandeld wordt, terwijl uit de gedane vaststellingen blijkt dat de invordering door verweersters van de parkeerretributies slechts mogelijk was na het inwinnen van bijkomende inlichtingen uit het repertorium van de D.I.V. hen verstrekt door de stad Aalst. III.27. Het opvragen van de gegevens van de D.I.V. op basis van de lijst van nummerplaten die door verweersters in cassatie aan de stad Aalst werd overgemaakt, gebeurt enkel en alleen op initiatief en vraag van de stad Aalst die de haar wettig toekomende parkeerretributies wenst te - laten - innen en hiervoor noodzakelijkerwijze de eigenaars van de voertuigen in overtreding dient te identificeren, hetgeen enkel mogelijk is door het raadplegen van het register der voertuigen van de D.I.V. De stad Aalst kan uiteraard niet als een bewakingsonderneming worden beschouwd in de zin van de Wet Private Veiligheid dd. 10 april 1990. De door eiser in cassatie aangevoerde schending van de Wet Private Veiligheid ligt dan ook niet voor. III.28. Verweersters in cassatie hebben m.i. geen inbreuk begaan op artikel 8 § 3bis van de Wet Private Veiligheid dd. 10 april 1990. Deze wet werd gewijzigd door een Wet dd. 7 mei 2004 teneinde een wettelijke basis te geven aan de concessie-praktijk van het parkeerbeheer, in het bijzonder de materiële vaststellingen die gedaan worden door de private concessiehouder in opdracht van de concessiegevende overheid
(1). Zo werd in het artikel 1, § 1, eerste lid, 6° van de Wet Private Veiligheid dd. 10 april 1990 een zesde activiteit toegevoegd: "In de zin van deze wet wordt als bewakingsonderneming beschouwd, elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die, (...), een activiteit uitoefent bestaande in de blijvende of tijdelijke levering aan derden van diensten van: (...) 6 ° verrichten van de vaststellingen, die uitsluitend betrekking hebben op de onmiddellijk waarneembare toestand van goederen die zich bevinden op het openbaar domein, in opdracht van de bevoegde overheid of van de houder van een overheidsconcessie;" Het artikel 8 § 3bis van diezelfde wet bepaalt: "(...) Bij het uitvoeren van de activiteit bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 6°, is het de bewakingsagent verboden betrokken personen, getuigen of verantwoordelijken op te sporen, de identiteit te controleren, bijkomende inlichtingen in te winnen of personen te verhoren." De wetgever heeft dan ook uitdrukkelijk willen aflijnen welke materiële handelingen de bewakingsondernemingen op het openbaar domein - nl. op het terrein en specifiek in casu de parkeerzones op de openbare weg waar de gecontroleerde geparkeerde voertuigen zich bevinden - mogen doen voor rekening van een bevoegde overheid of de houder van een overheidsconcessie: d.i. enkel en alleen de materiële vaststellingen m.b.t. de goederen die zich daar bevinden. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van de Wet Private Veiligheid (Parl. St., Kamer, 2002-2003, Doc 50 2328/001 en 2329/001, p. 9) wordt de vaststellingsbevoegdheid van de nieuwe zesde activiteit als volgt toegelicht: "Ze heeft uitsluitend betrekking op de toestand van de goederen. Het is de bedoeling dat waar zekere vaststellingen door bewakingsagenten kunnen worden verricht, er moet voorkomen worden dat er conflicten ontstaan tussen deze agenten en de burgers. Dit is des te meer van belang omdat bewakingsagenten geen bijzondere bevoegdheden hebben om, in geval van conflict, ten aanzien van burgers op te treden. De regering wenst de bewakingssector deze bevoegdheden ook niet te verlenen. Daarom is voorzien dat het moet gaan over loutere materiële vaststellingen en niet om vaststellingen omtrent het gedrag van medeburgers. Hoewel de toestand waarin een goed zich bevindt in de meest gevallen ook indirect te wijten zal zijn aan een handeling van burgers, is de kans op conflict vele malen kleiner wanneer de bevoegdheid beperkt wordt tot de vaststelling van de toestand van goederen. Ze betreft uitsluitend de onmiddellijk waarneembare toestand van deze goederen. Door deze vereiste wordt deze bewakingsactiviteit afgebakend van art. 1 § 1 3° van de detectivewet waar ook sprake is van vaststelling van feiten. De bewakingsagent spoort niet op, hij stelt enkel vast wat onmiddellijk zintuiglijk waarneembaar is. Wil men daarentegen van een detectiveactiviteit spreken dan is er een actief element vereist in het optreden: een detective spoort op, wint informatie in en verzamelt bewijsmateriaal." Ook in het verslag namens de Commissie voor binnenlandse zaken en voor administratieve aangelegenheden uitgebracht door Mevrouw Leduc, wordt duidelijk gesteld dat enkel de taken die op het openbaar domein mogen worden uitgevoerd, door de voormelde artikelen van de Wet Private Veiligheid worden geviseerd (cfr. Parl. St., Senaat, 2003-2004, Doc. 3-344/3, p. 2): "De taken die de regering onder bepaalde voorwaarden aan de bewakingssector wil opdragen, hebben betrekking op de inhoud van de activiteiten en de plaats waar ze worden uitgeoefend." III.29. Verweersters in cassatie, die als een bewakingsonderneming in de zin van de Wet Private Veiligheid worden beschouwd wanneer zij in het kader van het innen van parkeerretributies het al dan niet naleven van het retributiereglement op het terrein vaststellen
(2), doen enkel vaststellingen over de onmiddellijk waarneembare toestand van goederen op het openbaar domein: zij fotograferen enkel de voertuigen die hun retributieverplichting niet zijn nagekomen. Voor het overige wordt ter plaatse geen enkele daad m.b.t. de persoon van de overtreder of diens gedrag gesteld: er wordt ter plaatse niet overgegaan tot het opsporen van verantwoordelijke personen en/of getuigen, er gebeuren geen verhoren van dergelijke personen, noch identiteitscontroles of het inwinnen van bijkomende inlichtingen. De foto's worden genomen van de voertuigen en niet van de overtreders van het retributiereglement. Dergelijke onderzoeksdaden m.b.t. de persoon of diens gedrag op het terrein zijn trouwens niet nodig, daar de schuldenaar van de parkeerretributie nog over een betaaltermijn beschikt na ontvangst van de door verweersters in cassatie uitgeschreven en op het gecontroleerde voertuig achtergelaten retributiebon. Het artikel 7 van het retributiereglement van de stad Aalst, zoals aangepast bij gemeenteraadsbesluit dd. 30 maart 2004, stelt inderdaad: "de retributie wordt betaald binnen de vijf dagen, hetzij in speciën bij de concessiehouder, hetzij door storting of overschrijving op het aangeduide rekeningnummer overeenkomstig de richtlijnen vermeld op het parkeerticket dat door de parkeerwachter op het voertuig werd aangebracht" . Het is slechts achteraf, indien blijkt dat de overtreders van het retributiereglement niet vrijwillig overgaan tot de betaling van de uitgeschreven retributiebonnen, dat verweersters in cassatie de lijst met nummerplaten van de overtreders aan de stad Aalst overmaken. De stad Aalst zal dan soeverein oordelen of de identiteit van de overtreders via de DIV. dient te worden opgevraagd met het oog op het - laten innen - van de parkeerretributies via een gerechtelijke procedure. Ook hier doen verweersters in cassatie, noch haar aangestelde parkeerwachters, enige (actieve) onderzoeksdaad m.b.t. de persoon van de wanbetalers. III.3O. Het aangevochten vonnis kan dan ook geen schending worden verweten van de artikelen 1, § 1, eerste lid, 6° en 8, § 3bis van de Wet Private Veiligheid dd. 10 april 1990. Het derde onderdeel kan bijgevolg niet worden aangenomen. Besluit: VERWERPING. ARREST ___________
(1)cfr. de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van de Wet Private Veiligheid (Parl. St., Kamer, 2002-2003, Doc 50 2328/001 en 2329/001, p. 5): "Er wordt hier in het bijzonder gedacht aan de controle op de naleving van bepaalde, niet strafrechtelijk beteugelde reglementen of op de naleving van verplichtingen in uitvoering van een concessieovereenkomst die de overheid afsloot met een private firma (bijvoorbeeld een concessie inzake het beheer van betalend parkeren)."
(2)cfr. de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van de Wet Private Veiligheid (Parl. St., Kamer, 2002-2003, Doc 50 2328/001 en 2329/001, p. 19-20): "Waar de nieuwe zesde activiteit, met name het verrichten van bepaalde vaststellingen, door bewakingsondernemingen kan worden uitgevoerd, is het niet de bedoeling van de regering deze activiteit exclusief voor te behouden voor de bewakingsfirma's. Daarom wordt bepaald dat ondernemingen die houder zijn van een overheidsconcessie (bijvoorbeeld betreffende openbare parkeergelegenheden) eigen personeel taken kunnen laten uitvoeren, die erop gericht zijn na te gaan of de burgers hun verplichtingen, wel naleven (bijvoorbeeld betaling parkeergeld). Deze "ondernemingen - concessiehouders" worden aan een zeer soepel regime onderworpen dat afwijkt van het regime voorzien voor de bewakingsondernemingen." Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.