id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091222.1 Rolnummer: P.09.0701.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-01-12 Raadplegingen: 336 - laatst gezien 2026-07-02 20:52 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.1 Fiches 1 - 2 Wanneer een beklaagde bij eenzelfde akte gelijktijdig vervolgd wordt wegens verschillende strafbare feiten waarvoor de bestraffing ten tijde van die feiten verschilt van deze ten tijde van het vonnis, moet de feitenrechter eerst voor elk feit afzonderlijk nagaan welke de minst zware straf is zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, Strafwetboek en nadien indien hij samenloop tussen die feiten vaststelt, welke van die straffen de zwaarste straf is, zoals bedoeld in artikel 65 Strafwetboek; voor het bepalen van de minst zware straf, zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, Strafwetboek met betrekking tot de toepassing van de strafwet in de tijd, worden in eerste instantie de hoofdgevangenisstraffen in aanmerking genomen en niet de bijkomende straffen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Zwaarste straf Vrije woorden: Bepaling - Bestraffing verschillend ten tijde van de feiten en ten tijde van het vonnis - Toepassing Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Meerdaadse UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Zwaarste straf Vrije woorden: Zwaarste straf - Bepaling Fiches 3 - 4 Wanneer de feitenrechter de feiten bewezen verklaart op grond van de wettelijke bepalingen van toepassing ten tijde van het arrest, inzonderheid de artikelen 433decies, 433undecies en 433terdecies Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 16 van de wet van 10 augustus 2005, waarbij de bij artikel 433undecies, 1°, Strafwetboek bepaalde hoofdgevangenisstraf minder zwaar is dan de ten tijde van het misdrijf in artikel 77bis, § 2, (oud) Vreemdelingenwet bepaalde hoofdgevangenisstraf in geval van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt, dient de bestraffing in al zijn onderdelen te gebeuren met toepassing van de nieuwe wet, daarin begrepen de bijkomende straf van bijzondere verbeurdverklaring zoals bepaald in het nieuwe artikel 433terdecies Strafwetboek, thans verplicht gesteld zelfs in geval de zaken waarop zij betrekking heeft, niet het eigendom van de veroordeelde zijn
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Zwaarste straf Vrije woorden: Werking in de tijd - Straf - Zwaarste straf - Bepaling - Bestraffing verschillend ten tijde van de feiten en ten tijde van het vonnis - Toepassing Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Zwaarste straf Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring van artikel 433terdecies Strafwetboek - Bestraffing verschillend ten tijde van de feiten en ten tijde van het vonnis - Toepassing Fiches 5 - 6 Conclusie van eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Zwaarste straf Vrije woorden: Bepaling - Bestraffing verschillend ten tijde van de feiten en ten tijde van het vonnis - Toepassing Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Meerdaadse UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Zwaarste straf Vrije woorden: Zwaarste straf - Bepaling Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ P.09.0701.N Conclusie van eerste advocaat-geneaal M. DE SWAEF:
- De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest dat op 24 maart 2009 werd gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. Beide eisers in cassatie werden als dader of mededader vervolgd uit hoofde van: * 'huisjesmelkerij', i.e. overtreding van de artikelen 77bis, § 1bis, § 2 en § 4 en 80 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna Vreemdelingenwet genoemd), met de omstandigheid dat van de betrokken activiteit een gewoonte werd gemaakt en met aanneming van verzachtende omstandigheden opzichtens beiden; inzonderheid werden twee feiten van kamerverhuur verweten (tenlasteleggingen A.a en A.b) in de periode van 10 september 1998 tot en met 2 april 2004; * overtreding, minstens vanaf 1 september 2000 tot en met 2 april 2004, van de artikelen 1, 2, 4, 6, 7, 8, 10, 17 en 23 van het Vlaamse decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen van kamers en studentenkamers (tenlastelegging B). Het beroepen vonnis van 6 juni 2005 van de correctionele rechtbank te Gent veroordeelde de beide eisers in cassatie wegens voormelde incriminaties. Onder meer werd lastens ieder de bijzondere verbeurdverklaring bevolen ten bedrage van 21.213,74 EUR als wederrechtelijke vermogensvoordelen rechtstreeks bekomen uit de tenlasteleggingen A.a en A.b.
- Op de hoger beroepen van de eisers in cassatie en van het openbaar ministerie brachten de appelrechters ter terechtzitting van 21 oktober 2008 de eisers ter kennis dat de sub A.a en A.b ten laste gelegde feiten thans strafbaar gesteld worden door de artikelen 433decies, 433undecies en 433terdecies Sw., ingevoerd bij artikel 16 van de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers. De heromschreven feiten bleven daarbij identiek en de eisers hebben er zich, hierover ingelicht, op kunnen verdedigen. Op dezelfde terechtzitting werden de eisers eveneens in kennis gesteld van een actualisatie met betrekking tot tenlastelegging B als gevolg van een wijzigingsdecreet van 7 juli
- In het bestreden arrest van 24 maart 2009 worden de beide eisers in cassatie opnieuw schuldig geacht aan alle ten laste gelegde feiten in de aangepaste omschrijvingen. Tevens vormen zij de uiting van eenzelfde strafbaar opzet. Inzake straftoemeting bevestigen de appelrechters de voormelde voordeelsontneming en verklaren zij bovendien de verhuurde en aan de beide eisers toebehorende woning met eenparige stemmen verbeurd. Zij menen hiertoe verplicht te zijn op grond van artikel 77bis, § 5 Vreemdelingenwet en de artikelen 42,1°, 43 en 433terdecies Sw.
- De eisers in cassatie voeren één cassatiemiddel aan. De grief stoelt in hoofdorde op artikel 77bis, § 5 Vreemdelingenwet en de toepassing ervan met betrekking tot de bijzondere verbeurdverklaring van het onroerend goed op grond van de telastlegging A. Het bestreden arrest zou er ten onrechte van uitgegaan zijn dat de confiscatie krachtens deze wetsbepaling verplicht was, daar waar dit enkel geldt voor zover de betrokken zaak die gediend heeft voor het plegen van het misdrijf, eigendom zou zijn van de veroordeelden. Te dezen is het kwestieuze pand evenwel niet de eigendom van één van de beide eisers, maar behoort het aan elk van hen slechts toe in mede-eigendom ten belope van een onverdeeld aandeel van ieder de helft. Dienvolgens kon het volgens de eisers slechts om een facultatieve verbeurdverklaring gaan. Door louter te refereren naar de verplichte aard van de maatregel, verantwoorden de appelrechters hun beslissing bij gebreke aan nadere redengeving niet regelmatig en schenden zij artikel 195 Sv.
- De wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers heeft van huisjesmelkerij een autonoom misdrijf gemaakt. Met ingang van de inwerkingtreding ervan op 12 september 2005 gaat het derhalve niet langer om een bijzondere vorm van mensenhandel zoals tot dan toe bepaald werd in de Vreemdelingenwet van 15 december
- Beide wetgevingen bevatten bepalingen nopens de bijzondere verbeurdverklaring van de voor de huisjesmelkerij aangewende roerende en/of onroerende goederen. De strafrechter kan deze confiscatie zoals bedoeld in artikel 42,1° Sw. cumulatief met een bijzondere verbeurdverklaring van de illegale vermogensvoordelen, in casu veelal de gegenereerde huurgelden, overeenkomstig artikel 42,3° Sw., opleggen. Onder de oude wetgeving en door de combinatie van artikel 77bis, § 5 Vreemdelingenwet met de artikelen 42,1° en 43 Sw. werd de verbeurdverklaring van de gebruikte goederen als obligaat beschouwd voor zover de betrokken zaken de veroordeelde toebehoorden. In het andere geval kon de strafrechter onder vigeur van artikel 77bis, § 5 Vreemdelingenwet optioneel beslissen. In de vigerende wetgeving bepaalt artikel 433terdecies Sw. dat zelfs indien de zaken waarop zij betrekking heeft niet het eigendom van de veroordeelde zijn, de bij artikel 42,1° Sw. voorgeschreven bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk is op diegenen die schuldig zijn aan het delict bedoeld in artikel 433decies Sw., c.q. misbruik maken van andermans bijzonder kwetsbare positie door de verkoop, verhuur of terbeschikkingstelling van goederen met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren.
- Het bestreden arrest oordeelt dat de verplichte verbeurdverklaring van het onroerend goed afgeleid wordt uit de toepassing van de artikelen 77bis, § 5 Vreemdelingenwet en de artikelen 42,1°, 43 en 433terdecies Sw. Aangezien zowel naar de oude als naar de gewijzigde wetsbepaling gerefereerd wordt, komt het er te dezen op aan na te gaan welke bepaling de beslissing van de bedoelde confiscatie precies schraagt en welke aangehaalde bepaling mitsdien als overtollig te beschouwen is. Deze beoordeling dient bovendien plaats te grijpen in het licht van de herkwalificatie door de appelrechters van de sub A.a en A.b ten laste gelegde feiten. Deze feiten omvatten immers een incriminatieperiode van 10 september 1998 tot en met 2 april 2004 en situeren zich derhalve integraal voor de inwerkingtreding van de wet van 10 augustus 2005 en de behandeling van de zaak voor het hof van beroep. Artikel 2, lid 2 Sw. bepaalt dat in dergelijk geval de minst zware straf toegepast wordt. De strafwet die een gevangenisstraf bepaalt met een lager maximum bevat dergelijke minst zware straf
(1). Om de zwaarte van de correctionele straffen te bepalen, komen bovendien enkel de hoofdstraffen en niet de bijkomende straffen zoals de bijzondere verbeurdverklaring, van welke aard ook, in aanmerking
(2). In de aanvankelijke omschrijving van de bewezen verklaarde feiten sub A wordt de straf bepaald door artikel 77bis, § 2 Vreemdelingenwet en bepaalt deze een opsluiting van 5 tot 10 jaar. Na heromschrijving als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 10 augustus 2005 bepaalt artikel 433undecies, 1° Sw. voor de identieke feiten een hoofdgevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar, wat milder is dan voorheen. De appelrechters verklaren de sub A.a en A.b ten laste gelegde feiten dan ook terecht bewezen op grond van de geldende bepalingen op het ogenblik van de behandeling van de zaak zoals heromschreven in de kwalificatie. In navolging van de vonnisrechter wordt artikel 2, lid 2, Sw. bovendien uitdrukkelijk in het bestreden arrest aangehaald.
- De bijzondere verbeurdverklaring van het onroerend goed van de eisers in cassatie werd derhalve onmiskenbaar uitgesproken krachtens het actuele artikel 433terdecies Sw. In zoverre de appelrechters daarbij ook melding maken van het oude artikel 77bis, § 5 Vreemdelingenwet, moet dit als overbodig beschouwd worden en niet constitutief voor de opgelegde confiscatie van het kwestieuze pand. Het cassatiemiddel gaat er anderdeels van uit dat de appelrechters ten onrechte geoordeeld hebben dat de confiscatie op grond van artikel 77bis, § 5 Vreemdelingenwet verplicht was, daar waar dit enkel vereist zou zijn in zoverre de betrokken zaak die gediend heeft voor het plegen van het misdrijf, eigendom is van de veroordeelden. De eisers houden bijgevolg foutief voor dat het bekritiseerde arrest de verbeurdverklaring van de woning uitgesproken heeft onder vigeur van deze wetsbepaling. Het middel faalt hierdoor naar recht.
- In de hypothese dat, zoals de eisers in cassatie aanvoeren, de in het bestreden arrest uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring toch geënt zou zijn op artikel 77bis, § 5 Vreemdelingenwet, moet in louter subsidiaire orde geattendeerd worden op de omstandigheid dat een mede-eigenaar ook als een eigenaar geapprecieerd moet worden en niet als een niet-eigenaar. De eisers werpen immers op dat het onroerend goed niet de eigendom is van één van hen, maar aan ieder van hen slechts toebehoort in mede-eigendom ten belope van een onverdeeld aandeel van elk de helft. Derwijze zou geen van beiden als eigenaar beschouwd kunnen worden. Deze opvatting is te dezen zowel feitelijk als juridisch onjuist. Vooreerst werden de beide eisers, die echtgenoten zijn, vervolgd en met gelijke straffen veroordeeld voor identieke feiten van huisjesmelkerij. Er zijn dus geen niet-veroordeelde derde-eigenaars. Daarnaast moet het de strafrechter steeds naar recht toegelaten geacht worden de bijzondere verbeurdverklaring van een onroerend goed uit te spreken zonder deze maatregel te beperken tot het onverdeelde aandeel van iedere veroordeelde, ten minste voor zover dit voorwerp van de confiscatie geïdentificeerd kan worden en voor zover het pand op rechtstreekse wijze aan de feiten van huisjesmelkerij gerelateerd kan worden. Het Hof besliste met een arrest van 10 februari 1999 reeds in dezelfde zin in een geval van mede-eigendom tussen de veroordeelde en een niet-veroordeelde echtgenote
(3). A fortiori kan uit de omstandigheid dat alle veroordeelden eigenaar van de verbeurdverklaarde woning zijn
(4), dan ook niet naar recht besloten worden dat niet beantwoord wordt aan de eigendomsvereiste zoals bepaald in de artikelen 42,1° en 433terdecies Sw., maar evenzeer in artikel 77bis, § 5 Vreemdelingenwet. In deze hypothese faalt het aangevoerde middel eveneens naar recht. Conclusie: verwerping van de cassatieberoepen. ______________
(1)Cass. 15 jan. 1968, Arr.Cass. 1968, 666; Cass. 1 april 1968, Arr. Cass. 1968, 1003; Cass. 27 mei 1968, Arr.Cass. 1968, 1177.
(2)Cass. 11 feb. 2003, AR P.02.0734.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030211.7, Arr.Cass. 2003, 360; Cass. 15 juni 2005, P.05.0278.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050615.25, Arr.Cass. 2005, 1332, Rev.dr.pén. 2006, 115, noot G. RANERI.
(3)Cass. 10 feb. 1999, AR P.98.0826.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990210.10, Arr.Cass. 1999, 175 en R.Cass. 1999, 342, noot G. STESSENS.
(4)Dit dient steeds beoordeeld te worden op het ogenblik van het plegen van het misdrijf. Cfr. Cass. 25 nov. 2008, AR P.08.0951.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.5, Arr.Cass. 2008, 2714 en R.A.B.G. 2009, 464, noot J. ROZIE. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990210.10 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030211.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050615.25 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div