id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091015.5 Rolnummer: F.08.0070.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Financieel recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-11-04 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-07-03 02:34 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091015.5 Fiche 1 Met de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen die aan het fiscaal bankgeheim onderworpen zijn, worden de financiële instellingen in het algemeen bedoeld en niet alleen de instellingen waarvan de werkzaamheden bestaan in het in ontvangst nemen van gelddeposito's of het verlenen van krediet voor eigen rekening; financiële instellingen omvatten ook de ondernemingen die een werkzaamheid van financiële leasing uitoefenen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Bankrecht - Bankgeheim HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BIJZONDERE HANDELSOVEREENKOMSTEN - Financieringshuur - leasing Vrije woorden: Onderzoek en controle - Verplichtingen van de belastingplichtige - Fiscaal bankgeheim - Onderworpen instellingen Fiche 2 Het bankgeheim geldt niet ten aanzien van de verkoop door een leasingmaatschappij van een voertuig dat voordien het voorwerp heeft uitgemaakt van een leasingsovereenkomst, aan een andere persoon dan de leasingnemer, ook niet ingeval de aankoopoptie door de leasingnemer, met instemming van de leasinggever aan deze persoon werd overgedragen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Bankrecht - Bankgeheim HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BIJZONDERE HANDELSOVEREENKOMSTEN - Financieringshuur - leasing Vrije woorden: Onderzoek en controle - Verplichtingen van de belastingplichtige - Fiscaal bankgeheim - Leasingsmaatschappijen - Bankgeheim Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 318, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Bankrecht - Bankgeheim HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BIJZONDERE HANDELSOVEREENKOMSTEN - Financieringshuur - leasing Vrije woorden: Onderzoek en controle - Verplichtingen van de belastingplichtige - Fiscaal bankgeheim - Onderworpen instellingen Onderzoek en controle - Verplichtingen van de belastingplichtige - Fiscaal bankgeheim - Leasingsmaatschappijen - Bankgeheim Annotaties Publicaties: T.F.R. - MALHERBE Philippe; BEYNSBERGER Marjolein, DAENEN Philip - 2010/377 - p. 223-247 Tekst van de conclusie PARKET van het HOF VAN CASSATIE ______ F.08.0070.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. De feiten. De BVBA Houthandel Van Den Heurck heeft een BMW geleasd. Aan het einde van het contract heeft zij de aankoopoptie niet gelicht. Het voertuig werd aangekocht door de bestuurder van de BVBA aan de prijs van de aankoopoptie. De appelrechters gaan ervan uit dat de aankoopoptie door de leasingnemer, met akkoord van de leasinggever werd overgedragen aan de zaakvoerder en dat deze daardoor klant werd van de leasingmaatschappij en derhalve geniet van het fiscale bankgeheim. Zij oordelen dat de inlichtingen waarop de aanslag gebaseerd is, met schending van het bankgeheim verkregen werden en dat de aanslag moet ontheven worden. II. Situering van de problematiek. De overdracht van de aankoopoptie aan een bestuurder van de leasingnemer is een vaakvoorkomend fenomeen. De administratie heeft in het verleden systematisch geprobeerd om de bestuurder die aldus voor een prikje de voormalige leasingwagen over kan nemen, te belasten op een voordeel van alle aard, gelijk aan het verschil tussen de betaalde prijs en de normale verkoopwaarde van het voertuig. Zij haalde haar informatie veelal bij de leasingmaatschappijen door middel van vragenlijsten.Vele belastingschuldigen verzetten zich tegen de gevestigde aanslagen omdat die met miskenning van het bankgeheim van artikel 318 WIB 92 zouden zijn gevestigd. Rechtspraak en rechtsleer zijn terzake verdeeld. Tot voor kort was er betwisting over de vraag of het bankgeheim waarin artikel 318 WIB 92 voorziet, ook geldt voor leasingmaatschappijen. Uw Hof heeft in arresten van 16 maart 2007 en 24 april 2008 die vraag positief beantwoord en aldus bevestigd dat bankgeheim ook geldt voor leasingmaatschappijen (Cass., 16 maart 2007, A.R. nr. F.05.0049.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.2, met conclusie van het O.M., TFR 2007, 793, met noot F. JACOBS, "Het Hof van Cassatie bevestigt dat leasingmaatschappijen door het fiscale bankgeheim zijn gebonden"; Cass., 24 april 2008, www.cass.be). Blijft nog de vraag of de fiscus nog vragen mag stellen aan de leasingmaatschappij over de al of niet lichting van de aankoopoptie in leasingovereenkomsten en welke soort vragen hij nog mag stellen. Mag hij bijvoorbeeld nog systematisch aan de leasingmaatschappij vragen wie de voormalige leasingwagens heeft aangekocht? Of mag hij alleen vragen welke voormalige leasingwagens door derden werden aangekocht, waarbij het dan weer de vraag is of de fiscus terzelfder tijd mag vragen wie de leasingnemer was en of er een verband is tussen de leasingnemer en de derde-overnemer. De administratie gaat ervan uit dat het bankgeheim niet geldt voor alle verrichtingen van de leasingmaatschappijen. Het bankgeheim zou niet gelden voor de verkoop van voormalige leasingvoertuigen aan derden ten aanzien van de leasingovereenkomst. De bijlagen 11 tot 13 bij de cassatievoorziening tonen aan dat de hoven van beroep van Brussel, Antwerpen en Luik herhaaldelijk beslisten dat het bankgeheim enkel geldt voor "bancaire" verrichtingen en niet voor de verkoop van voormalige leasingwagens aan derden ten aanzien van de leasingovereenkomst. De meeste van deze uitspraken situeren zich vóór het cassatiearrest van 16 maart 2007; twee uitspraken dateren van na dat principieel arrest (Brussel, 6 april 2006; Brussel, 19 april 2006; Antwerpen, 16 september 2003; Antwerpen, 29 april 2003; Antwerpen, 24 juni 2008; Luik, 14 maart 2003; Luik, 26 november 2003; Luik, 3 maart 2004; Luik, 21 mei 2008). In het bestreden arrest komt het Hof van Beroep te Antwerpen ogenschijnlijk terug op zijn vroegere rechtspraak. De appelrechters sluiten zich aan bij de rechtspraak van het Hof van Beroep te Gent dat (net als de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen en te Brugge) aanneemt dat degene die de aankoopoptie overneemt van de leasingnemer met instemming van de leasingmaatschappij, toetreedt tot de leasingovereenkomst en dus een klant van de leasingmaatschappij wordt, die beschermd wordt door het bankgeheim van artikel 318 WIB 92 (Gent 7 september 2004, TFR 2005, 546; in die zin ook E. BUYSSE, "Fiscaal bankgeheim", NJW 2006, 589, randnr. 4; F. JACOBS, "Leasingmaatschappijen dan toch onderworpen aan het bankgeheim", TFR 2005, 550; F. JACOBS, "Hof van Cassatie bevestigt dat leasingmaatschappijen door het fiscale bankgeheim zijn gebonden", TFR 2007, 797). Auteur M. VAN DEN BOSSCHE heeft een bespreking aan het bankgeheim gewijd, waarin hij tot het besluit komt dat artikel 318, eerste lid WIB 92 kan worden samengevat als het verbod voor de fiscus om onderzoek bij de bank te voeren voor andere doeleinden dan het belasten van de bank zelf of, wat derden betreft, voor andere doeleinden dan het invorderen van de belasting (M. VAN DEN BOSSCHE, "Het fiscale bankgeheim in België.Op zoek naar consistentie in de rechtspraak anno 2007, TFR 2007, 361). In zijn arrest van 24 juni 2008, lijkt het Hof van Beroep te Antwerpen, in exact dezelfde samenstelling, evenwel opnieuw aan te sluiten bij zijn vroegere rechtspraak: "Dat evenwel te dezen vaststaat dat de fiscale administratie bij de N.V. FIDISCO inlichtingen heeft ingewonnen met betrekking tot huidige geïntimeerde (bedrijfsleider van de leasingnemer) en geenszins met betrekking tot de vennootschap ... die haar cliënt was. Dat dienvolgens in casu de uitzonderingsbepaling van art. 318 WIB 92 geen toepassing kan vinden; dat immers de verkoop aan een derde - niet cliënt - geen deel uitmaakt van de kredietverstrekking doch enkel de levering van een goed betreft (cfr. Antwerpen 17 januari 2006, FJF 2007, 224)". Het hof gaat er zodoende weer van uit dat de derde-overnemer vreemd is aan de leasingovereenkomst, en de fiscus vragen mag stellen met betrekking tot de derde-overnemer, maar niet met betrekking tot de leasingnemer. III. Bespreking van het middel. In het eerste onderdeel voert de Belgische Staat aan dat artikel 318, eerste lid WIB 92 niet van toepassing is op de loutere verkoop van een actief, namelijk de verkoop van een voormalige leasingwagen aan een derde ten aanzien van de leasingovereenkomst. De bewuste wagen werd in leasing gegeven aan de BVBA Houthandel Van Den Heurck, die de koopoptie aan het einde van het contract niet lichtte. De wagen werd aan de (gunstige) prijs bepaald in de koopoptie verkocht aan Jozef Van Den Heurck, bestuurder van de leasingnemer. De appelrechters gaan ervan uit dat de koopoptie door de leasingnemer werd overgedragen aan Jozef Van Den Heurck en dat deze laatste daardoor in het leasingcontract werd opgenomen (en dus een leasingklant is die de bescherming van artikel 318 WIB 92 geniet). De Belgische Staat betwist dat er sprake is van toetreding tot de leasingovereenkomst en argumenteert dat het een gewone verkoop betreft waarvoor het bankgeheim niet geldt. Hoewel de rechtspraak verdeeld is en er bepaalde auteurs zich aansluiten bij de opvatting die in het bestreden arrest wordt vertokt (o.m. K. VAN DER MAAT, "Geen bankgeheim, wel een discretieplicht in het Belgisch fiscaal recht", RW 2008-09, 438), onderschrijf ik de opvatting van de Belgische Staat en de meerderheidsstrekking binnen de rechtspraak (zie de rechtspraak die eiser als bijlage aan de voorziening heeft toegevoegd, bijlagen 11 tot 13 en ook Brussel 8 februari 2007, RGCF 2007, 267) volgens dewelke de verkoop van gewezen leasingwagens aan derden niet onder het bankgeheim valt. Artikel 318 WIB 92 verbiedt de administratie om in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten. De verweerders verdedigden voor het hof van beroep de stelling dat het bankgeheim geldt voor alle verrichtingen van de leasingmaatschappij en dat de administratie een voorwaarde toevoegt aan de wet door het bankgeheim te willen beperken tot de "financiële verrichtingen". Artikel 318, eerste lid, verwijst op zich genomen inderdaad zonder meer naar de financiële instellingen en hun cliënten. Maar als men deze bepaling leest in de context van de voorgaande en volgende artikelen van het wetboek, blijkt, mijns inziens, dat het bankgeheim een uitzondering is op de algemene regel dat de belastingadministratie inlichtingen mag inwinnen bij derden. Deze uitzondering heeft tot doel de financiële instellingen toe te laten hun rol van financiële instelling naar behoren te vervullen (de Raad van State preciseerde in een advies dat het fiscale bankgeheim is ingesteld met het oog op een algemeen belang dat erin bestaat de in België gevestigde banken niet in een minder gunstige situatie te plaatsen dan die welke in het buitenland zijn gevestigd (Parl. St. Kamer 2006-07, nr. 51-2773/002, 389)). De Raad van State ziet de geheimhoudingsplicht van de bank wel als een fundamentele regel. Het bankgeheim heeft niet tot doel verrichtingen te dekken die uitgaan van de financiële instelling, maar geen uitstaans hebben met haar opdracht als financiële instelling. Het is zeker niet de bedoeling van het bankgeheim om een instelling die financiële, maar ook andere diensten verleent, voor die andere diensten aan het oog van de fiscus te onttrekken. De Com.IB 92 gaat ervan uit dat een cliënt van een financiële instelling een natuurlijke of rechtspersoon is aan wie de bank om niet of tegen betaling goederen levert of diensten verstrekt die rechtstreeks of onrechtstreeks in verband staan met het maatschappelijk doel van de financiële instelling (Com.IB 92, nr. 318/5). Als elke handeling die verband houdt met het maatschappelijk doel van de financiële instelling, onder het bankgeheim valt, kan de financiële instelling het bankgeheim uitbreiden door zijn maatschappelijk doel ruim te formuleren (voor zover het financiële recht dat toelaat). Toch gaan sommige auteurs ervan uit dat er voor 1978 op grond van een traditioneel gebruik een algemeen feitelijk bankgeheim bestond en dat de voorganger van artikel 318 WIB 92 (artikel 224 WIB 64) eigenlijk erop gericht was dit bankgeheim in bepaalde gevallen op te heffen (S. GELUYCKENS en G. SIFFERT, "Het Belgisch fiscaal bankgeheim. What's in a name?", AFT 10/2008, 4-5). De derde die de voormalige leasingwagen aankoopt, in geval van overdracht van de aankoopoptie, wordt m.i. geen partij bij de leasingovereenkomst. De overnemer van de koopoptie wordt geen leasingnemer en er is tussen deze derde-overnemer en de leasingmaatschappij geen sprake van enige financiering, die nochtans het essentiële element van de leasing uitmaakt, zodat de overnemer niet als klant van een financiële instelling kan worden aangezien en het bankgeheim bijgevolg niet speelt in die relatie. De leasingovereenkomst is een complexe overeenkomst, met een financieringscomponent, een huurcomponent en een verkoopscomponent. Mijns inziens speelt het bankgeheim slechts ten aanzien van de contractant die ten aanzien van de leasingmaatschappij gebruik maakt van diensten die als diensten van een financiële instelling kunnen worden aangemerkt. De leasingnemer geniet van een financiering van de geleasde goederen en kan als klant van een financiële instelling worden aangemerkt. De derde-overnemer van de aankoopoptie is gewoon de koper van het voorheen geleasde goed en is als dusdanig niet aan te merken als klant van een financiële instelling), net zomin als degene die een oud bankgebouw koopt van een financiële instelling of degene die de ruimte boven een bankfiliaal huurt, in de context van het fiscaal bankgeheim van artikel 318 WIB 92 als "klant van een financiële instelling" kan worden aangezien (in zijn arresten van 29 april 2003, FJF 2004, nr. 2004/44, 16 september 2003, NJW 2004, 122, 17 januari 2006, FJF 2007, 224, en 24 juni 2008 was het Hof van Beroep te Antwerpen dezelfde mening toegedaan). De appelrechters zeggen niet dat het bankgeheim voor alle verrichtingen van de leasingmaatschappij geldt, maar zij menen dat de overdracht van de koopoptie van de leasingnemer aan de derde-overnemer tot gevolg heeft dat deze in de plaats treedt van de leasingnemer, en aldus cliënt wordt van de leasingmaatschappij en geniet van het bankgeheim. Zij zien de aankoop van het geleasde voertuig dus als een onderdeel van de leasingovereenkomst en menen dat de administratie daarover geen inlichtingen mag inwinnen. Mij lijkt die opvatting niet correct. De verweerders voeren zelf aan dat alleen de leasingnemer recht heeft op de aankoopoptie, dit om aan te tonen dat de koopoptie samen hangt met de leasingovereenkomst. Maar als de optie dan door een derde wordt overgenomen, zou deze in de plaats komen van de leasingnemer en zou de band met de leasingovereenkomst toch blijven bestaan. Dat lijkt mij niet logisch. In ieder geval wordt de overnemer geen leasingnemer. Dat is ook niet de bedoeling want als de overnemer leasingnemer wordt verliest de oorspronkelijke leasingnemer het recht om de kosten fiscaal in rekening te brengen. Het is overigens de vraag of artikel 1 KB nr. 55 van 10 november 1967 dat het statuut van de leasinginstellingen regelt, toelaat dat de leasinginstelling de leasingovereenkomst uitbreidt tot derden die het geleasde voertuig niet louter professioneel gebruiken, zonder dat de overeenkomst zijn hoedanigheid van leasingovereenkomst verliest. Dit artikel luidt als volgt: " De financieringshuur of "leasing" wordt gekenmerkt als volgt: Zij dient betrekking te hebben op bedrijfsmateriaal dat door de huurder uitsluitend voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt; Het materieel dient door de verhuurder speciaal met het oog op de huur te worden gekocht, en dit op gespecificeerde aanwijzing van de toekomstige huurder; De in het contract bepaalde huurtijd dient overeen te stemmen met de vermoedelijke uur van het bedrijfsgebruik van het materieel; De huurprijs dient zo te worden vastgesteld dat de waarde van het verhuurde materieel erdoor wordt afgeschreven over de in het contract bepaalde huurtijd; Het contract dient ten behoeve van de huurder in de mogelijkheid te voorzien op het einde van de huur de eigendom van het gehuurde materieel te verwerven, tegen betaling van een prijs die in het contract wordt bepaald, een prijs welke dient overeen te stemmen met de vermoedelijke residuale waarde van het materieel." Deze bepaling belet mijns inziens dat een derde de plaats van de leasingnemer inneemt in de oorspronkelijke leasingovereenkomst, zeker voor wat het huur - en financieringsaspect betreft, dat de kern van de leasingovereenkomst uitmaakt. De aankoopoptie moet blijkens de wet alleen aan de oorspronkelijke huurder worden geboden. Als de aankoopoptie wordt overgedragen aan een derde heeft dit duidelijk niets te zien met de leasingovereenkomst an sich, ook als de mogelijkheid van die overdracht formeel in de leasingovereenkomst wordt voorzien. De verkoop van een voormalige leasingwagen aan een bestuurder van de leasingnemer staat mijns inziens dan ook volledig los van de leasingovereenkomst, zodat de bestuurder niet als klant van een financiële instelling kan worden aangemerkt. Tenslotte stelt zich nog de vraag of de administratie gerechtigd is bij de leasingmaatschappijen inlichtingen in te winnen over de leasingnemer en over de professionele band tussen de derde-koper en de leasingnemer. Indien de administratie daarnaar informeert bij de leasingmaatschappij, wint ze noodzakelijkerwijze inlichtingen in over een leasingklant, namelijk de leasingnemer. Dat de administratie zich bij de leasingmaatschappijen niet enkel bevraagd naar de verkoop van de gewezen leasingwagens, lijkt voor de hand te liggen. De facto zullen louter inlichtingen over de verkoop van voormalige leasingwagens aan derden niet volstaan om tot belastingheffing te kunnen overgaan. De aankoop van een wagen aan een gunstige prijs, leidt in de regel niet tot belastingheffing. Een voordeel van alle aard kan slechts worden belast indien wordt aangetoond dat de aankoop aan een gunstige prijs een voordeel is dat verband houdt met de beroepsuitoefening. Om het voordeel te kunnen belasten, zal de administratie inzonderheid dienen aan te tonen dat de bestuurder dit voordeel omwille van zijn bestuurderschap geniet ingevolge de overdracht van de aankoopoptie. Als zou blijken dat de bestuurder de mogelijkheid om het voertuig voordelig te verwerven niet heeft overgenomen van de vennootschap-leasingnemer, maar gewoon een goede zaak heeft gedaan, is er immers geen sprake meer van een voordeel van alle aard. Een dergelijke bevraging van de leasingmaatschappijen lijkt mij niet in strijd met het fiscaal bankgeheim op voorwaarde dat de inlichtingen enkel worden opgevraagd met het oog op het belasten van de derden die de voormalige leasingwagens tegen een symbolische prijs overkopen. De tekst van artikel 318 WIB 92 is op dit punt immers duidelijk: het is de administratie slechts verboden om in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten. Uit het voorgaande volgt dat het eerste onderdeel gegrond voorkomt. Besluit: VERNIETIGING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091015.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div