← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091112.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091112.11 Rolnummer: F.07.0098.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-12-01 Raadplegingen: 181 - laatst gezien 2026-07-02 21:08 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.11 Fiche 1 Van "een vergissing van de douaneautoriteiten zelf" welke recht geeft op niet-navordering in de zin van artikel 5, tweede lid, van de E.G.-verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 en van artikel 220.2, b), van het Communautair Douanewetboek, is geen sprake wanneer die autoriteiten zijn misleid met betrekking tot de oorsprong van de goederen door onjuiste verklaringen waarvan zij de geldigheid niet moeten controleren of beoordelen; enkel de vergissingen die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zijn toe te schrijven, kunnen recht geven op niet-navordering omdat zij in dit geval zelf een rechtmatig vertrouwen hebben gewekt; het feit dat een exporteur een onjuiste aangifte voorlegt aan de bevoegde overheid sluit weliswaar niet noodzakelijk uit dat de overheid een actieve vergissing heeft begaan, maar deze voorwaarde kan niet vervuld worden geacht en er ontstaat derhalve geen recht op niet-navordering, wanneer de bevoegde autoriteiten klaarblijkelijk niet wisten noch moesten weten dat de door de exporteur gegeven informatie onjuist was

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M.; in deze zaak heeft het Hof reeds een arrest uitgesproken op 8 november 2002, AR nr. C.OO.O356.N, met concl. O.M., A.C., 2002, nr.
  1. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Invoer van goederen in een land van de Europese Gemeenschappen - Controle van oorsprong - Recht van niet-navordering - Vergissing van de bevoegde autoriteiten - Actieve gedraging - Door de bevoegde autoriteiten zelf gewekt rechtmatig vertrouwen Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - Art. 220.2, b Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Invoer van goederen in een land van de Europese Gemeenschappen - Controle van oorsprong - Recht van niet-navordering - Vergissing van de bevoegde autoriteiten - Actieve gedraging - Door de bevoegde autoriteiten zelf gewekt rechtmatig vertrouwen Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.07.0098.N Conclusie van Advocaat-generaal Dirk THIJS: I. Feiten en procedurevoorgaanden. Voorwerp van de onderhavige procedure is de invordering van rechten, verschuldigd uit hoofde van de invoer te Antwerpen, van 4 juni 1993 tot 14 november 1994, van een aantal videocassettes ingeklaard als afkomstig uit Macao. Op grond van deze herkomst werd deze invoer aangegeven onder het Stelsel van de Algemene Tariefpreferenties, dat van toepassing is voor goederen uit ontwikkelingslanden en landen die afhangen van een lidstaat van de E.E.G.. De betrokken videocassettes werden aldus slechts onderworpen aan een verlaagd invoerrecht. Ingevolge latere controles, onder meer ter plaatse verricht door een missie van de Europese Gemeenschap, is gebleken dat deze goederen niet voldoen aan de gestelde oorsprongscriteria zodat zij niet in aanmerking komen voor het preferentiële tarief. Bijgevolg moeten zij beschouwd worden als zijnde van oorsprong uit China waardoor zij onderworpen zijn aan de antidumpingsrechten ingesteld voor de invoer van video-cassettes uit China bij E.G.- verordening nr. 3091 van de Raad van 21 oktober 1991, en aan de invoerrechten wegens het voorleggen van ongeldige oorsprongcertificaten. Tot invordering van deze rechten werd door de administratie op 31 oktober 1995 een dwangbevel uitgevaardigd hetwelk op 7 november 1995 uitvoerbaar werd verklaard. Het door verweerster ingesteld verzet tegen dit dwangbevel werd bij vonnis van 13 september 1997 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen ingewilligd. Bij het aanvankelijk bestreden arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 10 januari 2000 werd de navordering van rechten ten laste van verweerster evenzeer ongegrond verklaard. Enerzijds stelde het hof van beroep weliswaar vast dat het missierapport van de E.G. een afdoende bewijs vormt dat de litigieuze ingevoerde videocassettes uit Macao niet voldoen aan het oorsprongscriterium en dat de assemblage van deze videocassettes van China naar Macao werd overgeheveld met het oog op het ontduiken van antidumpingrechten op 'Chinese' videocassettes. Anderzijds oordeelde het hof van beroep dat verweerster niettemin recht heeft op niet-navordering van de litigieuze invoer- en antidumpingsrechten op grond van artikel 5, lid 2 van de Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide. Deze bepaling luidt als volgt: "De bevoegde autoriteiten behoeven niet over te gaan tot de navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte." Desbetreffend beslisten de appelrechters in casu dat moet worden aangenomen dat de rechten bij de invoer van de goederen niet zijn geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten van Macao zelf bij de aanvankelijke toepassing van de betrokken regeling, terwijl niet wordt betwist dat verweerster ter goeder trouw heeft gehandeld. (...) De actuele voorziening in cassatie. De thans bekritiseerde beslissing betreft het arrest van 3 mei 2007 van het Hof van Beroep te Brussel waarnaar de zaak door Uw Hof werd verwezen na vernietiging van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 10 januari 2000 bij arrest van 8 november 2002 (Cass., 8 november 2002, A.R. nr. C.OO.O356.N, met concl. O.M., 2002, nr. 593). Vooraf dient de aandacht gevestigd op volgende elementen:
  2. De in mijn conclusie bij het arrest van Uw Hof van 8 november 2002 geciteerde rechtspraak van het Hof van Justitie werd bij artikel 1, lid 17 van de Verordening (EG) nr. 2700/2000
(1)van 16 november 2000 geïmplementeerd in artikel 220.2, b) CDW. Het opzet van dit legislatief ingrijpen bestond er duidelijk in om voor de specifieke situatie van de preferentiële regelingen de desbetreffende wettelijke begrippen te definiëren en om derwijze middels deze codificatie en precisering van het vigerend recht voortaan rechtszekerheid te verschaffen in functie van de eventuele navordering van invoerrechten
(2). De aanvulling van het nieuwe lid 2 van artikel 220.2, b) CDW formuleert inzonderheid de definiëring bepaald in het arrest Faroe Seafood van het Hof van Justitie
(3)en bepaalt dat "wanneer de preferentiële status van de goederen aan de hand van een systeem van administratieve samenwerking wordt vastgesteld waarbij instanties van een derde land betrokken zijn, de afgifte door deze instanties van een onjuist certificaat aangemerkt wordt als een vergissing (...) die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt." Daar waar om evidente motieven nooit enige discussie of verwarring mogelijk was met betrekking tot valse of vervalste oorsprongcertificaten, geldt thans dus ook een duidelijk wettelijk richtsnoer inzake weliswaar authentieke, maar ten onrechte, i.e. onjuiste of ongeldige certificaten. Het nieuwe lid 3 van artikel 220.2, b) CDW gaat verder terug op het arrest Mecanarte van het Hof van Justitie
(4)en stipuleert dat "de afgifte van een onjuist certificaat niet als een vergissing aangemerkt wordt wanneer het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, behalve indien de instanties die het certificaat afgaven, klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële oorsprong in aanmerking kwamen." Als dusdanig verwoordt deze bepaling een uitzondering op de gemene regel vervat in het nieuwe tweede lid. In fine van lid 3 wordt zodoende een uitzondering op de uitzondering geponeerd. Voorts dient voor de volledigheid opgemerkt te worden dat, daar waar de toegevoegde bepalingen sub lid 2 en 3 het rechtsbegrip 'vergissing van de douaneautoriteiten' nader preciseren, ook het concept 'goede trouw van de belastingschuldige' wettelijk verder verankerd wordt, met name in de aanvullingen sub lid 4 en 5 van artikel 220.2, b) CDW. Zo wordt onder meer geëxpliciteerd dat de belastingplichtige geen goede trouw kan inroepen wanneer de Commissie een bericht heeft bekendgemaakt met betrekking tot gegronde twijfel ten aanzien van de juiste toepassing van de preferentiële regeling door het begunstigde land. Het Hof van Justitie wees desbetreffend een principieel arrest op 9 maart 2006 in de zaak Beemsterboer
(5). Vooreerst bevestigt het Hof dat de actuele bepaling van artikel 220.2, b) CDW een interpretatieve bepaling is en derhalve retroactief evenzeer van toepassing is op douaneschulden die ontstaan zijn en nagevorderd werden voor de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening van 16 november 2000
(6). Voorts wordt principieel nogmaals geconfirmeerd dat de afgifte van een onjuist oorsprongcertificaat als een vergissing van de douaneautoriteiten aangemerkt moet worden, ook wanneer bij een controle achteraf de in een certificaat vermelde oorsprong van de goederen niet meer kan bevestigd worden. Verder beslist het Hof van Justitie ten aanzien van zij die zich beroepen op artikel 220.2, b) CDW, evenwel tot een verdeling van de bewijslast. Dezen, met inbegrip van de navorderende douaneautoriteit, dienen immers steeds de nodige bewijzen ter onderbouwing van hun vordering over te leggen. Zo komt het, ten einde een vergissing uit te sluiten, enkel aan de douaneautoriteit toe aan te tonen dat de afgifte van een onjuist certificaat te wijten is aan de onjuiste weergave van de feiten door de exporteur. Dit moet duidelijk blijken uit de betrokken missierapporten. Evenmin kan, zoals voorheen de facto meestal gebeurde, een ontstentenis van een antwoord of een onvoldoende antwoord na een controle a posteriori omwille van gegronde twijfel een bewijs vormen van een onjuiste voorstelling door de exporteur. In dat perspectief betekent deze rechtspraak van het Hof van Justitie een essentiële omwenteling die het de navorderende douaneautoriteiten omwille van de rigoureuze bewijsvereisten bijzonder moeilijk maakt zich op de uitzonderingsbepaling van artikel 22.2, b), lid 3 CDW te beroepen. Anderzijds wordt in het arrest eveneens beslist dat, opdat hij een navordering wil voorkomen, het inzonderheid aan de belastingschuldige invoerder is om het bewijs te leveren dat de instanties die het certificaat afleverden, klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële oorsprong in aanmerking kwamen. Wanneer in die hypothese de douaneautoriteiten als gevolg van een uitsluitend aan de exporteur toe te rekenen nalatigheid niet meer kunnen bewijzen dat het oorsprongcertificaat opgesteld is op basis van een juiste dan wel een onjuiste voorstelling van de feiten door de uitvoerder, moet de invoerder bewijzen dat de door de autoriteiten van het derde land afgegeven certificaat op een juiste feitenweergave was gebaseerd. De uitzondering op de uitzondering (cfr. supra) moet dus door de belastingplichtige bewezen worden. Het bestreden arrest van de verwijzingsrechters besluit dat de douaneautoriteiten in Macao een actieve vergissing hebben begaan bij het afleveren van de oorsprongcertificaten waardoor zij zelf de grondslag hebben gevormd waarop het gewettigd vertrouwen berustte van de verweerster in cassatie dat de ingevoerde videocassettes van oorsprong uit Macao kwamen. Bovendien wordt vastgesteld dat ook de eiser in cassatie, c.q. de Belgische douaneadministratie, zelf een actieve vergissing heeft begaan bij het aanvaarden van de douaneaangiften en van de betrokken oorsprongcertificaten
(7). Als zodanig oordelend komen de Brusselse verwijzingsrechters tot dezelfde feitelijke conclusies als het Hof van Beroep te Antwerpen. Thans moet echter erkend worden dat de bekritiseerde beslissing zich wel gedraagt naar de door uw Hof geponeerde regel dat een vergissing te dezen een actieve gedraging van de bevoegde douaneautoriteiten veronderstelt. Uit een geheel van feitelijke gegevens leiden de verwijzingsrechters immers af dat in casu inderdaad sprake is van een vergissing die verder reikt dan een louter passieve houding (cfr. infra). Het enig middel tot cassatie verwijt, anders dan in de eerste cassatieprocedure, de bestreden beslissing dat uit de vermelde gegevens niet afgeleid kon worden dat er van enige vergissing in de zin van artikel 220.2, b) CDW of artikel 5, lid 2 van Verordening nr. 1697/79 sprake kon zijn bij de bevoegde autoriteiten in Macao en in België, waardoor onder meer deze wetsbepalingen geschonden zouden zijn. In casu blijken de verwijzingsrechters evenwel vast te stellen dat de exporteur inlichtingen verschafte in de overtuiging dat de autoriteiten van Macao in feite alle relevante gegevens kenden, aangezien de inspecties in zijn lokalen gebeurden in het bijzijn van die autoriteiten. Krachtens de supra geciteerde rechtspraak van het Hof van Justitie, onder meer in de zaken Mecanarte
(8)en Beemsterboer
(9), moet de eiser in cassatie aantonen dat de exporteur te dezen de feiten onjuist weergegeven heeft. De verwijzingsrechters oordelen desbetreffend van niet. Zij stellen bovendien vast dat in concreto niet bewezen is dat de exporteur kennis had van de resultaten van de inspecties in zijn lokalen. Op grond van artikel 220.2, b) CDW konden zij dan ook terecht tot de bevinding komen dat de niet-heffing van de invoer- en antidumpingrechten het gevolg is van een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten in Macao. Het bestreden arrest wijst er in dit verband op dat de autoriteiten in Macao er ook na de inspecties klaarblijkelijk van op de hoogte gebracht werden dat de kwestieuze videocassettes niet voor een preferentiële regeling in aanmerking kwamen. Het hof van beroep besluit dienvolgens dat, anders dan in het geval van de exporteur, de autoriteiten van Macao wel kennis hadden van de resultaten van de uitgevoerde inspecties. Door vervolgens geen bezwaar te maken tegen de inlichtingen van de exporteur en de afgeleverde oorsprongcertificaten brachten deze instanties zelf de grondslag voor het gewettigd vertrouwen in hoofde van de invoerder teweeg. In de lijn van onder meer de rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaak Agrover
(10)moet dergelijke houding onloochenbaar als een actieve vergissing gekwalificeerd worden. De verwijzingsrechters conformeren zich in het bestreden arrest zonder meer aan de geldende rechtspraak van het Hof van Justitie zoals die deels naar de vigerende Europese regelgeving omgezet werd. Het komt mij derhalve voor dat het bestreden arrest in niets een schending van de aangevoerde wetsbepalingen bevat. Het cassatiemiddel kan bijgevolg niet aangenomen worden. Besluit: VERWERPING. ARREST ___________
(1)Verordening (EG) Nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 nov. 2000 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, PB. L. 311, 12 dec. 2000.
(2)De toevoegingen traden in werking op 19 dec. 2000.
(3)H.v.J., 14 mei 1996, C-153/94 en C-204/94, Faroe Seafood.
(4)H.v.J., 27 juni 1991, C-348/89, Mecanarte.
(5)H.v.J., 9 maart 2006, C-293/04, Beemsterboer Coldstore Services.
(6)H.v.J., 9 maart 2006, C-293/04, Beemsterboer Coldstore Services, r.o. 23 e.v.
(7)Reeds in het arrest Mecenarte (H.v.J., 27 juni 1991, C-348/89, Mecanarte) werd beslist dat te dezen als het begrip 'autoriteit' begrepen moest worden iedere autoriteit die in het kader van zijn bevoegdheden gegevens verstrekt die in aanmerking worden genomen bij de invordering van het bedrag aan rechten en die bij de belastingschuldige een gewettigd vertrouwen kan opwekken. In casu vormen zowel de autoriteiten te Macao als de Belgische douaneadministratie dergelijke autoriteit.
(8)H.v.J., 27 juni 1991, C-348/89, Mecanarte.
(9)H.v.J., 9 maart 2006, C-293/04, Beemsterboer Coldstore Services.
(10)H.v.J., 18 okt. 2007, C-173/06, Agrover. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.