id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091112.14 Rolnummer: F.08.0040.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-12-01 Raadplegingen: 193 - laatst gezien 2026-07-02 21:08 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.14 Fiche 1 Uitkeringen op grond van de Nederlandse algemene Ouderdomswet kunnen niet gekwalificeerd worden als een sociale maatregel die geen verband houdt met een beroepswerkzaamheid in de zin van artikel 34, § 1, 1°, van het W.I.B.
(1992), nu niet iedere Nederlandse onderdaan gerechtigd is op uitkeringen op grond van die wet, ongeacht of hij ooit een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten Vrije woorden: Verband met de beroepswerkzaamheid - Nederlandse A.O.W.-uitkering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 34, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Wet - 31-05-1956 - Artt. 2 en 6 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten Vrije woorden: Verband met de beroepswerkzaamheid - Nederlandse A.O.W.-uitkering Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.08.0040.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. De feiten. De eerste verweerder is een Nederlander die tot aan zijn pensioen (in 2000) in Nederland heeft gewerkt. Sedert 1988 woont hij in België. Na zijn pensionering wordt hij in België belast op het aanvullend pensioen dat hij ontvangt én op zijn AOW-pensioen (wettelijk pensioen op grond van de Nederlandse wet van 31 mei 1956 inzake een algemene ouderdomsverzekering, kortweg "Algemene ouderdomswet"). De eerste verweerder heeft de taxatie van beide pensioenen in de Belgische personenbelasting voor de aanslagjaren 2001 en 2002 aangevochten. Voor wat het aanvullend pensioen betreft, werd zijn verzet zowel in eerste aanleg als in hoger beroep afgewezen. Voor wat het AOW-pensioen betreft, werd zijn verhaal in eerste aanleg afgewezen, maar in hoger beroep ingewilligd. De appelrechters oordelen dat iedere "onderdaan" van Nederland recht heeft op dit AOW-pensioen ongeacht of hij al of niet gewerkt heeft en leidt daaruit af dat er geen rechtstreeks noch onrechtstreeks verband is met de beroepsuitoefening zodat het pensioen niet belastbaar is op grond van artikel 34 §1, 1° WIB 92. Met het bestreden arrest komt het Hof van Beroep te Antwerpen terug op vroegere rechtspraak waarin het oordeelde dat de AOW-uitkering normaal en gebruikelijk een beloning uitmaakt ter zake van een vroegere dienstbetrekking (Antwerpen 7 mei 1984, FJF 1984, nr. 84/186). De Belgische Staat tekende cassatieberoep aan tegen deze beslissing. II. De voorziening in cassatie. Eerste middel In essentie komt het eerste middel op tegen het oordeel van de appelrechters dat het AOW-pensioen geen rechtstreeks noch onrechtstreeks verband houdt met de beroepsuitoefening. Overeenkomstig artikel 34, § 1, 1° van het W.I.B.
(1992), zoals van toepassing voor de litigieuze aanslagjaren 2001 en 2002, zijn pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen, die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een beroepswerkzaamheid, belastbaar als pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend. Krachtens artikel 6, eerste lid, van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet (A.O.W.) behoren tot de kring van de verzekerden degenen die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en die hetzij ingezetene zijn, hetzij geen ingezetene zijn doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn onderworpen. Uit artikel 2 van de A.O.W. volgt dat met "de ingezetenen" de inwoners van Nederland worden beoogd, ongeacht hun nationaliteit. Nederlanders die niet in Nederland wonen of werken zijn in beginsel niet verplicht verzekerd. Artikel 6, derde lid, A.O.W. stipuleert dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking kan worden gegeven aan de kring der verzekerden. Zo worden de personen die in Nederland wonen en die gedurende een aaneengesloten periode van tenminste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verrichten, van de verzekering uitgesloten tenzij die arbeid wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever (art. 10 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 en art. 12 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999). Het uitgangspunt van de appelrechters dat iedere Nederlandse onderdaan recht heeft op AOW ongeacht of hij al dan niet gewerkt heeft, is m.i. niet te rijmen met de Nederlandse wetgeving. Het is evenmin te rijmen met de brief van de Sociale verzekeringsbank over de AOW-reglementering. Het oordeel van de appelrechters dat het AOW-pensioen geen rechtstreeks noch onrechtstreeks verband houdt met de beroepswerkzaamheid, kan dan ook niet worden gevolgd. Het is niet zo dat de Nederlandse nationaliteit recht geeft op het AOW-pensioen. Verzekerd zijn in essentie degenen die in Nederland wonen, ongeacht hun nationaliteit, en degenen die in Nederland werken, ongeacht hun nationaliteit. Een Nederlander die niet in Nederland woont of werkt is niet verzekerd. De term "onderdaan" betekent niet noodzakelijk titularis van de nationaliteit. Volgens Van Dale is een onderdaan "iemand die aan een ander onderworpen is, uitsluitend gezegd in betrekking tot een regerende vorst of een soevereine staat, van de personen die aan de oppermacht van de vorst of de staat, ondergeschikt zijn, onder hun gebied, bewind of gezag staan..." De appelrechters kunnen de term "onderdaan" dan ook in de betekenis van "ingezetene" of "inwoner" opgevat hebben. Maar ook indien de term onderdaan door de appelrechters in de betekenis van inwoner zou zijn gebruikt, is de afleiding die de rechters uit de brief van de Sociale Verzekeringsbank maken mijns inziens niet in overeenstemming met de bewoordingen ervan en zeker niet in overeenstemming met de Nederlandse pensioenwetgeving. Het is correct dat wie in Nederland woont en niet werkt, ook recht heeft op AOW-pensioen (voor de periode dat hij in Nederland heeft gewoond). Als iemand een tijdje in Nederland heeft gewoond en een tijdje in het buitenland, heeft hij slechts recht op AOW voor de periode dat hij in Nederland heeft gewoond, tenzij hij in de periode dat hij in het buitenland woonde, in Nederland heeft gewerkt of vrijwillig verzekerd was. Het is dus niet zo dat iemand die op een bepaald ogenblik in Nederland heeft gewoond, automatisch recht heeft op een integraal AOW-pensioen. Een inwoner van Nederland die uitsluitend in het buitenland werkt voor een buitenlandse werkgever, is niet verplicht verzekerd (artikel 10 Besluit beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 en artikel 12 Besluit beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999). De bewering dat iedere "inwoner" recht heeft op AOW-pensioen gaat derhalve ook niet op. Iemand die nooit gewerkt heeft en altijd in Nederland gewoond heeft, heeft recht op een volledig AOW-pensioen. Het AOW-pensioen houdt in dat geval geen verband met de beroepswerkzaamheid en kan niet in België kan belast worden op grond van artikel 34 §1, 1° WIB 92. Maar de eiser wijst er terecht op dat ieder die in Nederland werkt en loonbelasting betaalt, recht heeft op AOW-pensioen, ongeacht zijn nationaliteit of woonplaats. Er blijkt dus een ontegenzeggelijk verband te zijn tussen AOW-pensioen en beroepswerkzaamheid (in Nederland). Het werken in Nederland geeft sowieso recht op AOW-pensioen. Voor degene die altijd in Nederland gewoond en gewerkt heeft, is het zo dat hij alleen al op basis van zijn inwonerschap recht heeft op AOW-pensioen. Indien de rechter ten aanzien van zulke persoon oordeelt dat er geen verband is tussen het pensioen en de beroepswerkzaamheid, kan hij worden gevolgd. Ook als de persoon in kwestie niet zou gewerkt hebben, zou hij recht hebben op AOW-pensioen. Maar het is evengoed zo dat de betrokken persoon ook recht zou hebben op AOW-pensioen indien hij niet in Nederland zou gewoond hebben. De link tussen inwonerschap en pensioen is niet sterker dan de link tussen beroepsuitoefening en pensioen. De link met de beroepswerkzaamheid lijkt zelfs sterker dan de link met het inwonerschap in die zin dat degene die in Nederland woont maar ten minste drie maanden in het buitenland werkt (voor een niet-Nederlandse werkgever) niet verplicht verzekerd is in de AOW. Het lijkt mij dan ook logisch dat de rechter ten aanzien van iemand die in Nederland gewerkt heeft en daardoor recht heeft verworven op AOW-pensioen, niet kan besluiten dat er geen (zelfs onrechtstreeks) verband is tussen pensioen en beroepswerkzaamheid. Voor wie in Nederland gewerkt heeft, kan mijns inziens niet ontkend worden dat het AOW-pensioen (althans voor de periode van zijn tewerkstellling in Nederland) minstens onrechtstreeks verband houdt met de beroepswerkzaamheid. Door zijn tewerkstelling in Nederland heeft de betrokkene een onvervreemdbaar recht op AOW-pensioen. In zijn vroegere rechtspraak volgde het Hof van Beroep te Antwerpen duidelijk deze logica (Antwerpen 7 mei 1984, FJF 1984, nr. 84/186). Mijns inziens is dit hof daar in het bestreden arrest ten onrechte van afgestapt. In voorliggend geval is het oordeel van de appelrechters dat er geen link is tussen pensioen en beroepswerkzaamheid zeker niet correct. De eerste verweerder heeft altijd in Nederland gewerkt en is twaalf jaar voor zijn pensionering in België komen wonen, maar in Nederland blijven werken. Indien de eerste verweerder voor die laatste 12 jaar van zijn carrière recht heeft op AOW-pensioen, is dat enkel op grond van zijn beroepswerkzaamheid in Nederland (of omdat hij zich vrijwillig verzekerd heeft). Zeker voor die periode is het pensioen uitsluitend het gevolg van de beroepswerkzaamheid. Het oordeel van de appelrechters over het verband tussen pensioen en beroepswerkzaamheid is dan ook verkeerd. Het oordeel dat er geen verband is tussen het AOW-pensioen en de beroepswerkzaamheid van de eerste verweerder, is gebaseerd op een verkeerde uitlegging van de Nederlandse wetgeving en aldus behept met een schending van het Nederlandse materiële recht. Op basis van hun verkeerde uitlegging van de Nederlandse wet hebben de appelrechters, mijns inziens, niet naar recht kunnen beslissen dat het AOW-pensioen van de eerste verweerder geen verband houdt met diens beroepswerkzaamheid. Eiser voert dan ook terecht schending aan van artikel 34 §1, 1° WIB 92 dat pensioenen die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de beroepsuitoefening, belastbaar stelt. De appelrechters hebben dit artikel ten onrechte niet toegepast omdat zij er verkeerdelijk zijn van uitgegaan dat er geen verband is tussen pensioen en beroepsuitoefening. Het oordeel van de appelrechters dat er geen verband is tussen het AOW-pensioen van de eerste verweerder en diens beroepswerkzaamheid is in strijd met de Nederlandse wet. Het middel is dan ook gegrond in zoverre het de schending van artikel 34 §1, 1° WIB 92 inroept. Besluit: VERNIETIGING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div