← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090609.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090609.4 Rolnummer: P.09.0054.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2009-06-19 Raadplegingen: 333 - laatst gezien 2026-07-03 00:42 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.4 Fiches 1 - 3 Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wet ongrondwettig is, heeft die beslissing in de regel een declaratief karakter en werkt dus retroactief; hieruit volgt dat ingevolge de vernietiging van artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering en de beslissing dat de eventuele niet-ontvankelijkheid van een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest dat de controle op de bijzondere opsporingsmethoden heeft gedaan, ongrondwettig is, geacht moet worden dat tegen dergelijke arresten steeds een onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is geweest; het cassatieberoep tegen het arrest dat de controle op de bijzondere opsporingsmethoden uitoefende, dat na het eindarrest wordt ingesteld, is bijgevolg niet ontvankelijk

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Beslissing die vaststeld dat een wet ongrondwettig is - Aard Arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 - Vernietiging van artikel 235ter, § 6, Sv. - Arrest nr. 111/2008 van 31 juli 2008 - Niet-ontvankelijkheid van het onmiddellijk cassatieberoep tegen de controle op de bijzondere opsporingsmethoden - Ongrondwettigheid - Declaratief karakter Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Controle op de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling - Arresten nr. 105/2007 van 19 juli 2007 en nr. 111/2008 van 31 juli 2008 van het Grondwettelijk Hof - Declaratief karakter van deze arresten Fiches 4 - 5 Het Hof is niet gehouden een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, wanneer die vraag geen betrekking heeft op een aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 26, § 1, Bijzondere Wet Arbitragehof, maar enkel op de gevolgen in de tijd van de arresten van het Grondwettelijk Hof. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Verplichting voor het Hof van Cassatie Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Grondwettelijk Hof - Verplichting voor het Hof van Cassatie Fiches 6 - 8 Conclusie van advocaat-generaal DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Beslissing die vaststeld dat een wet ongrondwettig is - Aard Arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 - Vernietiging van artikel 235ter, § 6, Sv. - Arrest nr. 111/2008 van 31 juli 2008 - Niet-ontvankelijkheid van het onmiddellijk cassatieberoep tegen de controle op de bijzondere opsporingsmethoden - Ongrondwettigheid - Declaratief karakter Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Controle op de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling - Arresten nr. 105/2007 van 19 juli 2007 en nr. 111/2008 van 31 juli 2008 van het Grondwettelijk Hof - Declaratief karakter van deze arresten Fiche 9 Conclusie van advocaat-generaal Duinslaeger. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Verplichting voor het Hof Fiche 10 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Grondwettelijk Hof - Verplichting voor het Hof van Cassatie Tekst van de conclusie P.09.0054.N Conclusie van advocaat-generaal P. Duinslaeger
  1. De eiser tekende op 17 december 2008 cassatieberoep aan tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 mei 2007, en tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 december
  2. Het eerste arrest heeft betrekking op de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie door de kamer van inbeschuldigingstelling. Het tweede arrest betreft het eindarrest waarbij de eiser veroordeeld werd wegens de vermengde feiten van witwas, bedrieglijke namaak en/of bedrieglijk gebruik van een nagemaakt merk, kwaadwillige of bedrieglijke inbreuk op het auteursrecht en de naburige rechten, sluikinvoer van sigaretten, gebruik van een verkeerde benaming op een T1-document en niet-naleving van de uit de communautaire wetgeving voortvloeiende verplichtingen om goederen op een summiere aangifte-vrachtlijst onder hun juiste benaming te vermelden, tot een hoofdgevangenisstraf van dertig maanden en een geldboete van duizend vijfhonderd euro vermeerderd met 45 opdeciemen en alzo gebracht op achtduizend tweehonderdvijftig euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden. Op burgerlijk gebied wordt de eiser veroordeeld om aan de burgerlijke partij een schadevergoeding te betalen van 8.684,87 euro.
  3. De feiten van de telastleggingen maken het voorwerp uit van twee verschillende zaken, die tijdens de procedure in eerste aanleg werden gevoegd. In de eerste zaak, waarin tot observatie werd overgegaan, werd een gerechtelijk onderzoek gevorderd. De tweede zaak maakt het voorwerp uit van een rechtstreekse dagvaarding door de Federale Overheidsdienst Financiën. De onderzoeksrechter deelde zijn dossier op 14 november 2005 voor eindvorderingen mee aan de procureur des Konings. Deze laatste nam op 25 november 2005 eindvorderingen, die de zaak aanhangig maakten bij de raadkamer. De verwijzingsbeschikking van de raadkamer dateert van 16 februari
  4. Bij de behandeling van de zaak door de correctionele rechtbank te Antwerpen werd vastgesteld dat de regelmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie niet door de kamer van inbeschuldigingstelling werd gecontroleerd vooraleer de zaken bij de correctionele rechtbank aanhangig werden gemaakt. Bij op tegenspraak gewezen en bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis van 4 april 2007 besliste de correctionele rechtbank te Antwerpen de samengevoegde dossiers over te maken aan het openbaar ministerie teneinde de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen om de controle bepaald in artikel 235ter Wetboek van Strafvordering alsnog te doen uitvoeren. De eiser kwam van dit vonnis in hoger beroep. De procureur-generaal te Antwerpen bracht daarop de zaak aan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze stelde bij arrest van 11 mei 2007 vast dat er geen onregelmatigheden werden begaan bij de toepassing van de observatie. Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 30 mei 2007 werd de eiser voor de vermengde feiten tot straf veroordeeld, alsmede tot betaling van een schadevergoeding aan de burgerlijke partij. Zowel de eiser, als de vervolgende partij en het openbaar ministerie kwamen van dit vonnis in hoger beroep. Bij wat de eiser betreft op tegenspraak gewezen arrest van 4 december 2008 werd enerzijds zijn hoger beroep tegen het vonnis van 4 april 2007 niet ontvankelijk verklaard en werd hij anderzijds met éénparige stemmen veroordeeld tot de hiervoor vermelde straf en tot betaling van een schadevergoeding aan de burgerlijke partij.
  5. In zijn memorie bespreekt de eiser vooreerst de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 mei
  6. De eiser houdt voor dat de gecombineerde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof
(1)en van Uw Hof in zijn arresten van 31 oktober 2006
(2)en 14 oktober 2008
(3)leidt tot een onbillijke situatie: het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 mei 2007 dateert van vóór de arresten van het Grondwettelijk Hof die (onmiddellijk) cassatieberoep toelaten. Een cassatieberoep dat binnen vijftien dagen na het wijzen van dit arrest zou zijn ingesteld, zou immers door het Hof als niet-ontvankelijk afgewezen geworden zijn, terwijl een uitgesteld cassatieberoep na het eindarrest als laattijdig zou worden beschouwd. De eiser stelt betreffende deze aangelegenheid ook een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor. In zijn enig middel voert de eiser de schending aan van de artikelen 189ter en 235ter van het Wetboek van Strafvordering: de vaststelling door het vonnisgerecht, dat de controle van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie niet was gebeurd op het geëigende tijdstip, te weten voorafgaand aan de verwijzing naar de correctionele rechtbank, is geen nieuw en concreet gegeven dat de verwijzing van de zaak naar de kamer van inbeschuldigingstelling wettigt. De correctionele rechtbank kon dus niet beslissen om de zaak op basis van artikel 189ter Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie over te maken met het oog op de controle van de regelmatigheid van de aangewende bijzondere opsporingsmethode aan de hand van het vertrouwelijk dossier en de kamer van inbeschuldigingstelling was niet bevoegd om deze bom-controle te verrichten. Wat de omvang van de cassatie betreft preciseert de eiser dat de vernietiging van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 mei 2007 ook moet leiden tot de vernietiging van het eindarrest van 4 december
  1. In deze zaak draait alles om de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 mei
  2. Met betrekking tot deze problematiek kunnen verschillende standpunten worden ingenomen, die met elkaar gemeen hebben dat zij steeds leiden tot de niet-ontvankelijkheid van dit cassatieberoep. Indien dit cassatieberoep inderdaad niet-ontvankelijk zou zijn, dan moet het middel niet meer beantwoord worden, want dit middel betreft enkel de regelmatigheid van dit arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 mei 2007 en heeft geen betrekking op de ontvankelijkheid zelf van dit cassatieberoep.
  3. Allereerst moet worden vastgesteld dat de door de eiser aangehaalde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, die, in combinatie met de rechtspraak van uw Hof, geleid heeft tot het erkennen van de mogelijkheid om onmiddellijk cassatieberoep aan te tekenen tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling die, in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, uitspraak doen over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, precies tot stand is gekomen ingevolge het initiatief van bepaalde eisers die, geconfronteerd met een gelijkaardig probleem als de huidige eiser, toch gemeend hebben onmiddellijk cassatieberoep te moeten aantekenen tegen dergelijke arresten, ofschoon het toen toepasselijke artikel 253ter Wetboek van Strafvordering elk rechtsmiddel tegen een dergelijk arrest uitsloot
(4). Deze eisers hebben, anders dan de eiser in de thans voorliggende zaak, tijdig ingezien dat zij, door contra legem, toch een onmiddellijk cassatieberoep in te stellen tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering en door in het kader van dit cassatieberoep een prejudiciële vraag te laten stellen aan het Grondwettelijk Hof betreffende de ontvankelijkheid van een dergelijk cassatieberoep, desgevallend een positief resultaat konden bereiken. Zij zijn uiteindelijk in hun opzet geslaagd en werden beloond met een ontvankelijk verklaard onmiddellijk cassatieberoep. De mogelijkheid om onmiddellijk cassatieberoep in te stellen, eventueel gecombineerd met een afstand voor zover het cassatieberoep voorbarig zou zijn, is gekend
(5). Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid om een prejudiciële vraag te stellen. Bovendien is het daarbij niet zonder belang te wijzen op het feit, enerzijds, dat de beroepen tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof moeten worden ingesteld binnen de door de Bijzondere Wet op het Arbitragehof bepaalde termijnen, en, anderzijds, dat zowel de beroepen tot vernietiging als de prejudiciële vragen, bij toepassing van artikel 74 van laatstgenoemde wet, door toedoen van de griffier in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt in de drie landstalen. Deze bekendmakingen laten toe dat ook derden kennis kunnen nemen van de procedures die voor het Grondwettelijk Hof aanhangig zijn en van de inhoud hiervan. Aan de hand van die bekendmakingen had de eiser bijgevolg de mogelijkheid om kennis te krijgen van de lopende procedures met betrekking tot artikel 235ter Wetboek van Strafvordering en meer bepaald van de verschillende beroepen tot vernietiging die, wat artikel 235ter Wetboek van Strafvordering betreft, dateren van 20 juni 2006 en 29 juni 2006, zoals blijkt uit het vernietigingsarrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 van het Grondwettelijk Hof, waarnaar de eiser herhaaldelijk verwijst. Kan dan niet worden voorgehouden dat de eiser, die de nodige voorzorgsmaatregelen niet heeft genomen om tijdig, binnen vijftien dagen na het wijzen van het arrest van 11 mei 2007 door de kamer van inbeschuldigingstelling, toch cassatieberoep aan te tekenen met het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, onvoorzichtig of onzorgvuldig was, zeker wanneer hij wist of had kunnen of moeten weten dat er een procedure in vernietiging voor dit Hof hangende was? Zoals de eerste verweerder in zijn memorie van antwoord aangeeft, heeft een door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid, in beginsel, een declaratief karakter en dus een retroactieve werking. Dit betekent dat, als gevolg van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in zijn arresten nr. 105/2007 van 19 juli 2007 en nr. 111/2008 van 31 juli 2008, het artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering in die zin moet worden gelezen dat het geacht wordt steeds een onmiddellijk cassatieberoep te hebben toegestaan tegen arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling die gewezen worden met toepassing van de artikelen 189ter of 235ter Wetboek van Strafvordering. Uw Hof oordeelde eerder in het hiervoor geciteerde arrest van 31 oktober 2006, dat het cassatieberoep dat openstaat tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer dit onderzoeksgerecht uitspraak doet met toepassing van de artikelen 135 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering, of wanneer het arrest zelf behept is met een onregelmatigheid, onmiddellijk moet worden ingesteld, zonder dat de inverdenkinggestelde de keuze heeft het slechts later, samen met het eindarrest, in te stellen. Deze regel geldt ook voor het cassatieberoep tegen de arresten die in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering overgaan tot de bom-controle: de procedure die voorzien is in artikel 235ter, § 1 Wetboek van Strafvordering moet inderdaad helemaal afgehandeld zijn, vooraleer de zaak bij de rechter ten gronde wordt aanhangig gemaakt. Dit sluit een cassatieberoep na het eindarrest uit. Uit de bovenstaande elementen lijkt mij te moeten volgen dat de eiser wel degelijk in de mogelijkheid was om tijdig een onmiddellijk cassatieberoep in te stellen, maar dat hij nagelaten heeft dit te doen. Het cassatieberoep dat hij thans instelt, na het eindarrest, lijkt bijgevolg laattijdig en derhalve niet ontvankelijk. De prejudiciële vraag lijkt mij niet te moeten worden beantwoord, want deze vraag heeft geen betrekking op een aangelegenheid, zoals bedoeld in artikel 26, § 1 Bijzondere Wet Arbitragehof, maar op de gevolgen in de tijd van de arresten van het Grondwettelijk Hof. In het geval van een beroep tot vernietiging beoordeelt het Grondwettelijk Hof zelf de werking in de tijd, in toepassing van artikel 8 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof. Wat de uitspraken ingevolge prejudiciële vragen betreft, oordeelde Uw Hof bij arrest van 20 december 2007
(6)dat het aan de rechterlijke macht toekomt bij de uitlegging van de wet de gevolgen van de schending van de Grondwet waartoe het Grondwettelijk Hof in een antwoord op een prejudiciële vraag besluit, in de tijd te bepalen. De rechter die de werking in de tijd vaststelt van de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid, dient daarbij rekening te houden met het rechtmatig vertrouwen van de maatschappij in de wettelijke bepalingen en met de dwingende eisen van rechtszekerheid. 6. Wellicht zijn er ook argumenten om de stelling te verdedigen dat de omstandigheid dat de wet zelf, op het ogenblik dat het bestreden arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling werd gewezen, het cassatieberoep uitsloot, de eiser in een toestand van onoverkomelijke dwaling in rechte heeft gebracht, die hem ertoe heeft geleid te beslissen geen onmiddellijk cassatieberoep in te stellen. De vraag blijft dan evenwel of dit voor gevolg moet hebben dat dan in alle omstandigheden zou moeten worden toegestaan dat de eiser, omwille van die onoverkomelijke dwaling in rechte, alsnog een cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling kan instellen na het eindarrest. Ik meen van niet: het is immers zo dat de onoverkomelijke dwaling het verval van het recht om cassatieberoep in te stellen wegens het verstrijken van de wettelijk voorziene termijn alleen kan tegenhouden tijdens de duur van de volstrekte onmogelijkheid tot handelen van de persoon die de handeling moet stellen
(7). Vertrekkende van dit gegeven, moet dan worden vastgesteld dat vanaf de publicatie op 13 augustus 2007 van het vernietigingsarrest nr. 155/2007 van 19 juli 2007 van het Grondwettelijk Hof, het cassatieberoep niet meer wettelijk uitgesloten was, terwijl vanaf de publicatie op 15 september 2008 van het arrest nr. 111/2008 van 31 juli 2008 van het Grondwettelijk Hof bovendien ook duidelijk was dat onmiddellijk cassatieberoep moet worden toegelaten. Wellicht al vanaf de publicatiedatum van 13 augustus 2007, maar zeker vanaf de publicatiedatum van 15 september 2008 neemt de toestand van onoverkomelijke dwaling in rechte in hoofde van de eiser een einde: diende hij dan niet, binnen 15 dagen (minstens) vanaf deze (laatste) publicatiedatum, alsnog cassatieberoep in te stellen? Kan men zomaar aannemen dat, ook wanneer de toestand van onoverkomelijke dwaling in rechte opgehouden heeft te bestaan, de eiser toch nog een afwachtende houding mag aanmenen door slechts cassatieberoep in te stellen na het eindarrest? Ik meen van niet: de eiser heeft niet alleen nagelaten onmiddellijk cassatieberoep aan te tekenen binnen 15 dagen na het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 mei 2007, hij heeft daarenboven ook verzuimd om cassatieberoep in te stellen binnen 15 dagen nadat de toestand van onoverkomelijke dwaling heeft opgehouden te bestaan. Ook hier weer is het cassatieberoep tegen het arrest van 11 mei 2007 laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk. En ook hier weer is er om de hiervoor aangehaalde reden geen grond tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. 7. Ook een derde benadering leidt tot de niet-ontvankelijkheid van dit cassatieberoep. Deze derde benadering onderzoekt het belang dat de eiser heeft om cassatieberoep in te stellen. De kamer van inbeschuldigingstelling onderzocht in zijn arrest van 11 mei 2007 de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie. De eiser voert aan dat dit onderzoeksgerecht niet bevoegd was om deze bom-controle te doen, maar hij preciseert anderzijds in zijn memorie, dat "de controle van de regelmatigheid van de toegepaste bijzondere opsporingsmethode aan de hand van het (vertrouwelijk) dossier absoluut noodzakelijk is ter vrijwaring van de rechten van de verdediging en ter beoordeling van de ontvankelijkheid van de strafvordering". Wanneer het Hof het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling zou vernietigen, dan moet het Hof, volgens het thans toepasselijke artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering
(8), het dossier van de rechtspleging aan het openbaar ministerie overzenden om de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen, die dan opnieuw tot de bom-controle zou moeten overgaan: de eiser heeft bijgevolg geen belang bij zijn cassatieberoep dat er alleen maar kan toe leiden dat hij iets krijgt wat hij reeds eerder had verkregen, namelijk de controle van de regelmatigheid van de toegepaste bijzondere opsporingsmethode observatie, die hij beschouwt als "absoluut noodzakelijk ter vrijwaring van de rechten van de verdediging en ter beoordeling van de ontvankelijkheid van de strafvordering". Het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 mei 2007 is bijgevolg, ook bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. In dit geval is er geen reden om de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, omdat de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep gesteund is op redenen die vreemd zijn aan de wetsbepalingen die het voorwerp uitmaken van de prejudiciële vraag. Deze derde benadering, die leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep wegens gebrek aan belang keert, - althans in zekere mate -, terug naar het standpunt dat het Hof eerder innam in zijn arrest van 13 november 2007
(9). In dit arrest oordeelde het Hof onder meer dat het cassatieberoep dat gericht is tegen het arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd verklaart om de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie aan de hand van het vertrouwelijk dossier uit te oefenen, niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, aangezien die controle tot doel heeft het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6 EVRM, te verzekeren en de verdachte dus tot voordeel strekt. In zijn arrest van 14 oktober 2008
(10)lijkt het Hof deze zienswijze evenwel te hebben verlaten: in deze zaak werd het cassatieberoep ontvankelijk verklaard en werd het middel, dat aanvoerde dat de kamer van inbeschuldigingstelling in het bestreden arrest ten onrechte oordeelde dat het met toepassing van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering mogelijk was, nadat de zaak bij het vonnisgerecht aanhangig was gemaakt, alsnog, voor het eerst, de controle te verrichten over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie, gegrond bevonden. Uit de rechtsoverwegingen van dit arrest moet worden afgeleid dat het Hof oordeelt dat het belang van de eiser hierin bestaat, dat de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie verplicht op het door artikel 235ter, § 1, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde tijdstip moet worden verricht, om te vermijden dat de feitenrechter kennis zou kunnen nemen van stukken die eigenlijk hadden dienen te worden nietigverklaard. Dit "belang", dat overigens eerder moet worden aanzien als een denkbeeldig of virtueel belang, speelt evenwel niet in de thans voorliggende zaak, aangezien de procedure van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering nog niet bestond op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier voor eindvorderingen aan de procureur des Konings toezond.
  1. Indien het Hof, ondanks de hiervoor aangehaalde argumenten, toch zou oordelen dat de eiser toch een belang zou hebben bij zijn cassatieberoep, in zoverre dit gericht is tegen de beslissing dat de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd was om de gevraagde controle over de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie te verrichten, dan moet overgegaan worden tot het onderzoek van het aangevoerde middel. En ook hier weer worden wij geconfronteerd met hetzelfde probleem van het gebrek aan belang: de eiser kan er immers geen belang bij hebben de vernietiging te vragen van een beslissing waarvan hijzelf uitdrukkelijk aangeeft dat zij absoluut noodzakelijk is ter vrijwaring van zijn recht van verdediging en ter beoordeling van de ontvankelijkheid van de strafvordering. Wanneer ook hier het Hof deze stelling niet zou volgen, zal tenslotte nog moeten worden nagegaan of het Hof, in de huidige zaak, in dezelfde zin zou moeten beslissen als in het eerder aangehaalde arrest van 14 oktober
  2. In dit laatste arrest oordeelde het Hof, in navolging van zijn eerder arrest van 19 maart 2008
(11), dat overigens ook aangehaald wordt door de eiser, dat de vaststelling, door het vonnisgerecht, dat de controle van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie niet verricht was op het geëigende tijdstip, niet het nieuwe en concrete gegeven uitmaakt dat de verwijzing van de zaak naar de kamer van inbeschuldigingstelling, om alsnog tot die controle over te gaan, wettigt. Zoals gemeld, houdt de huidige zaak evenwel een ander belangrijk element in, dat het Hof de kans biedt, gelet op het concrete verloop van de procedure, af te wijken van de rechtspraak van het arrest van 14 oktober 2008. Uit het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling blijkt immers dat de voorschriften van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering nog niet van toepassing waren op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier voor eindvorderingen meedeelde aan de procureur des Konings. Uit het nazicht van de stukken van de rechtspleging blijkt inderdaad dat de onderzoeksrechter het dossier voor eindvorderingen meedeelde aan de procureur des Konings op 14 november 2005 en dat deze laatste eindvorderingen nam die de zaak bij de raadkamer aanhangig maakten op 25 november 2005, hetzij dus vóór de inwerkingtreding, op 30 december 2005, van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. In tegenstelling tot wat zich voordeed in de procedures die aanleiding gaven tot de arresten van 19 maart 2008
(12)en van 14 oktober 2008
(13)kan hier geen sprake zijn van enig verzuim: een "tijdige" controle van de bijzondere opsporingsmethode observatie in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering was hier immers op absolute wijze uitgesloten, omdat de wettelijke bepaling die deze specifieke procedure invoert, nog niet bestond op het ogenblik dat de procureur des Konings door zijn eindvorderingen de zaak aanhangig maakte bij de raadkamer. Het is daarbij van belang op te merken dat de bepalingen van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering, die een nieuwe fase in de rechtspleging invoegen, dienen beschouwd te worden als procedurewetten, die bijgevolg van onmiddellijke toepassing zijn op alle hangende zaken, ook op vorderingen die steunen op feiten die dateren van vóór de wetswijziging
(14). Voor zover al niet zou kunnen worden aangenomen, dat de feitenrechter, die vaststelt dat de wetgever een nieuwe verplichte fase in de rechtspleging heeft ingevoerd, die van onmiddellijke toepassing is, deze ontwikkeling zou kunnen (en mogen) aanzien als het nieuwe concrete gegeven waarop het artikel 189ter Wetboek van Strafvordering (oud) doelt, kan enkel en alleen vastgesteld worden dat de feitenrechter en de kamer van inbeschuldigingstelling hier uiteindelijk niets anders doen dan de algemene principes van de werking van de wet in de tijd toepassen. Bovendien rijst de vraag of de feitenrechter, die de kamer van inbeschuldigingstelling gelastte met de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie, en de kamer van inbeschuldigingstelling wel anders konden handelen: elke andere beslissing zou immers inhouden in dat gelijke toestanden op een ongelijke wijze worden behandeld en zou aldus een niet te verantwoorden discriminatie doen ontstaan. Ik ben dan ook van oordeel dat de kamer van inbeschuldigingstelling die, in die omstandigheden, na het tussenvonnis van 4 april 2007 van de correctionele rechtbank te Antwerpen, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling gelast wordt de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie uit te oefenen met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering en na hiertoe door het openbaar ministerie gevorderd te zijn, deze vordering ontvangt en vaststelt dat de bijzondere opsporingsmethode van de observatie regelmatig is verlopen, haar beslissing naar recht verantwoordt. Wanneer het Hof aldus de stelling dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, in zoverre het gericht is tegen de beslissing waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd acht om de gevraagde controle over de bijzondere opsporingsmethoden observatie uit te oefenen, niet zou volgen, zal het Hof dus alleszins moeten vaststellen dat het middel, om de hiervoor aangevoerde redenen, in elk geval faalt naar recht. CONCLUSIE: verwerping van beide cassatieberoepen __________________
(1)Grondw.H, arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 en nr. 111/2008 van 31 juli 2008.
(2)Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.0614.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.6, A.C., 2006, nr. 527 met concl. adv.-gen. TIMPERMAN.
(3)Cass., 14 okt. 2008, AR P.08.1329.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1, A.C., 2008, nr. 547 met concl. adv.-gen. TIMPERMAN.
(4)Art. 235ter, § 6 Wetboek van Strafvordering luidde in de oorspronkelijke versie "§ 6. Tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling staat geen rechtsmiddel open".
(5)SONCK, S., Cassatieberoep in strafzaken, 1999, 17; DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4° Ed. 2007, p. 1420, nr. 3328.
(6)Cass. 20 december 2007, AR C.07.0227.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.4, A.C., 2007, nr. 653.
(7)Zie Cass., 8 januari 1996, AR S.94.0145.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960108.5, A.C., 1996, nr. 13
(8)gewijzigd bij wet van 16 januari 2009 die op dezelfde datum in werking is getreden.
(9)Cass., 13 november 2007, AR P.07.1190.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.3, A.C., 2007, nr. 551.
(10)Cass., 14 okt. 2008, AR P.08.1329.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1, A.C., 2008, nr. 547 met concl. adv.-gen. TIMPERMAN
(11)Cass., 19 maart 2008, AR P.08.0319.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080319.9, A.C., 2008, nr. 192.
(12)Zie voetnoot 11
(13)Zie voetnoot 10
(14)DUPONT, L. en VERSTRAETEN, R., Handboek Belgisch Strafrecht, p. 137, nr. 189; VAN DEN WYNGAERT, Chr., Strafrecht, Strafprocesrecht en Internationaal Strafrecht, 5de ed., p. 104 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960108.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.6 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080319.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.