id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091112.16 Rolnummer: F.08.0019.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-12-01 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-07-02 21:07 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.16 Fiche 1 Wanneer de werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract op het ogenblik dat zij worden gestort, moeten beschouwd worden als bezoldigingen in hoofde van de werknemer omdat de pensioenopbouw wordt verricht in het definitief en uitsluitend voordeel van laatstgenoemde, worden de latere uitkeringen niet als een uitgesteld beroepsinkomen belast op grond van art. 34, § 1, 2°, W.I.B.
(1992); het oordeel dat de stortingen van de werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract niet in het uitsluitend en definitief voordeel van de werknemer werden gedaan, kan mede berusten op de vaststelling dat de werknemer tijdens de opbouw van het pensioen niet kon beschikken, krachtens de wet of de overeenkomst, over de pensioenreserves
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Levensverzekering Vrije woorden: Levensverzekeringscontract - Werkgeversbijdragen - Stortingen tijdens de pensioenopbouw - Beschikkingsrecht van de werknemer - Belastbaarheid van het pensioen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 34, § 1, 2° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Als een individueel en definitief verworven pensioenopbouw in uitvoering van een levensverzekeringscontract wordt onder meer bedoeld dat de werkgeversbijdragen die de werkgever stort aan een stichting pensioenfonds onherroepelijk uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen en in hoofde van de werknemer vaste pensioenaanspraken doen ontstaan die definitief verworven zijn op het moment van de betaling van de bijdragen; de omstandigheid dat in principe het opgebouwde pensioen betaalbaar is vanaf het bereiken van de pensioenleeftijd, is slechts een modaliteit van de verplichting een pensioen te betalen maar is op zichzelf geen doorslaggevend element voor de beoordeling of de pensioenopbouw definitief en individueel verworven is
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Levensverzekering Vrije woorden: Levensverzekeringscontract - Werkgeversbijdragen - Stortingen tijdens de pensioenopbouw - Beschikkingsrecht van de werknemer - Individueel en definitief verworven pensioenopbouw Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 34, § 1, 2° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 3 Om overeenkomstig art. 39, § 2, 2°, W.I.B.
(1992)belastingvrijstelling van het in uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract uitgekeerde pensioen te genieten, vereist de wet alleen dat aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan, maar niet dat de premiebetalingen overeenkomstig artikel 145/1, 2°, van dit wetboek voor belastingvermindering in aanmerking kwamen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Levensverzekering Vrije woorden: Levensverzekeringscontract - Uitkeringen - Belastingvrijstelling - Vereisten Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 39, § 2, 2° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Levensverzekering Vrije woorden: Levensverzekeringscontract - Werkgeversbijdragen - Stortingen tijdens de pensioenopbouw - Beschikkingsrecht van de werknemer - Belastbaarheid van het pensioen Levensverzekeringscontract - Werkgeversbijdragen - Stortingen tijdens de pensioenopbouw - Beschikkingsrecht van de werknemer - Individueel en definitief verworven pensioenopbouw Levensverzekeringscontract - Uitkeringen - Belastingvrijstelling - Vereisten Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.08.0019.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. De feiten en procedurevoorgaanden. De rechtsvoorganger van verweersters genoot een aanvullend pensioen opgebouwd in Nederland (Nederlandse stichting Pensioenfonds Honeywell), gedeeltelijk in de periode dat hij nog in Nederland woonde en werkte en gedeeltelijk in de periode dat hij in België woonde en werkte. Dit pensioen werd voor de aanslagjaren 2001 en 2002 aangegeven als pensioen in code 211 van de aangifte in de PB en als dusdanig aan het progressieve tarief belast. De belastingschuldigen hebben een bezwaar ingediend omdat het aanvullend pensioen niet als pensioen belastbaar zou zijn (maar enkel als roerend inkomen), omdat het in het individuele en definitieve voordeel van de rechtsvoorganger werd aangegaan, zodat de pensioenbijdragen (van werkgever en werknemer) een belastbaar voordeel van alle aard uitmaken en de latere uitkering op grond van artikel 39, §2, 2°, a WIB 92 niet als pensioen belastbaar is. Het bezwaar werd afgewezen. De fiscale rechter oordeelde in eerste aanleg dat de rente als pensioen belastbaar is omdat de rechtsvoorganger voor de pensionering niet over de aangelegde pensioenreserve kon beschikken, zodat de vrijstelling van artikel 39 § 2, 2°, a niet speelt. In hoger beroep werden de betwiste aanslagen ontheven. Volgens de appelrechters blijkt uit het pensioenreglement dat de pensioenopbouw in het individueel en definitief voordeel van de rechtsvoorganger van verweersters werd verworven, zodat de pensioenrechten tot zijn privé-vermogen behoren. Bijgevolg kunnen de latere periodieke uitkeringen niet meer als pensioen worden gekwalificeerd (en belast). II. De voorziening in cassatie. II.1. Eerste onderdeel. Het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie voert aan dat het bestreden arrest de artikelen 34 §1, 1° en 39 § 2, 2, a, WIB 92, artikel 172 G.W. en voor zoveel nodig, de artikelen 1319, 1320 en 1322 B.W. en 870 Ger.W. schendt doordat het stelt dat eiser in cassatie voor de toepassing van artikel 39 WIB 92 een te enge interpretatie hanteert van het begrip "individueel en definitief verworven". Eiser meent dat die notie inhoudt dat de begunstigde ten allen tijde over de "rechten" kan beschikken, in de zin dat hij te allen tijde de betaling kan eisen. In casu betreft het een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdig overlijden aangegaan bij de Stichting Pensioenfonds Honeywell, een zelfstandig rechtspersoon, onafhankelijk van de werkgever, bij wie wijlen de heer DIETZ zich vrijwillig en individueel heeft aangesloten. De opbouw van het aanvullend pensioenkapitaal werd deels gefinancierd met werkgeversbijdragen (65%) en deels met werknemersbijdragen (35 %). De op het loon ingehouden werknemersbijdragen en de betaalde werkgeversbijdragen vormen in hoofde van de werknemer definitief verworven pensioenrechten, aangezien ze op geen enkele manier kunnen worden herroepen door de werkgever: in geval van vroegtijdige verbreking van het arbeidscontract, zelfs om dringende reden, geven de tot op dat moment betaalde premies immers recht op het verder verloop van een premievrije polis. Terzake kan tevens verwezen worden naar de onaantastbaarheid van de opgebouwde pensioenrechten ingeval van wijziging van de pensioenregeling en naar de afkoopmogelijkheid van de pensioenrechten voor de pensioenleeftijd. Niettegenstaande het feit dat de betaling van de werkgeversbijdragen voor de werkgever op een collectieve regeling berust voor al haar aangesloten werknemers, vormen de betaalde werknemers- en werkgeversbijdragen in hoofde van de aangesloten werknemers geïndividualiseerde pensioenrechten die zij kunnen laten gelden jegens een onafhankelijke derde, de Stichting Pensioenfonds Honeywell, vanaf het ogenblik van de effectieve betaling van de premies. Inzake de opbouw van de aanvullende pensioenrechten zijn bovendien de regels van de Nederlandse Pensioen- en Spaarfondsenwet van dwingende toepassing. Ingevolge artikel 32 van deze wet, kunnen de opgebouwde pensioenreserves worden overgedragen, in pand gegeven, in beslag worden genomen of enige andere handeling ondergaan waardoor enig recht op pensioen of aanspraak op pensioen aan een ander wordt toegekend. De werkgeversbijdragen moeten dus beschouwd worden als een belastbaar voordeel in natura op het moment dat ze door de werkgever aan de stichting Pensioenfonds worden betaald. In een arrest van 11 april 2002 (A.R. nr. F.00.0078.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020411.26, T.F.R., 2002, 801) oordeelde Uw Hof dat wanneer de werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract op het ogenblik dat zij worden gestort, moeten beschouwd worden als bezoldigingen in hoofde van de werknemer omdat de pensioenopbouw wordt verricht in zijn definitief en uitsluitend voordeel, de latere uitkeringen niet als een uitgesteld beroepsinkomen worden belast op grond van artikel 34, § 1, 2°, van het W.I.B.
(1992). Er anders over oordelen zou, volgens Uw Hof, inhouden dat tweemaal wordt belast, wat niet strookt met de strekking van de wet. Het Hof van Beroep heeft feitelijk en onaantastbaar op grond van een uitgebreide analyse van het pensioenreglement vastgesteld dat de werkgever werkgeversbijdragen stortte aan de Stichting Pensioenfonds Honeywell waarop hij niet meer kon terugkomen en waardoor voor wijlen de heer DIETZ vaste pensioenaanspraken ontstonden, bestaande uit hetzij de verdere vorming van een pensioen, hetzij een premievrij pensioen, hetzij een actuariële afkoopwaarde. Nu Uw Hof één en ander marginaal kan toetsen, dient vastgesteld dat deze feitelijke beoordeling gebeurd is conform de artikelen 34, § 1, 2°, en 39, 2°, a, van het W.I.B.
(1992)zoals deze worden uitgelegd in de rechtspraak van Uw Hof (cfr. Cass., 11 april 2002, A.R. nr. F.00.0078.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020411.26, T.F.R., 2002, 801; Cass., 17 februari 2000, A.R. nr. F.97.0116.N). Immers, nu het Hof van Beroep onder meer heeft vastgesteld dat wijlen de heer DIETZ daadwerkelijk in 1970 naar België is geëmigreerd en bijgevolg kon beschikken over de pensioenreserves door de afkoop ervan, kon het zonder schending van de ingeroepen wetsartikelen oordelen dat de pensioenopbouw in het individueel en definitief verworven voordeel van wijlen de heer DIETZ is gebeurd. Zoals blijkt uit de rechtspraak van Uw Hof, wordt met het begrip "individueel en definitief verworven karakter" bedoeld dat enerzijds de werkgeversbijdragen die de werkgever stort aan de Stichting Pensioenfonds onherroepelijk uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen en waardoor, anderzijds, in hoofde van de werknemer vaste pensioenaanspraken ontstonden die definitief verworven zijn op het moment van de betaling van de bijdragen. In casu heeft het Hof van Beroep omstandig vastgesteld dat de voor wijlen de heer DIETZ opgebouwde pensioenrechten definitief verworden zijn aan de hand van de hoger vermelde elementen. Zo stelt het bestreden arrest onder meer vast dat de pensioenbijdragen op grond van de Nederlandse Pensioen- en Spaarfondsenwet, in beslag kunnen worden genomen, en dat het recht op pensioen kan worden overgedragen of in pand gegeven of het voorwerp uitmaken van enige handeling waardoor het recht op pensioen of aanspraak op pensioen aan een ander wordt toegekend. Indien de pensioenbijdragen ten laste van de belastingplichtige in beslag kunnen worden genomen impliceert dit inderdaad dat de bijdragen (en dus de pensioenreserves) in zijn individueel en definitief voordeel zijn verworven. Aan deze vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de bepaling in het pensioenreglement krachtens dewelke het opgebouwde pensioen in principe betaalbaar is vanaf het bereiken van de pensioenleeftijd. Zoals terecht door het Hof van Beroep is gesteld, betreft dit louter een betalingsmodaliteit die niet relevant is, laat staan doorslaggevend, voor de beoordeling van het individueel en definitief verworven karakter van de pensioenopbouw. Het is overigens inherent aan een ouderdomspensioenen dat de betaling ervan slechts vanaf een bepaalde leeftijd kan worden opgeëist: wanneer de werknemer op alle mogelijke tijdstippen de betaling van de "pensioenrechten" kan eisen, staan we niet voor een pensioen, maar voor een gewone bezoldiging (A. HUYGHE en G. BOMBEKE, "Artikel 18. Pensioenen" in Het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag. Een artikelsgewijze benadering, B. PEETERS (ed.), Larcier, 2008, 560; T. LEEWERCK, "Nederlandse pensioenen: misvatting over cassatiearrest beheerst recente rechtspraak", Fisc. Act. 2006, nr. 31, 3). Het is inderdaad duidelijk dat de principiële betaalbaarstelling op pensioenleeftijd voortvloeit uit een essentiële karakteristiek van de overeenkomst die de werkgever heeft gesloten ten gunste van de werknemer, met name de opbouw van een aanvullend pensioen. Niettegenstaande de principiële betaalbaarstelling van het pensioen op pensioenleeftijd belet juridisch immers niets dat de werknemer het voordeel van de uitkeringen voor de pensioenleeftijd kan verkrijgen. Het Hof van Beroep heeft overigens vastgesteld dat wijlen de heer DIETZ de daadwerkelijke mogelijkheid had om voor zijn pensioenleeftijd de opgebouwde pensioenreserves af te kopen. Het gegeven dat partijen overeenkomen om de opgebouwde pensioenreserves pas uit te betalen op het moment dat de begunstigde de pensioenleeftijd heeft bereikt, sluit echter geenszins uit dat de opbouw individueel en definitief verworven is (cfr. Comm. W.I.B. 1992, nr. 31/5, 8°). Waar eiser in cassatie stelt dat niet voldaan is aan het individueel en definitief verworven karakter van de pensioenopbouw omdat wijlen de heer DIETZ niet "vrijelijk en naar eigen goeddunken over de uitkeringen kon beschikken", voegt hij een door artikel 39, 2°, a, van het W.I.B.
(1992)niet gestelde vrijstellingsvoorwaarde toe. Immers, overeenkomstig dat artikel maken alle voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid belastbare bezoldigingen uit. Het criterium ‘het vrijelijk en naar eigen goeddunken beschikken' is derhalve niet relevant voor de belastbaarheid. Het eerste onderdeel kan bijgevolg niet worden aangenomen. II.2. Tweede onderdeel. Eiser in cassatie stelt in het tweede onderdeel dat om in aanmerking te komen voor de vrijstellingsregeling van artikel 39, 2°, a, van het W.I.B.
(1992)eerst de toepassingsvoorwaarden van artikel 145/1, 2°, voldaan moeten zijn. Zo argumenteert eiser dat in het bestreden arrest "niet werd vastgesteld dat de belastingplichtige de premies effectief heeft betaald door bijvoorbeeld aan te tonen dat die bijdragen aan de Nederlandse Stichting Pensioenfonds Honeywell als een belastbaar voordeel van alle aard werden aangegeven (de principiële belastbaarheid wordt bevestigd door het bestreden arrest). Hieruit blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 145/1, 2°, W.I.B. 1992 niet werd voldaan." Krachtens artikel 39, 2°, a, van het W.I.B.
(1992)zijn de in artikel 34, § 1, 2°, W.I.B.
(1992)genoemde pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden vrijgesteld van belasting indien de belastingplichtige of de persoon wiens rechtsverkrijgende hij is het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en geen vrijstelling is toegepast overeenkomstig bepalingen die voor het aanslagjaar 1993 van toepassing waren en de in de artikelen 145/1, 2° en 3° en 147/17, 1° en 2°, W.I.B. 1992 vermelde verminderingen niet zijn verleend. Door de toepassing van het vrijstellingsregime van artikel 39, § 2, 2°, a, W.I.B.
(1992)afhankelijk te stellen van de vervulling van de toepassingsvoorwaarden van artikel 145/1, 2°, W.I.B.
(1992)- o.m. de vereiste van een Belgisch verzekeringscontract), voegt eiser in cassatie een voorwaarde toe aan de wettelijke bepaling. Wanneer, zoals in casu, kan worden aangetoond en vastgesteld dat de belastingplichtige of de persoon wiens rechtsverkrijgende hij is het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten - hetgeen impliceert dat de premies in het individueel en definitief verworven voordeel van de begunstigde gestort zijn zodat zij geacht worden tot zijn privé-patrimonium te behoren - en er geen vrijstelling of vermindering is toegepast, omdat in casu de premies gestort aan een Nederlands pensioenfonds daarvoor niet in aanmerking kwamen, is voldaan aan de in artikel 39, 2°, a, W.I.B.
(1992)gestelde toepassingsvoorwaarden voor de vrijstelling. In het voornoemd arrest van 11 april 2002 overwoog Uw Hof dat uit artikel 39, § 2, 2°, a, W.I.B.
(1992)"volgt dat bedragen die een rijksinwoner zou ontvangen op grond van een levensverzekering die hij individueel heeft gesloten in Nederland niet zal belast worden op grond van artikel 34, § 1, 2°, aangezien de inwoner slechts zou worden belast indien hij van vrijstellingen of verminderingen heeft genoten". Uit de rechtspraak blijkt duidelijk dat de rechtbanken artikel 39 §2, 2° W.I.B.
(1992)principieel van toepassing achten op in Nederland opgebouwde pensioenen. Nochtans kwamen voor de bedoelde aanslagjaren de bijdragen voor die pensioenen niet in aanmerking voor de vermindering van artikel 145/1, 2° WIB 92. Dat artikel vereiste toen immers dat de premies in België moesten zijn betaald. Uit de rechtspraak blijkt dan ook duidelijk dat de effectieve aftrekbaarheid van de premies geen voorwaarde is voor de pensioenvrijstelling. In zoverre het onderdeel het beginsel "non bis in idem" geschonden acht, is het volstrekt onduidelijk, en bijgevolg onontvankelijk. Ten overvloede weze opgemerkt dat in voorliggende zaak de pensioenbijdragen van de rechtsvoorganger van verweersters vanaf 1970 werden ingehouden op in België betaalde lonen. In zoverre die inhoudingen een voordeel van alle aard uitmaakten, konden ze effectief in België worden belast op grond van het toenmalige dubbelbelastingverdrag (art. 15 en 22 Overeenkomst van 19/10/1970). De loutere omstandigheid dat eiser de bijdragen niet als voordeel van alle aard belast heeft, verleent haar niet het recht om ze als pensioen te belasten. Dat de rechtsvoorganger van verweersters de bijdragen niet als voordeel van alle aard heeft aangegeven, belette de eiser niet om deze bijdragen als dusdanig te belasten. Het beginsel "non bis in idem", dat de belastingplichtige beschermt tegen dubbele belasting, houdt niet in dat de Staat een pensioen moet kunnen belasten in alle gevallen waarin de pensioenbijdragen niet effectief als voordeel van alle aard werden belast. Bijgevolg kan ook het tweede onderdeel niet worden aangenomen. Besluit: VERWERPING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.16 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020411.26 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div