id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 november 2009
Artikel 579
, 1°, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte ratione personae - Cursist in opleiding in een onderneming - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 579, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Besluit van de Vlaamse Executieve 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding - 21-12-1988 - Art. 126 - 36 ELI link Pub nr 1989029017 Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - RECHTSPLEGING - Algemeen Vrije woorden: Materiële
Artikel 579
, 1°, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte ratione personae - Cursist in opleiding in een onderneming - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 579, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Besluit van de Vlaamse Executieve 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding - 21-12-1988 - Art. 126 - 36 ELI link Pub nr 1989029017 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - ALGEMEEN Vrije woorden: Materiële
Artikel 579
, 1°, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte ratione personae - Cursist in opleiding in een onderneming - Toepassing Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - RECHTSPLEGING - Algemeen Vrije woorden: Materiële
Artikel 579
, 1°, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte ratione personae - Cursist in opleiding in een onderneming - Toepassing Tekst van de conclusie S.04.0134.N Conclusie van advocaat-generaal R. Mortier:
- Bij arrest van 27 februari 2004 oordeelde het arbeidshof te Antwerpen dat de vordering van eiser, die betrekking heeft op een verzekeringsovereenkomst welke de toekenning van gemeenrechtelijke vergoedingen beoogt, analoog aan de vergoedingen verschuldigd op grond van de arbeidsongevallenreglementering, niet onder de toepassing valt van artikel 579 Ger.W. De appelrechters oordelen dat het niet aangewezen voorkomt de gevraagde prejudiciële vragen te stellen nu er in wezen geen verschil in behandeling is tussen een werknemer en een cursist in opleiding, en in zoverre dit wel het geval zou zijn, dit wettelijk geformuleerd onderscheid gestoeld is op een objectieve en redelijke verantwoording.
- Op de voorziening van eiser oordeelde Uw Hof bij arrest van 26 juni 2008 dat het eerste onderdeel feitelijke grondslag mist en dat er met betrekking tot het tweede onderdeel aanleiding bestaat tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Uw Hof ging er voorafgaand van uit dat de voor de hand liggende uitlegging van artikel 579,1° Ger.W., die ook door de letterlijke tekst van het artikel wordt geboden, is dat de in dit artikel bedoelde arbeidsongevallen die zijn, waarvoor een wettelijke verzekering krachtens de arbeidsongevallenwet of een wet die de arbeidsongevallenwet daarop toepasselijk maakt, verplicht is en artikel 579, 1° Ger.W. niet toepasselijk lijkt op de ongevallen waarvoor krachtens artikel 126 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 21 december 1988 een gemeenrechtelijke verzekering moet worden gesloten. Uw Hof stelde evenwel dat de uitlegging waarbij de arbeidsrechtbank bevoegd zou zijn kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van schade van cursisten voortvloeiend uit een bedrijfsongeval niet volledig uit te sluiten is, waarbij de vraag rijst of, in de uitlegging volgens dewelke artikel 579,1° niet van toepassing zou zijn op cursisten, het strijdig is met de artikelen 10 en 11 G.W. dat de vorderingen betreffende schade wegens arbeidsongevallen, wat betreft de bevoegdheid van de arbeidsgerechten om daarvan kennis te nemen, verschillend geregeld zijn voor de cursisten bepaald in voormeld artikel 126 enerzijds en de werknemers anderzijds.
- Bij arrest nr.94/2009 van 4 juni 2009 werd door het Grondwettelijk Hof uitspraak gedaan over de door Uw Hof gestelde prejudiciële vraag. Het Grondwettelijk Hof gaat uit van de hypothese dat het verschil in behandeling wordt aangeklaagd in zoverre de vorderingen niet toelaatbaar zijn voor de arbeidsrechtbank indien zij voortvloeien uit schade die krachtens de gemeenschapsreglementering betreffende de beroepsopleiding moet worden verzekerd door een ongevallenverzekering van gemeen recht die dezelfde waarborgen biedt als de arbeidsongevallenwet. Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat het verschil in behandeling inzake de bevoegde rechtbank berust op een objectief criterium, namelijk de wijze waarop de schade wordt verzekerd en dit onderscheid het gevolg is van het feit dat stagiairs in beroepsopleiding niet onderworpen zijn aan het geheel van de sociale zekerheid. Evenwel is de aard van de ongevallen die aanleiding geven tot de vorderingen tot vergoeding van schade en de omvang van de waarborgen die door de verzekeraars moeten verstrekt worden identiek of soortgelijk. De loutere omstandigheid dat die waarborgen onderscheidelijk in een gemeenrechtelijke dan wel een arbeidsongevallenverzekering overeenkomstig de Arbeidsongevallenwet verstrekt zijn, kan het verschil in bevoegdheid van rechtbanken niet verantwoorden. De vertrouwdheid van de arbeidsrechtbanken met de geschillen inzake arbeidsongevallen, de specifieke samenstelling van die rechtscolleges en de procedurele bijzonderheden, bieden bijkomende waarborgen die niet mogen onthouden worden aan personen die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden. Bovendien zou de onderscheiden bevoegdheid van de arbeidsrechtbank en de rechtbank van eerste aanleg ertoe kunnen leiden dat eenzelfde ongeval waarbij zowel een cursist in opleiding als een werknemer betrokken zijn, door onderscheiden rechtbanken zou moeten beoordeeld worden. Daaruit volgt dat de onderscheiden bevoegdheid van die rechtbanken ter zake niet redelijk verantwoord is. Het Grondwettelijk Hof zegt dan ook voor recht dat in de interpretatie dat de arbeidsrechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen betreffende de vergoeding van schade voortkomende uit ongevallen die worden gedekt door een gemeenrechtelijke ongevallenverzekering voor cursisten in beroepsopleiding, artikel 579,1° Ger.W. de artikelen 10 en 11 G.W. schendt.
- Gelet op artikel 28 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, krachtens hetwelk het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, zich voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de prejudiciële vraag werd gesteld, moet voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof, bestaat er dan ook aanleiding, zoals reeds uiteengezet in de schriftelijke conclusie van 31 maart 2008, artikel 579,1° Ger.W. in die zin te begrijpen dat de arbeidsgerechten ook bevoegd zijn kennis te nemen van deze vorderingen tot vergoeding van schade.
- De appelrechters die uitgaan van een tegengestelde rechtsopvatting en zich onbevoegd verklaren, schenden artikel 579,1° Ger.W. Het tweede onderdeel is in zoverre gegrond. Conclusie: VERNIETIGING ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091130.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div