id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090908.2 Rolnummer: P.09.0341.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-22 Raadplegingen: 332 - laatst gezien 2026-07-03 00:16 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090908.2 Fiches 1 - 2 Wanneer de strafrechter vaststelt dat inzake stedenbouw het bestuur voor hem geen herstelmaatregel heeft gevorderd, heeft de stedenbouwkundig inspecteur geen belang tegen die vaststelling cassatieberoep aan te tekenen, ook al houdt de rechter de beslissing over het herstel van de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf niet aan, zodat het cassatieberoep niet ontvankelijk is
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Stedenbouw - Strafrechter - Geen herstelvordering aanhangig - Cassatieberoep van de stedenbouwkundig inspecteur - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Strafrechter - Geen herstelvordering aanhangig - Cassatieberoep van de stedenbouwkundig inspecteur - Ontvankelijkheid Fiches 3 - 4 Conclusie van eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Stedenbouw - Strafrechter - Geen herstelvordering aanhangig - Cassatieberoep van de stedenbouwkundig inspecteur - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Strafrechter - Geen herstelvordering aanhangig - Cassatieberoep van de stedenbouwkundig inspecteur - Ontvankelijkheid Tekst van de conclusie P.09.0341.N Conclusie van de Heer eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF
- Vooraf De beklaagde werd vervolgd o.m. omdat zij zonder vergunning hoogstammige bomen heeft geveld. Het hof van beroep te Gent veroordeelt de beklaagde enkel voor de niet heraanplanting van de onvergund gevelde bomen. De appelrechters bevelen geen herstelmaatregel. Zij stellen immers vast dat noch het college van burgemeester en schepen van de gemeente Waasmunster, noch de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur een herstelmaatregel hebben gevorderd en oordelen dat zij zo een maatregel niet ambtshalve kunnen bevelen.
- Middel aangevoerd door de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur De gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur aangesteld voor het grondgebied van de Provincie Oost-Vlaanderen - die, niettegenstaande herhaalde verzoeken omtrent een eventueel te vorderen herstelmaatregel, geen partij was in de procedure voor de appelrechters - tekent cassatieberoep aan tegen het arrest van het hof van beroep te Gent. In het enig middel verwijst hij naar artikel 4, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Volgens artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering "(houdt) (d)e rechter) bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijke-partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat van wijzen is." Artikel 4, derde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Onverminderd het recht om de zaak, conform de artikelen 1034bis tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek, bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken, kan eenieder die door het strafbaar feit schade heeft geleden, nadien door middel van een ter griffie ingediend verzoekschrift, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, kosteloos verkrijgen dat het gerecht dat uitspraak heeft gedaan over de strafvordering, uitspraak doet over de burgerlijke belangen." Volgens de eiser hebben de appelrechters ten onrechte geen uitspraak gedaan over het aanhouden van de burgerlijke belangen. Beoordeling
- Vooraf rijst de vraag of het cassatieberoep ingesteld door de stedenbouwkundige inspecteur wel ontvankelijk is. Door de eiser wordt daaromtrent geen betoog geleverd. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat geen cassatieberoep kan worden aangetekend tegen een beslissing die gewezen werd in een zaak waarin de eiser in cassatie geen partij was en die te zijnen opzichte geen uitspraak doet
(1). Het voorliggende cassatieberoep lijkt dan ook onontvankelijk. De gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur was geen partij voor het hof van beroep te Gent en hij leidde geen herstelvordering overeenkomstig artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999 in. Het inleiden van een herstelvordering heeft immers procedurele gevolgen. De strafrechter is ertoe gehouden uitspraak te doen over de herstelvordering in geval van een daartoe strekkende vordering van het bestuur zelfs indien het bestuur zich niet als procespartij manifesteert. De gewone brief waarmee de herstelvordering krachtens art. 149, § 2, D.O.R.O. bij het parket wordt ingeleid, houdt niet in dat het bestuur zich voor de strafrechter als procespartij manifesteert. Voor zover het bestuur een daartoe strekkende vordering heeft geformuleerd, is het openbaar ministerie krachtens art. 138bis Ger.W., bevoegd de herstelvordering voor de strafrechter uit te oefenen en bijgevolg ook met betrekking tot de beslissing over die herstelvordering rechtsmiddelen aan te wenden. Wanneer het bestuur een daartoe strekkende vordering heeft ingesteld, is de strafrechter steeds bevoegd het herstel te bevelen wanneer de zaak bij hem op strafrechtelijk gebied aanhangig is, zelfs op het enkel hoger beroep van het openbaar ministerie. Het bestuur kan rechtsmiddelen aanwenden tegen de beslissing over de herstelvordering, ook als het zich nog niet voordien als procespartij heeft gemanifesteerd. De herstelvordering is immers in elk geval aanhangig gemaakt door de daartoe strekkende vordering van het bestuur. Door de aanwending van een rechtsmiddel manifesteert het bestuur zich als procespartij voor de strafrechter. In tegenstelling tot het (niet-beperkte) hoger beroep van het openbaar ministerie, is op het enkel hoger beroep van de eiser tot herstel alleen nog de herstelvordering aanhangig en niet de vordering tot toepassing van de straffen die alleen door het openbaar ministerie wordt uitgeoefend
(2). Dit alles is te dezen evenwel bij afwezigheid van enige herstelvordering niet van toepassing. 4. Overigens, en meer algemeen, kan de vraag worden gesteld wat kan worden ondernomen indien de strafrechter de burgerlijke belangen niet aanhoudt? Volgens BOSLY is het antwoord op deze vraag 'delicaat'
(3). Sommige auteurs zijn van mening dat de benadeelde van een misdrijf die zich geen burgerlijke partij heeft gesteld voor de strafrechter geen rechtsmiddel kan aanwenden tegen de beslissing waarbij de burgerlijke belangen ten onrechte niet werden aangehouden
(4). Volgens MICHIELS heeft in zo'n geval het openbaar ministerie wel de mogelijkheid hoger beroep in te stellen ook al betreft het een beslissing van de strafrechter op burgerlijk vlak
(5). Daarbij gaat hij er van uit dat de schending van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - regel die van openbare orde is
(6)- het verloop van de burgerlijke vordering zodanig stoort dat de loop ervan belemmerd is zodat het openbaar ministerie hiertegen een rechtsmiddel moet kunnen instellen
(7). Uitgangspunt voor deze stelling is dat de strafrechter op grond van artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering uitspraak doet over de burgerlijke belangen of hij deze nu aanhoudt of niet. Zijn beslissing is dan meer dan een gewone proceduremaatregel en moet derhalve voor toetsing vatbaar zijn. Deze stelling wordt echter betwist door DE CODT. Deze houdt voor dat het aanhouden van de burgerlijke belangen in geen geval een beslissing over de burgerlijke vordering inhoudt
(8). Volgens deze laatste is het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen eenvoudigweg een techniek waardoor de saisine van de strafrechter voortduurt. Het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen is dus geen beslissing die een partij benadeelt, aangezien zij noch in feite noch in rechte betrekking heeft op een voor de rechter opgeworpen betwisting. De strafrechter die nalaat de burgerlijke belangen ambthalve aan te houden neemt - volgens deze auteur - evenmin een beslissing die een slachtoffer van een misdrijf zou benadelen
(9). Om die redenen meent DE CODT, enerzijds, dat een derde in geen geval derdenverzet zou kunnen aantekenen tegen een dergelijke beslissing, en, anderzijds, dat het Openbaar Ministerie geen beroep of cassatieberoep kan instellen tegen een rechterlijke beslissing die ten onrechte de burgerlijke belangen niet ambtshalve aanhoudt
(10). Zelfs indien men er van zou uitgaan dat de bepaling van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering van openbare orde is, dan nog betekent dit volgens deze auteur niet dat het openbaar ministerie automatisch een rechtsmiddel moet kunnen aanwenden. Dit zou enkel het geval zijn indien moet worden verholpen aan een toestand die de openbare orde in gevaar brengt
(11), quod non in casu
(12). 5. Door te beslissen omtrent de toepassing van artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering (- of door niet te beslissen omtrent de toepassing ervan) geeft de rechter enkel aan of hij nog kan geadieerd worden. Bij het nalaten van het aanhouden van de burgerlijke belangen beperkt de rechter dus de wijze van inleiden van de burgerlijke vordering. Niet meer en niet minder. Het al dan niet ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen kan weliswaar worden beschouwd als een controle van de aanwezigheid van burgerlijke belangen in de zaak
(13). Zoals gezegd leidt MICHIELS hieruit af dat deze beoordeling aan rechterlijk toezicht moet kunnen worden onderworpen. De tussenkomst van het openbaar ministerie is gesteund op het karakter van openbare orde van artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering waarbij Michiels er van uitgaat dat het ten onrechte niet toepassen ervan het verloop van de burgerlijke vordering stoort. Uit het cassatiearrest van 5 april 1965 waarnaar hij verwijst blijkt evenwel dat de voorziening van het openbaar ministerie op civielrechtelijk vlak pas ontvankelijk is indien de beslissing "de rechtsbedeling zodanig stoort dat de loop ervan definitief belemmerd is"
(14). Wanneer de strafrechter nalaat de burgerlijke belangen ambtshalve aan te houden is nochtans de loop van de rechtsbedeling niet definitief belemmerd. Het slachtoffer van een misdrijf heeft immers nog de mogelijkheid om zijn vordering in te leiden bij de burgerlijke rechter
(15). Hoewel een rechter in hoger beroep artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering moet toepassen en derhalve alsnog kan beslissen om de burgerlijke belangen aan te houden indien de eerste rechter dit heeft nagelaten, is het niet aan het openbaar ministerie om ambtshalve op te treden tegen het nalaten van de eerste rechter. Zou een rechter in hoger beroep nagelaten hebben de burgerlijke belangen aan te houden dan is het niet aan het openbaar ministerie om cassatieberoep aan te tekenen of aan het Hof om dit middel ambtshalve in te roepen. 6. Tenslotte stelt zich de vraag of inzake stedenbouw de herstelvorderende overheid zich überhaupt burgerlijke partij kan stellen in de zin van artikel 4, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering? Zelfs indien men er zou van uitgaan dat het cassatieberoep op ontvankelijke wijze zou kunnen worden ingeleid door het slachtoffer wanneer de strafrechter ten onrechte de burgerlijke belangen niet heeft aangehouden dan betekent dit in voorliggend geval nog niet dat het cassatieberoep ontvankelijk moet worden verklaard. Evenmin zou een dergelijke wetsschending noodzakelijkerwijze ambtshalve moeten worden ingeroepen. Daarvoor is immers vereist dat de overheid die herstel wil vorderen zich overeenkomstig artikel 4, tweede lid en derde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering burgerlijke partij kan stellen voor de strafrechter. In zoverre de herstelvordering wordt omschreven als een burgerlijke rechtsvordering in de zin van artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering lijkt niets er aan in de weg te staan dat ook artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wordt toegepast op de herstelvordering van de overheid
(16). In vroegere rechtspraak van het Hof werd geoordeeld dat de burgerlijke partijstelling door de gemachtigde ambtenaar ten behoeve van de herstelvordering niet ontvankelijk was, bij gebrek aan schade aan particuliere belangen
(17). Deze rechtspraak moet evenwel genuanceerd worden in het licht van het arrest van 24 februari 2004 waaruit volgt dat de stedenbouwkundige inspecteur moet beschouwd worden als een eiser tot herstel voor wat betreft de herstelvordering in het algemeen belang. Dit arrest lijkt niet uit te sluiten dat de stedenbouwkundige inspecteur als eiser tot herstel zich toch burgerlijke partij stelt
(18). Zij die de stelling verdedigen dat de stedenbouwkundige inspecteur zich ook burgerlijke partij kan stellen, gaan echter uit van de hypothese dat het gaat om een burgerlijke partijstelling die de strafvordering wil in werking stellen
(19). 7. Uit de volgende elementen blijkt m.i. dat de herstelvordering zoals nagestreefd door de overheid in het algemeen belang na het afronden van de strafvordering niet kan worden ingeleid door burgerlijke partijstelling op de wijze bepaald in artikel 4, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel Wetboek Strafvordering. a. De mogelijkheid voor de overheid om haar herstelvordering in te leiden bij burgerlijke partijstelling moet restrictief worden geïnterpreteerd. Niettegenstaande een herstelvordering een vordering tot teruggave is en derhalve burgerrechtelijk van aard, wordt zij ingeleid door de overheid in het algemeen belang. Zij is dus geen vordering tot vergoeding van schade die de overheid zou lijden als gevolg van een aantasting van haar belangen
(20). Bovendien moet de overheid in principe haar herstelvordering voor de strafrechter inleiden op de in artikel 149, § 2 van het Stedenbouwdecreet bepaalde wijze: "De herstelvordering wordt bij het parket ingeleid bij gewone brief, in naam van het Vlaamse Gewest of van het college van burgemeester en schepenen, door de stedenbouwkundige inspecteurs en de aangestelden van het college van burgemeester en schepenen." b. Verder bepaalt artikel 150 Stedenbouwdecreet 1999: "Indien de herstelvordering van de burgerlijke partij enerzijds en die van de stedenbouwkundige inspecteur of college van burgemeester en schepenen anderzijds niet overeenstemmen, bepaalt de rechtbank de gevorderde herstelmaatregel die ze passend acht." Herstelmaatregelen kunnen dus tegelijkertijd worden gevorderd door de stedenbouwkundige inspecteur en een burgerlijke partij. Het is dan trouwens de rechter die oordeelt welke maatregel(en) het meest passend voorkomt
(21). De nevenschikking in dit artikel van de herstelvordering door de overheid, enerzijds, en de burgerlijke partij, anderzijds, toont m.i. aan dat de wetgever er van uitgaat dat deze partijen niet identiek zijn. c. Voorts is er de ratio legis van artikel 4, tweede lid, VTSv. Een benadeelde van een misdrijf heeft normaal gezien de keuze om zijn burgerlijke vordering in te leiden voor de burgerlijke rechtbank dan wel deze in te leiden voor de strafrechter samen met de strafvordering. Door de invoering van het snelrecht (artikel 216 quater Sv. en artikel 216 quinquies (onmiddellijke verschijning)) bestond het risico dat de zaak werd beslist alvorens een burgerlijke partij zich manifesteerde of zijn verdediging kon organiseren
(22). Opdat het slachtoffer ook in dat geval zijn keuzerecht zou behouden werd in 1994 een tweede lid toegevoegd aan artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek Strafvordering dat bepaalt dat de rechter die uitspraak doet over de strafvordering op grond van artikel 216 quater Sv., de burgerlijke belangen kan aanhouden zodat eenieder die door het misdrijf schade heeft geleden nadien via het indienen van een verzoekschrift, kosteloos kan verkrijgen dat de strafrechter uitspraak doet over de burgerlijke belangen (artikel 4, derde lid VTSv.)
(23). Pas later werd in het tweede lid de toepassing uitgebreid naar alle strafzaken
(24). Ook de overheid heeft een keuzerecht. Ofwel leidt zij de herstelvordering in voor de burgerlijke rechtbank (artikel 151 Stedenbouwdecreet) ofwel leidt zij deze in via een brief aan het parket
(25). Zelfs al kan hieruit worden afgeleid dat aan de overheid - net als aan het particuliere slachtoffer van een misdrijf - een eigen en individueel vorderingsrecht verleend wordt waarbij zij voor de burgerlijke rechter optreedt als echte procespartij
(26), dan nog hoeft dit niet te betekenen dat, gelet op het voorgaande, artikel 4, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel van het Strafwetboek zomaar moet gelden voor de overheid in het domein van de herstelvordering inzake stedenbouw. d. Ten slotte is het de strafrechter die overeenkomstig artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de aanhouding van de burgerlijke belangen ambtshalve kan bevelen indien de zaak niet in staat van wijzen is. Aangezien het de overheid is die eenzijdig beslist of zij een herstelvordering inleidt in het algemeen belang
(27)kan bezwaarlijk worden geopperd dat de rechter zou kunnen beoordelen of een zaak op dit punt al dan niet in staat van wijzen is. 8. In die omstandigheden geef ik het Hof ter overweging het cassatieberoep als niet ontvankelijk te verwerpen. __________________
(1)Cass. 3 december 1956, Bull. 1957, 340; Cass. 15 oktober 1973, A.C. 1974, 179; Cass. 9 januari 1974, A.C. 1974, 514; Cass. 24 februari 1975, A.C. 1975, 711. Zie ook Cass. 19 december 1972, A.C. 1973, 411; R. Declercq, De cassatieprocedure in strafzaken, Wouters, Leuven, 1998, 23.
(2)Concl. van het O.M. (randnr. 19) bij Cass., 24 februari 2004, A.R. P.03.1143.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.21, A.C., 2004, nr. 96.
(3)H. - D. Bosly, D. Vandermeersch, M.-A. Beernaert, Droit de la procédure pénale, 2008, La Chartre, 342 onder voetnoot 79.
(4)O. Michiels, "La réserve d'office des intérêts civils par le juge pénal et la mise en état des causes", J.T. 2005, nr. 10; nr. 12 onder e) en nr. 13 in fine; M. Rozie, Drie aspecten van de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging, A.J.T.-dossiers 1995-1996, 69, nr. 4; zie ook J. De Codt, "Le Règlement des intérêts civils par la juridiction pénale après la loi du 13 avril 2005", J.T. 2006, 351.
(5)O. Michiels, "La réserve d'office des intérêts civils par le juge pénal et la mise en état des causes", J.T. 2005, nr. 10. In dezelfde zin: J. Hubin, "Les reformes de procédure pénale contenues dans la loi du 11 juillet 1994", J.J.P. 1995, 16.
(6)Cass. 23 april 1997, A.C. 1997, 198. Zie dienaangaande ook noot J.d.J. onder Cass. 13 februari 2001, A.C. 2001, nr. 87.
(7)Michiels verwijst naar Cass. 5 april 1965, Bull en Pasic., 1965, I, 831 en noot P.M. onder Cass. 29 mei 1973, A.C. 1973, 946.
(8)J. De Codt, "Le Règlement des intérêts civils par la juridiction pénale après la loi du 13 avril 2005", J.T. 2006, 351.
(9)De Codt verwijst op dit punt naar de toepassingsvoorwaarden voor het inleiden van een derdenverzet zoals deze worden opgesomd in Cass. 25 april 2001, A. C. 2001, nr. 232.
(10)J. De Codt, "Le Règlement des intérêts civils par la juridiction pénale après la loi du 13 avril 2005", J.T. 2006, 351.
(11)R.P.D.B., v° "Appel en matière répressive", compl., t. VIII, Bruylant, octobre 1995, 34, n° 118; Cass. 12 februari 1975, A.C. 1975, 656.
(12)De Codt wijst er op dat indien men het niet ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen toch wil beschouwen als een beslissing, het niet nodig is om in een speciaal rechtsmiddel te voorzien voor het openbaar ministerie zoals Michiels dit voorstelt. Volgens De Codt kan het Openbaar Ministerie een niet-beperkt hoger beroep instellen waardoor de vraag over de toepassing van artikel 4, tweede en derde lid automatisch aanhangig wordt gemaakt bij de appelrechter.
(13)O. Michiels, "La réserve d'office des intérêts civils par le juge pénal et la mise en état des causes", J.T. 2005, nr. 10 en J. Hubin, "Les reformes de procédure pénale contenues dans la loi du 11 juillet 1994", J.J.P. 1995, 16.
(14)Zie ook P.M. onder Cass. 29 mei 1973, A.C. 1973, 946.
(15)J. De Codt, "Le Règlement des intérêts civils par la juridiction pénale après la loi du 13 avril 2005", J.T. 2006, 351.
(16)G. Debersaques, De sanctionering van stedenbouwmisdrijven. Handhavingsmaatregelen, 2001, die Keure, 179, nrs. 292-293; Cass., 22 mei 2007, P.06.1692.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070522.1, A.C., 2007, nr. 265.
(17)Zie o.a. Cass. 27 februari 1996, P.95.0952.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960227.3, A.C. 1996, nr. 86; Cass. 29 oktober 1996, P.96.0336.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961029.4, A.C. 1996, nr. 406; Zie hieromtrent conclusie O.M. onder Cass. 24 februari 2004, P.03.1143.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.21, A.C. 2004, nr. 96. Zie ook B. Bouckaert en T. De Waele, Ruimtelijke ordening en stedenbouw in het Vlaams Gewest, Mys en Breesch, 2000, 202, nr. 229.
(18)K. Wauters, Herstelvordering en herstelmaatregelen; Ruimtelijk ordenen onder dwang, Cahiers Antwerpen, Brussel Gent, Larcier, 2007/1, 33, nr.
- Zie eerder ook E. Goethals, "Juridische aspecten van de verhouding tussen het parket en het toezichthoudend bestuur" in J. Van den Berghe en D. Bogaert (ed.), Vervolging en handhaving inzake milieudelicten, Gent, Story-Scientia, 1994,
- In een noot onder het vermelde arrest van 24 februari 2004 stelt G. Debersaques dat de rechter in ieder geval, zelfs in geval van niet-ontvankelijke burgerlijke partijstelling, acht moet slaan op de vordering en de argumenten die terzake ter terechtzitting naar voren zijn gebracht: "De stedenbouwkundige inspecteur als tussenkomende partij is dood...Leve de stedenbouwkundige inspecteur als "eiser tot herstel"? Of andermaal de vraag naar de plaats van het bestuur in het strafproces", T.R.O.S. 2004, afl. 35-36,
(224), 228, nr. 9.
(19)Zie in dit verband conclusie bij arrest van 24 februari 2004 (A.C. 2004, 309, nr. 20).
(20)Zie noot bij Cass. 13 mei 2003, P.02.1621.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030513.18, A.C. 2003, nr. 291. Zie ook K. Wauters, Herstelvordering en herstelmaatregelen; Ruimtelijk ordenen onder dwang, Cahiers Antwerpen, Brussel Gent, Larcier, 2007/1, 7, nr.14.
(21)zie hierover ook Cass. 17 februari 2009, P.08.1585.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090217.5, www.cass.be.
(22)Chr. Van den Wyngaert, Strafrecht, strafprocesrecht en internationaal strafrecht, Maklu, 2003, 718; H. -D. Bosly, D. Vandermeersch, M.-A. Beernaert, Droit de la procédure pénale, 2008, La Chartre, 341; J. Hubin, "Les reformes de procédure pénale contenues dans la loi du 11 juillet 1994", J.J.P. 1995, 15; Ph. Traest, "De wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging: een algemene benadering", Panopticon 1995,
(25), 35; Ph. Traest, "De wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging: een benadering van sommige aspecten", T.Vred. 1995,
(24), 30; M. Rozie, Drie aspecten van de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging, A.J.T.-dossiers 1995-1996, 69, nr. 1.
(23)J. Hubin, "Les reformes de procédure pénale contenues dans la loi du 11 juillet 1994", J.J.P. 1995, 15; M. Rozie, "Drie aspecten van de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging", A.J.T.-dossiers 1995-1996, 70, nr. 6; Ph. Traest, "De wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging: een benadering van sommige aspecten", T.Vred. 1995,
(24), 30; noot J.d.J. onder Cass. 13 februari 2001, A.C. 2001, nr. 87.
(24)E. Breways, "De wet van 13 april 2005 tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het strafrecht en de strafvordering teneinde de gerechtelijke achterstand weg te weken: een wet met verstrekkende gevolgen", T. Strafr. 2006/1, 4; J. De Codt, "Le Règlement des intérêts civils par la juridiction pénale après la loi du 13 avril 2005", J.T. 2006, 349; O. Michiels, La réserve d'office des intérêts civils par le juge pénal et la mise en état des causes, J.T. 2005, nr. 9.
(25)K. Wauters, Herstelvordering en herstelmaatregelen; Ruimtelijk ordenen onder dwang, Cahiers Antwerpen, Brussel Gent, Larcier, 2007/1, 46, nr. 85.
(26)G. Debersaques, De sanctionering van stedenbouwmisdrijven. Handhavingsmaatregelen, 2001, die Keure, 181, nr. 300.
(27)K. Wauters, Herstelvordering en herstelmaatregelen; Ruimtelijk ordenen onder dwang, Cahiers Antwerpen, Brussel Gent, Larcier, 2007/1, 7, nr.14. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090908.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960227.3 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961029.4 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030513.18 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.21 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070522.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090217.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div