← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090910.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090910.3 Rolnummer: C.09.0102.N-C.09.0108.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-09-30 Raadplegingen: 527 - laatst gezien 2026-07-03 00:18 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090910.3 Fiches 1 - 4 De wetgever heeft het beroep van gerechtsdeurwaarder betrokken bij de openbare dienst van de rechtsbedeling en de organen die het korps besturen, zoals de Nationale Kamer, zijn in die hoedanigheid verbonden met de rechterlijke orde en kunnen niet louter op grond van hun aard en wijze van oprichting beschouwd worden als administratieve overheden in de zin van het artikel 14, Wet Raad van State; de omstandigheid dat de gerechtsdeurwaarders overwegend en dus niet uitsluitend betrokken zijn bij de dienst van de rechtsbedeling, belet niet dat de Nationale Kamer specifieke opdrachten zou krijgen van overheidswege die volledig los staan van haar gewone opdrachten en dat zij in die mate kan beschouwd worden als een administratieve overheid in de uitoefening van die specifieke opdrachten; de Nationale Kamer kan aldus beschouwd worden als een administratieve overheid in de voormelde zin wanneer zij bepaalde gezagsfuncties opneemt die haar door een regering zijn toevertrouwd en in zoverre die taken geen verband houden met de opdrachten die de wetgever haar heeft toevertrouwd om de goede werking van het gerecht te verzekeren; dit geldt in het bijzonder wanneer de Nationale Kamer bepaalde gezagstaken op zich neemt die tot de bevoegdheid van een regering behoren en haar door een regering zijn gedelegeerd en zij haar plaats die taken daadwerkelijk uitoefent, zoals de opdracht aan een of meer leden van de kamers heffingen in te vorderen

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Afdeling bestuursrechtspraak - Bevoegdheid - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Administratieve overheid - Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 549 e.v. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Gerechtsdeurwaarders - Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard - Administratieve overheid - Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 549 e.v. Thesaurus CAS: GERECHTSDEURWAARDER UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard - Administratieve overheid - Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 549 e.v. Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard - Administratieve overheid - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 549 e.v. Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Afdeling bestuursrechtspraak - Bevoegdheid - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Administratieve overheid - Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Gerechtsdeurwaarders - Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard - Administratieve overheid - Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Bevoegdheid Thesaurus CAS: GERECHTSDEURWAARDER UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard - Administratieve overheid - Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Bevoegdheid Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard - Administratieve overheid - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Bevoegdheid Tekst van de conclusie C.09.0102.N - C.09.0108N Conclusie van de heer advocaat-generaal G. Dubrulle
  1. Feiten, procedure en bestreden arrest. Uit de niet betwiste vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, bij beslissing van de Vlaamse regering van 18 juli 2008 gemachtigd werd tot het sluiten van een samenwerkingsprotocol met de eiseres, de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België, met het oog op de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, waarin het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlabel opdrachten inzake invorderingen toevertrouwt aan de eiseres. Daarbij werd aan alle gerechtsdeurwaarders gevraagd om zich kandidaat te stellen als instrumenterende of als centraliserende gerechtsdeurwaarder. De eiser, gerechtsdeurwaarder Brackeva, uit Antwerpen en de in gemeen- en bindendverklaring van het tussen te komen arrest opgeroepen partijen, de kantoren van de gerechtsdeurwaarders De Wilde en Baele, uit Gent, werden, bij beslissing van de eiseres van 18 december 2008, weerhouden als de kandidaten met de beste offerte en daarna als de twee centraliserende deurwaarders aangeduid. Van deze beslissing werd aan de niet weerhouden kantoren, waaronder de verweerders, kennis gegeven bij schrijven van 23 december
  2. De verweerders verzochten daarop bij twee onderscheiden verzoekschriften tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid de Raad van State deze beslissing, houdende de toewijzing van de opdracht van centraliserende gerechtsdeurwaarder in het kader van de fiscale en niet fiscale schuldvorderingen van Vlabel aan de kantoren Brackeva (Antwerpen) en De Wilde en Baele (Gent), te schorsen. Deze kantoren kwamen vrijwillig tussen. De eisers betwistten de bevoegdheid van de Raad van State om van deze vordering kennis te nemen. Bij arrest nr. 189.847, gewezen op 27 januari 2009 door de Voorzitter van de XIIe kamer van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, werden, na samenvoeging van de zaken, deze excepties verworpen en werd de gevorderde schorsing bevolen.
  3. Voeging Beide cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest, zodat ze dienen te worden gevoegd. Cassatieberoep inzake A.R. C.09.0108.N
  4. Het is verantwoord dit cassatieberoep eerst te beoordelen, hoewel het na het cassatieberoep inzake A.R. C.09.0102.N werd ingesteld. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België vertegenwoordigt, krachtens het artikel 549 van het Gerechtelijk Wetboek, immers alle gerechtsdeurwaarders, zodat het cassatieberoep van de individuele gerechtsdeurwaarder mogelijks geen belang meer vertoont.
  5. Vormen en termijn van het cassatieberoep. De cassatieberoepen werden in de bij de artikelen 33 tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (K.B. 12 januari 1973), 1073 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek en 1 R.B. van 23 augustus 1948 bepaalde vormen en termijn ingesteld.
  6. Cassatieberoep tegen een arrest gewezen op een vordering tot schorsing. Krachtens het eerste lid van het voormeld artikel 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen bij het Hof van Cassatie aanhangig worden gemaakt, de arresten en de beschikkingen bedoeld in artikel 20, § 3, waarbij de afdeling bestuursrechtspraak beslist van de eis geen kennis te kunnen nemen op grond dat die kennisneming binnen de bevoegdheid der rechterlijke overheden valt, alsmede de arresten en de beschikkingen bedoeld in artikel 20, § 3, waarbij de afdeling afwijzend beschikt op een declinatoire exceptie gesteund op de grond dat de eis tot de bevoegdheid van die overheden behoort. Krachtens het artikel 609, 2° van het Gerechtelijk Wetboek doet het Hof van Cassatie uitspraak over de voorziening in cassatie tegen zodanige arresten van de afdeling "administratie"
(1)van de Raad van State. Het Hof heeft reeds, zij het impliciet, bij arresten van 15 oktober 1993
(2)en 28 oktober 2005
(3), een cassatieberoep tegen een schorsingsarrest (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) ontvangen
(4). Het cassatieberoep is derhalve ontvankelijk. 6. Het conflict van attributie. Het bestreden arrest beoordeelt de "Exceptie betreffende de rechtsmacht van de Raad van State" als volgt: "
(18)(De eiseres) en tussenkomende partijen werpen in een exceptie in essentie op dat de Raad van State onbevoegd is met betrekking tot de beroepsorde die (de eiseres) is: zij is een "sluitstuk" of "verlengde" van de rechterlijke macht, en geen "administratieve overheid" in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Te dezen hebben verzoekende partijen geanticipeerd op de exceptie en een betoog ontwikkeld in hun inleidende verzoekschriften waarin zij pogen aan te tonen waarom te dezen (de eiseres) als de in het voormelde artikel 14 bedoelde administratieve overheid moet worden aangemerkt. De partijen argumenteren aldus over tientallen bladzijden - van de meer dan 265 bladzijden die hun gezamenlijke geschriften bedragen - over de vraag van de rechtsmacht van de Raad van State.
(19)De Raad van State kan in een kort geding en a fortiori in een kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts een beperkt onderzoek wijden aan excepties die zijn rechtsmacht betreffen. Voor een verzoekende partij moet het nadeel dat zich kan voordoen bij het afwijzen van rechtsmacht doorgaans zwaarder worden ingeschat dan het nadeel dat een verwerende partij lijdt bij een eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van haar beslissing, waaraan dan toch een sterke schijn van onrechtmatigheid kleeft. Onder meer om die reden past het dan ook dat in een kort geding de Raad van State deze excepties eerder zou verwerpen dan aannemen tenzij indien zijn beperkt onderzoek uitwijst dat een dergelijke exceptie een hoge graad van ernst vertoont. Te dezen is het voorwerp van het geding een opdracht om invorderingen te verrichten, betreffende schuldvorderingen waarvan het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap titularis zijn. Deze zijn onmiskenbaar publiekrechtelijke rechtspersonen. De opdracht om in te vorderen komt uiteindelijk hun ten goede. In artikel 3 van het voormelde protocol komt de bevoegde minister, handelend voor de twee voormelde rechtspersonen, met (de eiseres) overeen dat Vlabel "alle opdrachten toevertrouwt aan de Nationale Kamer", die op haar beurt deze opdrachten nader verdeelt. In artikel 1 wordt Vlabel aangemerkt als opdrachtgever voor de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen t.b.v. de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest" en in artikel 2 wordt van Vlabel gewag gemaakt als "optredende instantie voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest". Vlabel, als intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid, treedt in de constructie dus op als orgaan van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest en is uit zichzelf publiekrechtelijk van aard. De oorspronkelijke taak - de invordering - wordt dus een gedelegeerde opdracht die aan (de eiseres) wordt toegewezen, omdat de voormelde publiekrechtelijke rechtspersonen niet zelf, en evenmin door middel van hun verzelfstandigd agentschap, invorderingen willen verrichten. Dergelijke juridische constructie lijkt met zich mee te brengen dat de instantie die met de opdracht - van algemeen belang - wordt belast, wel degelijk in bepaalde gevallen kan worden beschouwd als een administratieve overheid bij het uitoefenen van die gedelegeerde opdracht, ongeacht zelfs haar eigen rechtsvorm: een nv (arrest nr.43.109 van 1 juni 1993, inzake nv Egta Contractors); een vzw (arrest nr. 79.954 van 27 april 1999, inzake bvba Artabel e.a.). Met des te meer reden lijkt (de eiseres), wettelijk ingesteld op grond van artikel 549 e. v. van het Gerechtelijk Wetboek, indien zij bij delegatie een opdracht uitvoert in de plaats van administratieve overheden zoals te dezen, als een administratieve overheid te mogen worden beschouwd in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit lijkt zelfs het geval, ook indien zij niet als dusdanig zou mogen worden aangemerkt wanneer zij andere taken verricht dan deze van die welbepaalde opdracht. Ongeacht de vraag - overigens te berde gebracht in het tweede middel van de inleidende verzoekschriften - of (de eiseres) gelet op haar doelgebondenheid, wel bevoegd mag worden geacht om de in het geding zijnde opdracht te aanvaarden en uit te oefenen - lijkt zij te dezen de bedoeling te hebben gehad, door zich in te schakelen in de bestuurlijke werking van de Vlaamse administratie, om op te treden als een administratieve overheid en lijkt zij zich in elk geval als dusdanig te hebben voorgedaan. De Raad van State nam in die zin al aan dat een arrondissementskamer van notarissen als administratieve overheid was opgetreden (arrest nr. 78.921 van 23 februari 1999 inzake Meissters-Braham). Er lijkt dan ook in de huidige stand van het geding te moeten worden aangenomen dat (de eiseres) bij het nemen van de bestreden beslissing is opgetreden als de in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde administratieve overheid, zodat haar beslissingen als de thans bestredene, in voorkomend geval door de Raad State kunnen worden nietigverklaard en in haar tenuitvoerlegging geschorst. De exceptie wordt niet aanvaard want zij vertoont niet de vereiste hoge graad van ernst." 7. Het eerste onderdeel van het (enig) cassatiemiddel bekritiseert de hierboven in randnummer 19, eerste paragraaf, weergegeven reden van het arrest, volgens welke de Raad in dezen slechts een "beperkt onderzoek" mocht doen van de exceptie, op grond dat ze "niet de vereiste hoge graad van ernst vertoont". De verweerders werpen terecht op dat dit onderdeel niet ontvankelijk is, daar het gericht is tegen een overtollige reden, nu de Raad de exceptie wel degelijk heeft beoordeeld en de (overigens in de volgende onderdelen aangevochten) redenen van haar verwerping opgeeft. 8. Het tweede onderdeel voert aan dat het bestreden arrest niet wettig ertoe kon besluiten dat de eiseres te dezen optrad als een administratieve overheid, als bedoeld in artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit artikel bepaalt: "De afdeling bestuursrechtspraak doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen: 1° van de onderscheiden administratieve overheden. 2° (...) evenals van organen van de rechterlijke macht (...) met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel." De eiseres erkent de gevestigde rechtspraak het Hof (in de arresten van 14 februari 1997, 10 september 1999 en 10 juni 2005)
(5)over het begrip administratieve overheden in de zin van deze bepaling: instellingen opgericht of erkend door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, die belast zijn met een openbare dienst en niet behoren tot de rechterlijke of wetgevende macht, zijn in beginsel administratieve overheden, in zoverre hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden. Het arrest van 6 september 2002
(6)preciseert, wat betreft de instellingen die zijn opgericht door privé-personen, wat bedoeld is met "beslissingen te kunnen nemen die derden binden": meer bepaald door de eigen verplichtingen tegenover anderen eenzijdig te bepalen of door verplichtingen van die anderen eenzijdig vast te stellen. Het Hof overweegt ook dat handelingen door deze instellingen gesteld het voorwerp kunnen zijn van een nietigverklaring wanneer die instellingen een deel van het openbaar gezag uitoefenen. Het (door de eiseres ook aangehaalde) arrest van 28 oktober 2005
(7)beslist dat een vereniging van privaatrechtelijke aard (i.c. een V.Z.W.) die, ook al is zij opgericht of erkend door een administratieve overheid en ook al is zij onderworpen aan de controle van de overheid, geen beslissing kan nemen die derden kan binden, niet de aard heeft van een administratieve overheid; dat hiervoor niet ter zake doet dat haar een taak van algemeen belang is toevertrouwd. De eiseres stelt echter dat de instellingen van de rechterlijke macht en, in het verlengde daarvan, de beroepsorden van de ministeriële ambtenaren, inzonderheid van de gerechtsdeurwaarders, en van de balie, die nauw betrokken zijn bij de werking van het gerecht, daarentegen aan de rechtsmacht van de Raad ontrokken werden, behoudens de bij voormeld artikel 14, § 1, 2° bepaalde uitzondering, die van restrictieve interpretatie is, en dit ongeacht de aard van de handelingen die ze stellen of de hoedanigheid waarin zij zouden optreden. Het was destijds immers duidelijk het inzicht van de wetgever om alles wat betreft het ambt van gerechtsdeurwaarder (lidmaatschap van de Nationale Kamer met rechtspersoonlijkheid, bevoegdheden, taken als ministerieel ambtenaar en beoefenaar van een vrij beroep, tucht), waarvan de regeling, net zoals deze van de balie, werd opgenomen in deel II, getiteld "Rechterlijke organisatie", van het Gerechtelijk Wetboek, binnen de sfeer van de rechterlijke macht te houden. Behoudens schending van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet en van de artikelen 7, 14 en 17, 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voert het onderdeel hiervoor ook de schending aan van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, die onder meer het statuut van de gerechtsdeurwaarders regelen. 9. Dit onderdeel lijkt me, in zoverre, niet te kunnen worden aangenomen. Uitgangspunt is vanzelfsprekend de grondwettelijke regeling: krachtens het artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken; krachtens het artikel 145 behoren geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. De Raad van State heeft een toegewezen bevoegdheid. Zijn onbevoegdheid om handelingen van de wetgevende of van de rechterlijke macht te vernietigen geldt als regel
(8). Wanneer de wetgever bovendien uitdrukkelijk zijn wil te kennen heeft gegeven bepaalde materies binnen de sfeer van de rechterlijke macht te houden, kan dan nog getwijfeld worden aan deze regel? Dat hij zulks inzonderheid deed wat betreft de balie en de gerechtsdeurwaarders betekent dat hij de rechtsmacht van de justitiële rechter, die de "uitsluitende" bevoegdheid heeft, nog wou versterken. Maar dit is enkel zo in de mate - en dat is weliswaar hun overheersende aard - dat ze werkelijk participeren aan de rechterlijke macht. Dit betekent dus niet dat die "instellingen", zoals het onderdeel stelt, "ongeacht de aard van hun handelingen of de hoedanigheid waarin ze optreden" tot die sfeer behoren. De eiseres gaat er dus weliswaar terecht vanuit dat de instellingen van de rechterlijke macht, inzonderheid de gerechtsdeurwaarders, in de regel aan de rechtsmacht van de Raad onttrokken werden. Zoals voor de "Balie" (Tweede deel, Rechterlijke organisatie, Boek III) heeft het Gerechtelijk Wetboek een bijzonder Boek IV (van dat deel) gewijd aan de "Gerechtsdeurwaarders", houdende statuut, taak, onverenigbaarheden, tarief, plaatsvervanging en tucht. Het hoofdstuk VIII betreft meer bepaald de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders (de eiseres). Het artikel 549 van dit wetboek bepaalt dat alle gerechtsdeurwaarders van het land de nationale kamer (de eiseres) vormen, die rechtspersoonlijkheid geniet en beheerd wordt door een vaste raad, die, krachtens het artikel 551, haar bevoegdheden kan uitoefenen en haar vertegenwoordigt bij de openbare besturen. De vraag of de eiseres in dezen handelt als een administratieve overheid in de zin van het voormelde artikel 14 lijkt me nochtans bevestigend te moeten beantwoord worden. Dit antwoord dient evenwel niet afgeleid te worden uit de aanwezigheid van de door het Hof, in de voormelde arresten van 14 februari 1997, 10 september 1999 en 6 september 2002, 10 juni 2005 en 28 oktober 2005
(9)gestelde vereiste dat de eiseres beslissingen kan nemen die derden binden (wel voorwerp van het derde onderdeel). De eiseres lijkt me dit immers, in het algemeen, niet te kunnen doen, nu de wet haar deze bevoegdheid niet verleent. Haar taken worden limitatief in artikel 550 (1° t.e.m. 5°) van het Gerechtelijk Wetboek opgesomd. Zijn kan enkel alle gerechtsdeurwaarders, bij de uitoefening van die taken, binden. Overigens stelt die rechtspraak die vereiste telkens in hoofde van een rechtspersoon van privaatrecht (een N.V. in arresten van 14 februari 1997 en 10 september 1999, een V.Z.W. (vrij onderwijs) in het arrest van 6 september 2002, een C.V.B.A. in het arrest van 10 juni 2005 en een V.Z.W. in het arrest van 28 oktober 2005). De eiseres is dit allerminst: ze is, hoewel niet behorend tot de "organen" van de rechterlijke macht (volgens de indeling van Boek I, van het Eerste deel van het Gerechtelijk Wetboek), nochtans een essentieel bestanddeel van de "Rechterlijke organisatie" en, krachtens het voormelde artikel 549 van het Gerechtelijk Wetboek, een rechtspersoon van publiekrecht. De vraag is hier dus niet of een rechtshandeling van een privaat rechtspersoon aan het toezicht van de gewone rechtbanken onttrokken wordt om ze, uitzonderlijk, aan de bijzondere bescherming door de administratieve rechter te onderwerpen. De vraag is thans wel of een handeling van een rechtspersoon die deel uitmaakt van de "Rechterlijke organisatie" (Tweede deel van het Gerechtelijk Wetboek) en als zodanig, ingevolge de wil van de wetgever, in de regel binnen dit kader moet worden beoordeeld, aan dit kader nochtans om een bijzondere reden kan onttrokken worden, bv. om reden dat ze in werkelijkheid een bestuurshandeling is, die in dat kader niet past, d.i. een handeling van een administratieve overheid (die wel beslissingen kan nemen die derden binden). De eiseres kan wel - in het kader van de specifieke opdracht in geding: het aanwijzen van centraliserende deurwaarders en het weren van de andere kandidaten - als een administratieve overheid worden beschouwd omdat ze zich, voor het vervullen van deze taak, in opdracht van respectievelijk de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Minister van Financiën, in de plaats stelt van Vlabel, volgens het arrest een uit zichzelf publiekrechtelijk orgaan en dus ongetwijfeld een administratieve overheid. Ze doet dit bovendien tot uitoefening van een uitgesproken overheidstaak: de invordering van bepaalde fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en in de uitvoering van een overheidsopdracht, de toewijzing van deze taak aan bepaalde kandidaten en de (impliciete) weigering van anderen, waarvan de nietigverklaring wegens onwettigheid gevorderd wordt. Hiermee oefent ze een ware gezagsfunctie (het vereiste "imperium"
(10)) uit, dit is de functie van een administratieve overheid, die met de haar door de wetgever uitdrukkelijk opgedragen taken, belangrijke onderdelen van een goede rechtsbedeling, geen uitstaans heeft. Dat de wetgever in 1999 de bevoegdheid van de afdeling "administratie" van de Raad van State heeft uitgebreid, o.m., wat de administratieve handelingen van organen van de rechterlijke macht betreft, m.b.t. overheidsopdrachten en leden van hun personeel, lijkt me deze opvatting enkel te bevestigen. Dat de betwiste handeling zelf geen derden zou kunnen binden doet hieraan geen afbreuk. 10. Het onderdeel kan evenmin slagen in zoverre een schending van de artikelen 610 en 1088 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevoerd. Artikel 610, eerste lid, bepaalt: "Onverminderd artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, neemt het Hof van Cassatie kennis van vorderingen tot nietigverklaring van de handelingen waardoor rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie, alsook tuchtrechtelijke overheden van openbare en ministeriële ambtenaren en van de balie, hun bevoegdheid mochten hebben overschreden." Artikel 1088 bepaalt: "De handelingen waarbij de rechters en de ambtenaren van het openbaar ministerie, alsmede de tuchtoverheid van de openbare en ministeriële ambtenaren of van de balie hun bevoegdheid mochten hebben overschreden, worden, onverminderd de bepalingen van artikel 502, door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aangebracht bij dit hof, op voorschrift van de minister van Justitie, zelfs wanneer de wettelijke termijn voor de voorziening in cassatie verstreken is en geen enkele partij in voorziening is gekomen. Het hof vernietigt de handelingen, indien daartoe grond bestaat." Het is meteen duidelijk dat deze bepalingen o.m. de handelingen van tuchtoverheden betreffen. Sedert de wet van 6 april 1992
(11), waarbij het artikel 550, 1° Ger. W. gewijzigd werd, heeft de eiseres o.m. tot taak "te waken voor de eenvormigheid van de tucht 'en van de regels van de deontologie' onder haar leden en voor de uitvoering van de hen betreffende wetten en verordeningen". De eiseres heeft hierin dus wel een verordenende bevoegdheid. Zij heeft te dezen evenwel niet gehandeld als tuchtoverheid, noch ter uitvoering van een wet of verordening die de gerechtsdeurwaarders betreft. De wetgever komt voor een aantal aspecten van dit overigens vrij beroep ten andere niet tussenbeide. Had de eiseres in dit kader gehandeld dan lijdt het geen twijfel dat het Hof op grond van die bepalingen bevoegd was om, in de erin bepaalde voorwaarden - zoals het bestreden arrest "prima facie" doet - te oordelen of de eiseres te dezen haar macht niet overschreed
(12). Maar dit is (ogenschijnlijk) niet het geval: een protocol is geen wet. De Raad is dus "onverminderd" bevoegd.
  1. Het bestreden arrest oordeelt dus naar recht dat de eiseres als een administratieve overheid lijkt te mogen worden beschouwd indien zij bij delegatie een opdracht in de plaats van een zodanige overheid uitvoert en dat de Raad van State aldus van een vordering tot schorsing van haar beslissing kennis kan nemen.
  2. Het derde onderdeel gaat ervan uit dat de eiseres geen beslissingen kan nemen die derden verbinden, meer bepaald door de eigen verplichtingen tegenover anderen eenzijdig te bepalen of door verplichtingen van die anderen eenzijdig vast te stellen. Volgens het onderdeel trad de eiseres op als tussenschakel maar niet als een overheid, wat haar niet meteen het vereiste imperium verleent. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Uit de als dusdanig niet bekritiseerde redenen van het arrest blijkt dat de eiseres, op grond van de gehanteerde constructie, belast werd met een opdracht van algemeen belang en zelf die opdracht uitvoerde in de plaats van de administratieve overheid en zich inschakelde in de bestuurlijke werking van de Vlaamse administratie. Cassatieberoep inzake A.R. C.09.0102.N
  3. Het cassatiemiddel gaat ook uit van het standpunt dat de wetgever het duidelijk inzicht heeft gehad om alles wat het ambt van gerechtsdeurwaarder aangaat binnen de sfeer van de rechterlijke macht te houden, zodat de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders geen administratieve overheid is, ongeacht de aard van aan gegeven opdracht. Hierboven
(13)werd, met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel in de zaak A.R. C.09.0108.N, uitgegaan van de opvatting dat de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inderdaad overwegend ressorteert onder de rechterlijke organisatie, wat niet belet dat de eiseres zich in dezen de taak van een administratieve overheid heeft toegeëigend. Deze grief kan dus niet slagen. Het middel stelt verder dat de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders "met betrekking tot de opdracht om de centraliserend gerechtsdeurwaarder aan te duiden (...) geen voor derden bindende beslissing
(14)neemt, waarbij de omstandigheid dat die taak bij wijze van delegatie wordt verleend door rechtspersonen, die uit zichzelf publiekrechtelijk van aard zijn daar geen imperiumgehalte aan toekent en niets verandert". Hierboven
(15)werd ook benadrukt dat de vraag of de Kamer hierbij een beslissing nam die derden kan binden, krachtens de rechtspraak van het Hof, slechts relevant is indien ze een rechtspersoon van privaatrecht is, quod non. De grief is dan ook zonder belang. Het middel kan derhalve niet worden aangenomen. 14. De vorderingen tot bindendverklaring. Bij verwerping van beide cassatieberoepen hebben deze vorderingen geen belang meer. 15. Conclusie: verwerping. ________________
(1)Krachtens het artikel 227, eerste lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (B.S. 6 oktober 2006) worden, op de door de Koning bepaalde datum in de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de woorden "afdeling administratie" vervangen door de woorden "afdeling bestuursrechtspraak". Artikel 99 van het K.B. 25 april 2007 (B.S. 30 april 2007) gaf hieraan uitwerking. Door het tweede lid wordt de Koning gemachtigd de in het eerste lid bepaalde naamswijziging door te voeren in alle bestaande wetten waar wordt verwezen naar de afdeling "administratie". Dit blijkt nog niet gebeurd te zijn in artikel 609, 2° Ger. W.
(2)Cass., Ver. K., 15 okt. 1993, A.R. C.93.0045.N ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931015.10, A.C., 1993, nr. 411, met conclusie 1e A.-G. D'HOORE.
(3)Cass., Ver. K., 28 okt. 2005, A.R. C.04.0575.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051028.1, Pas., 2005, nr. 550, met conclusie O.M.
(4)Zie de in vorige voetnoot bedoelde conclusie O.M.
(5)Cass., Ver. K., 14 feb. 1997, A.R. C.96.0211.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970214.7, A.C., 1997, nr. 88, met conclusie O.M., 10 sept. 1999, A.R. C.98.0141.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990910.5, A.C., 1999, nr. 452 en 10 juni 2005, A.R. C.04.0278.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.15, A.C., 2005, nr. 333, met conclusie A.G. Bresseleers.
(6)Ver. K., A.R. C.01.0382.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020906.4, A.C., 2002, nr. 422, met conclusie A.G. Bresseleers.
(7)Ver. K., A.R. C.04.0575.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051028.1, Pas., 2005, nr.550, met conclusie O.M.
(8)De bevoegdheid van de afdeling "administratie" werd evenwel uitgebreid bij artikel 2 van de wet van 25 mei 1999 (B.S. 22 juni 1999), o.m., wat de administratieve handelingen van organen van de rechterlijke macht betreft, m.b.t. overheidsopdrachten en leden van hun personeel.
(9)Zie de voetnoten 5, 6 en 7.
(10)Zie de concl. O.M. voor Cass., 14 feb. 1997, l.c., p. 225.
(11)Art. 18, 1° (B.S. 13 mei 1992).
(12)Zie P. Lemmens, De Gerechtsdeurwaarder, E. Story-Scientia, 1996, 64 en voetnoot 12.
(13)Randnummer 8.
(14)Eigen cursivering.
(15)Randnummer 9. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090910.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931015.10 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970214.7 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990910.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020906.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.15 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051028.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.