id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091222.2 Rolnummer: P.09.0941.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-12 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-07-02 20:53 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.2 Fiche 1 Artikel 96, §4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 stelt de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal tot weerlegging van het vermoeden van vergunning niet afhankelijk van zijn ontstaan binnen een bepaalde termijn vanaf het oprichten van de constructie; de omstandigheid dat dit bewijsmateriaal wordt toegelaten ofschoon het dateert van na de verjaring van het bouwmisdrijf of geruime tijd na de verwerving van het onroerend goed, houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Vergunning Vrije woorden: Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Toelaatbaarheid Fiche 2 Het weerlegbare vermoeden van artikel 96, §4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 berust op de afwezigheid van enig daarmee strijdig bewijsmateriaal, getuigen uitgezonderd, waaruit het ontbreken van de vereiste vergunning kan worden afgeleid; een exploot van dagvaarding wegens een stedenbouwmisdrijf kan dit vermoeden weerleggen, ook al levert het als daad van vervolging op zich nog niet het materiële bewijs van het stedenbouwmisdrijf; dit geldt evenzeer wanneer de dagvaarding dagtekent van na de inwerkingtreding van voormeld artikel 96, §4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Vergunning Vrije woorden: Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Exploot van dagvaarding wegens stedenbouwmisdrijf - Toelaatbaarheid Fiches 3 - 4 Conclusie van eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Vergunning Vrije woorden: Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Toelaatbaarheid Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Exploot van dagvaarding wegens stedenbouwmisdrijf - Toelaatbaarheid Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ Nr P.09.0941.N Conclusie van de eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF:
- Op 15 juli 1983 kochten de eisers bij notariële akte een perceel met chalet te Rotselaar. Het chalet werd in 1970 door hun rechtsvoorganger opgetrokken. In 1977 werd het gebied waarin het chalet werd opgetrokken aangeduid als natuurgebied door het Gewestplan Leuven. In 2002 werd een proces-verbaal opgemaakt door de stedenbouwkundige inspecteur waarin wordt vastgesteld dat op het bedoelde perceel een chalet werd gebouwd en in stand gehouden zonder vergunning. De eisers worden vervolgd voor het instandhouden van het zonder bouwvergunning opgetrokken chalet en zij worden ingevolge het bestreden arrest veroordeeld tot een geldboete. Naar aanleiding van de door de stedenbouwkundige inspecteur ingestelde herstelvordering worden de eisers eveneens veroordeeld tot afbraak van het chalet. In hun cassatievoorziening voeren de eisers twee middelen aan.
- Artikel 96, §4, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zoals gewijzigd door het Decreet van 4 juni 2003 (hierna: decreet 1999) creëert een vermoeden van vergunning niet alleen voor de gebouwen opgericht vóór de inwerkingtreding van de stedenbouwwet van 29 maart 1962, maar ook in geval de gebouwen werden opgericht na de inwerkingtreding van die wet maar vóór de allereerste definitieve vaststelling van het gewestplan. Het vermoeden van vergunning voor de gebouwen opgericht na 1962 is evenwel een weerlegbaar vermoeden. Zo is er geen vermoeden van vergunning indien de overheid door enig bewijsmateriaal, met uitzondering van getuigenverklaringen kan aantonen dat de constructie in overtreding werd opgericht.
(1)Daarbij duidt de decreetgever onder meer een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift als bewijsmiddel aan.
- In de hier voorliggende zaak beroepen de eisers zich op het weerlegbaar vermoeden van vergunning bedoeld in artikel 96, §4, Decreet 1999 aangezien het chalet in kwestie werd opgericht in 1970, i.e. na 1962 maar vóór het Gewestplan Leuven dat dateert van
- De appelrechters zijn van mening dat het vermoeden van vergunning in principe hierop wel van toepassing is, doch zij stellen vast dat in deze zaak de overheid het bewijs van het tegendeel levert. Meer bepaald oordelen de appelrechters op basis van het strafdossier dat genoegzaam het bewijs blijkt dat het chalet in overtreding werd opgericht. Ze steunen dit besluit op het proces-verbaal van vaststelling van 22 april 2002 waarin werd vastgesteld dat het chalet werd gebouwd zonder vergunning.
- In het tweede onderdeel van het eerste middel kaarten de eisers het probleem aan van de datering van de bewijsmiddelen. Inderdaad rijst in verband met het tegenbewijs van het vermoeden van vergunning de vraag of het bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de constructie in overtreding werd opgericht, moet dateren van vóór de definitieve vaststelling van het gewestplan of dat het ook om een recent verkregen middel kan gaan.
(2)Deze vraag stelt zich vooral bij de processen-verbaal omdat die kunnen dateren van ten tijde van de oprichting of van nadien: indien men er van uitgaat dat een proces-verbaal de vaststelling van de feitelijke toestand op een bepaald moment is dan lijkt het logisch dat voor de toepassing van het vermoeden het proces verbaal niet kan dateren van een tijdstip dat ver verwijderd is van het misdrijf van oprichting van het chalet.
(3)Aldus zou het proces-verbaal van 2002 waarop de appelrechters in de huidige zaak steunen niet in aanmerking kunnen worden genomen. 5. Een dergelijke oplossing vindt men terug in de rechtsleer,
(4)en werd trouwens toegepast in het nieuwe artikel 106 van het Decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid.
(5)Ingevolge dit nieuw decreet geldt het vermoeden van vergunning "tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie." Niet alleen worden de bewijsmiddelen aan banden gelegd, er wordt ook een beperking in de tijd opgelegd. Het is immers de bedoeling van de decreetgever om te voorkomen dat niet duidelijk zou zijn welke het wettelijke kader was op het ogenblik van de feiten. Men wil dus vermijden dat bewijsmateriaal zou gefundeerd zijn op reglementering of toestanden die onmogelijk in redelijkheid kon voorzien zijn bij de uitvoering van de vergunningsplichtige handelingen.
(6)De decreetgever wijst ook op de rechtszekerheid die deze oplossing biedt.
(7)
(8)
(9)- Dit decreet is nochtans geen interpretatief decreet en men kan er niet omheen dat in deze zaak de oude bepaling van het decreet werd toegepast dat een veel ruimer tegenbewijs toelaat. Dienaangaande bevestigde uw Hof in het hoger aangehaalde arrest van 8 november 2007 dat uit artikel 96, §4, van het decreet 1999 volgt dat voor de in deze wetsbepaling vermelde constructies een weerlegbaar vermoeden van vergunning voorhanden is, met mogelijkheid van tegenbewijs door de overheid, die hiertoe alle middelen, behoudens tegenbewijs kan aanwenden. In die concrete zaak oordeelde het Hof dat uit de bepaling niet volgt dat de afwezigheid van vermelding in het gemeentelijk register van bouwaanvragen en bouwvergunningen nooit als tegenbewijs in aanmerking zal worden genomen. Een dergelijke oplossing dient zich m.i. ook aan in de voorliggende zaak. Ook voor het door de overheid hier aangevoerde PV geldt eenzelfde bewijswaarde. Er kan dus niet zonder meer worden voorgehouden dat het PV in kwestie in geen geval in aanmerking kan worden genomen. De beslissing van de appelrechters op dit punt draagt hun beslissing dat de constructie in overtreding werd opgericht. Derhalve kunnen noch het tweede, noch het derde onderdeel van het eerste middel aanleiding geven tot cassatie.
- De overige grieven die een schending van de motiveringsverplichting inroepen en die tegen het bestreden arrest aanvoeren dat het de rechtsmacht van de rechter heeft beperkt en dat het de last van eiser in concreto niet heeft getoetst, missen gelet op de door de appelrechters gemaakte overwegingen, feitelijke grondslag. Conclusie: verwerping _____________
(1)Zie ook: Cass. 8 nov. 2007, C.06.0624.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071108.5, A.C., 2007, nr 536.
(2)P. Flamey, J. Bosquet en F. Judo (eds), Handhavings-en verjaringsdecreet Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw, Larcier 2004, 35, nr. 58.
(3)Ibid.
(4)P. Flamey, J. Bosquet en F. Judo (eds), Handhavings-en verjaringsdecreet Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw, Larcier 2004, 35, nr. 58. Nochtans is Boes van mening dat de verantwoording in het amendement dat aan deze bepaling ten grondslag ligt niet uitsluit dat ook bewijsmateriaal van latere datum in aanmerking komt (M. Boes, "Verjaring van stedenbouwmisdrijven", R.W. 2003-04, afl. 16, 611).
(5)B.S. 15/05/2009.
(6)Memorie van Toelichting bij het Decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings, vergunningen- en handhavingsbeleid, stuk 2011 (2008-2009), nr. 1, 108.
(7)Ibid. p.109, eerste alinea.
(8)In de memorie van Toelichting wordt gesteld dat "de nieuwe elementen in de regeling van de vermoedens van vergunning (inzonderheid de beperking van de weerleggingsmogelijkheden) wel dienen te worden gehanteerd in hangende gedingen. Memorie van Toelichting bij het Decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings, vergunningen- en handhavingsbeleid (Stuk 2011 (2008-2009), nr. 1, 111). M.i. geldt deze overweging ook ten aanzien van het beperken van de termijn. Een eventuele verwijzing zou dus normaal gezien tot gevolg hebben dat de rechter waarnaar verwezen wordt de bepalingen van het nieuwe decreet moet toepassen. Het decreet is in werking getreden op 1 september 2009.
(9)Voor zoveel als nodig wordt nog opgemerkt dat uit de memorie van toelichting bij het decreet blijkt dat bij de parlementaire voorbereiding omtrent het dossier van de vermoedens van vergunning ook gesteld is dat aan de verjaring "ook de vergunbaarheid gekoppeld [moet] worden, anders blijft de rechtsonzekerheid bestaan". Zodoende werd in de tekst van artikel 106, §2, tweede lid, van het nieuwe decreet bepaald dat het weerlegbaar vermoeden van vergunning niet meer kan worden weerlegd indien de constructie één jaar als vergund geacht is opgenomen in het vergunningenregister waarbij de eerste startdatum voor die termijn van één jaar de datum van inwerkingtreding van voorliggend ontwerpdecreet is. Een normaal zorgvuldige overheid is er immers toe gehouden om de vergunningstoestand van een constructie terdege na te gaan, alvorens die constructie in het vergunningenregister wordt opgenomen. Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel zou daarom vereisen dat de inschrijving als "vergund geacht" aldus na een redelijke termijn van één jaar onaantastbaar wordt (Memorie van Toelichting bij het Decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings, vergunningen- en handhavingsbeleid, stuk 2011 (2008-2009), nr. 1, 109, nr. 360 en 361). Artikel 106, §2, tweede lid, in fine, DORO bepaalt evenwel dat deze beperking (die erin bestaat dat de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren ook wordt gekoppeld aan opname in het vergunningenregister") in ieder geval niet geldt voor een constructie die gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied, zoals dit het geval is in de voorliggende zaak. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071108.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div