id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091112.12 Rolnummer: F.08.0049.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2009-12-01 Raadplegingen: 282 - laatst gezien 2026-07-02 21:09 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.12 Fiche 1 De termijn om een bezwaarschrift in te dienen, wanneer de inning van de belastingen niet op een andere wijze dan per kohier geschiedt, loopt vanaf de datum waarop de brief, waarbij het aanslagbiljet of de aanslag aan de geadresseerde per gewone brief wordt ter kennis gebracht, moet vermoed worden aan deze geadresseerde te zijn aangeboden geweest en loopt niet vanaf de datum waarop de brief aan de postdiensten wordt toevertrouwd
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Tijdstip FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Sancties - Andere Vrije woorden: Bezwaartermijn - Aanvang Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 371 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Tijdstip FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Sancties - Andere Vrije woorden: Bezwaartermijn - Aanvang Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.08.0049.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. Voor het aanslagjaar 2002 dienden eisers een laattijdige aangifte in de personenbelasting in waarna ze van ambtswege werden belast. Het aanslagbiljet vermeldt 25 maart 2004 als datum van verzending. Bij beslissing van de gewestelijke directeur van 18 oktober 2004 werd het door eisers ingediend bezwaarschrift, hetwelk aangetekend werd verzonden op vrijdag 25 juni 2005, onontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid. Zowel de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt als het Hof van beroep te Antwerpen namen eenzelfde standpunt in. 2. Krachtens artikel 371 W.I.B.
(1992), zoals gewijzigd door artikel 28 van de wet van 15 maart 1999, moeten de bezwaarschriften "(...) op straffe van verval ingediend worden binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier."
- De appelrechters oordelen op p. 7 van het bestreden arrest "dat er kan van uitgegaan worden dat de verzending van het aanslagbiljet effectief gebeurde op datum van 25 maart 2004, zoals vermeld op het aanslagbiljet" (...) en dat "de termijn van drie maanden verstreek op 25 juni 2004". De door de appelrechters aldus gehanteerde "verzendingsleer" wordt sedert geruime tijd sterk bekritiseerd; deze wijze van berekening van de aanvang van de termijn, welke afhangt van de kennisgeving van een akte, heeft immers tot gevolg dat de termijn reeds begint te lopen op een ogenblik waarop de geadresseerde daarvan niet op de hoogte kan zijn.
- Het Grondwettelijk Hof heeft deze rechtsopvatting in strijd bevonden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in een reeks arresten, waarvan het arrest nr. 162/2007 van 19 december 2007 specifiek de bezwaartermijn betreft. Het Grondwettelijk Hof overwoog in dat arrest het volgende: "B.
- Zoals het Hof reeds in de arresten nrs. 170/2003, 166/2005, 34/2006, 43/2006, 85/2006 en 123/2007 heeft geoordeeld, is het redelijk verantwoord dat de wetgever, om rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging laat lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelswijze van de partijen. De keuze van de datum van verzending van het aanslagbiljet als aanvangspunt van de beroepstermijn beperkt evenwel het recht van verdediging van de geadresseerde op onevenredige wijze, doordat die termijnen beginnen te lopen op een ogenblik dat zij nog geen kennis kunnen hebben van de inhoud van het aanslagbiljet. B.
- De doelstelling om rechtsonzekerheid te vermijden zou evengoed kunnen worden bereikt indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst (artikel 53bis van het gerechtelijk wetboek). B.
- In zoverre volgens de in het geding zijnde bepaling de beroepstermijn begint te lopen op de datum van verzending die voorkomt op het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat, beperkt zij op onevenredige wijze de rechten van verdediging van de belastingplichtige" (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 162/2007 van 19 december 2007). Het Grondwettelijk Hof heeft haar standpunt laatst nog bevestigd in het arrest nr. 76/2008 van 8 mei
- Ook Uw Hof heeft zich uiteindelijk in zijn arrest van 23 juni 2006 (Cass. 23 juni 2006, A.R. F.05.0021.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060623.2, Pas. 2006, nr. 354, met concl. adv.-gen. A. HENKES; J.T., 2006, 675) aangesloten bij de "ontvangsttheorie". In zijn schriftelijke conclusie bij het arrest van 12 januari 2007 (inzake A.R. nr. D.05.0027.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.3, www.cass.be) verwoordde advocaat-generaal Dubrulle één en ander als volgt: "
- Het arrest van het Hof van 23 juni 2006, gestoeld op de ‘ontvangsttheorie', betekent dan ook een ommekeer: de kennisgeving bij aangetekende brief wordt geacht te zijn verricht de eerste werkdag volgend op de dag van de afgifte van de brief ter post, daar de bestemmeling geacht wordt op die datum ervan kennis te hebben kunnen nemen. De oplossing in de actuele zaak lijkt me dan ook op dezelfde opvatting te moeten steunen: de kennisneming is beslissend." In dezelfde lijn oordeelde Uw Hof bij arrest van 14 februari 2008 (A.R. nr. F.06.0080.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.8, www.cass.be ) dat de termijn van veertig dagen om een fiscale voorziening in te stellen bij het hof van beroep tegen de beslissing van de directeur, loopt vanaf de aanbieding van de aangetekende brief houdende de kennisgeving van die beslissing aan de woonplaats van de belastingschuldige; een aanbieding in de woonplaats die getekend wordt voor ontvangst, wordt volgens Uw Hof vermoed een geldige aanbieding te zijn, onverminderd de mogelijkheid voor de betrokkene het tegenbewijs te leveren; de omstandigheid dat de geadresseerde na de aanbieding op zijn woonplaats niet onmiddellijk kennisneemt van de brief, heeft geen gevolg op de termijn door de wet bepaald voor de aanwending van het rechtsmiddel.
- Ook de Administratie aanvaardde in haar circulaire nr. Ci. RH.861/563.153 van 13 augustus 2004 om de "verzendingsleer" niet langer te volgen: "in zijn arrest van 17 december 2003, nr. 170/2003 heeft het Arbitragehof een einde gesteld aan de controverse die zowel in de rechtsleer als in de rechtspraak bestond betreffende de wijze van berekening van sommige proceduretermijnen die aanvangen vanaf de kennisgeving van een akte. (...) Aangezien de administratie besloten heeft zich bij dat arrest aan te sluiten, worden alle diensten verzocht dit arrest onmiddellijk toe te passen."
- Volledigheidshalve kan nog verwezen worden naar de recente invoering van artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek.
- In het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie voeren eisers dan ook terecht aan dat de bezwaartermijn van artikel 371 W.I.B.
(1992)een aanvang neemt op de dag na de datum waarop de belastingplichtige kennis heeft kunnen nemen van het aanslagbiljet door de aanbieding ervan door de postdiensten aan zijn adres. De aanbieding door de postdiensten aan het adres van eisers van het op 25 maart 2004 verzonden aanslagbiljet kan ten vroegste gedaan zijn op 26 maart 2004, zodanig dat de bezwaartermijn verstreek op 26 juni 2004, hetzij een zaterdag, met als gevolg dat de vastgestelde ontvangst van het bezwaarschrift op de eerstvolgende werkdag, maandag 28 juni 2004 tijdig was conform de artikelen 2, 48 en 53 van het Gerechtelijk Wetboek. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist dat het bewaarschrift van eiseres onontvankelijk is omdat krachtens artikel 371 W.I.B.
(1992)de bezwaartermijn een aanvang nam op 25 maart 2004, zijnde de datum vermeld op het aanslagbiljet als datum van verzending, terwijl niet die datum van verzending, maar wel de datum van regelmatige aanbieding door de postdiensten op het adres van eisers de termijn doet aanvangen en deze dag noodzakelijk ten vroegste de eerstvolgende dag, 26 maart 2004, kan zijn geweest. Het onderdeel, dat schending aanvoert van artikel 371 W.I.B.
(1992)komt dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.12 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060623.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div