← België

ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091210.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091210.4 Rolnummer: F.08.0020.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2010-01-11 Raadplegingen: 302 - laatst gezien 2026-07-02 20:47 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.4 Fiches 1 - 5 Een belastingreglement dat bepaalt dat de belasting berekend wordt in de mate waarin een bepaalde variabele voorhanden is, zonder dat de verschuldigde belasting minder mag bedragen dan een bepaald minimumbedrag, schendt op zichzelf het gelijkheidsbeginsel niet; wanneer de belastingschuldigen die de minimumbelasting verschuldigd zijn, voldoende vergelijkbaar zijn in het licht van de aard en het doel van het belastingreglement, is er geen sprake van ongelijke behandeling; indien de toepassing van de minimumbelasting leidt tot de gelijke behandeling van belastingschuldigen die zich niet in een vergelijkbare toestand bevinden, is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden indien de gelijke behandeling berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is

(1).
(1)Zie de verwijzingen in de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Gelijkheid van de Belgen voor de wet Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Niet-discriminatie in het genot van de aan de Belgen toegekende rechten en vrijheden Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Gelijkheid inzake belastingen Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Gelijkheid inzake belastingen - Onderscheid volgens verschillende categorieën van belastingplichtigen - Belastingreglement dat voorziet in een minimumbelasting - Vereiste verantwoording Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - PROVINCIEBELASTINGEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Reglement dat voorziet in een minimumbelasting - Verenigbaarheid met de gelijkheid inzake belastingen - Vereisten Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 Fiches 6 - 10 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Gelijkheid van de Belgen voor de wet Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Niet-discriminatie in het genot van de aan de Belgen toegekende rechten en vrijheden Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Gelijkheid inzake belastingen Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Gelijkheid inzake belastingen - Onderscheid volgens verschillende categorieën van belastingplichtigen - Belastingreglement dat voorziet in een minimumbelasting - Vereiste verantwoording Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - PROVINCIEBELASTINGEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Openbare financiën - art. 170-181 FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Gelijkheid Vrije woorden: Reglement dat voorziet in een minimumbelasting - Verenigbaarheid met de gelijkheid inzake belastingen - Vereisten Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.08.0020.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. Eiseres werd voor de aanslagjaren 1997 tot 1999 door verweerster aangeslagen in de algemene provinciebelasting wegens het uitoefenen van het vrij beroep van geneesheer in het OLV-ziekenhuis te Aalst. Die provinciebelasting wordt geheven ten laste van gezinnen die op het grondgebied van de provincie verblijven of het genot hebben of kunnen hebben van een woongelegenheid (APB gezinnen) en ten laste van de natuurlijke personen en de rechtspersonen die als hoofd- en/of bijkomende activiteit op het grondgebied van de provincie een nijverheids-, landbouw-, veeteelt-, tuinbouw- of handelsbedrijf exploiteren of een vrij beroep of zelfstandige activiteit uitoefenen (APB bedrijven). Zowel in de APB gezinnen als in de APB bedrijven wordt een hogere belasting aangerekend indien de oppervlakte van de woning of van de vestiging een bepaald aantal vierkante meters overstijgt. Voor de provinciegouverneur en voor de fiscale rechter voerde eiseres aan dat het litigieus belastingreglement strijdig is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel,voornamelijk omdat het "alle belastingplichtigen met een vestiging tot 3.719,29 m2 over dezelfde kam scheert (
  1. en)pas vanaf een bebouwde oppervlakte van meer dan 3.719,29 m2 reëel rekening wordt gehouden met de oppervlakte van de vestiging van de belastingplichtige." Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep werd eiseres' vordering afgewezen. De appelrechters oordeelden dat het litigieus belastingreglement niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. 2. In het enig middel tot cassatie stelt eiseres dat het betrokken provinciale belastingreglement wel degelijk strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en voert zij terzake een aantal argumenten aan die ook voor de fiscale rechter werden geformuleerd. De enige kritiek die eiseres uit ten aanzien van het bestreden arrest, is dat de appelrechters oordelen in strijd met de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 3. Verweerster werpt in haar memorie op dat het middel niet ontvankelijk is wegens onnauwkeurigheid en gebrek aan precisering van de onwettigheid. Dit standpunt kan m.i. niet worden gevolgd nu eiseres duidelijk uiteenzet waarom het litigieus belastingreglement zijn inziens het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt, zodat de appelrechters, door in een andere zin te oordelen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben geschonden. 4. De in artikel 10 van de Grondwet vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen, de in artikel 11 van de Grondwet neergelegde regel van non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden, alsmede de regel van artikel 172 van de Grondwet inzake de gelijkheid voor de belastingen, impliceren dat allen, die zich in dezelfde toestand bevinden, gelijkelijk worden behandeld. Uw Hof oordeelde meermaals "dat de grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen er niet aan in de weg staan dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; dat de al of niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel" (Cass. 5 okt. 1990, A.C., 1990-91, nr. 61, met conclusie van adv.-gen. D'HOORE; Cass. 30 april 1992, A.C., 1991-92, 823; Cass. 10 sept. 1993, A.C., 1993, nr. 341; Cass., 3 okt. 1996, A.C., 1996, nr. 353; Cass. 16 okt. 1997, F.J.F., 97/241; Fisc. Koer., 1997, 634, noot VAN LAERE; Cass. 12 jan. 1998, A.C., 1998, nr. 19; Cass. 1 okt. 1999, A.C., 1999, 496; Cass. 17 nov. 2000, F.99.0156.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001117.7; Cass. 29 maart 2002, J.L.M.B., 2002, 186; Cass. 15 jan. 2004, A.R. F.02.0006.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040115.9, www.cass.be, met concl. adv.-gen. m.o. D. Thijs; Zie ook: Cass. 21 dec. 1982, A.C., 1982-83, 544; Cass. 6 feb. 1987, A.C., 1986-87, 757; Cass. 13 maart 1987, A.C., A.C., 1986-87, 924; Cass. 26 jan. 1989, A.C., 1988-89, 635; Voor een overzicht van rechtspraak inzake de bestrijding van provinciale en gemeentelijke belastingen op grond van schending van het gelijkheidsbeginsel, zie F. KRANSFELD en J. VANDEN BRANDEN, Fiscale Rechtspraakoverzichten Inkomstenbelastingen 1980-1998, Boek I, Deel I: Algemene beginselen, Larcier, Gent, 1999, V.Z.W. Fiskofoon (Ed.), nr. 71, p. 34-42). In de geest van bedoelde rechtspraak wordt het gelijkheidsbeginsel enkel geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen niet redelijkerwijze in verhouding staan met het beoogde doel. 5. De door de rechter uitgeoefende controle is beperkt tot een marginale toetsing, waarbij de rechter zich de vraag stelt of de overheid, bij de afweging van alle in aanmerking komende belangen in redelijkheid tot het genomen besluit al dan niet kon komen (Cass. 5 okt. 1990, A.C., 1990-91, nr. 61, met conclusie van adv.-gen. D'HOORE; Cass. 6 feb. 1987, A.C., 1986-87, 757; Cass. 19 sept. 1981, Pas. 1982, I, 98); E. KRINGS, L'égalité en matière fiscale dans la jurisprudence de la Cour de Cassation, in Protection des droits fondamentaux du contribuable, Bruylant, Brussel, 1993, 82, nr. 30; F. DEBAEDTS, De algemene rechtsbeginselen in het administratief recht, in Algemene rechtsbeginselen, Kluwer Rechtswetenschappen, Antwerpen, 1991, 256; S. VAN CROMBRUGGE, De gelijkheid in het fiscaal recht, R.W., 1991-92, 1207, nr. 13; F. MEERSCHAUT, De rechtspraak van het Arbitragehof ten behoeve van de private rechtspraktijk (1992-1997), T.P.R., 1998, 950, nr. 124). Het weerhouden van een miskenning impliceert zodoende dat er in werkelijkheid een kennelijke wanverhouding bestaat (M. DE JONCKHEERE, De gemeentelijke belastingbevoegdheid. Fiscaaljuridische aspecten, die Keure, Brugge, 1996, 121, nr. 114; M. BOES, Rechter en bestuur. Redelijkheid, zorgvuldigheid en marginale toetsing, in Liber Amicorum Jan Ronse, Story-scientia, Brussel, 1986, 8; J. VAN HOUTTE, Beginselen van het Belgisch belastingrecht, Story-Scientia, Gent, 1979, 143; F. DEBAEDTS, o.c., 258). 6. Om te kunnen beslissen of het maken van categorieën van belastingplichtigen objectief en redelijk is, volstaat het, volgens de rechtspraak van Uw Hof, dat in redelijkheid blijkt dat er een objectieve verantwoording bestaat of kan bestaan voor die categorieën: aldus is niet naar recht verantwoord, het arrest dat de verantwoording van het gemaakte onderscheid tussen verschillende categorieën van belastingplichtigen verwerpt omdat de belastingheffer de vaststellingen en feiten, die aan de belasting ten gronde liggen niet voldoende bewijst (Cass. 1 okt. 1999, A.C., 1999, 496). Uw Hof oordeelde voorts dat er weliswaar geen willekeurig onderscheid mag worden gemaakt tussen belastingplichtigen, maar dat zulks niet betekent dat het criterium van onderscheid verband moet houden met de aard en het doel van de bedoelde belasting (Cass. 21 dec. 1982, A.C., 1982-83, 544; zie ook Cass. 26 jan. 1989, A.C., 1988-89, 635). 7. Uw Hof oordeelde bovendien dat de progressiviteit van de belasting op zichzelf niet tot ongelijkheid leidt, mits het gemaakte onderscheid aan de hoger aangehaalde criteria beantwoordt; daarbij is het zonder belang of de progressiviteit wordt gerealiseerd door de toepassing van verschillende en stijgende tarieven op verschillende schijven, dan wel door toepassing van een zelfde tarief op het gehele belastbare bedrag, waarbij het tarief varieert naar gelang van de schijf waarin dit belastbaar bedrag zich situeert (Cass. 30 april 1992, A.C., 1991-92, nr. 455; Arbitragehof, 14 nov. 1991, nr. 33/91). 8. Bij de beoordeling van een reglement mag de rechter zich overigens niet begeven op het terrein van de opportuniteit, de doeltreffendheid of de politieke beleidsvoering, doch enkel op het terrein van de wetmatigheid (Cass. 5 okt. 1990, A.C., 1990-91, nr. 61, met conclusie van adv.-gen. D'HOORE). Zulks impliceert dat de hoven en rechtbanken niet mogen oordelen over de vraag of de modaliteiten van de progressiviteit opportuun of wenselijk zijn (Cass. 30 april 1992, A.C., 1991-92, 823; Arbitragehof, 13 jan. 1991, nr. 2/91, B.10; Arbitragehof, 4 juli 1991, nr. 20/91, nr. B.10). 9. De marginale toetsing van het belastingreglement aan het gelijkheidsbeginsel door de appelrechters lijkt mij in casu correct te zijn gebeurd, zodat hun besluit dat het reglement het gelijkheidsbeginsel niet schendt, niet "ingaat tegen de bepalingen van de artikelen 10 en 11 Gw.". De appelrechters oordelen mijns inziens terecht dat in zoverre de toepassing van de minimumbelasting, waarin het litigieuze belastingreglement voorziet, leidt tot de gelijke behandeling van personen wier toestand niet gelijk is, deze gelijke behandeling gegrond is op een objectief criterium, namelijk de noodzaak om de administratieve kost van de belastingheffing te dekken (dus om geen belasting te heffen die meer kost dan ze opbrengt). De rechters stellen ook vast dat de gelijke behandeling redelijk verantwoord is omdat de minimumbelasting voor elk van de betrokkenen een haalbare kaart is en een minimale vergoeding uitmaakt die in verhouding staat tot het voordeel dat zij halen uit het beleid van de provincie. 10. Een aantal argumenten die voor de fiscale rechter werden aangevoerd om het discriminatoire karakter van het belastingreglement te bepleiten worden voor ons Hof niet herhaald: het verschil in minimumtarief voor gezinnen en bedrijven en de beweerde ongelijke behandeling van sedentaire en niet sedentaire vrije beroepers. Het voornaamste argument dat voor het Hof wordt aangevoerd is dat het minimumtarief discriminerend werkt doordat het alle bedrijven waarvan de oppervlakte van de vestiging niet meer bedraagt dan 4.437,5 m² aan het minimumtarief belast. Dat de eiseres met een vestiging van minder dan 30m² aan hetzelfde tarief wordt belast als een bedrijf met een vestiging van meer dan 100 maal die oppervlakte acht de eiseres onaanvaardbaar. Punt b.1. van de grieven, geeft geen kritiek op het arrest, noch op het belastingreglement, maar somt een aantal hoofdlijnen van de rechtspraak over het gelijkheidsbeginsel op. Punt b.2. bevat geen kritiek op het arrest. Ook het belastingreglement wordt niet echt bekritiseerd. Het punt peilt alleen naar het doel van het belastingreglement. Punt b.3. bevat evenmin kritiek op het arrest, noch op het belastingreglement. Het stelt enkel dat de differentiëring van het belastingtarief ten aanzien van gezinnen en bedrijven niet verantwoord wordt in het belastingreglement. Punt b.4. wil aantonen dat het belastingreglement personen die aan het minimumtarief van de algemene provinciale belasting bedrijven zijn onderworpen discrimineert, doordat bedrijven met een zeer kleine vestiging en bedrijven met een grotere vestiging aan hetzelfde tarief worden belast. De appelrechters hebben deze kritiek mijns inziens terecht van de hand gewezen. Een minimumtarief impliceert noodzakelijk dat personen wier toestand niet gelijk is aan hetzelfde tarief worden belast. De geldigheid van een minimumtarief wordt niet betwist in de rechtspraak. Ook het middel aanvaardt dat een minimumtarief kan gehanteerd worden, maar meent dat dit in casu niet consequent is gebeurd. Het minimumtarief voor bedrijven is ook niet exorbitant, maar voor ieder bedrijf haalbaar, zoals de appelrechters terecht oordelen. Mijns inziens slaat de kritiek dan ook eerder op de opportuniteit van het belastingtarief en niet op de grondwettigheid van de belasting. Het punt gaat er ook ten onrechte vanuit dat de provinciale belasting op de oppervlakte slaat. De oppervlakte van de vestiging speelt wel een rol bij de tarifering, als indicator voor de mate waarin de belastingplichtige voordeel haalt uit het provinciaal beleid, maar het is niet de oppervlakte als dusdanig die wordt belast maar wel het hebben van een vestiging. In zoverre het middel aldus uitgaat van een verkeerd uitgangspunt, mist het feitelijke grondslag. Eiseres toont mijns inziens geenszins aan dat het belastingreglement niet verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel. Bijgevolg toont zij evenmin aan dat het bestreden arrest, dat het reglement niet ongrondwettig acht, "ingaat tegen de bepalingen van de artikelen 10 en 11". 11. De rechtspraak heeft zich tot op heden nog niet uitgesproken over de precieze vraag die ons hier bezig houdt, namelijk of een belastingtarief dat een combinatie is van een vaste minimumbelasting met een variabele belasting in functie van de gebruikte oppervlakte het gelijkheidsbeginsel schendt indien het ertoe leidt dat belastingplichtigen gelijk worden belast hoewel de oppervlakte die zij gebruiken (aanzienlijk) verschilt. Wel heeft ons Hof zich reeds uitgesproken over de verenigbaarheid van progressieve belastingen met het gelijkheidsbeginsel. Daaruit blijkt dat de tariefstructuur in overeenstemming moet zijn met het gelijkheidsbeginsel (Cass. 30 april 1992, A.R. F.1138.F, nr. 455; Cass. 15 jan. 2004, A.R. F.02.0006.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040115.9, nr. 24; E. VAN DOOREN, "De lokale belastingbevoegdheid en de constitutionele bevoegdheidsbeperkingen op basis van het gelijkheidsbeginsel" in Jaarboek Lokale en regionale belastingen, Die Keure, 2000, 105) Uit de algemene regels inzake de toepassing van het gelijkheidsbeginsel in fiscalibus, die kunnen worden afgeleid uit de hoger geciteerde rechtspraak, volgt mijns inziens duidelijk dat de combinatie binnen de tariefstructuur van een variabele belasting en een vaste minimumbelasting het gelijkheidsbeginsel niet noodzakelijk schendt. Als de toestand van de belastingplichtigen die aan de minimumbelasting worden onderworpen voldoende vergelijkbaar is in functie van het doel van de belasting, is er geen sprake van gelijke behandeling van ongelijke situaties. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de rechtspraak van de hoogste rechtscolleges aanvaardt dat de fiscale wetgever de complexe werkelijkheid via benaderende categorieën mag vatten (Cass. 6 mei 1999, A.R. F.98.0088.F, nr. 265; Arbitragehof nr. 152/2004, 15 sept. 2004, FJF 2004, nr. 2004/271). En zelfs als de belastingplichtigen die onder de minimumbelasting vallen, zich niet in een vergelijkbare toestand bevinden, is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden indien de gelijke behandeling van verschillende belastingplichtigen berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is. 12. De appelrechters oordelen in deze dat de gelijke behandeling van alle belastingplichtigen die volgens de basisformule een lagere belasting dan de minimumbelasting zouden verschuldigd zijn, verantwoord is door de noodzaak om de administratieve kost van de belastingheffing te dekken en dat de gevraagde minimumbelasting voor alle betrokkenen een haalbare kaart is en een billijke bijdrage gelet op het voordeel dat zij via hun vestiging halen uit het provinciale beleid. Aldus geven zij te kennen dat de gelijke behandeling berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is. Zij toetsen de aanwezigheid van een redelijke verantwoording aan het doel en de gevolgen van het provinciaal belastingreglement. Mijns inziens belet het gelijkheidsbeginsel op zich inderdaad niet dat een gemengde tariefstructuur wordt gehanteerd in een belastingreglement, voor zover voor die gemengde structuur een redelijke verantwoording voorhanden is. Een minimumbelasting is mijns inziens verantwoord wanneer ze nodig is om te vermijden dat een onbeperkt toegepast variabel tarief de belastingoverheid zou verplichten om aanslagen te vestigen die meer kosten dan ze opbrengen. Het doel van de belasting is om de kas te spijzen, het is dan ook redelijk dat geen aanslagen worden gevestigd die een omgekeerd effect hebben. De appelrechters beslissen dan ook naar recht dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is. Het middel komt dan ook ongegrond voor. Besluit: VERWERPING. ARREST Gerelateerde publicatie(
  2. s)Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001117.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040115.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.