← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090612.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090612.7 Rolnummer: F.06.0085.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-08-25 Raadplegingen: 317 - laatst gezien 2026-07-02 23:17 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090612.7 Fiche 1 Zonder dat noodzakelijkerwijs vereist is dat de verrichting is geschied met de bedoeling een belastbare winst aan de belasting te onttrekken, wordt onder 'abnormale voordelen', die voordelen verstaan die, gelet op de economische omstandigheden van het ogenblik, strijdig zijn met de gewone gang van zaken, met de regels, of met de gevestigde handelsgebruiken, en onder 'goedgunstige voordelen', de voordelen die worden verleend zonder de uitvoering van een verbintenis te vormen, of die welke worden verleend zonder enige tegenwaarde

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Winsten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Abnormale of goedgunstige voordelen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 26, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Artikel 26, eerste lid, W.I.B.
(1992)heeft betrekking op de vaststelling van de belastbare winsten van de nijverheids, handels- of landbouwondernemingen en houdt een afwijking in van de bepalingen van de belastingwet die slechts de in het vermogen van een onderneming opgenomen winsten aan de belasting onderwerpen, met uitsluiting van die welke zij had kunnen verkrijgen indien zij haar zaken anders had beheerd dan zij heeft gedaan
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Winsten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Abnormale of goedgunstige voordelen - Artikel 26, eerste lid, W.I.B.
(1992)Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 26, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 3 Artikel 49 W.I.B.
(1992)verduidelijkt de voorwaarden waaronder de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen, als beroepskosten aftrekbaar zijn. Dit artikel is een autonome wetsbepaling ten aanzien van artikel 26 W.I.B.
(1992)
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Algemeen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Beroepskosten - Artikel 49 W.I.B.
(1992)Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 26 en 49 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 4 Een uitgave moet niet als een beroepskost worden aangezien indien ze in aanmerking komt voor het bepalen van de belastbare inkomsten van diegene die de daarmee overeenstemmende betaling heeft ontvangen; uit de omstandigheid dat uitgaven niet voldoen aan de voorwaarden om als beroepskosten aftrekbaar te zijn, volgt niet dat die uitgaven abnormale of goedgunstige voordelen vormen in de zin van artikel 26, eerste lid, W.I.B.
(1992), en evenmin dat ze, om te kunnen worden belast, gevoegd hadden moeten worden bij de eigen winst waarvan ze, doordat ze als beroepskosten zijn verworpen, niet mogen worden afgetrokken. De rechter die beslist dat de administratie op grond van artikel 49 W.I.B.
(1992)terecht de door de belastingplichtige aangevoerde beroepskosten heeft verworpen, dient bijgevolg niet na te gaan of de voorwaarden voor de toepassing van artikel 26, eerste lid, van dat wetboek vervuld zijn
(1)
(2).
(1)Zie de conclusie van het O.M.
(2)Geoordeeld in dezelfde zin op dezelfde dag, Cass., AR F.07.0037.N, F.08.0003.N, F.08.0015.N en F.08.0076.N. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Algemeen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Beroepskosten - Abnormale of goedgunstige voordelen - Correlatie - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 26, eerste lid, en 49 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Winsten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Abnormale of goedgunstige voordelen Abnormale of goedgunstige voordelen - Artikel 26, eerste lid, W.I.B.
(1992)Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Algemeen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Beroepskosten - Artikel 49 W.I.B.
(1992)Beroepskosten - Abnormale of goedgunstige voordelen - Correlatie - Taak van de rechter Tekst van de conclusie F.06.0085.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. De feiten. Verweerster in cassatie werd voor de aanslagjaren 1999 en 2000 een bericht van wijziging toegezonden waarbij met toepassing van artikel 49 W.I.B.
(1992)de aftrek wordt verworpen als beroepskost van de bestuurdersvergoedingen die zij in 1998 en 1999 betaalde aan de N.V. W&D Invest. Het beroepskarakter van die uitgaven werd door de taxatieambtenaar betwist omdat bleek dat de N.V. W&D geen adequate tegenprestaties leverde voor de aan haar toegekende vergoedingen. Verweerster betwistte de daaropvolgende aanslagen in de vennootschapsbelasting en voerde voor het hof van beroep in ondergeschikte orde voor het eerst de toepasselijkheid aan van artikel 26 W.I.B.
(1992). Het thans bestreden arrest verwerpt enerzijds de door verweerster gedane uitgaven als beroepskosten in de zin van artikel 49 W.I.B.
(1992), maar oordeelt anderzijds dat diezelfde uitgaven onder toepassing vallen van artikel 26, eerste lid, W.I.B.
(1992). 2. De voorziening in cassatie. In het eerste middel tot cassatie verwijt eiser de appelrechters artikel 49 W.I.B.
(1992)te hebben geschonden door middels de toepassing van artikel 26, eerste lid, W.I.B.
(1992)op de kwestieuze kosten, de toepassing van artikel 49 W.I.B.
(1992)te neutraliseren om kosten die manifest niet aan de voorwaarden van dat laatste artikel voldoen toch uit het belastbaar resultaat van verweerster te sluiten. 3. Bespreking. 3.1. De oude tekst van artikel 24, eerste lid WIB
(1964)luidde als volgt: "Wanneer een in België gevestigde onderneming zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse onafhankelijkheid bevindt ten aanzien van een in het buitenland gevestigde onderneming, worden alle abnormale en goedgunstige voordelen die zij wegens die band verleent aan laatstbedoelde onderneming, of aan personen en ondernemingen die met deze laatste belangen gemeen hebben, bij haar eigen winsten gevoegd". In die periode was er geen wetsbepaling die een dubbele belasting kon tegengaan. Dit veranderde echter met de wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen die artikel 24 WIB
(1964)aanvulde met een derde lid, luidend als volgt: "Bij de eigen winsten van een onderneming wordt eveneens gevoegd het bedrag van alle abnormale en goedgunstige voordelen die zij verleent aan natuurlijke of rechtspersonen, behalve wanneer die voordelen rechtstreeks of onrechtstreeks in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijgers". Abnormale of goedgunstige voordelen kunnen dus niet langer belast worden bij de verstrekker indien ze in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger (men spreekt hier van een ontsnappingsclausule).
(1)De COM IB verduidelijkt een en ander als volgt: "Artikel 24, derde lid, WIB (thans artikel 26, eerste lid, W.I.B. 1992) ingevoegd - met ingang van aj. 1991 - door artikel 256 W.22.12.1989) houdt een uitbreiding in van artikel 24 WIB in die zin dat abnormale of goedgunstige voordelen die een in België gevestigde onderneming aan natuurlijke personen of rechtspersonen - dus ook Belgische - verleent bij haar winst worden gevoegd. Artikel 24, derde lid WIB (thans artikel 26, eerste lid WIB 1992) is evenwel niet van toepassing indien die voordelen in aanmerking komen bij het bepalen van de in België belastbare inkomsten van de verkrijgers".
(2)Van zodra de wet van 22 december 1989 het toepassingsgebied van artikel 24 WIB 1964 had uitgebreid tot winstverschuivingen tussen Belgische ondernemingen werd in de rechtsleer verdedigd dat dit verbod van dubbele belasting ook van toepassing was in de hypothese dat de fiscus een beroep deed op artikel 44 W.I.B. 1964 (thans artikel 49 W.I.B. 1992) om kosten te verwerpen die eigenlijk neerkwamen op verleende abnormale en goedgunstige voordelen. De Administratie heeft zich steeds gekant tegen die opvatting. De als vrijgevigheid verworpen kosten maken deel uit van de winst van de vennootschap die het voordeel heeft verleend en worden aldaar belast. Zij worden een tweede maal belast in hoofde van de genieter van de voordelen indien ze voor hem belastbare inkomsten uitmaken. Reeds geruime tijd stelt de fiscus vast dat management fees worden toegekend aan vennootschappen-bestuurders met als uitsluitend doel winst te verschuiven van een winstgevende naar een verlieslatende vennootschap of met de loutere bedoeling om in hoofde van de verstrekker een uitgavepost te creëren zonder dat door de vennootschap-bestuurder een tegenprestatie wordt geleverd. De fiscus wil de strikte toepassing van artikel 49 W.I.B 1992 om bepaalde misbruiken te bestrijden, niet opgeven omdat de strijd tegen de fiscale fraude een prioriteit vormt in vergelijking met beschouwingen inzake dubbele belasting. De niet-aftrekbaarheid van bepaalde uitgaven als beroepskosten op grond van artikel 49 W.I.B. 1992 ten name van een bepaalde belastingplichtige vormt volgens de fiscus geen hinderpaal om het inkomen dat ingevolge die uitgave bij een andere belastingplichtige ontstaat aan belasting te onderwerpen.
(3)3.
  1. Artikel 24 WIB 1964 werd vervangen door artikel 3 van de wet van 28 juli
  2. Het artikel 26, eerste lid WIB 1992 luidt in de versie die van toepassing is op dit geschil als volgt: "Wanneer een in België gevestigde onderneming abnormale of goedgunstige voordelen verleent, worden die voordelen, onder voorbehoud, van het bepaalde in artikel 54, bij haar eigen winst gevoegd, tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger". De Administratie was tot voor kort van oordeel dat de ontsnappingsclausule enkel van toepassing is indien het gaat om in België belastbare inkomsten.
(4)Thans aanvaardt de fiscus dat de ontsnappingsclausule kan worden ingeroepen indien een Belgische onderneming een voordeel verstrekt aan een buitenlandse vennootschap, voor zover de buitenlandse vennootschap niet geviseerd wordt door artikel 26, tweede lid W.I.B.
(1992).
(5)3.3. Door artikel 81 van de wet van 27 april 2007 werd artikel 26 WIB 1992 aangepast om de in de rechtspraak gerezen discussie over de verhouding tussen de artikelen 26 en 49 W.I.B. 1992 te beslechten. Artikel 26 bepaalt voortaan dat abnormale of goedgunstige voordelen bij de winst van de verstrekker worden gevoegd "onverminderd de toepassing van artikel 49". De fiscus kan dus thans, zonder dat hierover nog enige onduidelijkheid kan bestaan, artikel 49 W.I.B. 1992 - dat niet voorziet een verbod van de dubbele economische belasting (ontsnappingsclausule) - toepassen en de aftrek verwerpen bij de verstrekker en de inkomsten toch belasten in hoofde van de verkrijger. De omstandigheid dat we zouden te maken hebben met een abnormaal of goedgunstig voordeel waarop de genieter wordt belast, kan in elk geval sinds de wet van 27 april 2007 niet meer in rekening worden gebracht.
(6)3.4. Voor de periode tussen de wet van 22 december 1989 en de Programmawet van 27 april 2007 verdedigt de meerderheidsopvatting in de rechtsleer dat het door artikel 26 W.I.B. 1992 (voorheen artikel 24, derde lid W.I.B. 1964) geformuleerde verbod van dubbele economische belasting doorwerkt bij de toepassing van artikel 49 W.I.B. 1992 op abnormale beroepskosten. De argumenten die hiervoor worden gehanteerd
(7), zijn de volgende: Eerste argument In navolging van Huysman wordt verdedigd dat de bedoeling van de wetgever om in het kader van artikel 26 W.I.B. 1992 een dubbele belasting op de gemaakte winst uit te sluiten tot buiten de strikte toepassingssfeer van deze bepaling moet worden uitgebreid. De wetgever had immers bij het invoeren van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, W.I.B. 1992 de bedoeling om de vroegere administratieve praktijk te bevestigen die erin bestond om in de binnenlandse context genoegen te nemen met het heffen van de belasting in hoofde van één belastingplichtige zodat de fiscus geen kost verwerpt wanneer die verwerping niet tot een verlies aan belastbare grondslag leidt.
(8)De toepassing van het verwerpingsmechanisme van artikel 49 W.I.B 1992 ten nadele van de regeling van artikel 26 W.I.B. 1992 wordt in die opvatting aanzien als een schending van de werkelijke bedoeling van de wetgever omdat het effect van de ontsnappingsclausule van artikel 26, eerste lid W.I.B. 1992 wordt tenietgedaan.
(9)Huysman geeft echter zelf aan dat een teleologische interpretatie problematisch is in fiscale zaken. Tweede argument De rechtsleer beklemtoont ook de noodzaak van een grondwetsconforme interpretatie. Situaties die een winstverschuiving met zich meebrengen, moeten op gelijke manier worden behandeld. De fiscus mag het verbod van dubbele heffing dan ook niet omzeilen door een beroep te doen op artikel 49 W.I.B. 1992. Het loutere feit dat twee belastingplichtigen, die zich in een gelijkaardige situatie bevinden, op een andere manier worden behandeld omdat de ene onder de toepassing valt van artikel 26, waarbij elke vorm van dubbele belasting is uitgesloten, en de andere onder de toepassing valt van artikel 49 W.I.B. 1992 zou discriminerend zijn.
(10)Derde argument Tevens wordt verwezen naar het Verdrag 90/436/EEG tot afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen dat België toepast in Europese context in situaties waarbij vennootschappen uit verschillende lidstaten betrokken zijn. Er wordt aangevoerd dat het moeilijk denkbaar is dat in een strikt Belgische context andere regels worden gehanteerd.
(11)Vierde argument In artikel 26 WIB 1992 wordt voorbehoud gemaakt voor het bepaalde in artikel 54 WIB 1992. De enige afwijking van artikel 26 W.I.B. 1992 zou artikel 54 W.I.B. 1992 zijn en niet enige andere bepaling die is opgenomen in het deel over de beroepskosten (zoals artikel 49). Daaruit wordt dan afgeleid dat er geen grond bestaat om het verbod van dubbele belasting uit te sluiten wanneer de beroepskosten geen betrekking hebben op de uitgaven bedoeld in artikel 54 W.I.B. 1992.
(12)Het is echter niet duidelijk wat de juiste draagwijdte van de woorden "onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54 van het W.I.B. 1992" is. Veelal wordt gezegd dat de wetgever die woorden heeft toegevoegd om te vermijden dat de belastingplichtige de in artikel 54 voorziene omkering van bewijslast zou kunnen omzeilen.
(13)In elk geval primeert artikel 54 op artikel 26 WIB 1992: de eerstgenoemde bepaling kan ook worden toegepast zelfs indien de Administratie niet het bewijs levert dat de in artikel 54 bedoelde uitgave een abnormaal of goedgunstig voordeel oplevert in de zin van artikel 26.
(14)Veel opheldering over het toepassingsgebied van het verbod van dubbele belasting bij het conflict tussen artikel 26 en 49 W.I.B. 1992 brengt die verwijzing m.i. niet. Vijfde argument Volgens heel wat auteurs kan het probleem worden opgelost aan de hand van de courante principes die worden gehanteerd bij samenloop van wetsbepalingen zoals de adagia Lex posterior derogat lege priori en Specialia generalibus derogat. Beide adagia zouden voorrang geven aan artikel 26 W.I.B.
(1992).
(15)3.
  1. Een andere opvatting bestaat in het (op kunstmatige wijze) afbakenen van het toepassingsgebied van de artikelen 26 en 49 W.I.B.
  2. Volgens KIRKPATRICK en VINCENT moeten liberaliteiten en abnormale en goedgunstige voordelen die overeenstemmen met kosten in de boekhouding van de verstrekker fiscaal verworpen worden op grond van artikel 49 W.I.B. 1992.
(16)Liberaliteiten en abnormale en goedgunstige voordelen die niet terug te vinden zijn in de resultatenrekening van de verstrekker omdat deze de boekhoudwetgeving niet heeft nageleefd (en die dus veinzing impliceren) worden eveneens gesanctioneerd op basis van artikel 49 W.I.B. 1992. Het toepassingsgebied van artikel 26 W.I.B. 1992 wordt dan beperkt tot de abnormale en goedgunstige voordelen die niet overeenstemmen met een kost in de resultatenrekening van de verstrekker zonder dat dit een schending van de boekhoudwet inhoudt.
(17)Artikel 26 W.I.B. 1992 zou dan enkel betrekking hebben op te goeder trouw verleende abnormale en goedgunstige voordelen. Dit onderscheid lijkt kunstmatig en in strijd met de gebruikelijke definitie van het begrip goedgunstig oordeel dat alle voordelen omvat die worden verleend zonder tegenprestatie. Ubi lex non distinguit.. 3.6. Hogervermelde standpunten, waarvan sommige ook tot uiting komen in het bestreden arrest, hebben de verdienste dat ze de fiscale wetgeving als een coherent geheel proberen te interpreteren. Toch kunnen deze standpunten niet worden gevolgd. - De wetgever heeft met de aanvulling van artikel 24 W.I.B. met een derde lid bij artikel 256 van de Wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen (thans art. 26, eerste lid, W.I.B.
(1992)), geenszins beoogd binnen de fiscale wet een ontsnappingsmogelijkheid te bieden aan de toepassing van artikel 49 W.I.B.
(1992), in die zin dat een uitgave die niet voldoet aan de aftrekvoorwaarden van artikel 49, maar bij de verkrijger wordt in aanmerking genomen als belastbaar inkomen, automatisch dient te worden gekwalificeerd als een abnormaal of goedgunstig voordeel waarop de uitzonderingsclausule van artikel 26, eerste lid, van toepassing is. Voor dergelijke interpretatie kan overigens geen aanknopingspunt worden gevonden in de tekst van beide fiscale bepalingen die, gelet op het openbare orde karakter van de fiscale wetgeving en het grondwettelijk legaliteitsbeginsel, strikt dienen te worden geïnterpreteerd. De wetgever heeft overigens steeds geopteerd voor een strikte toepassing van artikel 49 W.I.B.
(1992)zoals ook blijkt uit het Verslag aan de Koning bij het K.B. van 20 december 1996 houdende diverse fiscale maatregelen.
(18)- Uit niets blijkt dat de wetgever door de aanvulling van artikel 24 W.I.B. met een derde lid (thans art. 26, eerste lid, W.I.B.
(1992)bij artikel 256 van de wet van 22 december 1989, een voorrang van artikel 26 W.I.B.
(1992)ten opzichte van artikel 49 W.I.B.
(1992)zou hebben willen instellen. Veeleer wordt met artikel 26 W.I.B.
(1992)beoogd om winstdervingen die niet als zodanig als een geboekte kost in de resultatenrekening zijn opgenomen belastbaar te stellen via toevoeging aan de winst van de verstrekker van de voordelen, behoudens indien deze voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger. Artikel 26 W.I.B.
(1992)heeft aldus een ander toepassingsgebied dan artikel 49 W.I.B.
(1992). - Eiser in cassatie voert onder het eerste middel voorts terecht aan dat het bestreden arrest geheel ten onrechte overstapt van artikel 49 naar artikel 26 nu die artikelen op twee verschillende toestanden slaan die in onderscheiden onderafdelingen van het W.I.B.
(1992)zijn ondergebracht. Artikel 26 heeft betrekking op de bepaling van de brutowinst (Afdeling IV - Beroepsinkomsten, Onderafdeling I - Belastbare inkomsten, B. - Winst), terwijl artikel 49 bepaalt welke kosten van de brutowinst als beroepskosten aftrekbaar zijn (Afdeling IV - Beroepsinkomsten, Onderafdeling III - Vaststelling van het netto-inkomen, A. - Beroepskosten). Artikel 26 slaat aldus op de als winst aan te merken verleende voordelen die als zodanig echter niet noodzakelijkerwijze als een geboekte kost in de boekhouding van de belastingplichtige terug te vinden zijn, terwijl artikel 49 uitsluitend de aftrekbaarheid van beroepskosten betreft. Zulks impliceert dat wanneer wordt vastgesteld dat bepaalde uitgaven of lasten van de belastingplichtige niet voldoen aan alle in artikel 49 W.I.B.
(1992)gestelde voorwaarden, de aftrek van de kosten moet worden geweigerd en geen verder onderzoek meer dient te beuren naar een mogelijk abnormaal of goedgunstig voordeel. - Dit standpunt sluit aan bij het inmiddels tussengekomen arrest van Uw Hof van 30 oktober 2008 in de zaak F.07.0008.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081030.12, waarin uw Hof overwoog dat uit de omstandigheid dat uitgaven niet voldoen aan de voorwaarden om als beroepskosten aftrekbaar te zijn, niet volgt dat die uitgaven abnormale of goedgunstige voordelen vormen in de zin van artikel 26, eerste lid, van het W.I.B.
(1992). Uw Hof preciseerde in dat verband dat de rechter die beslist dat de administratie, op grond van artikel 49 van het W.I.B.
(1992)terecht de door belastingplichtige aangevoerde beroepskosten verworpen heeft, niet dient na te gaan of de voorwaarden voor de toepassing van artikel 26, eerste lid, van dat wetboek vervuld zijn. - Kosten waarvan de belastingplichtige de aftrekbaarheid als beroepskost nastreeft, moeten bijgevolg worden getoetst aan de aftrekvoorwaarden van artikel 49 W.I.B.
(1992), zonder dat artikel 26 W.I.B.
(1992)in die beoordeling kan worden betrokken. Vermits de fiscale wetgeving van openbare orde is, wordt de rechter overigens niet de keuze gelaten om af te zien van de toepassing van artikel 49 in de gevallen waarin hij vaststelt dat niet voldaan is aan de in dat artikel gestelde aftrekvoorwaarden. Wanneer een bepaalde uitgave op grond van artikel 49 W.I.B.
(1992)niet aftrekbaar is als beroepskost, belet dit niet dat het inkomen dat ingevolge die uitgave bij een andere belastingplichtige ontstaat aan de inkomstenbelasting wordt onderworpen. Er ontstaat immers geen dubbele belasting wanneer niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen verantwoorde beroepskosten in hoofde van een bepaalde belastingplichtige, belastbare inkomsten opleveren ten name van een andere belastingplichtige. - Volledigheidshalve kan nog verwezen worden naar het recent arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 151/2008 van 6 november 2008 ingevolge de beroepen tot vernietiging van de artikelen 81 en 82 van de programmawet van 27 april 2007 (wijziging van artikel 26, eerste lid, van het W.I.B.
(1992). Het Grondwettelijk Hof stelt in dat arrest vast dat de wetgever met de nieuwe regeling opteert voor een autonome toepassing van de artikelen 26 en 49 W.I.B.
(1992), en de zienswijze verwerpt volgens welke de toepassing van artikel 26 op die van artikel 49 voorrang zou hebben. De nieuwe wettelijke regeling kan ertoe leiden dat de aftrek van verleende vergoedingen in hoofde van de verstrekker ervan wordt verworpen, ook wanneer het abnormale of goedgunstige voordelen betreft die bij de begunstigde worden belast. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de wetgever er mocht van uitgaan dat, gelet op de aard zelf van de abnormale of goedgunstige voordelen, een risico bestaat op een oneigenlijk gebruik van de regeling die in artikel 26, eerste lid, van het W.I.B.
(1992)is neergelegd. Vermits de bestreden maatregel van dien aard kan zijn dat dit risico daardoor wordt voorkomen, is ze, volgens het Grondwettelijk Hof, niet zonder redelijke verantwoording. 3.7. Het bestreden arrest heeft artikel 49 W.I.B.
(1992)geschonden door de aftrekbaarheid van de litigieuze bedrijfsuitgaven te beoordelen buiten het strikte kader van deze wetsbepaling. Het eerste middel komt dan ook gegrond voor. 3.
  1. Uw Hof dient niet in te gaan op het in de memorie van antwoord geformuleerd verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof nu deze vraag uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat het bestuur over de vrije keuze zou beschikken om artikel 49 dan wel artikel 26 toe te passen op winstverschuivingen tussen binnenlandse vennootschappen. 3.
  2. Ten overvloede weze opgemerkt dat ook het tweede middel, dat steunt op het fundamentele verschil inzake bewijsvoering tussen de artikelen 26 en 49 W.I.B.
(1992), kan worden aangenomen. In het kader van artikel 26 rust de bewijslast op het bestuur om aan te tonen dat de belastingplichtige abnormale of goedgunstige voordelen heeft verleend in de zin van deze wetsbepaling. Het bestreden arrest neemt aan dat nu de litigieuze vergoedingen worden verworpen als beroepskosten wegens gebrek aan het door artikel 49 aan de belastingplichtige opgelegd bewijs van het beroepskarakter ervan, deze vergoedingen ipso facto als een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 26 , eerste lid, W.I.B.
(1992)moeten worden aangenomen. Eiser voert terecht aan dat de in het kader van artikel 26 normaal op de administratie rustende bewijslast van het bestaan van een abnormaal of goedgunstig voordeel niet kan worden ingevuld door de loutere vaststelling dat de belastingplichtige er niet in slaagt het hem overeenkomstig artikel 49 opgelegde bewijs te leveren van het beroepskarakter van de uitgave. Door zonder concrete bewijsvoering hetzij vanuit de administratie, hetzij vanuit een eigen onderzoek door het hof van beroep, omtrent het bestaan van abnormale of goedgunstige voordelen te beslissen dat de gedane uitgaven onder toepassing van artikel 26, eerste lid, W.I.B.
(1992)vallen, hebben de appelrechters ook deze bepaling geschonden. Besluit: VERNIETIGING. ARREST _______________
(1)Zie o.m. BEGHIN, P., FLAMANT, K. en VAN DE WOESTEYNE, I., Handboek Vennootschapsbelasting 2007-2008, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2007, 70.
(2)COM I.B., artikel 26 WIB 1992, nr. 26/3.
(3)Parl. Vr. nr. 1371 van 17 januari 1995, DUPRE, Bull. Bel., 1995, nr. 752, 2425; Parl. Vr. nr. 148 van 26 oktober 1998, GEHLEN, Bull. Bel, 1999, nr. 791, 900-903.
(4)COM IB, art. 26 W.I.B. 1992, nr. 26/12
(5)Zie nader: BEGHIN, P., FLAMANT, K. en VAN DE WOESTEYNE, I., Handboek Vennootschapsbelasting 2007-2008, 70-71; MALHERBE, J. en MALHERBE, Ph., "Le prix de transfert. Approche moniste ou dualiste", Annales de Droit de Louvain, 2001,
(117), 173; Tiberghien. Handboek voor Fiscaal Recht 2006, Brussel, Larcier, 2006, 111-112.
(6)Tijdens de parlementaire voorbereiding van de Programmawet werd dit als volgt verwoord: "Deze onderafdeling verduidelijkt dat uit de bewoordingen van artikel 26 W.I.B. 1992 niet kan worden afgeleid dat het feit dat bepaalde kosten die op grond van artikel 49 W.I.B. 1992 bij een bepaalde belastingplichtige niet als beroepskosten aftrekbaar zijn, tot gevolg heeft dat het inkomen dat bij die andere belastingplichtige ingevolge die kosten ontstaat ten name van deze laatste niet aan belasting kan worden onderworpen". Dit is echter niet de draagwijdte van die nieuwe bepaling. De regering slaagt er dan toch in haar werkelijke bedoeling duidelijk te maken: "De regering wenst te vermijden dat (...) het feit dat de verkregen voordelen, zij het op een onrechtstreekse manier, in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger, wordt ingeroepen om die toegekende voordelen niet aan belasting te onderwerpen bij diegene die ze heeft toegekend (Ontwerp van Programmawet, Parl. St., Kamer, 2006-2007, nr. 51, 3058/001, p. 35-36).
(7)Voor een recent overzicht: COPPENS, P.-F., "Aftrek van management fees en met elkaar concurrerende principes van de artikelen 26 en 49 WIB 1992.", Pacioli 2007, afl. 228, 4-7.
(8)Zie nader: HUYSMAN, S., Fiscale Winst. Theorie en praktijk van het fiscaal winstbegrip in België, Kalmthout, Biblo, 1994, 206-207 en "De verhouding tussen de artikelen 26 en 49 W.I.B. 1992 terzake van het verbod van dubbele belasting.", noot onder Gent, 14 april 2004, T.R.V. 2004, p. 233-237.
(9)CAUWENBERGH, P., International transfer pricing, Antwerpen-Groningen, Intersentia, 1998, p. 189, nr. 184, noot 1205; CLAEYS-BOUUAERT, I. en VAN CROMBRUGGE, "Concern en Belastingen.", in Vennootschap en Belastingen, Mechelen, Kluwer, deel XII, 2, 1430-1431; VAN CROMBRUGGE, S., "Artikel 26 versus 49 W.I.B. 1992 op het vlak van dubbele belasting", Fiscoloog, 2006, nr. 1031, 1-4; VAN CROMBRUGGE, S., Beginselen van de vennootschapsbelasting, Kalmthout, Biblo, 2003, 61-63.
(10)VAN CROMBRUGGE, S., "Artikel 26 versus 49 W.I.B. 1992 op het vlak van dubbele belasting", Fiscoloog, 2006, nr. 1031, 3.
(11)COPPENS, P.-F., "Aftrek van management fees en met elkaar concurrerende principes van de artikelen 26 en 49 WIB 1992.", Pacioli 2007, afl. 228, 6; P. CAUWENBERGH en B. VAN HONSTE wijzen er in Europese context op dat de arbitrageprocedure voorzien in dit verdrag kan worden opgestart indien dubbele belasting ontstaat omwille van de verwerping van kosten die strikt genomen geen verrekenprijsbepalingen zijn (zoals artikel 49 WIB 1992). Zie hun bijdrage: "Circulaire van 7 juli 2007: de Belgische administratieve interpretatie van het Arbitrageverdrag", A.F.T., 2001,
(277), 286-287.
(12)COPPENS, P.-F., l.c., 6-7.
(13)CAUWENBERGH, P., International transfer pricing, Antwerpen-Groningen, Intersentia, 1998, p. 191-192, nr. 187; C. CHEVALIER, Vademecum Vennootschapsbelasting. Een resultaatgerichte benadering, Brussel, Larcier, 2007, 1064.
(14)MALHERBE, J. en MALHERBE, Ph., "Le prix de transfert. Approche moniste ou dualiste", Annales de Droit de Louvain, 2001, 175.
(15)CAUWENBERGH, P., International transfer pricing, Antwerpen-Groningen, Intersentia, 1998, p. 189, nr. 184, noot 1205; C. CHEVALIER, Vademecum Vennootschapsbelasting. Een resultaatgerichte benadering, Brussel, Larcier, 2007, 1064.
(16)KIRKPATRICK, P., Le régime fiscal des sociétés en Belgique, Brussel, Bruylant, 1992, 64, nr. 2.50; Deze auteur zegt in een latere editie van zijn handboek dat het niet duidelijk is of artikel 26 voorrang heeft op artikel 49 W.I.B. 1992 en doet een oproep aan de wetgever om dubbele belasting naar het voorbeeld van het Europees Arbitrageverdrag, buiten de hypothese van fraude, te vermijden. Zie J. KIRKPATRICK en D. GARABEDIAN, Le régime fiscal des sociétés en Belgique, Brussel, Bruylant, 2003, 165-166.
(17)VINCENT, J.-S., bespreking van Antwerpen, 24 september 1996, A.F.T., 1997, 46, nr. 6.
(18)B.S., 31 december 1996, 4de ed., p. 32640: "Het nagestreefde effect zal bereikt worden door een striktere toepassing van de bestaande bepalingen, waaronder artikel 49 W.I.B.
(1992)en meer in het bijzonder door het verscherpen van de controle van de voorwaarden voor aftrek als beroepskosten van de beloningen toegekend aan vennootschappen ter vergoeding van: - hetzij de uitoefening van een opdracht als bestuurder, zaakvoerder of gelijksoortige functies; - hetzij dienstopdrachten verricht in het kader van het beheer van die vennootschap. De bewijslast met betrekking tot de werkelijkheid van de gedane uitgaven of kosten alsmede het beroepskarakter ervan rust op de belastingplichtige. (...)" Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090612.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081030.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.