id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090619.6 Rolnummer: D.07.0014.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-07-07 Raadplegingen: 251 - laatst gezien 2026-07-02 22:45 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090619.6 Fiche 1 De raad van een Orde van advocaten kan niet ambtshalve tot de administratieve handeling van weglating van een advocaat, van de lijst van stagiairs of van het tableau van de Orde, overgaan op grond dat deze zijn bijdragen niet betaalt
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: ADVOCAAT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Toegang tot het beroep Vrije woorden: Raad van de Orde - Ambtshalve weglating van de lijst van stagiairs of van het tableau - Niet-betaling bijdragen - Geoorloofdheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 430, 432, eerste lid, 435 en 437 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: ADVOCAAT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Toegang tot het beroep Vrije woorden: Raad van de Orde - Ambtshalve weglating van de lijst van stagiairs of van het tableau - Niet-betaling bijdragen - Geoorloofdheid Tekst van de conclusie D.07.0014.N Conclusie van de Heer Advocaat-generaal DUBRULLE: De bestreden beslissing maakt de weglating van verweerster van het tableau van de Orde van Advocaten bij de balie te Leuven, wegens niet-betaling van baliebijdragen, met ingang van 1 december 2006 ongedaan. Het cassatiemiddel vecht de motivering aan dat de raad van de orde sterkte in twee door het Gerechtelijk Wetboek bepaalde omstandigheden - volgens de Nederlandstalige Tuchtraad van Beroep te Brussel in dezen niet voorhanden - tot de weglating kan overgaan. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep De vraag kan gesteld worden of de stafhouder - die geen partij is - cassatieberoep kan instellen tegen deze beslissing. Het antwoord is bevestigend. Het nieuwe tuchtrecht, d.z. de gewijzigde artikelen van het Gerechtelijk Wetboek in werking getreden op 1 november 2006, is toepasselijk op deze procedure die daarna werd gestart. Krachtens het nieuwe artikel 437, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wordt, indien er een reden van onverenigbaarheid met het beroep van advocaat bestaat, de weglating van het tableau uitgesproken door de Raad van de Orde, hetzij ambtshalve en dit geval volgens de rechtspleging in tuchtzaken. Krachtens het artikel 432bis kan de persoon die het voorwerp is van een weglating daartegen hoger beroep instellen bij de tuchtraad van beroep. De navolgende bepalingen verlenen aan de stafhouder een essentiële rol in de tuchtprocedure. Krachtens het artikel 468, § 3 kunnen de advocaat, de stafhouder van de Orde en de procureur-generaal de beslissingen van de raad van beroep voorleggen aan het Hof van cassatie. Deze bepaling staat weliswaar in het hoofdstuk "tucht" terwijl artikel 437 staat in het hoofdstuk "advocaten" en de weglating geen tuchtmaatregel dan wel een louter administratieve maatregel is. De formulering "volgens de rechtspleging in tuchtzaken" is echter zo algemeen dat het de stafhouder, overeenkomstig artikel 468, § 3, ook hier moet toegelaten zijn cassatieberoep in te stellen. De beslissing zelf. De vraag is of de raad van de orde in andere dan in de door de artikelen 435, laatste lid en 437, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalde gevallen, vrij kan beslissen over een weglating van het tableau. Het eerste geval betreft dat van een stagiair die niet voldeed aan zijn verplichtingen, wat hier uiteraard niet van toepassing is. Het tweede geval is, zoals gezegd een onverenigbaarheid. De vraag is, inzonderheid welke de draagwijdte is van artikel 432, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk de raad van de orde, meester is over het tableau. Is uit dit laatste begrip ook af te leiden, zoals het middel stelt, dat die wettelijke gevallen de algemene bevoegdheid van de Raad van de Orde niet beperken? Het komt me voor dat uit de recente wetsgeschiedenis voor de wet van 21 juni 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek - die, zoals gezegd, hier toepasselijk zijn - moet worden afgeleid dat een beperkende interpretatie van artikel 432, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek moet geprivilegieerd worden, in welk geval een middel faalt naar recht. Deze bepaling vermeldt weliswaar dat de raad van de orde "meester is over het tableau". Dit betekent evenwel niet dat hij hierin een verregaande vrijheid geniet. Dit wettelijk concept was gesteund op een arrest van het Hof van 15 januari 1920 (cfr concl. van procureur-generaal Terlinden) dat evenwel betrekking had op de weigering van een inschrijving van een advocaat op het tableau. Dit arrest werd bevestigd in een arrest van 15 maart 1965 (Pas., 1965, I, 754). Ingevolge de toevoeging van het tweede lid door de wet van 19 november 1992 dient de weigering van inschrijving met redenen worden omkleed. En, krachtens het (thans door artikel 24, W. 21 juni 2006 opgeheven) artikel 469bis Gerechtelijk Wetboek kon de geweigerde daartegen beroep instellen bij de tuchtraad van beroep. Daaruit wordt afgeleid dat de verwijzing naar het meesterschap van het tableau nog slechts een "symbolische karakter" heeft (P. Lambert, ... ) nu een te verregaande bevoegdheid volgens het E.H.R.M. niet verenigbaar was met de rechtstaat. De wetgever heeft in 2006 duidelijk een tweedeling ingevoerd tussen de raad van de orde, verantwoordelijk voor het tableau en de deontologische regelgeving en de tuchtraad, bevoegd voor louter tuchtrechtelijke sanctionering. Voor een nieuwe bevoegdheid van de raad m.b.t. de weglating van het tableau pleit dat deze "sanctie" voor niet-betaling van de baliebijdragen niet zo zwaar is als een tuchtsanctie en dat hij aldus niet afhankelijk is van de tuchtraad, terwijl hij aldus over een drukkingsmiddel t.o.v. de nalatige advocaat beschikt, zonder een tuchtprocedure te initiëren. Uit de tweedeling, zoals uit de voorbereidende werken blijkt, volgt nochtans dat de beperkende interpretatie de voorkeur geniet: de raad van de orde heeft een administratieve taak en waakt over de voorwaarden van toegang tot het beroep van advocaat; de tuchtraad waakt over de uitoefening ervan, d.i. de uitoefening van de deontologische verplichtingen. Overigens heeft de weglating - waardoor het beroep niet kan worden uitgeoefend - wegens niet-betaling van baliebijdragen, veel weg van een tuchtsanctie. Conclusie: verwerping. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090619.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div