← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090609.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 juni 2009 ECL

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 189ter en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Controle van de regelmatigheid aan de hand van het vertrouwelijk dossier - Doel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 189ter en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Gemis aan belang of bestaansreden Vrije woorden: Controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Kamer van inbeschuldigingstelling - Arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd verklaart om die controle uit te oefenen - Doel van deze controle - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 189ter en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de regelmatigheid aan de hand van het vertrouwelijk dossier - Doel - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Controle van de regelmatigheid aan de hand van het vertrouwelijk dossier - Doel - Gevolg Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Gemis aan belang of bestaansreden Vrije woorden: Controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Kamer van inbeschuldigingstelling - Arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd verklaart om die controle uit te oefenen - Doel van deze controle - Gevolg Tekst van de conclusie P.07.1673.N Conclusie van advocaat-generaal P. Duinslaeger

  1. De eisers, die het voorwerp hadden uitgemaakt van een gerechtelijk onderzoek waarbij de bijzondere opsporingsmethode observatie werd aangewend, werden bij beschikking van de raadkamer te Tongeren van 14 september 2007 verwezen naar de correctionele rechtbank aldaar. Op het ogenblik dat het dossier door de onderzoeksrechter op 23 augustus 2007 voor eindvorderingen werd medegedeeld aan het openbaar ministerie werd evenwel verzuimd om de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen, teneinde aan dit onderzoeksgerecht de mogelijkheid te bieden om, bij toepassing van het artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, over te gaan tot de controle van de regelmatigheid van de gebruikte bijzondere opsporingsmethode observatie. Tijdens de rechtspleging voor de correctionele rechtbank werd dit verzuim vastgesteld en werd de verdere behandeling van de zaak geschorst om, op vordering van het openbaar ministerie en bij toepassing van de artikelen 235ter en 189ter Wetboek van Strafvordering, aan de kamer van inbeschuldigingstelling toe te laten alsnog over te gaan tot de bom-controle. De eisers voerden in hun besluiten voor de kamer van inbeschuldigingstelling aan dat de vordering van de procureur-generaal om alsnog de bom-controle uit te oefenen, niet ontvankelijk was, omdat deze controle diende verricht te worden vóór de raadkamer de rechtspleging regelt. Bij arrest van 13 november 2007 oordeelde de kamer van inbeschuldigingstelling dat zij wel degelijk bevoegd was om de gevraagde controle over de bijzondere opsporingsmethode observatie uit te oefenen en stelde zij geen onregelmatigheden vast. De kamer van inbeschuldigingstelling overwoog daarbij: "Waar artikel 189ter (Wetboek van Strafvordering) in de mogelijkheid voorziet van een tweede controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie op basis van nieuwe concrete gegevens die pas aan het licht zijn gekomen na de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van artikel 235ter (Wetboek van Strafvordering), dient vastgesteld te worden dat wanneer, zoals in casu, geen wettigheidscontrole werd uitgevoerd door de kamer van inbeschuldigingstelling bij ontstentenis van een vordering van het openbaar ministerie, alle mogelijke argumenten met betrekking tot de aangewende bijzondere opsporingsmethoden als nieuw te beschouwen zijn, daarin begrepen de vordering van het openbaar ministerie voor de correctionele rechtbank om de toegepaste bijzondere opsporingsmethode observatie op haar wettigheid te laten controleren". De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelde verder: "De kamer van inbeschuldigingstelling, die bij ontstentenis van een vordering van het openbaar ministerie op het einde van het gerechtelijk onderzoek geen controle heeft kunnen uitoefenen over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie, is vooralsnog bevoegd om dit te doen. Het debat voor de correctionele rechtbank werd weliswaar aangevat, doch de procedure werd geschorst vooraleer de procureur des Konings vorderde en partijen hun verdediging voorbrachten". De eisers tekenden op 14 november 2007 cassatieberoep aan tegen dit arrest.
  2. In hun memorie bespreken de eisers vooreerst de ontvankelijkheid van hun onmiddellijk cassatieberoep. Bij arrest van 15 januari 2008 heeft Uw Hof het noodzakelijk geacht om, in de huidige zaak, dienaangaande ambtshalve een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Bij arrest nr. 25/2009 van 18 februari 2009, waarin verschillende gelijkluidende prejudiciële vragen over het onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, dat overgaat tot de bom-controle, worden beantwoord, oordeelde het Grondwettelijk Hof, net zoals in zijn eerder arrest nr. 111/2008 van 31 juli 2008, dat artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, in de redactie ervan vóór de wijziging bij de wet van 16 januari 2009 tot wijziging van de artikelen 189ter, 235ter, 335bis en 416 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het niet voorziet in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling houdende controle, op basis van het vertrouwelijk verslag, van de regelmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie met toepassing van de artikelen 189ter of 235ter van het Wetboek van Strafvordering. Het Grondwettelijk Hof preciseert dat het zich niet uitspreekt over de eventuele gevolgen van de wet van 16 januari 2009 op de zaken die aanleiding gegeven hebben tot het stellen van deze prejudiciële vragen. Om aan deze ongrondwettigheid te remediëren volstaat het de leemte in de wet aan te vullen en dus het onmiddellijk cassatieberoep toe te laten

(1). Het onmiddellijk cassatieberoep van de eisers is bijgevolg ontvankelijk.
  1. De eisers voeren twee middelen aan. In hun eerste middel voeren zij een schending aan van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, omdat de bom-controle niet meer mogelijk is na de verwijzing door de raadkamer, indien er geen voorafgaande controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode werd verricht. Volgens de eisers was de kamer van inbeschuldigingstelling niet bevoegd om alsnog tot de bom-controle over te gaan. In hun tweede middel voeren de eisers een schending aan van artikel 189ter Wetboek van Strafvordering omdat het "verzuim" om de bom-controle te verrichten op het wettelijk voorziene tijdstip, niet kan beschouwd worden als het in dat artikel bedoelde nieuwe concrete gegeven dat pas aan het licht is gekomen na de (eerste) bom-controle.
  2. Allereerst dient te worden nagegaan of de twee aangevoerde middelen wel ontvankelijk zijn. Zoals gebleken is uit het hiervoor beschreven procedureverloop heeft de kamer van inbeschuldigingstelling bij arrest van 13 november 2007 de bom-controle verricht en vastgesteld dat de aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie volkomen regelmatig is verlopen. Sinds het ogenblik waarop deze bom-controle door het bestreden arrest werd verricht, is artikel 189ter Wetboek van Strafvordering gewijzigd door de wet van 16 januari 2009
(2). Door artikel 2 van deze wet werd artikel 189ter Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005, aangevuld met een vierde lid, luidende: "Buiten het in het eerste lid bedoelde geval, kan de feitenrechter of het Hof van Cassatie bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de zaak aan het openbaar ministerie overzenden teneinde deze bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen voor de in artikel 235ter bepaalde controle". Deze nieuwe bepaling laat toe te verhelpen aan het verzuim van het openbaar ministerie om de bom-controle op het door artikel 235ter Wetboek van Strafvordering voorziene tijdstip te laten verrichten, door die controle ook nog in een latere fase van de procedure te laten uitoefenen. Het betreft hier zonder twijfel een procedurewet en van dergelijke wetten wordt aangenomen dat zij, in de regel, onmiddellijk van toepassing zijn op hangende zaken
(3). Dat was overigens ook het standpunt van Uw Hof in zijn arrest van 12 mei 2009
(4). Er dient bijgevolg te worden nagegaan of het nieuwe artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, invloed heeft op de verdere afwikkeling van deze zaak en op de vroegere rechtspraak van het Hof. In zijn arrest van 13 november 2007
(5)oordeelde het Hof dat het cassatieberoep dat gericht is tegen de beslissing van de feitenrechter, waarbij het dossier naar het openbaar ministerie wordt verzonden teneinde de zaak alsnog voor de bij artikel 235ter Wetboek van Strafvordering voorziene controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie bij de kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen omdat de bom-controle niet op het door artikel 235ter Wetboek van Strafvordering voorziene tijdstip was verricht, evenals het cassatieberoep dat gericht is tegen het arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd verklaart om die controle uit te oefenen, niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, aangezien de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie aan de hand van het vertrouwelijk dossier tot doel heeft het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6 E.V.R.M., te verzekeren en de verdachte dus tot voordeel strekt. In zijn arrest van 14 oktober 2008
(6), die wat de procedure betreft volledig overeenstemt met de huidige zaak, lijkt het Hof deze zienswijze evenwel, in navolging van zijn eerder arrest van 19 maart 2008
(7), te hebben verlaten: in deze zaak werd niet alleen het cassatieberoep ontvankelijk verklaard, maar werd daarenboven het middel, dat aanvoerde dat de kamer van inbeschuldigingstelling in het bestreden arrest ten onrechte oordeelde dat het met toepassing van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering mogelijk was, nadat de zaak bij het vonnisgerecht aanhangig was gemaakt, alsnog, voor het eerst, de controle te verrichten over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie, gegrond bevonden. Het Hof oordeelde: "De vaststelling, door het vonnisgerecht, dat de controle van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden niet was verricht op het geëigende tijdstip, is niet het nieuwe en concrete gegeven dat de verwijzing van de zaak naar de kamer van inbeschuldigingstelling wettigt. Een dergelijke verwijzing veronderstelt inderdaad dat, voor het vonnisgerecht, gegevens zijn ontdekt betreffende de aangewende bijzondere opsporingsmethoden, welke kunnen wijzen op het bestaan van een verzuim, een onregelmatigheid, een nietigheid of de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering en die nog niet door de kamer van inbeschuldigingstelling gekend waren op het ogenblik waarop deze haar controle krachtens artikel 235ter Wetboek van Strafvordering uitoefende. De kamer van inbeschuldigingstelling was dan ook niet bevoegd om de door de bodemrechter bevolen controle van de toegepaste bijzondere opsporingsmethode observatie te verrichten". Uit de rechtsoverwegingen van dit arrest blijkt dat het Hof oordeelt dat het belang van de eiser hierin bestaat, dat de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie verplicht op het door artikel 235ter, § 1, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde tijdstip moet worden verricht, om te vermijden dat de feitenrechter kennis zou kunnen nemen van stukken die eigenlijk hadden dienen te worden nietigverklaard. Het Hof overweegt immers: "Artikel 235ter, § 5, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat er verder wordt gehandeld overeenkomstig artikel 235bis, §§ 5 en 6. Daaruit volgt dat, wanneer uit de controle van de bijzondere opsporingsmethoden een onregelmatigheid of een nietigheid bij de aanwending ervan blijkt, de stukken die het resultaat ervan vaststellen, eventueel zullen worden nietig verklaard, uit het dossier worden verwijderd en ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg worden neergelegd. De verwijdering van die stukken heeft tot doel de rechter te beletten om kennis ervan te nemen. Dat is de reden waarom de controle moet gebeuren vooraleer de zaak bij hem aanhangig is gemaakt". De vraag rijst of deze rechtsoverwegingen nog langer relevant zijn en dus of deze rechtspraak kan behouden blijven, nu de wetgever zelf, door de wijziging van (onder meer) artikel 189ter Wetboek van Strafvordering door de wet van 16 januari 2009, geoordeeld heeft dat de bom-controle ook nog in een latere fase van de rechtspleging kan worden verricht. In dergelijke gevallen is het immers niet meer op absolute wijze uit te sluiten dat de verwijdering van de nietig verklaarde stukken bij toepassing van de artikelen 235bis, §§ 5 en 6, waarnaar artikel 235ter Wetboek van strafvordering verwijst, zou gebeuren nadat de rechter ervan kennis heeft kunnen nemen. Het Hof kan de wettigheid of de regelmatigheid van een bestreden beslissing uiteraard alleen toetsen aan de wet zoals die bestond op het ogenblik van de uitspraak van deze beslissing. Wanneer de wet evenwel gewijzigd werd tussen het ogenblik van de uitspraak van de bestreden beslissing en het ogenblik waarop het Hof zelf uitspraak moet doen over het cassatieberoep tegen deze beslissing, moet het Hof, als het een procedurewet betreft die van onmiddellijke toepassing is, bij de beoordeling van de gevolgen van de eventueel uit te spreken vernietiging, ook rekening houden met deze nieuwe wet. Wanneer het Hof het bestreden arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling zou vernietigen, dan moet het Hof bijgevolg rekening houden met het thans toepasselijke artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering (nieuw), dat als procedurewet onmiddellijk toepasselijk is op hangende procedures. Dientengevolge zal het Hof, na de vernietiging te hebben uitgesproken, het dossier van de rechtspleging aan het openbaar ministerie moeten overzenden om de zaak opnieuw bij de kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen, die dan weer tot de bom-controle zou moeten overgaan
(8). Wanneer rekening gehouden wordt met de gevolgen van deze wetswijziging dan kan de vraag gesteld worden welk belang de eisers nog kunnen hebben bij de aangevoerde middelen, die alleen maar ertoe kunnen leiden dat zij opnieuw datgene zullen bekomen wat zij reeds eerder hadden verkregen, namelijk de controle van de regelmatigheid van de toegepaste bijzondere opsporingsmethode observatie. Deze eerste door de eisers bekritiseerde bom-controle gebeurde volledig conform de thans geldende wettelijke voorschriften van artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering. De nieuwe controle waartoe de kamer van inbeschuldigingstelling desgevallend, in geval van vernietiging, zou moeten overgaan, zal ook moeten verlopen volgens de wettelijke voorschriften van datzelfde artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering. Er kan bijgevolg alleen maar worden vastgesteld dat een eventuele nieuwe bom-controle zal moeten gebeuren volgens dezelfde voorschriften, onder dezelfde voorwaarden en op basis van hetzelfde vertrouwelijk dossier als de bom-controle die de kamer van inbeschuldigingstelling heeft verricht op 13 november 2007. De eisers hebben er dan ook geen belang meer bij om nu nog de vernietiging te vragen van een beslissing die deze controle al volgens de thans geldende wettelijke voorschriften heeft gedaan. Er moet dus worden besloten dat de kritiek die de eisers uiten in de aangevoerde middelen achterhaald is door het nieuwe initiatief van de wetgever om artikel 189ter Wetboek van Strafvordering aan te vullen met een vierde lid, dat precies de bedoeling heeft om de door de kamer van inbeschuldigingstelling op 13 november 2007 gevolgde procedure, waarvan de eisers de rechtsgeldigheid aanvechten, thans wettelijk mogelijk te maken. De aangevoerde middelen zijn, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. CONCLUSIE: verwerping van het cassatieberoep. ____________________
(1)Cass., 14 okt. 2008, AR P.08.1329.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1, A.C., 2008, nr. 547 met concl. adv.-gen. TIMPERMAN
(2)Wet van 16 januari 2009 tot wijziging van de artikelen 189ter, 235ter, 335bis en 416 Wetboek van Strafvordering (B.S., 16 januari 2009), in werking getreden op de dag van de publicatie.
(3)DUPONT, L. en VERSTRAETEN, R., Handboek Belgisch Strafrecht, p. 137, nr. 189; VAN DEN WYNGAERT, Chr., Strafrecht, Strafprocesrecht en Internationaal Strafrecht, 5de ed., p. 104
(4)Cass., 12 mei 2009, AR P.09.0568.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090512.1, A.C., 2009, nr. ...
(5)Cass., 13 november 2007, AR P.07.1190.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.3, A.C., 2007, nr. 551.
(6)Cass., 14 okt. 2008, AR P.08.1329.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1, A.C., 2008, nr. 547 met concl. adv.-gen. TIMPERMAN
(7)Cass., 19 maart 2008, AR P.08.0319.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080319.9, A.C., 2008, nr. 192.
(8)Cass., 28 april 2009, AR P.08.1738.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090428.5, A.C., 2009, nr. ... Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080319.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090428.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090512.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.