id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091126.13 Rolnummer: C.08.0377.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-12-15 Raadplegingen: 399 - laatst gezien 2026-07-03 00:39 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091126.13 Fiche 1 De benadeelde, die door de verzekering over een eigen recht tegen de verzekeraar beschikt, kan aldus zijn vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding instellen hetzij tegen de verzekerde of diens verzekeraar afzonderlijk, hetzij tegen beiden gezamenlijk; in dit laatste geval zijn de verzekerde en zijn verzekeraar bij een vastgestelde aansprakelijkheid in solidum gehouden de benadeelde te vergoeden
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar - Vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding - Wijze van instellen van de vordering tegen de verzekerde en/of diens verzekeraar Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Art. 86 Fiche 2 Dat een vonnis aan de verzekeraar of aan de benadeelde in de regel slechts kan worden tegengeworpen indien zij in het geding partij zijn geweest of daarin zijn geroepen, staat er niet aan in de weg dat wanneer de benadeelde zijn vordering eerst heeft ingesteld tegen de verzekeraar en die bij afwezigheid van aansprakelijkheid wordt afgewezen, de verzekerde die nadien wordt aangesproken door de benadeelde, het in het eerste geding gewezen vonnis kan tegenwerpen aan de benadeelde
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding - Wijze van instellen van de vordering tegen de verzekerde en/of diens verzekeraar - Eerder gewezen vonnis Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Art. 89, § 1, eerste lid Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal m.o. VAN INGELGEM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar - Vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding - Wijze van instellen van de vordering tegen de verzekerde en/of diens verzekeraar Vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding - Wijze van instellen van de vordering tegen de verzekerde en/of diens verzekeraar - Eerder gewezen vonnis Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.08.0377.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
- SITUERING 1.
- Eiser kwam als fietser ten val en heeft in een eerste procedure tweede verweerster, in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van eerste verweerster, gedagvaard in schadevergoeding (op grond van art. 1382 B.W.). Deze vordering werd wegens gebrek aan bewijs ongegrond verklaard. 1.
- Na verwerping van zijn cassatieberoep startte eiser een tweede procedure tegen eerste verweerster, waarin tweede verweerster vrijwillig tussenkwam. In deze tweede procedure werd de beslissing met betrekking tot de eerste procedure hem tegenstelbaar verklaard, en werd zijn vordering als ongegrond afgewezen.
- BESPREKING VAN DE MIDDELEN Tegen dit vonnis in hoger beroep voert eiser een enig middel tot cassatie aan waarin de schending van de regels inzake het gezag van het rechterlijk gewijsde (cf. art. 23 tot 27 van het Gerechtelijk Wetboek) wordt opgeworpen, evenals de schending van artikel 89, § 1, eerste lid, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst (met betrekking tot de tussenkomst in de rechtspleging) en van de in het middel aangevoerde artikelen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de beoordeling van bewijzen en vermoedens. 2.
- Overeenkomstig artikel 89, § 1, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst kan een vonnis aan de verzekeraar, aan de verzekerde of aan de benadeelde slechts worden tegengeworpen indien zij in het geding partij zijn geweest of daarin zijn geroepen. Het vonnis dat in een geschil tussen de benadeelde en de verzekerde gewezen is, kan bovendien aan de verzekeraar worden tegengeworpen indien vaststaat dat deze in feite de leiding van het geding op zich heeft genomen
(1). Dit laatste is een logisch gevolg van het recht van de verzekeraar om op grond van artikel 79, tweede lid, van dezelfde wet in de plaats van de verzekerde de vordering van de benadeelde te bestrijden, in de mate dat zijn belangen samenvallen met die van de verzekerde
(2). Op voormelde basis breidt artikel 89, § 1, tweede lid, van voormelde wet het gezag van gewijsde van een vonnis uit tot een partij die hierin niet noodzakelijk als procespartij is tussenbeide gekomen
(3). 2.2. Weliswaar bevat artikel 89, § 1, eerste lid, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst op dit punt evenwel geen afwijking of innovatie ten overstaan van het gemeen recht, maar, hoewel het gezag van het gewijsde betrekkelijk is en slechts tussen de partijen kan worden opgeworpen, belet zulks niet
(4)dat de beslissing ten opzichte van derden - die geen partij bij het geding waren - bewijswaarde heeft. Op de bewijswaarde van een eerder gevelde beslissing kan in de eerste plaats een beroep gedaan worden door degene die partij was bij de uitspraak. Hij kan ze - in een navolgend geding en in de veronderstelling dat bewijsvoering aldaar door middel van feitelijke vermoedens toegelaten is - als bewijsmiddel (ter staving van zijn vordering of verweer) aanwenden ten aanzien van iemand die niet deelnam aan het debat voor de eerste rechter, maar het spiegelbeeld van deze hypothese is eveneens denkbaar, met name dat (in een navolgend geding) een derde zich, ter staving van zijn aanspraken, ten aanzien van zijn wederpartij beroept op een gerechtelijke beslissing waarin laatstgenoemde de hoedanigheid van procespartij had
(5). 2.3. Tegenwerpelijkheid
(6)vindt bovendien zijn grondslag of bestaansreden in de maatschappelijke realiteit, met name de onderlinge samenhang en de afhankelijkheid van de rechtssubjecten en de hieraan inherente interactie. De tegenwerpelijkheid van gerechtelijke uitspraken wordt aldus gerechtvaardigd door gezond verstand. Met het oog op het herstel van de maatschappelijke vrede, vereist de rede dat de weerslag van deze uitspraak zich zo ver mogelijk zou laten gevoelen
(7). 2.4. In voormelde benadering stel ik in deze aangelegenheid eveneens vast dat artikel 86 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst het eigen en rechtstreeks recht van het slachtoffer van een verzekerd schadegeval tegen de verzekeraar van de aansprakelijkheid heeft uitgebreid tot de aansprakelijkheidsverzekeringen in het algemeen. De verzekering geeft aldus de benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar, maar de benadeelde heeft tegen de verzekeraar van een beweerd aansprakelijke niet meer noch andere rechten dan die welke hij tegen de beweerd aansprakelijke zelf kan laten gelden
(8). 2.
- Dit alles brengt mij er toe om in de hierboven geschetste context te stellen dat in deze de rechter tot staving van zijn beslissing over de gegrondheid van de vordering wel degelijk kon steunen op de bewijswaarde van een vonnis gewezen in een geding waarin eiser, tegen wie het wordt ingeroepen, partij was. Het middel dat uitgaat van een andere juridische stelling faalt mijns inziens naar recht. 2.
- In zoverre het middel de schending aanvoert van de regels inzake het gezag van het rechterlijk gewijsde (artikel 23 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek) ben ik, in het verlengde van het hierboven gestelde, de mening toegedaan dat eiser uitgaat van een verkeerde lezing of interpretatie van het bestreden vonnis en dat het middel daardoor feitelijke grondslag mist. 2.
- Wat de overige aangevoerde artikelen uit het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de beoordeling van bewijzen en vermoedens betreft, ben ik van oordeel dat het middel uitgaat van de eerder hierboven vergeefs aangevoerde stelling, en mitsdien niet ontvankelijk is. 2.
- Met betrekking tot het, in ondergeschikte orde, door eiser gedane verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof in verband met de schending door artikel 89, § 1, eerste lid, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 6 E.V.R.M., ben ik de mening toegedaan dat - nu die vraagstelling gebaseerd is op een onjuiste onderstelling van het cassatiemiddel over de inhoud van het recht
(9)dan wel uitgaat van een door het Hof verworpen rechtsopvatting
(10)of berust op een onjuiste juridische veronderstelling of uitgangspunt
(11)alsook op een verkeerde lezing van het bestreden vonnis
(12)- zij geen aanleiding kan geven tot het stellen van een prejudiciële vraag. 3. CONCLUSIE VERWERPING. _______________
(1)C. VAN SCHOUBROECK, Overzicht van rechtspraak. Wet op de landverzekeringsovereenkomst, 1992-2003, T.P.R. 2003, II, nr 76-1, 2013.
(2)G. JOCQUE, Artikelsgewijze commentaar Verzekeringen, Kluwer, Artikel 89, Wet 25 juni 1992.
(3)L. SCHUERMANS, Grondslagen van het Belgisch verzekeringsrecht, Intersentia, 2de ed., nr. 664, 496.
(4)Cass. 28 april 1989, A.R. nr. 6247, A.C., 1989, nr. 495.
(5)P. TAELMAN, Het gezag van het gewijsde: een begrippenstudie, Kluwer, 2001, nr. 363-364, 267.
(6)P. TAELMAN, O.C., nr. 344, 255.
(7)P. TAELMAN, O.C., nr. 348-349, 258.
(8)Cass. 6 okt. 2005, C.04.0198.N.
(9)Cass. 11 feb. 2005, C.04.0262.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050211.7.
(10)Cass. 22 feb. 2005, P.04.1345.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.33.
(11)Cass. 19 feb. 2008, C.07.0281.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081219.1.
(12)Cass. 15 feb. 2004, P.04.0478.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040915.14. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091126.13 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040915.14 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050211.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.33 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081219.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div