← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091019.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 oktober 2009

Art. 5

, § 1, eerste lid en § 8 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Algemeen SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT - Verordening EG nr. 883/2004 van 29 april 2004 - Coördinatie sociale zekerheidsstelsels SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT - Algemeen (Europees sociaal recht) Vrije woorden: Vrij verkeer van werknemers - Sociale zekerheid - Pensioenen - Werknemers - Rustpensioen - Invloed op bedrag gezinspensioen Wettelijke bepalingen:

Art. 5

, § 1, eerste lid en § 8 Vrije woorden: Europees sociaal recht - Verordening (E.G.) nr. 883/2004 van 29 april 2004 - Coördinatie sociale zekerheidsstelsels - Pensioenen - Werknemers - Rustpensioen - Invloed op bedrag gezinspensioen Wettelijke bepalingen:

Art. 5, § 1, eerste lid en § 8 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER.

Thesaurus CAS: PENSIOEN - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Algemeen SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT - Verordening EG nr. 883/2004 van 29 april 2004 - Coördinatie sociale zekerheidsstelsels SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT - Algemeen (Europees sociaal recht) Vrije woorden: Toekenning rustpensioen - Nationale wetgeving - Invloed op bedrag gezinspensioen - Gemeenschapsrecht - Doelstelling van het Verdrag - Vrij verkeer van werknemers Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Algemeen SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT - Verordening EG nr. 883/2004 van 29 april 2004 - Coördinatie sociale zekerheidsstelsels SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT - Algemeen (Europees sociaal recht) Vrije woorden: Vrij verkeer van werknemers - Sociale zekerheid - Pensioenen - Werknemers - Rustpensioen - Invloed op bedrag gezinspensioen Europees sociaal recht - Verordening (E.G.) nr. 883/2004 van 29 april 2004 - Coördinatie sociale zekerheidsstelsels - Pensioenen - Werknemers - Rustpensioen - Invloed op bedrag gezinspensioen Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ S.08.0055.N CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL R. MORTIER:

  1. Situering Verweerder is van Nederlandse nationaliteit. Op grond van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet werd aan de echtgenote van verweerder, toen zij 65 jaar werd, een pensioen toegekend, bestaande uit een eigen AOW-pensioen en een toeslag voor haar partner die nog geen 65 jaar was. Toen verweerder zelf de leeftijd van 65 jaar bereikte, verviel de toeslag bij het pensioen van de echtgenote. Vanaf dat moment genoten beide echtgenoten elk een AOW-pensioen waarvan de gezamenlijke hoegrootheid gelijk was aan het oorspronkelijk pensioen dat aan de echtgenote van verweerder werd toegekend. In België werd aan verweerder een rustpensioen als alleenstaande toegekend, nu het pensioenrecht van zijn echtgenote in Nederland in aanmerking werd genomen. De appelrechters achten dergelijke regelgeving strijdig met het Europees Gemeenschapsrecht.
  2. Bespreking. 2.
  3. Het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenen bepaalt in Hoofdstuk III (de pensioenberekening), afdeling 1 (het rustpensioen) artikel 5 dat het rustpensioen per kalenderjaar wordt in aanmerking genomen ten belope van 75 ten honderd voor de werknemers van wie de echtgenoot: - elke beroepsarbeid behalve die door de Koning toegestaan, heeft gestaakt - geen van de vergoedingen of uitkeringen bedoeld in artikel 25 van het K.B. nr. 50 geniet - geen rust- en overlevingspensioen en geen als dusdanig geldende uitkeringen geniet, toegekend krachtens dit besluit, krachtens de wet van 20 juli 1990, krachtens het koninklijk besluit nr. 50, krachtens een Belgische regeling wettelijke regeling, krachtens een regeling van een vreemd land of krachtens een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechterlijke instelling §8 van dit artikel bepaalt dat het genot in hoofde van één van de echtgenoten, van één of meer rust- en overlevingspensioenen of als zodanig geldende uitkeringen, toegekend krachtens een regeling van een vreemd land, geen beletsel vormt voor de toekenning aan de andere echtgenoot van een rustpensioen berekend met toepassing van §1, eerste lid a van dit artikel (het gezinspensioen) voor zover het globaal bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen van de eerstgenoemde echtgenoot kleiner is dan het verschil tussen de bedragen van het rustpensioen van de andere echtgenoot, respectievelijk berekend met toepassing van §1, eerste lid, b) van dit artikel. Evenwel wordt in dat geval het totale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen van eerstgenoemde echtgenoot in mindering gebracht op het bedrag van het rustpensioen van de andere echtgenoot. 2.
  4. De problematiek die thans aan de orde is, weliswaar in licht gewijzigde vorm, is niet nieuw, noch voor uw Hof

(1), noch voor het Hof van Justitie van de Europese gemeenschap. In eerdere zaken werd de problematiek belicht van de migrerende werknemer die geniet van een Belgisch rustpensioen aan gezinstarief, maar zich geconfronteerd ziet met een verlaging tot een pensioen aan een minder voordelig tarief voor alleenstaanden op het ogenblik dat aan de niet-werkende echtgenote een eigen Nederlands AOW pensioen wordt toegekend. 2.2.
  1. Het Hof van Justitie oordeelde in de zaak Van Munster (C-165/91) bij arrest van 5 oktober 1994 dat het gemeenschapsrecht zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die een gezinspensioen toekent aan een werknemer wiens echtgenoot elke beroepsarbeid heeft gestaakt en geen rustpensioen of als zodanig geldend voordeel geniet, maar hem een minder voordelig "alleenstaandenpensioen" toekent wanneer zijn echtgenoot een pensioen of als zodanig geldend voordeel geniet en dit zonder onderscheid van toepassing is op eigen onderdanen en op onderdanen van andere lidstaten. Dit houdt in dat zowel de Belgische wettelijke bepalingen als de Nederlandse in overeenstemming bevonden worden met het Europees gemeenschapsrecht. Deze regels kunnen evenwel in combinatie met elkaar tot situaties leiden die een belemmering betekenen voor het vrij verkeer van werknemers. Het Hof van justitie oordeelde dat het in dat geval de nationale rechter is die de nationale bepalingen dient te interpreteren in het licht van het gemeenschapsrecht en moet nagaan of de nationale wetgeving kan geïnterpreteerd worden conform de gemeenschapswetgeving. 2.2.
  2. In de zaak Engelbrecht (C-262/97) oordeelde het Hof van Justitie bij arrest van 4 mei 1999 dat het recht van vrij verkeer van werknemers kan belemmerd worden indien een sociaal voordeel dat een werknemer geniet, teloorgaat of wordt verminderd enkel en alleen doordat rekening gehouden wordt met de krachtens de wetgeving van een andere lidstaat aan zijn echtgenote toegekende soortgelijke uitkering, hoewel de toekenning van die uitkering geen verhoging van het gezinsinkomen teweegbracht en anderzijds gepaard ging met een verlaging met hetzelfde bedrag van het eigen pensioen dat de werknemer krachtens de wetgeving van diezelfde lidstaat ontvangt. Indien de nationale rechter het nationale recht onmogelijk overeenkomstig het gemeenschapsrecht kan interpreteren, is de nationale rechter verplicht het gemeenschapsrecht toe te passen en de nationale bepaling buiten toepassing te laten. 2.2.
  3. Dit is wat de appelrechters hebben gedaan. In voorliggende zaak stelden de appelrechters vast dat het niet in betwisting is dat het Nederlands AOW - pensioen dat aan de niet- werkende echtgenote van verweerder werd toegekend in het kader van de Belgische wet moet beschouwd worden als een " rustpensioen of een als dusdanig geldend voordeel toegekend krachtens de regeling van een vreemd land" zoals bedoeld in artikel
  4. Zij oordeelden evenwel dat artikel 5, §1 en 8 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 niet kon toegepast worden omwille van strijdigheid met de beginselen van Europees recht en buiten toepassing diende verklaard te worden. Eiser stelt dat de appelrechters ten onrechte tot dit besluit kwamen nu het in voorliggende zaak niet ging over de situatie waarin verweerder reeds een sociaal voordeel had dat door de gecombineerde toepassing van twee wetgevingen verminderd werd of teloorging, maar dat het ging over een eerste toekenning van een sociaal voordeel en er dus geen sprake is van een verminderen of teloorgaan van een genoten sociaal voordeel. Het is inderdaad zo dat de echtgenote van verweerder reeds een AOW uitkering genoot vooraleer aan verweerder zelf een Belgisch rustpensioen werd uitgekeerd. Toen verweerder een rustpensioen genoot werd dit onmiddellijk op het tarief voor alleenstaanden bepaald. Er is dus strikt genomen geen verlaging van het gezinstarief naar het tarief voor alleenstaanden gebeurd. De vraag rijst evenwel of ook deze situatie geen aanleiding geeft tot een belemmering van het vrij verkeer van werknemers. Waar het Hof van Justitie in het onder 2.2.
  5. vermeld arrest Van Munster van 5 oktober 1994 weliswaar enerzijds oordeelde dat het gemeenschapsrecht zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die een gezinspensioen toekent aan een werknemer wiens echtgenoot elke beroepsarbeid heeft gestaakt en geen rustpensioen of als zodanig geldend voordeel geniet, maar hem een minder voordelig "alleenstaandenpensioen" toekent wanneer zijn echtgenoot een pensioen of als zodanig geldend voordeel geniet en dit zonder onderscheid van toepassing is op eigen onderdanen en op onderdanen van andere lidstaten, werd anderzijds gesteld dat de toepassing van een nationale wettelijke regeling op een migrerend werknemer, op dezelfde wijze als op een werknemer die steeds in hetzelfde land is gebleven, onverwachte gevolgen teweegbrengt die moeilijk te verenigen zijn met het doel van de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag en die terug te voeren zijn op de omstandigheid dat de pensioenaanspraken van de migrerend werknemer onder twee verschillende wettelijke regelingen vallen. Wanneer er interferentie is van twee verschillende pensioenstelsels, moet de globale situatie met betrekking tot de pensioenrechten beoordeeld worden. Wanneer zij een belemmering van het vrij verkeer van migrerende werknemers aan het licht brengt, zal de nationale regeling die de uitoefening van die vrijheid beïnvloedt, op haar overeenstemming met het gemeenschapsrecht moeten onderzocht worden. Dit is inzonderheid het geval wanneer één van de twee pensioenregelingen een hoger pensioen toekent aan de werknemer van wie de echtgenoot geen rustpensioen of als zodanig geldend voordeel geniet, waarbij een dergelijk pensioen of voordeel het totale gezinsinkomen doet stijgen, zoals het geval is met de Belgische pensioenregeling, terwijl onder een andere regeling in dezelfde situatie elk van beide echtgenoten bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een pensioen van gelijke hoogte ontvangen waardoor het totale gezinsinkomen niet stijgt, zoals het geval is voor de Nederlandse pensioenregeling. De vraag rijst, met andere woorden, of artikel 39 van het EG-verdrag eraan in de weg staat dat de bevoegde overheid het rustpensioen van een gehuwde werknemer op grond van artikel 5, §1, eerste lid, b en artikel 5, §8 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 vaststelt volgens het tarief voor alleenstaanden, gelet op het pensioen dat de echtgenoot geniet krachtens een regeling van een andere lidstaat, wanneer de toepassing van die bepalingen niet tot gevolg heeft dat een reeds voordien aan de werknemer toegekend rustpensioen wordt verminderd? CONCLUSIE: Deze vraag noopt tot een uitlegging van artikel 39 EG verdrag waarvoor alleen het Hof van Justitie bevoegd is. In voorkomend geval is Uw Hof ingevolge artikel 234, lid 3 van het EG-Verdrag in de regel verplicht de voormelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. _________
(1)Zie o.a. Cass., 6 oktober 2003, A.R. S.03.0009.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031006.3, A.C. 2003, nr. 480. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091019.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031006.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.