id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090619.3 Rolnummer: C.08.0362.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-07-07 Raadplegingen: 363 - laatst gezien 2026-07-02 22:45 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090619.3 Fiche 1 De verzekeraar die in de polis een beding als bedoeld in artikel 25.3, b), van de Modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverekering inzake motorvoertuigen opneemt, beschikt op contractuele grondslag over een recht van verhaal wanneer de voorwaarden hiertoe vervuld zijn, zonder dat vereist is dat er een oorzakelijk verband wordt aangetoond tussen het ongeval en het verzuim om te voldoen aan de Belgische wet en reglementen om een motorrijtuig te besturen; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst krachtens hetwelk in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op de verzekeringstussenkomst mag bedongen worden wegens niet nakoming van een bepaalde in de overeenkomst opgelegde verplichting, nu het verhaal van artikel 25.3, b), van de Modelovereenkomst niet steunt op een door de verzekeringsovereenkomst opgelegde verplichting,maar op de miskenning van een wettelijke verplichting
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen Vrije woorden: Modelovereenkomst verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen - Beding - Ongeval zonder te voldoen aan de Belgische wet - Verhaal van de verzekeraar - Grondslag Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Art. 88, eerste lid Koninklijk Besluit - 14-12-1992 - Art. 25.3,
- b)Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal m.o. VAN INGELGEM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen Vrije woorden: Modelovereenkomst verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen - Beding - Ongeval zonder te voldoen aan de Belgische wet - Verhaal van de verzekeraar - Grondslag Tekst van de conclusie C.08.0362.N CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL MET OPDRACHT VAN INGELGEM: 1. SITUERING 1.1. Eiser was (met het voertuig van zijn echtgenote) betrokken in een verkeersongeval met gekwetste. De rechtsvoorgangster van verweerster was de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van het voertuig bestuurd door eiser (die met een Nigeriaans rijbewijs reed) en betaalde aan het slachtoffer en diens werkgever de vereiste schadevergoeding. Zij vorderde evenwel deze bedragen terug van eiser en diens echtgenote. 1.2. Bij vonnis in hoger beroep (van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen) dd. 19 februari 2008 werd eiser tot betaling aan verweerster van twee provisies (meer de intrest) veroordeeld. 2. BESPREKING VAN DE MIDDELEN Tegen dit vonnis voert eiser twee middelen tot cassatie aan. 2.1. In het eerste middel wordt opgeworpen dat het bestreden vonnis (met miskenning van de erin opgesomde wettelijke bepalingen m.b.t. de wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, het KB en de bijlage betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, en de wet op de landverzekeringsovereenkomst) niet wettig beslist dat voor het verhaalrecht van verweerster geen oorzakelijk verband vereist is tussen het sturen zonder rijbewijs en de aanrijding, noch dat artikel 11 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst niet van toepassing is. 2.1.2. In het raam van de huidige feitelijke en juridische gegevens van de betwisting stel ik vast dat eiser op het ogenblik van het ongeval niet in het bezit was van een in België regelmatig afgegeven rijbewijs of van een als dusdanig geldend bewijs, en dat hij als bestuurder van het verzekerde voertuig gebonden was door de algemene voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst waarin artikel 25, 3° b van de modelovereenkomst voor de verplichte burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen was opgenomen. Dit artikel verleent de verzekeraar een recht van verhaal op de verzekeringnemer (en, indien daartoe grond bestaat, op de verzekerde die niet de verzekeringnemer
- is)wanneer, op het ogenblik van het schadegeval, het rijtuig wordt bestuurd door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven om dat voertuig te besturen. Het recht van verhaal wordt evenwel niet toegepast wanneer de persoon die het rijtuig bestuurt in het buitenland aan de voorwaarden voldoet; voorgeschreven door de plaatselijke wet en reglementen om het rijtuig te besturen en niet onderhevig is aan een in België lopend rijverbod (in welk geval het verhaal behouden blijft)
(1). 2.1.3. Het recht van verhaal is aan geen enkele andere toepassingsvoorwaarde onderworpen dan de overtreding van de wet en de reglementen
(2). Deze overtreding van de wet en de reglementen is enkel de toepassingsvoorwaarde van het recht van verhaal en niet de rechtsgrond voor het regres
(3). De verzekeraar kan zich weliswaar op grond van artikel 88, eerste lid van de wet op de landverzekeringsovereenkomst en recht van verhaal voorbehouden tegen de verzekeringnemer (en, indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringnemer is) voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen, maar dit verhaal is geen verplichting. Het moet uitdrukkelijk bedongen zijn in de verzekeringsovereenkomst
(4). 2.1.4. De uitoefening van het recht van verhaal is dan ook gesteund op de verzekeringsovereenkomst en niet op artikel 88, eerste lid van de wet op de landverzekeringsovereenkomst
(5). De regresvordering is derhalve van contractuele aard, want ofschoon ze wettelijk is voorgeschreven, kan zij niet uitgeoefend worden indien de verzekeraar zich dat recht van verhaal niet uitdrukkelijk in de polis heeft voorbehouden
(6). De tussen partijen gesloten verzekeringspolis waarin de dekkingsvoorwaarden en het mogelijke verhaalrecht werden bedongen, bindt partijen als een wet
(7). Wanneer derhalve een dergelijk beding in de polis is opgenomen, beschikt de verzekeraar op die contractuele grondslag over een recht van verhaal wanneer de voorwaarden daartoe vermeld zijn
(8). 2.1.5. Waar eiser meent dat de verzekeraar die een regresvordering stelt op grond van artikel 25, 3° b van de Modelovereenkomst, op basis van artikel 11 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst ook nog het bewijs moet leveren van een oorzakelijk verband tussen de tekortkoming die aan de oorsprong ligt van de exceptie, en het schadegeval - in welke zienswijze de uitoefening van het regres wordt geassimileerd aan een verval van recht
(9)- meen ik dan ook dat dit middel, op basis van de hierboven ontwikkelde argumenten en precies rekening houdend met de contractuele rechtsgrond van het regres, niet kon worden aangenomen, en dat de appelrechters hun beslissing wel degelijk naar recht verantwoorden. 2.
- In het tweede middel voert eiser aan dat het bestreden vonnis, zijn beslissing, dat artikel 25, 3° b van de Modelovereenkomst niet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet voor recht verantwoordt door niet na te gaan of het door hem aangevoerde onderscheid in behandeling, verenigbaar is met de vereisten van die artikelen (m.b.t. het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie). 2.2.
- De miskenning van het gelijkheidsbeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, houdt in dat gelijke toestanden ongelijk worden behandeld of ongelijke toestanden gelijk worden behandeld
(10). Waar het aan de rechter staat de feiten waarop hij zijn beslissing doet steunen, vast te stellen, dient uw Hof evenwel na te gaan of die op onaantastbare wijze vastgestelde feiten een verantwoording zijn voor de gevolgen die de rechter er voor recht uit afleidt
(11). In zoverre het middel er aldus van uitgaat dat het bestreden vonnis de oorspronkelijke vordering van verweerster tegen eiser gegrond verklaart zonder de erin voormelde bezwaren te onderzoeken, komt het mij voor dat het bedoelde verweer wel degelijk door de appelrechters werd onderzocht en verworpen met de reden dat het aangevoerde onderscheid in behandeling op dezelfde manier geldt voor iedereen, waardoor m.i. impliciet maar zeker wordt vastgesteld dat de beoordeling betrekking heeft op ongelijke toestanden die ook verschillend met een objectieve en redelijke verantwoording daarvoor worden behandeld. Door als dusdanig te oordelen hebben de appelrechters m.i. hun beslissing wel degelijk naar recht verantwoord en mist het middel - dat daartoe steunt op een onjuiste lezing of interpretatie - feitelijke grondslag. In het verlengde hiervan ben ik dan ook de mening toegedaan dat uw Hof hierover geen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof hoeft te stellen nu die gegrond is op een cassatiemiddel dat feitelijke grondslag mist
(12). 2.2.2. Bovendien ben ik de mening toegedaan dat het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of bepalingen van een overeenkomst al dan niet strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet
(13). Ingevolge de in het eerste middel door mijn ambt voorgestelde contractuele aard van het regresrecht van de verzekeraar is het Grondwettelijk Hof derhalve evenmin bevoegd om uitspraak te doen over de bepalingen van de Modelovereenkomst opgenomen in een bijlage bij het KB van 14 december 1992
(14). Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. 3. CONCLUSIE: VERWERPING. ______________
(1)Cass., 8 nov. 2002, AR C.00.0159.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021108.8, A.C., 2002, nr 592.
(2)Cass., 25 sept. 1986, AR 7548, A.C., 1986-87, nr 49.
(3)C. VAN SCHOUBROECK e.a., Overzicht van rechtspraak verzekering motorrijtuigen 1980-1997, T.P.R. 1998, I, nr 72.2, 237.
(4)C. VAN SCHOUBROECK e.a., Overzicht van rechtspraak wet op de landverzekeringsovereenkomst 1992-2003, T.P.R. 2003, II, nr 72.1, 2001.
(5)Cass., 23 juni 2000, A.C., 2000, nr 399.
(6)Ph. COLLE, Handboek bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten
(2007), nr 253, 157.
(7)Cass., 13 juni 1997, R.G.A.R. 1999, nr 13.103.
(8)Zie Cass., 3 dec. 1998, AR P.97.0200.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981203.17, A.C., 1998, nr 502, en Pas., 1998, nr 501.
(9)Zie ook Ph. COLLE, Algemene beginselen van het Belgisch verzekeringsrecht, Intersentia, vierde herwerkte ed., 2006, nr 256, 189.
(10)Cass., 10 dec. 2002, AR P.01.1090.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021210.8, A.C., 2002, nr 660.
(11)Cass., 30 april 1985, AR 9039, A.C., 1984-85, nr 520.
(12)Cass., 15 sept. 2004, AR P.04.0478.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040915.14.
(13)L. SCHUERMANS, Grondslagen van het Belgisch verzekeringsrecht, 2de ed., Intersentia, nr 656, 489.
(14)Arbitragehof, 17 jan. 2002, nr 18/2002, B.S. 21 maart 2002. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090619.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981203.17 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021108.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021210.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040915.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div